Taken van de WBE Velpedal

e-mail: wbe.velpedal@belgacom.net


  • Taken van de WBE!
  • Kleinwildbeheer?
  • Reewildbeheer?
  • Bestrijding van de rechtbekken?
  • Inventarisatie en wildtelling? "
  • Taken van de WBE?

  • streven naar de instandhouding van wildweiden en wildakkers;
  • collectief beschermen van elkanders jachtrevieren door de erkenning van de grenzen;
  • streven naar instandhouding van poelen;
  • opstellen van wildbeheerplannen op korte en lange termijn;
  • houden van wildtellingen en inventarisatie;
  • beoordelen van wildstand en de wildschade;
  • administratieve ondersteuning bij de aanvraag van afschot;
  • administratieve ondersteuning bij bestrijding wildschade;
  • administratieve ondersteuning bij openbare aanbestedingen van het jachtrecht;
  • organiseren van natuurschoonmaakdagen;
  • bescherming van het wild in overleg met gemeenten (reewildspiegels);
  • geven van voorlichtingsavonden;
  • coŲrdinatie van het verbeterd toezicht;
  • enz., enz.....
  • Terug naar het begin van de tekst

    Kleinwildbeheer.?        

    Volgens art. 3b van het jachtdecreet van 24 juli 1991 zijn hazen, fazanten, korhoenders en patrijzen de enige bejaagbare kleinwild diersoorten in het Vlaamse Gewest. Elke soort heeft bovendien andere bejagingtijden en methodes. De bejagingstijden zijn vastgeled in de openingsbesluiten van 23 juni 1998

    Het wildbeheer start 's morgens vroeg en eindigt 's avonds laat, jaar in jaar uit. Op veel jachten wordt het wild gedurende de herfst en de winter bijgevoederd. Bijvoedering vindt echter enkel plaats bij extreem langdurige en strenge weersomstandigheden of om tijdelijk wildsoorten op een bepaalde plaats aan te trekken, bv. om schade aan veldgewassen te vermijden.

    In de regel wordt bijgevoederd door:

  • het uitstrooien van granen in beschermd liggende bosjes of op open bosplekken vanaf september tot en met maart-april;
  • het aanbrengen van voederbakken die verspreid over het bos worden opgesteld;
  • het uitleggen van hooi en voederbieten of vers snoeihout van loofbomen tussen fruitbomen gedurende strenge winters; bij langdurige sneeuwval gebeurt hetzelfde in open veld om te voorkomen dat het wild migreert naar de fruitplantages en er schade aanricht;
  • in overleg met de eigenaars van laagstamboomgaarden af te spreken om het snoeihout van de fruitbomen indien mogelijk tot eind maart tussen de rijen te laten liggen;
  • het laten liggen van voeder- en suikerbieten bij strenge vorst. Ten behoeve van de mineraalvoorziening worden in het bos ook likstenen (zonder medicatie) aangebracht.
  • Omwille van de landschappelijke inpassing wordt naar de toekomst toe bekeken om de voederplekken zo natuurlijk mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door takken in de grond te steken en deze met twijgen en takken af te dekken en op beschutte plaatsen hooimijten aan te leggen of bij het oogsten ťťn of meerder hooistroken te laten liggen.

    Terug naar het begin van de tekst                                                       

    Reewildwildbeheer.?

    Volgens art. 3a van het jachtdecreet van 24 juli 1991 zijn edelherten, reeŽn, damherten, moeflons en wilde zwijnen de enige bejaagbare "grof wild" soorten in het Vlaamse Gewest. Reewild komt frequent voor in Vlaams - Brabant. We wetgever onderscheidt drie type's reewild: de bokken, de geiten en de kitsen (zijn jongen, jonger dan ťťn jaar, beide geslacht). Elk type heeft andere bejagingtijden. De bejagingstijden zijn vastgeled in de openingsbesluiten van 23 juni 1998. De wildbeheerder kan de reebok jaarlijks van 15 mei tot 15 september strekken. De reegeit en kitsen mogen jaarlijks van 15 januari tot 15 maart gestrekt worden. De jager kent een vierde type reewild: de jaarlingbok en de smalree. Art. 7 van het Besl. vd. Vl. Reg. (van 14 april 2000 art 3) laat de jager toe om 1/4 van het toegestane aantal te schieten jongen als jaarlingbok te schieten.

    Reewildbescherming door reewildspiegels

    Door de toename van het reeŽnbestand in de provincie Vlaams-Brabant werd de WBE in februari 1994 voor het eerst geconfronteerd met een verkeersongeval, waarbij overstekend reewild betrokken was. Daarbij bleef het bij materiŽle schade aan het betrokken voertuig. Verschillende herhalingen van dergelijke voorvallen heeft de WBE aangezet tot het nemen van passende maatregelen om dergelijke ongevallen te voorkomen, zonder een verhoogde jachtdruk. In de gemeente Glabbeek werd vastgesteld dat zich een tiental reeŽn permanent ophielden in de streek van de Zuurbemdse bossen en er regelmatig de openbare weg overstaken. Deze zone was dus een risicogebied. Er stonden geen waarschuwingsborden om de weggebruiker in te lichten over mogelijk gevaar van overstekend wild. Tegelijk nodigt de rechte en brede rijweg automobilisten uit tot hard rijden, waardoor een verhoogd aanrijdingrisico bestaat.

    Door tussenkomst van de WBE is inmiddels een snelheidsbeperking tot 70 km/ uur opgelegd en een aangepaste signalisatie geplaatst (gevaarbord type A27 - "overstekend grof wild" ) langs de Hoeledenstraat te Glabbeek. Indentieke problemen ontstonden in andere gemeenten. Zo zijn er op verzoek van de VZW WBE Velpedal een aantal reewildspiegels aangebracht langs de steenweg Zuurbemde - Hoeleden-dorp en langs de Helstraat en Meenselstraat te Lubbeek - Binkom. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de reflector van het type Swareflex (Swarovski art. 7172/7182)

    Terug naar het begin van de tekst

    Bestrijding van de rechtbekken.?        

    De verdelging wordt vooral toegespitst op kraaiachtigen - zwarte kraai, gaai en ekster. Dit zijn soorten die vallen onder de vogelwetgeving, maar waarvan de bestrijding het gehele jaar door is toegelaten. De WBE erkent evenwel dat de schade die door deze soorten wordt veroorzaakt mede een gevolg is van de landschapsverloedering. Verder afschot wordt daarom gekoppeld aan structurele maatregelen, die leiden tot een verbetering van het habitat van wildsoorten waardoor de kans op predatie vermindert. Dergelijke oplossingen sluiten aan op biotoopverbeterende maatregelen. Afhankelijk van de populatiegrootte wordt de verdelging van de gaai aangepast. Afschot vindt vooral plaats in het voorjaar (maart-april).

    Terug naar het begin van de tekst

    Inventarisatie en wildtelling

    Jaarlijks, en dit sinds de oprichting,, wordt over het gehele grondgebied van de WBE een inventarisatie/wildraming opgezet die beoogt zicht te krijgen op de populatiesamenstelling en –grootte van alle bejaagbare soorten behorende tot het grof wild, het klein wild en het waterwild.

    Van het overig wild worden hieraan vos (aantal bewoonde vossenburchten), houtduif (schatting) en konijn (schatting) toegevoegd. De telling vindt plaats in het voorjaar en in het najaar. Tegelijk worden de afschotcijfers bijgehouden en verwerkt en vergeleken met het potentieel. De vergelijking van de beide uitkomsten dient om op een weldoordachte en verantwoorde manier het toekomstige afschot van bepaalde soorten vast te leggen teneinde de draagkracht en de toekomstige populatie-ontwikkeling van soorten niet in het gedrang te brengen. De gegevens worden ingezameld door middel van een " jachtveldenquÍte ". Het is een formulier dat aan de jachtgroepen bij hun toetreding wordt overhandigd en dat jaarlijks door hen moet worden ingevuld en aan het verenigingsbestuur overgemaakt. Naargelang de noodzaak zich stelt, kunnen aanvullend georganiseerde tellingen en/of steekproeven plaatsvinden. Mede met het oog op het opstellen van het werk- en bejagingsplan worden op een kaart de locaties ingetekend waar wildschade is gemeld aan gewassen. Daarbij wordt het gewas en de wildsoort alsook de hoogte van de schade en de datum van het voorval vermeld. Zo mogelijk worden hiernaast ook de locaties aangegeven waar schade te verwachten is.

    Ook de gebieden waar wordt gestroopt of waar stroperij te verwachten valt worden aangeduid. Daaraan kunnen ook zones worden toegevoegd waar om diverse redenen, al dan niet gedurende bepaalde periodes, niet mag worden gejaagd.

    Jaarlijks worden de afschotstatistieken en wildinventarisatiegegevens volgens de modaliteiten vastgelegd in het Ministerieel besluit van 12 april 1999 tot vaststelling van het modelformulier voor de melding van afschotstatistieken en wildinventarisatiegegevens aan de bevoegde woudmeester van de AMINAL-afdeling Bos & Groen, het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW) en het Instituut voor Natuurbehoud (IN) overgemaakt.;   

    Terug naar het begin van de tekst