 |
 |
DE IDEALE POSITIE OP DE FIETS |
 |
|
 |
1. De stuurbreedte
De stuurbreedte moet corresponderen met de breedte van de schouders. Een te breed stuur leidt tot vergroting van het frontaal
oppervlak en dus tot een minder goede aërodynamische houding. Als gevolg van een te breed stuur gaat men ook
"doorzakken" tussen de schouderbladen. Dit geeft op den duur klachten aan schouders en nek. Een te smal stuur heeft
niet, zoals vaker beweerd wordt, nadelige gevolgen voor de zuurstofopname. Wel stuurt een (te) smal stuur "nerveuzer"
dan een breder stuur en beïnvloedt daarmee het rijcomfort.
2. Schoenplaatje
Het schoenplaatje dient zodanig op de schoen gemonteerd te worden dat de bal van de voet exact boven de as van de pedaal
komt waardoor een optimale krachtoverbrenging wordt gerealiseerd.
3. Cranklengte
| Cranklengte in mm |
Lichaamslengte in meter |
| 160 |
<1.52 |
| 165 - 167.5 |
>1.52 en <1.68 |
| 170 |
>1.68 en <1.83 |
| 172.5 |
>1.83 en <1.89 |
| 175 |
>1.89 en <1.95 |
| 180 - 185 |
>1.95 |
4. Zadelstand
Over zadel tilt, ofwel het al dan niet horizontaal plaatsen van het zadel, is wel het een en ander op te merken. In principe
moet een zadeldek horizontaal staan. Stelt men het zadel met de punt omhoog dan loopt men het risico dat een en ander afgeklemd
wordt. Als gevolg hiervan zal de fietser de neiging hebben het bekken achterover te kantelen, wat een hogere belasting met zich
meebrengt voor de onderrug. Een zadel met een punt die naar beneden wijst zal tot gevolg hebben dat de fietser de neiging zal
hebben naar voren te schuiven. Dit is niet alleen oncomfortabel omdat het smalle stuk van het zadel te weinig steun geeft,
maar ook de armen, polsen en handen worden zwaarder belast als gevolg van het (proberen) handhaven van de normale
positie op het zadel.
5. Zadelhoogte
De zadelhoogte is de afstand van de bovenkant van het zadel tot het hart van de pedaalas. De instelling van het zadel dient om
de spieren in het optimale lengtebereik te laten werken. Omdat er slechts één optimaal lengtebereik is, is er ook maar één
optimale zadelhoogte. De meest gebruikte methodes om de zadelhoogte te bepalen zijn verre van optimaal.
Methode 1
De hak-methode. De hak van de schoen wordt op het pedaal gezet en het zadel wordt zo hoog geplaatst dat het been
gestrekt is terwijl het bekken nog horizontaal staat. Waar deze meetmethode zich op baseert is empirisch noch wetenschappelijk
vastgesteld. Bovendien houdt deze methode geen rekening met het feit dat de moderne fietsschoen een hielsprong heeft.
In de praktijk betekent dit dat men met deze methode het zadel te laag instelt als men geen rekening houdt met
o.a. de hielsprong.
Methode 2
De zadelhoogte (afstand van hart trapas tot bovenkant zadel) = 0,885 x binnenbeenlengte.
Opgelet! :
Een verkeerde cranklengte zou met deze methode ook tot een verkeerde zadelhoogte leiden, omdat, zoals bovenstaand is gedefinieerd,
de zadelhoogte de afstand van het zadel tot aan de pedaalas is.
Methode 3
Zadelhoogte op 1.09 van de binnenbeenlengte!!! Opgelet : geen enkel van de 3 methodes is de exacte. Bepaal zelf door tests van
één methode of een combinatie van meerdere methodes en het comfortgevoel op de fiets welke voor U de ideale zadelhoogte is.
6. Binnenbeenlengte
De binnenbeenlengte wordt als volgt gemeten:
sta rechtop zonder schoenen aan;plaats de binnenkant van de voeten ongeveer 200 mm uit elkaar;
trek een buis (diameter ± 35 mm) of de rug van een boek stevig in het kruis, tot tegen het bot;
positioneer jezelf in het midden van de buis of boek;meet de afstand van de bovenkant van de buis tot aan de grond zowel
voor als achter, tel deze maten op en deel deze som door twee.