EUGENE DE BOCK
EN DE SIKKEL

Eugène de Bock werd als zoon van een onderwijzer geboren te Borgerhout (Antwerpen) op 23 april 1889. Hij groeide op in een vrijzinnig milieu, liep school in Borgerhout (waar zijn vader onderwijzer was) en aan het Antwerpse Atheneum. Hij werd redacteur van De goedendag, het orgaan van het 'Algemeen Verbond der Vlaamse Studenten' dat een 16-tal bonden groepeerde van Vlaamse leerlingen aan het middelbaar rijksonderwijs. In datzelfde tijdschrift publiceerde hij een kritisch artikel over het Nederlands tegenover het Frans aan het Antwerps Atheneum. Dat bracht hem definitief in ongenade bij de Vlaams-onkundige leraars (de meeste leraars waren toen nog volkomen verfranst). Zijn leraar Frans had het hem trouwens nooit kunnen vergeven dat hij het jaar tevoren zowel de 'Concours Générale' voor Frans opstel als de algemene wedstrijd voor Frans opstel had gewonnen. In 1907 werd hij van de school verwijderd. Tot zijn medeleerlingen en vrienden behoorden de latere activisten Antoon Jacob, Leo Picard, Herman Vos en Victor van Straelen (later directeur van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België). Dankzij een aanbevelingsbrief van zijn vroegere school kon De Bock van 1907 tot 1912 op een handelskantoor gaan werken, waar hij met het oog op expansie in Zuid-Amerika Spaans leerde, wat hem later in staat stelde de Novelas Ejemplares van Cervantes te vertalen. In de periode 1907-1910 begon hij gedichten en essays (o.a. over gymnastiek; De Bock was voorturner in een Antwerpse turnkring) te schrijven, die verschenen in De Beweging van Albert Verwey. Op 1 januari 1912 trad Eugène De Bock als klerk in dienst van de Antwerpse stadsbibliotheek, waarvan Emmanuel de Bom zes maanden eerder als hoofdbibliothecaris de leiding had gekregen. Bij de Consciencetentoonstelling en -herdenking van 1912 was de Bom secretaris van de uitvoerende commissie ; hij vertrouwde het werk hoofdzakelijk aan de Bock toe. Deze tentoonstelling lag aan de basis van de oprichting in 1933 van het 'Museum van de Vlaamse Letterkunde', het huidige AMVC.

In datzelfde jaar debuteerde De Bock met een studie over Conscience, die diens werk terug moest in eer herstellen (Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk, verschenen bij de Wereldbibliotheek te Amsterdam). In 1913 was De Bock ook mede-oprichter van de 'Vereeniging voor beschaafde Nederlandsche Uitspraak / Omgangstaal', de eerste ABN-vereniging in Vlaanderen. De eerste tak ervan kwam definitief tot stand te Antwerpen op 14 juni 1913. Het comité bestond uit mevrouw Chaumont-Cammaert (schoolbestuurster) en de heren Hendrik Bellens (leraar stedelijke normaalschool), Dr. August Borms (leraar Kon. Atheneum), Abraham Hans (gemeenteonderwijzer), Dr. Antoon Jacob (ambtenaar aan de Gentse universiteitsbibliotheek), Mr. Jozef Muls (advokaat), Lieven Gevaert (nijveraar), De Bock zelf (beambte aan de Stedelijke Hoofdbibliotheek) en J. Somers (bouwkundige). Antoon Jacob werd als voorzitter aangesteld, De Bock werd secretaris en Somers penningmeester. De uitgaven die De Bock samen met Jacob verzorgde, de Mededelingen van de Vereniging voor beschaafde Nederlandse uitspraak' kunnen worden beschouwd als een inleiding tot het uitgeven. Er verschenen vier nummers, tot het uitbreken van de Oorlog. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1916) huwde hij Irma Lambrechts (1888-1956), toen lerares aan de Antwerpse Meisjesnormaalschool en was hij Antwerps correspondent van het Gentse tijdschrift De Vlaamsche post (waarvan het eerste nummer met Duitse hulp verscheen op 22.02.1915) en het Haagse Het Vaderland, beiden bladen waarin ook Leo Picard schreef. In 1918 was hij redactiesecretaris van De Stroom, een gematigd-activistisch tijdschrift met o.a. Lode Baekelmans, Antoon Jacob, Herman Vos en Maarten Rudelsheim als redactieleden. Het eerste nummer was verschenen op 15 juli 1918 ; Van Ostaijen zou er later (in nrs. 2 en 4) zijn baanbrekend 'Het Expressionisme in Vlaanderen' publiceren. Samen met andere sympathisanten van het activisme - o.m. de bibliothecaris Emmanuel de Bom en de genoemde Rudelsheim die toen onderbibliothecaris was - werd hij derhalve in december 1918 uit zijn ambt ontslagen. De Bom zou later (in 1926) herbenoemd worden, Rudelsheim stierf in de gevangenis. Nog in 1918 was zijn eerste roman, Jeugd in de stad, verschenen bij de Fonteyne-uitgaven te Gent. Deze sleutelroman schetst een beeld van het flamingantische Antwerpse milieu waarin De Bock aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog verkeerde. Hij werd vrij slecht onthaald, maar was een van de weinige Vlaamse prozawerken met expressionistische tendenzen en 'een poging om het leven van heel jonge intellectuelen in de stad weer te geven.' Deze roman was vroeger reeds onder de vorm van aparte prozaschetsen voorgepubliceerd in De Beweging, het tijdschrift van Albert Verwey.


De Bock besloot niet opnieuw als bediende in de handel te gaan, maar zelfstandig uitgever te worden. Hij keek enkele weken rond bij een francofoon uitgever en boekhandelaar te Brussel, en ging praten met Lucas-Hendrik Smeding (1866-1941), directeur van de 'Nederlandsche Boekhandel' te Antwerpen, in die tijd zowat de enige professionele Vlaamse uitgever. Met een kapitaaltje van 10.000 fr -600 fr. van hemzelf, de rest bijgedragen door zijn broer René (1885-1968, van 1891 tot 1940 redacteur van De Goedendag) en geleend van enkele vrienden, richtte hij het quasi-eenmansbedrijf 'Uitgeverij De Sikkel' op; zijn vriend Jozef Peeters (die ook zijn uitgeversmerk tekende) liep de boekwinkels af om de bestellingen te plaatsen. Op 31 december 1920 beschikte hij over een kapitaal van 31.500 fr. In 1926 waren alle externe geldschieters terugbetaald en berustte het kapitaal (37.000 fr.) nog uitsluitend in handen van Eugène De Bock (11.000 fr.) en zijn broer, de bankier en bibliofiel René De Bock (26.000 fr.). In 1929 werd de uitgeverij omgevormd tot de maatschappij in gezamenlijke naam 'Uitgeverij De Sikkel, E. en R. de Bock'. 1919 werd meteen een vruchtbaar jaar. De eerste uitgave was een brochure over de Heropbouw van de Schoenmarkt, rond het bekroonde plan om de tijdens de oorlog verwoeste Schoenmarkt (Meirbrug) te herbouwen. Het betrof een vrij nederige brochure die enkel 16 tekstbladzijden en 6 illustraties buiten tekst bevatte. Daarop volgden het dagboek In 't gevang van de gevangen activist Noordling (Jan van der Ven ), de roman De gekke hoeve van de dichter-heemkundige Victor de Meyere, de dichtbundels Verzen van Paul Verbruggen (waarmee De Bock debuteerde in De Beweging), Oostersche Lyriek van Armand-Willem Grauls en het cultwerk Loflitanie van den Heiligen Franciscus van Assisië van Marnix Gijsen.

In maart 1920 lanceerde De Bock het tijdschrift Ruimte, dat slechts anderhalf jaar bestond, maar ondanks die korte bestaansperiode belangrijk voor de Vlaamse letterkunde, en naar het woord van Frans van Passel 'een levenswekker' was; 'een stimulator voor de Vlaamse Beweging, voor het humanitair expressionisme, voor het artistiek renouveau in het Vlaamse land.' Aan dit tijdschrift gaat een hele voorgeschiedenis vooraf, die verduidelijkt hoe verschillende woordvoerders exponent waren van een welbepaald geestelijk klimaat dat te Antwerpen heerste in en om de Stedelijke Normaalschool en het Koninklijk Atheneum. Dit tijdschrift moet, aldus De Bock, gezien worden als 'een reactie tegen het quietisme, op een beslissend keerpunt van onze geschiedenis, van een voorgaand literair geslacht.' Deze jongeren zochten contact met de Europese geestestromingen en stonden enigszins afkerig tegenover het provinciale gedoe van hun oudere, in de literatuur verzeilde tijdgenoten. Overeengekomen werd naast Vlaamse literaire bijdragen ook plaats te maken voor vertalingen en recensies over Franse, Engelse en Duitse letterkunde. Ruimte werd uitgegeven in hetzelfde formaat en lettertype als De Stroom. Naast de artikels over binnen- en buitenlandse politiek zou gehandeld worden over sociologische, psychologische, architecturale en muzikale problemen. Kortom het tijdschrift zou zo algemeen mogelijk moeten zijn. Medewerkers waren o.a. Herman Vos (die het programma schreef vanuit de gevangenis), Wies Moens, Marnix Gijsen, Victor Brunclair, Gaston Burssens, Paul Verbruggen, Karel Van den Oever en Paul van Ostaijen. Met deze laatste voerde De Bock een uitvoerige correspondentie om hem te vragen alsnog aan zijn tijdschrift mee te werken. Vanaf de tweede jaargang begon De Bock zijn tijdschrift zelf samen te stellen (42 van de 112 blz. waren door hem gevuld). Een jaarboek werd aangekondigd in het achtste nummer van de tweede jaargang (meteen ook het laatste), maar is er nooit gekomen; Ruimte fusioneerde met De Vlaamsche Arbeid van Jozef Muls. Haar nawerking in de Vlaamse letteren dooft in de jaren twintig langzamerhand volkomen uit.


De Bock was autodidact (het enige diploma dat hij ooit haalde was dat van voorturner) en paarde engagement en eruditie aan goede smaak. Hij liet gevangen activisten (Herman Vos, Antoon Jacob) aan het woord in Ruimte, gaf werk uit van Bredero en Cornelis Crul, van Johan Alfred de Laet en Theodoor van Ryswyck, van Reimond Stijns en Lode Baekelmans, van Paul Joostens (die zijn eerste uitgeversmerk tekende) en Theo van Doesburg. Van Wies Moens, eveneens in de gevangenis wegens activisme, bracht hij in 1920 de ophefmakende en door duizenden gelezen Celbrieven ('op smalle repels papier uit de gevangenis gesmokkeld') en twee dichtbundels, De Boodschap en De Tocht uit. De Bocks eerste partner in Nederland was Emmanuel Querido, met wie Albert Verwey hem in contact had gebracht. Later volgden C.A. Mees (Verweys schoonzoon) te Santpoort, Van Loghum Slaterus te Arnhem en anderen. Hoe moeilijk de Nederlandse markt voor een jong Vlaams uitgever te veroveren viel, moest echter ook De Bock ondervinden: zelfs het werk van Theo Van Doesburg bleek er aanvankelijk helemaal niet gewild. Tot 1921 was zijn uitgeverij gevestigd in de Van Schoonbekestraat nr. 147. Daarna verhuisde ze naar de Karel Oomsstraat nr. 51. Het fonds van De Bock bleef niet tot de literatuur beperkt. Hij bracht volkskundig werk van Alfons de Cock, Isidoor Teirlinck en Victor de Meyere, historisch werk van Pieter Geyl, Leo Picard en Jan Denucé, startte in 1922 een reeks 'Steden en landschappen' o.l.v. Stan Leurs en begon al in 1921 een belangrijke reeks uitgaven voor schoolgebruik (met o.m. de vaak herdrukte bloemlezing De gouden poort, 1925 van J. Kuypers en baanbrekend werk voor het lager onderwijs, o.m. van Fons van Hoof en Willy Schneider). Daarbij sloot een groot aantal werken over pedagogie aan, een beginnend kinderboekenfonds en enkele theoretische werken over dit toen nog weinig gewaardeerde genre, o.m. het pleidooi Voor het kinderboek in Vlaanderen (1931) van Hendrik van Tichelen en de studie Het oude en het nieuwe kinderboek (1934) van Ger Schmook. In 1922 verscheen bij De Sikkel het door Lode Baekelmans opgerichte vakblad De Bibliotheekgids. In datzelfde jaar begon De Bock ook in het Frans te publiceren. In 1929 gaf hij het bibliografische tijdschrift De Boekenkast uit, aanvankelijk het orgaan van de in dat jaar gestichte 'Vereniging ter bevordering van het Vlaamse boekwezen' (waarvan De Bock medestichter was en na de Tweede Wereldoorlog voorzitter werd). Nog in 1929 was De Bock mede-organisator van de eerste 'Boekenweek' in Vlaanderen, en behoorde hij twee jaar later tot de belangrijkste initiatiefnemers van de eerste 'Boekenbeurs voor Vlaanderen'. De Sikkel durfde ook groter werk aan. Met Lode Baekelmans concipieerde De Bock de reeks van De Seven Sinjoren, herdrukken uit de oudere letterkunde, die het van 1921 tot het midden van de jaren '50 uithield. Ook taalkundig werk verscheen vanaf de jaren twintig bij De Sikkel. In 1925-1926 verscheen het eerste deel van de reeks Nederlandsche Dialectatlassen, nl. de Dialect-atlas van Klein-Brabant, o.l.v. prof. Edgar Blancquaert, in 1930 de monumentale Nederlandsche Taalgids van Constant H. Peeters en vier jaar later Blancquaerts Praktische Uitspraakleer van de Nederlandse Taal. Van 1930 af gaf De Bock de publicaties van het 'Mac Leod Fonds' uit, werk over geografie en geologie, en van 1933 tot 1958 de 'Vlaamsche rechtskundige bibliotheek' o.l.v. René Victor, die het tot 44 titels bracht. Van 1928 tot 1934 verschenen bij De Sikkel in zes delen de werken van Michiel de Swaen, bezorgd door V. Celen, M. Sabbe en C. Huysmans. In 1934 werd het eerste van negen delen in de reeks 'Ars Belgica' gepubliceerd, monografieën over oude monumenten o.l.v. prof. Stan Leurs.


In 1937-'39 verschenen de twee delen van de grote Geschiedenis van de Vlaamsche Kunst, eveneens o.l.v. Leurs. In 1933 publiceerde A.H. Cornette bij De Sikkel zijn prestigieuze Iconografie van Antwerpen. Tussen 1932 en 1951 gaf De Sikkel ook zes werken over oude Chinese kunst en geschiedenis van de sinoloog Carl Hentze uit. Een plan tot facsimile-uitgave van de Liggeren van het Antwerpse St-Lucasgilde, in samenwerking met een Nederlands en een Duits uitgever, ging niet door. Intussen werd de literatuur niet verwaarloosd, ook al moest (en wilde) De Sikkel zich vooral in de beginjaren beperken tot wat men gemakshalve de 'linkse' letterkunde en nieuwe Vlaamse literatuur noemde. In de jaren '20 en '30 verscheen nog poëzie van Karel van den Oever, Wies Moens, Firmin van Hecke, Urbain van de Voorde, Paul van Ostaijen (Gedichten, 1928 en later ook zijn Verzameld Werk), Gery Helderenberg, Daan Boens, Achilles Mussche en anderen, toneel van Gaston Martens en Herman Teirlinck, proza van Paul Kenis, Lode Baekelmans, Lode Verhees, F.V. Toussaint van Boelaere, Jozef Simons, Felix Timmermans, Stijn Streuvels, René Berghen, Ernest van der Hallen, Norbert E. Fonteyne, Marcel Matthijs, en natuurlijk van Hendrik Conscience, wiens werk opnieuw door De Bock gepopulariseerd werd. Van groot belang was de reeks van illustratoren die De Bock wist aan te trekken, met aan het hoofd de Antwerpenaar Jozef Peeters. Daarnaast vermelden we: Jos Léonard, Jan F. en Jozef Cantré, Floris Jespers, Paul Joostens, Jules Fonteyne, Elsa van Hagendoren, Frits van den Berghe, Antoon Herckenrath, Henri van Straten, Frans Masereel, Leo Marfurt, Lode Seghers, Albert van Dyck, Nelly Degouy, Victor Stuyvaert, Elisabeth Ivanovsky, Joris Minne, Mark F. Severin. Mede door hun inbreng stond het fonds van De Sikkel van in het begin ook in grafisch en typografisch opzicht op een voor Vlaanderen zeer hoog peil. De Tweede Wereldoorlog bracht geen stilstand, alleen een minder grote expansie. Wel richtte De Bock vier leesbibliotheken (De Pioen) op te Antwerpen (Kerkstraat), Berchem, Deurne en Merksem. Ook stichtte hij in 1941 de 'Vervoercentrale van de Boekhandel', een transportorganisme voor de import en export van boeken. Echt populaire lectuur had De Sikkel overigens niet in haar fonds, zodat zij minder dan sommige andere uitgeverijen profiteerde van de grote leeshonger van een ruim publiek. Het opvallendst waren de herdrukken van werk van Lode Baekelmans, N.E. Fonteyne, Marcel Matthijs, Lode Verhees en de thans vergeten Antoon Longerstaey (Lobbe en Sefa, derde druk, 1942). Er werd een 'Maerlantbibliotheek' opgezet met geïllustreerde monografieën over hoogtepunten uit de Nederlandse kunst- en cultuurgeschiedenis, en een 'kleine esthetische en wijsgerige bibliotheek' onder de titel De tuin der muzen met essays van Paul Douliez (over muziek), Jeanne de Bruyn (over film), Huib Hoste (over architectuur) enz. Ger Schmook zette de publicatie in afleveringen van zijn monumentaal handboek Boek en bibliotheek voort. De Bock zelf dook in de geschiedenis en bereidde zijn groot boek over De Nederlanden voor, dat in 1949 het licht zag. Dat hij ook aandacht voor de actualiteit had, blijkt uit publicaties als de Herinneringen (1941) van Hendrik de Man, het geruchtmakende werk Nederland in Frankrijk (1941) van H. van Byleveld (J.M. Gantois) en de gebundelde toespraken Nieuwe tijden (1941) van Frans Daels, een auteur die voorheen al met veel medisch werk in het fonds vertegenwoordigd was. Een van de eerste na-oorlogse publicaties van De Sikkel was een belangrijke studie over incivisme en repressie (1946) van de juriste Gerda de Bock (1922), de dochter van de uitgever (en inmiddels professor-emerita van de RUG). Op 13 maart 1948 werd een nieuwe vereniging voor het propageren van goed Nederlands (in het verlengde van de in 1913 gestichte 'Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal') opgericht; De Bock behoorde tot de leden van het ere-comité en gaf hun in 1951 opgerichte tijdschrift Nu Nog uit. Datzelfde tijdschrift bracht in 1974 een huldenummer aan De Bock met bijdragen van o.a. Gerard Walschap, Johan Daisne, Leo Picard en Albert Westerlinck. In de reeks 'Kongo-overzee bibliotheek' o.l.v. prof. Amaat Burssens verscheen hetzelfde jaar het standaardwerk van pater-minderbroeder P. Tempels, over Bantoe-filosofie. De 'Maerlant-bibliotheek' werd voortgezet, en in opdracht van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur werd begonnen met de publicatie van een reeks 'Monographiën over Belgische Kunst'. Van pater-dominicaan Stephanus Axters verschenen tussen 1950 en '60 de vier delen van de monumentale Geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden. In 1954 werd de uitgeverij omgevormd tot een n.v. (met een kapitaal van vier miljoen fr.) en De Bocks neef, Karel (1914), nam de zaak over, terwijl Eugène zelf nog als afgevaardigd beheerder aan de zaak verbonden bleef. Proza en poëzie werden ook toen niet verwaarloosd: De Bock, eenmaal de uitgever van de expressionisten en Ruimte, gaf in 1952-'53 Tijd en Mens uit, onder de redactie van L.P. Boon, H. Claus en J. Walravens, dat als een modernistische voortzetting van Ruimte kan gelden. Ook de Vijftigers werden in het Sikkelfonds opgenomen: het bracht bundels van R.C. van de Kerckhove (Gebed voor de kraaien, 1948), Hugo Claus (Een huis dat tussen nacht en morgen staat, 1953), Ben Cami (Het Land Nod, 1954), Albert Bontridder (Dood Hout, 1955), Paul Snoek (Noodbrug, 1955), Marcel Wauters (Apoteek, 1957), Hugo Raes (Afro-Europees, 1957) en proza van Jan Walravens (Roerloos aan zee, 1951), Maurice D'Haese (De heilige gramschap, 1952) e.a. Daarnaast bleef hij trouw aan auteurs als Lode Baekelmans (Robinson, 1949) en Achilles Mussche (Aan de voet van het Belfort, 1950) en lanceerde hij na enige aarzeling Libera Carlier (De zondagslepers, 1956), wiens werk ook in de zestiger jaren door De Sikkel zou worden uitgegeven (in dat opzicht was Carlier een uitzondering).


Hoewel De Bock aan het einde van de vijftiger jaren niet meer zo direct bij De Sikkel betrokken was, stichtte hij in 1956 nog het tijdschrift Spiegel der Letteren, 'om een orgaan te hebben waarin studies kunnen verschijnen over de Nederlandse, inzonderheid de Vlaamse letterkunde'. Tot 1983 bleef dit tijdschrift bij De Sikkel verschijnen en daarna werd het door de Leuvense Uitgeverij Peeters overgenomen. Intussen had de uitgeverij zich zo goed als volledig georiënteerd op de schoolboekenmarkt (een vroege constante bij De Sikkel), die nu de productie ging overheersen. 'Literair' werk verscheen alleen nog voor zover het in het verlengde daarvan lag; zo de reeks 'Historische verhalen voor de jeugd' (1953, wordt thans voortgezet als 'Histoflash'), waarvan in dertig jaar meer dan 500.000 exemplaren werden verspreid, en de nog steeds bestaande leesboekjes voor de allerkleinsten, de 'Kuikentjes', 'Eendjes' (1968- ), 'Uiltjes', en 'Okapi's', verspreid via de scholen in oplagen van 22.000 tot 33.000 exemplaren. Taalleerboeken Nederlands vonden hun weg in Wallonië (Op nieuwe wegen), taalleerboeken Frans werden ook in Nederland verspreid (Voies nouvelles); in de reeks Moderne Nederlandse auteurs, met lectuur voor de hogere klassen van het middelbaar onderwijs, bracht de schooluitgave van Voorlopig vonnis van Jozef van Hoeck het tot meer dan 200.000 exemplaren. Af en toe verscheen ook nog een literair-historisch werk van Eugène De Bock zelf, die tot op hogere leeftijd zeer actief bleef, zowel op literair (met historische studies over De Nederlanden, een rederijkers-bloemlezing,...) als sociaal vlak. Exemplarisch voor dit laatste is zijn lidmaatschap als nestor van de Mijol-club van Herman Teirlinck. De Bock werd er geïntroduceerd op voorspraak van voornoemde Libera Carlier. Over dat 'Mijol-avontuur' zou De Bock in 1979 schrijven:

'Iedere vrijdagavond werd ik doorheen Brussel naar Beersel gereden. Teirlinck nam toen al aan deze vergaderingen geen deel meer. We vertelden er het laatste nieuws en de laatste moppen, speelden op de ton, aten samen en dronken een goede geus, tot de tijd gekomen was om terug naar huis te rijden. een echte vriendschap verenigde ons. Ik ben het lot nog steeds dankbaar dat ik dat heb mogen meemaken.'

In 1970 verhuisde de uitgeverij van Antwerpen naar Kapellen; tot 1980 werkte ze daar voor haar administratie en distributie samen met de uitgeverijen De Nederlandsche Boekhandel, L. Opdebeek en Patmos in het Uitgeverscentrum. Op 1 januari 1980 maakte De Sikkel zich opnieuw geheel zelfstandig; de uitgeverij vestigde zich dan ook op 20 maart te Malle, in de Antwerpse Kempen. De nieuwe uitgeverij was ongeveer 2000 m² groot. Bij de inhuldiging van dit pand, op 20 maart 1981, verscheen de hoogbejaarde stichter van de zaak voor het laatst in het openbaar. Hij overleed in zijn landhuis te Schoten op 22 juli 1981. Het door hem van de grond af opgerichte bedrijf had in 1985 veertig personeelsleden in dienst en haalde een omzet van 210 miljoen fr.

Op 1 december 1989 vond in het AMVC een herdenking plaats n.a.v. het zeventigjarige bestaan van de uitgeverij; bovendien was het honderd jaar geleden dat De Bock was geboren. Deze academische zitting werd ingeleid door enkele prominenten van het Antwerpse politieke en culturele leven.

Thans is Uitgeverij De Sikkel een modern uitgeversbedrijf dat zich volledig heeft toegelegd op de uitgave van schoolboeken voor lager en secundair onderwijs en educatieve tijdschriften (Knipoog, Chapeau, Chouette, Coup de Foudre, English Pages, Talkabout). Op 27 mei 1994 vierde de uitgeverij haar 75-jarige bestaan en drie jaar later richtte ze haar eigen website op (www.desikkel.be). Anno 2000 is De Sikkel nog steeds in handen van de familie De Bock (Karel De Bock heeft sinds januari 2000 het directeurschap overgedragen aan o.a. een neef van hem). Deze onafhankelijke Vlaamse uitgeverij stelt een dertigtal werknemers te werk en kende in 1999 een omzet van 160 miljoen frank.


Terug naar de index
Biografie Streuvels