STIJN STREUVELS

Voor een volledige levensbeschrijving van Stijn Streuvels verwijzen we naar de talrijke publicaties die over hem verschenen en in het bijzonder naar de recentere werken van de omstreden Streuvelsbiograaf H. Speliers . Ook Streuvels' eigen gedenkschriften leveren heel wat informatie omtrent zijn leven. We zullen hier vooral uitvoeriger ingaan op de jaren 1919-1924, de periode die de briefwisseling Streuvels-De Bock bestrijkt.

Streuvels werd geboren als Franciscus Lateur te Heule op 3 oktober 1871. Zijn moeder was Marie Louise Gezelle, de zuster van Guido Gezelle, zijn vader Kamiel Lateur, een kleermaker. Frans Lateur liep achtereenvolgens school te Heule (waar hij in 1877 voor het eerst Hugo Verriest ontmoette) en te Avelgem, aan het 'Pensionnat du Bien-heureux Jean Berchmans'. Op 14-jarige leeftijd verliet hij de school en werd bakkersgast om het vak te leren. De bedoeling was dat hij later de bakkerij van zijn twee ooms-vrijgezellen (Victor 'Fik' en Charles 'Sarel' Lateur) te Avelgem zou overnemen. Intussen had hij in 1885-86 enkele schetsen geschreven, die veel succes oogstten in zijn school. In mei 1887 namen Streuvels' ouders in Avelgem de bakkerij van de gebroeders over. Streuvels werd actief in de plaatselijke muziekmaatschappij en toneelvereniging en organiseerde een drietal feeststoeten. Van 1889 tot 1891 leerde Streuvels banketbakken in Brugge bij de gebroeders Van Mullem. Dat verblijf verruimde zijn horizon; o.a. door schouwburg- en museumbezoeken en een groeiende belangstelling voor boeken. Bij de loting van februari 1890 werd hij uitgeloot, zodat hij geen soldaat hoefde te worden. Terug te Avelgem volgde hij eerst een Duitse avondcursus aan het Sint-Jan Berchmans Instituut, zijn voormalige school. Hij hield een voordracht over letterkunde voor de oud-leerlingen, speelde mee in het toneel en toonde belangstelling voor de fotografie. In de jaren 1892-1893 vestigde hij zich als zelfstandig bakker in de zaak van zijn ooms te Avelgem, waar hij een dagboek bijhield en zijn eerste stappen zette in de literaire wereld.

Ondertussen begon zijn literaire belangstelling te groeien en werd hij door een geweldige leeshonger gegrepen. Hij las zonder enige systematiek alles wat hij kon verkrijgen en leerde op eigen houtje Duits, Engels en Noors om de wereldliteratuur in oorspronkelijke vorm te kunnen lezen. Omstreeks 1893 begon Lateur als stijloefening uit het Frans literaire bijdragen te vertalen, en gedichten en verhalen te schrijven. In 1894 nam hij deel aan een letterkundige prijsvraag uitgeschreven door De jonge Vlaming uit Brussel. Het volgend jaar nam deze zijn schets "November Idylle" op, ondertekend met het pseudoniem 'Pijm', en verschenen in het weekblad Vlaamsch en Vrij uit Antwerpen een reeks verhalen en gedichten, die zijn nieuwe pseudoniem spoedig bekend zouden maken. De volgende maanden breidde hij zijn medewerking uit tot Biekorf en Ontwaking, waarop hij in mei 1896 aangeschreven werd door K. van de Woestijne en E. de Bom, die hem voorstelden mee te werken aan Van nu en Straks . Met de Bom raakte hij van dan af intiem bevriend. Nog hetzelfde jaar publiceerde dat tijdschrift een eerste bijdrage van Streuvels, het verhaal "Een Ongeluk". Dankzij deze uitnodiging tot medewerking aan het avant-gardistische tijdschrift kwam hij in hogere literaire kringen terecht, waar de open sfeer en de objectieve kritiek zijn ontplooiing als auteur hielpen realiseren. Tot het verdwijnen van Van Nu en Straks in 1901 bleef Streuvels bijdragen leveren.

Ondertussen had Streuvels een keuze gemaakt uit zijn reeds verschenen werk. In april 1899 verscheen zijn eerste bundel Lenteleven in de Duimpjesreeks van de Maldegemse uitgever Victor de Lille. Het betrof een verzamelwerk van de beste schetsen en novellen die hij tot dan toe geschreven had. Het boekte lokte hevige reacties uit in katholieke milieus, die hem het realisme van sommige verhalen verweten, maar daar stoorde Streuvels zich niet aan.. In dezelfde periode begon hij zijn verhalen ook in Noord-Nederlandse tijdschriften (voor) te publiceren, alvorens die in boekvorm werden uitgegeven. Het eerste Nederlandse tijdschrift waaraan hij meewerkte was De Tuin, later volgden het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De Nieuwe Gids, De Gids, De Beweging van Verwey (waarin ook De Bock zou publiceren), Groot Nederland en De Tijdspiegel, het tijdschrift van zijn latere uitgever Lambertus-Jacobus Veen. In april-mei 1900 doen drie Nederlandse uitgevers hem voorstellen om zijn werk uit te geven. Na advies van zijn vriend 'Mane' de Bom opteert Streuvels voor de uitgeverij L.J. Veen te Amsterdam.

Reeds in 1901 werd hem het ere-lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden aangeboden en in 1903 stelden de Belgische Academies hem, samen met Maeterlinck en Gilkin, kandidaat voor de Nobelprijs; een initiatief dat geen resultaat opleverde. Ondertussen werd zijn verlangen sterker om zich uit het bakkersvak terug te trekken en zich in stilte en afzondering volledig aan de literatuur te wijden. Dat werd mogelijk gemaakt toen zijn oom overleed en de bakkerij aan de familie Lateur in eigendom kwam. Dit stelde Streuvels in de winter van 1899 in de gelegenheid een stuk grond te kopen in Ingooigem; zo 'n 3000 m² dicht bij de kerk waarop hij zijn landhuis, het 'Lijsternest' liet bouwen, dat in juli 1905 voltooid werd. De familiale bakkerij te Avelgem wordt overgelaten. Streuvels' moeder en zuster en broer Karel verhuisden naar Brugge en hijzelf trok naar het Lijsternest. Op 19 september 1905 huwde hij met Alida Staelens, de dochter van een landbouwer uit een der voornaamste Avelgemse families. Haar vader was tevens handelaar en deurwaarder. Streuvels was toen 34 jaar oud, kende succes met zijn geschriften en werd alsmaar bekender. In oktober 1905 ontving hij voor het eerst de Vijfjaarlijkse prijs in de Nederlandse Letterkunde. Op 12 juni 1907 werd hij, op voorstel van zijn vriend Hugo Verriest (pastoor van Ingooigem), tot briefwisselend lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde verkozen, een maand later werd hij ondervoorzitter van de Vereniging van Vlaamsche Letterkundigen (VVL), die in hetzelfde jaar was opgericht. Op 1 augustus 1907 verscheen in het maandschrift Vlaanderen zijn eerste polemische geschrift, "De Verbazing van een landman", waarin hij de houding van de Belgische bisschoppen tegenover de vernederlandsing van het hoger onderwijs in Vlaanderen hekelde. Voor het einde van dat jaar verscheen bij Veen, sinds Lenteleven zijn uitgever, Streuvels' meesterstuk De Vlaschaard. Ook een eerste uitvoerige Streuvels-biografie (door André De Ridder) zag het licht. Gedurende de periode 1899-1907 had hij dertien boeken gepubliceerd: drie romans en negen verhalenbundels.


Een tweede periode in Streuvels' leven en werk omvat de jaren 1908 tot 1925. Streuvels was een beroemd man geworden, algemeen erkend als één van de belangrijkste prozaïsten in de Nederlandse letterkunde. Het ontbrak hem dan ook niet aan eerbewijzen. Eind december 1907 werd hij tot Ridder in de Leopoldsorde benoemd, in 1910 tot erelid van het Comité flamand de France en in 1911 verkozen tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde. Datzelfde jaar kreeg hij voor de tweede keer de Vijfjaarlijkse Prijs van de Nederlandse Letterkunde, nu voor De Vlaschaard. Dit wekte wrevel bij de jongeren die zich gegroepeerd hadden rond het tijdschrift De Boomgaard (en Cyriel Buysse steunden). In 1913 besteedde Streuvels als penningmeester van het inrichtend comité veel aandacht aan de organisatie van de hulde die dat jaar op 13 augustus in Ingooigem door duizenden deelnemers aan Hugo Verriest, de 'pastoor van de lande', gebracht werd. De Eerste Wereldoorlog werd voor Streuvels een bron van moeilijkheden. Bij het uitbreken ervan bracht hij zijn gezin, dat bestond uit zijn echtgenote en twee kinderen, onder bij zijn uitgever Veen (die net als zijn collega Van Dishoeck op de gelijkvloerse verdieping van zijn uitgeverij een 80-tal vluchtelingen had ondergebracht). Als beroemd kunstenaar werd Streuvels vaak voor keuzes gesteld die hem ongewild in opspraak konden brengen. Dat gebeurde ondermeer naar aanleiding van het oorlogsdagboek dat hij van augustus 1914 tot september 1915 bijhield en dat zijn uitgever als vergoeding ontving. Enkele stukken daaruit werden namelijk gepubliceerd in het activistische blad De Vlaamsche Post als 'losprijs' voor een Duitse vergunning om in februari 1915 zijn vrouw en kinderen terug te halen. Men verweet Streuvels onvaderlandslievendheid en verraad. De zaak veroorzaakte vinnige polemieken in de Vlaams-activistische, Nederlandse en Duitse pers. In januari 1917 weigerde Streuvels deel uit te maken van de Raad van Vlaanderen. Niettemin trad hij begin 1921, zoals andere Vlaamse vooraanstaanden, toe tot het Comité tot Bevordering van Amnestie, dat d.m.v. een manifest op amnestie aandrong voor de politieke veroordeelden. In maart 1915 begon hij alsnog cultuurhistorische documentatie bijeen te brengen over Genoveva van Brabant, een 'volksboek' waarvan het eerste deel in 1918 zou verschijnen. In augustus 1917 werd hij samen met twee andere personen als gijzelaar door de Duitsers gevangen gehouden in een krotwoning wegens het ontvluchten van 'Zivilarbeiter'; door tussenkomst van invloedrijke relaties wordt hij echter vrijgelaten. In januari 1918 worden een tiental Duitsers, onder wie vijf officieren, ingekwartierd op het Lijsternest dat tijdens de gevechten in oktober 1918 zware schade leed, zodat een deel van Streuvels' archief en boekbezit verloren is gegaan. In maart 1919 maakte hij een tocht door Vlaanderen en bezocht hij het front. In september trok hij op studiereis naar Nederland en de streek van Genoveva; via Koblenz en Maria-Laach trok hij naar de Eifelstreek. Door de gebeurtenissen uit de voorbije jaren was hij ontgoocheld in de mensen en de veranderingen op allerlei gebied die de Oorlog teweeggebracht had, versomberden zijn gemoed. Voor de jongere generatie, die andere kunstidealen huldigden was hij een voorbijgestreefde grootheid geworden. Hij trachtte genezing te vinden in zijn werk, in gezelschap van enkele vertrouwde vrienden en in zijn reizen, die hem in september 1924 buiten de buurlanden tot in Oostenrijk, Tsecho-Slovakije en Hongarije brachten.

In de eerste jaren na de oorlog maakte Streuvels inderdaad een persoonlijke èn creatieve crisis door. In maart 1919 bezoekt hij per fiets het apocalyptische Vlaanderen van het front (wat in zijn correspondentie leidt tot tal van sinistere ansichtkaarten met ruïnes van vernietigde kerken e.d.) . Gaandeweg werd hij somberder, hypochondrisch en mensenschuw; hij is ontgoocheld in de samenleving en in de vriendschap. In een brief aan August Vermeylen d.d. 20 april 1920 kondigt hij z'n crisisjaren aan:

'In veel dingen heb ik het geloof verloren, o.a. in Vlaamsche Tijdschriften. De heele wereld komt mij voor een groot gekkenhuis te zijn en daarom houd ik er me liefst buiten. De oorlog heeft me o.a. geleerd: dat men in eenzaamheid 't best en ernstig werken kan. Al het andere laat ik aan ... idealisten over.'

Op 6 februari 1921 schrijft hij aan De Bom:

'Wat de Ver-eniging betreft, ik blijf bij mijn besluit van onder en na de oorlog: ik laat me niet meer ver-enigen! Ik heb het geloof, de hoop en de liefde in de mensen ... verloren, en met zulke gesteltenis is het best dat men zich uit alle groeperingen weghoudt (...)'

en op 20 november:

'Gelukkig dat er buiten de 'Mensen' nog bomen zijn en beesten en kinders en lucht en wolken, anders gaf ik mijn ontslag.'

De epische verteller in hem begon langzaamaan dood te bloeden en zijn proza dreigde te verstikken onder beschouwing en beschrijving. Op creatief gebied staat het interbellum dan ook in het teken van bewerkingen van ouder proza (De boomen en Sint-Jan , herwerkt in 1919) en klassieke verhalen en vertalingen van bekende (Tolstoï en Gorki) en minder bekende (D' Orbaix, Melloy) auteurs. Hij schrok er zelfs niet voor terug om zich aan een toneelstuk te wagen. In oktober 1920 begon hij met de redactie van Prutske (zijn oorlogsdochtertje Dina, het meisje waarnaar Prutske was gemodelleerd, was toen 4 jaar oud). In de nazomer van 1921 verbleef hij gedurende enkele weken, samen met kunstschilder Emmanuel Viérin te Damme, en reisde de omgeving af. 's Winters verschijnt dan het kinderboek Vertelsels van 't jaar nul ten tijde dat de uilen praken, met prentjes van Jules Fonteyne. Zijn vijftigste verjaardag gaat min of meer onopgemerkt voorbij. Toch bracht het tijdschrift Vlaamsche Arbeid in januari 1922 een compleet Streuvelsnummer uit onder de redactie van Karel van den Oever, met een portrettekening van de hand van Pieter de Mets en met bijdragen uit Noord en Zuid van o.a. Lode Baekelmans, Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, Richard Minne, Maurice Roelants en Toussaint van Boelaere. Eugène De Bock sprak over 'pantheïsme', 'zachte innigheid' en 'machtige epiek' en nam zelfs de verdediging op voor Streuvels m.b.t. de perikelen rond zijn oorlogsdagboek: '(...) ook uit die dagboeken van de oorlog, die door zo veel in konventie gevangen mensen zo deerlik verkeerd begrepen werden, al zijn ze de ondubbelzinnige uiting van een rechtgeaard en vrij gemoed (...)' . Eind januari 1922 verbleef Streuvels samen met Boudewijn Steverlynck (een Kortrijkse vriend) te Antibes, van waaruit zij met Richard Callens (een neef van Streuvels die omwille van zijn activisme naar Nîmes was uitgeweken) het Zuiden van Frankrijk rondreisden. Na zijn terugkomst stond de rest van het jaar 1922 min of meer in het teken van Prutske (en haar komend zusje Isa, dat geboren werd op 13 december), dat in verschillende tijdschriften werd voorgepubliceerd (zie annotaties bij brief 7). In september fietste hij naar Sluis, om er de laatste hand te leggen aan Prutske. Eind oktober stierf ook zijn vriend Hugo Verriest.

In 1923 verscheen Land en Leven in Vlaanderen, dat werd geïllustreerd met talrijke zelfgemaakte foto's. Streuvels kwam aan geen feitelijke creatie meer toe. De julimaand bracht hij met z'n gezin door aan de Vlaamse kust. In september verbleef hij dan gedurende ongeveer een maand met Viérin te Veurne, wat resulteerde in een behoudende beschouwing over Veurn-Ambacht, die zou worden opgenomen in Herinneringen uit het verleden (1924). Van december 1923 tot eind maart 1924 werkte hij verder aan Tristan en Isolde. Op 23 maart vond de herdenkingsplechtigheid van de 25ste verjaardag van de stichting van Van Nu en Straks plaats. Deze plechtigheid was eigenlijk opgevat als de herdenking van de 25ste verjaardag van de publicatie van Lenteleven, maar was tevens bedoeld om de Vereniging van de Vlaamse Letterkundigen nieuw leven in te blazen. Na enige aarzeling (zie brief. 24) nam Streuvels toch aan de feestelijkheden deel. Op 3 februari 1925 werd hij lid van de Roomsch Katholieke Vlaamsch-Nationale Vereeniging van West-Vlaanderen, en op 23 juli 1925 werd hij benoemd tot Officier in de Leopoldsorde. Naar aanleiding hiervan laaide de polemiek over zijn oorlogsdagboek weer op, maar ze werd de kop ingedrukt door de minister van kunsten en wetenschappen Camille Huysmans.


De derde periode in Streuvels' leven duurde van 1926 tot 1960, het jaar waarin hij met Kroniek van de Familie Gezelle voorgoed van zijn lezers afscheid nam. Het werk uit deze periode bevat in de eerste plaats de bundel Werkmenschen (1926) en de roman De teleurgang van den Waterhoek (1927). Het kroonstuk uit Werkmenschen is de novelle "Het leven en de Dood in den Ast", dat door velen als zijn beste werk wordt beschouwd. Einde 1927 werd hem voor die bundel de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza in de Nederlandse Letterkunde toegekend, in 1929 volgde een promotie tot Commandeur in de Kroonorde en in 1935 kreeg hij opnieuw de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor de Nederlandse Letterkunde voor zijn gehele oeuvre. Een reis in het gezelschap van Antoon Coolen en andere vrienden in de nazomer van 1935, naar Palestina en Griekenland, bekroonde de vele reizen die hij in West- en Centraal-Europa had gemaakt. In 1936 werd hem, samen met René de Clercq en Cyriel Verschaeve de Rembrandt-Prijs van de universiteit van Hamburg verleend; bij de uitreiking was Streuvels (om gezondheidsredenen) echter niet aanwezig. In datzelfde jaar doken ook plannen op om De Vlaschaard te verfilmen. Andere onderscheidingen uit die jaren waren zijn benoeming tot Commandeur in de Leopoldsorde (1935) en tot Groot-Officier in de Orde van Nassau (1937), en het doctoraat honoris causa van de Leuvense Universiteit in 1937.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Streuvels vol sombere voorgevoelens. Opnieuw hield hij een oorlogsdagboek bij, maar dit werd in mei 1940 door Engelse soldaten ontvreemd. Met zijn familie vluchtte Streuvels naar Kortrijk; andermaal werd het Lijsternest zwaar getroffen en weer ging een deel van de bibliotheek en het archief verloren. De Duitsers trachtten hem te bewilligen tot een houding die voor hun propaganda gunstig was. Toch zag Streuvels af van een door de Duitse propaganda georganiseerde voordracht-reis in Duitsland. In oktober 1941 werd hij tot doctor honoris causa aan de universiteit van Munster benoemd; toen de officiële afvaardiging van de universiteit dit doctoraat op het Lijsternest kwam aanbieden, gaf Streuvels niet thuis. In 1942 vond ook de (Duitse) verfilming van De Vlaschaard plaats. Om die verfilming en de vertalingen van zijn boeken in het Duits werd Streuvels bij de bevrijding in 1944 door het verzet verhoord, maar niet aangehouden door tussenkomst van o.a. Toussaint-Van Boelaere te Brussel. Weldra werd hem volledig eerherstel gegeven, in 1947 door zijn benoeming tot Groot-Officier in de Kroonorde en in 1949 tot Groot-Officier in de Leopoldsorde, zijn onderscheiding met de Prijs der Scriptores Catholici (1950) en een reeks plechtige huldigingen n.a.v. zijn tachtigste verjaardag. In het najaar van 1952 werd Streuvels opnieuw door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde voorgesteld voor de Nobelprijs. Dat gebeurde nog verschillende keren in de toekomst, echter zonder gunstig gevolg. Andere eerbewijzen maakten de ontgoocheling enigszins goed: Grootkruis in de Kroonorde (1953), Ridder in de Orde van de H. Gregorius (1955), Prijs Streuvels van de Vlaamse Provincies (1959) en een bezoek van Koning Boudewijn aan het Lijsternest op 15 oktober 1959. Enkele maanden te voren, op 9 juli 1959 deelden De Standaard en de BRT mee dat Streuvels overleden was aan een hartcrisis. Dezelfde dag had hij een bezoek gebracht aan Bokrijk. In oktober 1959 deed Streuvels samen met Herman Teirlinck een oproep tot de bewindvoerders van het land om de 'onaantastbaarheid' van de taalgebieden in België te eerbiedigen en geen faciliteiten toe te kennen aan de taalminderheden. De viering van Streuvels' 90ste verjaardag ging gepaard met verschillende plechtigheden en initiatieven zoals een Streuvelsfestival te Ingooigem, een opstel- en tekenwedstrijd waaraan meer dan 60.000 leerlingen uit het middelbaar onderwijs deelnamen en een Streuvelshulde in mei 1962 in het Kursaal te Oostende, waarop hij zelf aanwezig was. In de zomer van 1962 werd door Emile Degelin de novelle ''In 't Water'' uit Zonnetij verfilmd en op 14 december van dat jaar vond in de Ridderzaal te 's Gravenhage door minister Cals de overhandiging plaats van de Prijs der Nederlandse Letteren, als bekroning van Streuvels' kunstenaarsloopbaan. Volgde nog in 1964 zijn benoeming tot ere-doctor aan de universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria en een viering in zijn aanwezigheid, op 14 juli 1967 door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde op het kasteel Beauvoorde in Wulveringem, ter gelegenheid van zijn vijftigjarig lidmaatschap van de Academie. Het was meteen Streuvels' laatste optreden in het openbaar. Hij overleed op 15 augustus 1969. De indrukwekkende uitvaart met de oude wijtewagen werd gehouden op 21 augustus daaropvolgend, in aanwezigheid van talrijke overheidspersonen en een massa volk die op 7000 personen werd geschat.


Terug naar de index
Biografie Eugène de Bock - Uitgeverij De Sikkel