Het opkweken van druiven: 

  1. Het planten van druiven:
  2. Het snoeien van buiten druiven:
  3. Het snoeien van binnen druiven:
  4. Het snoeien van verwaarloosde druiven:
  5. Het bemesten:
  6. De soorten meststoffen:


Het planten van druiven:

2/1. Het planten van druiven :

Terug naar begin

Het snoeien van buiten druiven:

2/II. Het snoeien van Buitendruiven :

 

De eenvoudige guyotsnoei :

- De snoei het eerste jaar :

Men laat de druivelaar zoveel mogelijk groeien. Hij wordt om de 20 cm aan een baboestok aangebonden. Hangt de plant schuin, dan zal hij veel dieven produceren die de lengte groei vertragen. Zorg ervoor dat de druif nooit vertikaal groeit.

De hechtrankjes worden weggesnoeid en de dieven worden op twee tot vier bladeren ingeknepen. Eind juli wordt de kop weggesnoeid om het afrijpen te bevorderen.

Na de winter ( februari / maart) wordt het boompje gesnoeid. Het bovenste deel is mleestal niet verhout en groen gebleven. Boompjes die goed groeien en de dikte van een potlood bereikt hebben, mag men op 50-60 cm terug snoeien. De verhoute vleugeltjes van de dieven worden weggesnoeid.

- De snoei het tweede jaar :

De scheuten uit de twee bovenste ogen laat men vertikaal groeien. De trossen op deze vruchttakken worden weggesnoeid. De dieven worden ingesnoeid tot twee bladeren en de hechtrankjes weggepitst.

Eind juli wordt de kop weggesnoeid ; deze twee scheuten hebben dan de bovenste draad bereikt.

Op het onderste stuk ( 70 cm) dat het stammetje zal vormen, worden de scheutjes op 1 à 4 bladeren ingehouden om de stam te laten dikken.

Wie deze scheuten volledig wegbreekt, doet dit best wanneer de knoppen uit de wol komen. Als men wacht tot het blad van de scheut ontvouwen is, maakt men te grote wonden waarlangs de schimmels kunnen infecteren.

In de winter wordt één van de twee scheuten ( meestal de onderste) op twee ogen gesnoeid. De andere wordi in het voorjaar an de onderste draad geleid. Een dikke scheut mag 1 m – 1,20 m lang gelaten worden, een dunne wordt korter gesnoeid. Meestal laat men zo’n 10 à 15 ogen op de horizontale legger. De takjes op het onderste stuk, het stammetje, worden nu volledig weggesnoeid.

- De snoei gedurende het derde jaar :

In het voorjaar verschijnen op de horizontale legger vruchttaken die vertikaal aan de draden worden gebonden en waarvan de hechtrankjes steed weggesnoeid worden.

De dieven insnoeien na drie tot vier bladeren.

Eind juli worden de vruchtakken juist boven de hoogste draad ingesnoeid.

Meestal worden wij buitendruiven de trossen niet uitgedund. Het is beter het aantal trossen per vruchtak te beperken tot maximaal 2 trossen, op en dunnere taks slecht één of geen trossen laten groeien.

Uit de vruchttakken die in de winter op twee ogen werd gesnoeid groeien twee vruchttakken die aan de draden aangebonden worden ; het zijn de vervangscheuten. Die worden vertikaal geleid en de hechtranken en de dieven ervan worden verwijderd.

In de wintrer wordt de horizontale legger weggesnoeid, wordt de laagste vervangscheut op twee ogen gesnoeid en wordt de tweede vervangscheut aan de onderste draad aangebonden.

- De snoei gedurende de volgende jaren :

Elk jaar worden aan de ronding van de boom twee vervangscheuten opgekweekt, waarvan de onderste aan de winter op twee ogen wordt gesnoeid en de andere horizontaal aangebonden aan de onderste draad.

 

Verticale opkweek ( paalcultuur) :

- De snoei gedurende het eerste jaar :

De hechtrankjes verwijderen en de dieven op twee tot vier bladeren innijpen.

Eind juli wordt de kop uit de boom genepen op het hout te doen rijpen en dikken en om de onderste ogen stevig te laten ontwikkelen. Na de winter wordt dit veretikale snoer op 70 cm gesnoeid.

Zoals boven uiteengezet, hangt de lente van het insnoeien af van de groeikracht van de boom : sterk groeikrachtige bomen met dik hout mogen hoger ingesnoeid worden, andere moeten lager teruggesnoeid worden.

- De snoei gedurende het tweede jaar :

De bovenste scheut vertikaal opleiden als verlenging ( de dieven op twee tot vier bladeren innijpen, hechtranken wegsnoeien, geen trossen laten staan). Eind juli § begin augustus wordt de kop weggesnoeid. Op de onderste 70 cm verschijnen de vruchtscheuten die na acht tot tien bladeren ingesnoeid worden. Ze blijven vrij gangen. De trossen en de hechtranken worden weggesnoeid. Na de winter worden de vruchtsporen op één oog gesnoeid.

- De snoei het derde jaar :

De vertikale gesteltak is nu ongeveer 2 m hoog.

Er verschijnen nu vruchttakken met druiventrossen. Om de 20-25 cm mag «één rank gelaten worden, de andere worden weggesnoeid. Men laat ze gewoon hangen en snoeit ze na 10 bladeren.

Na de winter worden de vruchttakken elk jaar op één oog gesnoeid (cordonsnoei).

                    Opsnoeien van een druivelaar voor pergola:

 

               

Terug naar begin

Het snoeien van binnen druiven:

2/III Het snoeien van binnen druiven :

Snoei het jaar dat de druif aangeplant werd:

                                    

- De snoei het eerste jaar :

De drie tot vier ogen die het jaar voordien overgehouden bleven, lopen uit en vormen evenveel scheuten. Hou hiervan twee of drie sterk groeiende scheuten (gebinttakken) over naargelang men een twee- of drietakker wil vormen. De dieven worden na één blad ingesnoeid.

Zodra de gebindtakken de nok van de serre bereikt hebben, wordt de kop uitgespitst. De wintersnoei bestaat erin de geseltakken in te snoeiden op ongeveer 1,20 m lengte. Indien men hoger zou snoeien, zullen de onderste ogen in het voorjaar slecht uitlopen zodat de boom onderaan te weinig vruchttakken zal bezitten.

Dunne, traag groeiende geseltakken worden dieper teruggesnoeid dan kloeke takken.

De verhoute stompjes die ontstaan zijn dor verleden jaar de dieven op één blad te snoeien, worden weggesnoeid tot tegen de geseltak. Indien de bomen niet kloek zijn, worden ze opnieuw tot op drie ogen gesnoeid.

De snoei na het eerste jaar van aanplanten:

                                               

- De snoei het tweede jaar :

Het bovenste oog van de geseltakken, die het seizoen voordien voor een derde gevormd zijn ( 1,20 m), zal uitlopen en de verlenging van onze geseltak vormen.

Deze wordt op dezelfde manier behandeld als de geseltakken het jaar voordien.

Op het onderste deel van de gebinttak, die het jaar voordien gevormd werd, lopen de ogen uit en vormen vruchttakken die op tien bladeren ( een 5 tal bladeren boven de tros) ingehouden worden en waarvan de trossen verwijderd worden. Deze vruchttakken worden aan de vertikale draden aangebonden.

Als de onderste ogen onregelmatig uitlopen, is dit meestal te wijten aan het te hoog insnoeien van de gebinttak vorig jaar.

Om het uitlopen van deze onderste knoppen te bevorderen, kan men de gesteltazk boven de knoppen lichtjes wringen, de vertraging van de sapstroom die hier mee gepaart gaat, zal het oog doen uitlopen. Men kan ook de steltak tweemaal per dag besproeien met lauw water.

Met de wintersnoei worden de vruchttakken op twee ogen gesnoeid.

De gebinttak wordt tot op tweederde van zijn lengte ingesnoeid en de stompjes van de dieven op dit deel van de boom weggesnoeid. De druivelaar heeft nu tweederde van zijn volwassen lengte bereikt.

Snoei het tweede jaar na het aanplanten:

- De snoei het derde jaar :

We herhalen dezelfde snoeiprincipes van het tweede jaar.

Het bovenste oog van de steltak wormt opnieuw de verlenging en deze wordt ingehouden op ongeveer 35 cm van de nok van de serre.

De vruchttakken die op het onderste tweederde deel groeien, worden behandeld als bij een volwassen boom. Op een zeer goed groeiende boom mogen op dit deel van de boom al enkele trossen gelaten worden. Van de vruchttakken op het middelste éénderde deel van de druivelaar wordt de kop weggesnoeid na de 10e blad. De trossen worden verwijderd. De dieven worden steed volledig weggebroken. Van het bovenste derde deel van de gesteltakken worden de drieven op één blad teruggesnoeid. Het groeipunt van de geseltakken wordt eind augustus weggesnoeid.

Nu bestaat de wintersnoei erin de vruchttakken op twee ogen te snoeien en de houten stompjes van de dieven weg te snoeien.

Snoei het derde jaar na aanplanting:

- De snoei het vierde jaar :

De druivelaar is nu volledig gevormd en kan vruchten dragen. Het aantal vruchttakken per boom mag slechts zes tot negen per meter lengte van de gesteltak bedragen, d.i. om de 20-30 cm een vruchttak aan beide zijden van de gesteltak.

- Het snoeien van de volwassen boom :

De snoei van de volwassen boom beperkt zich nu tot het terugsnoeien van de vruchttakken op twee ogen.

 

- Wanneer de wintersnoei toepassen ?

De snoei kan gebeuren vanaf half oktober tot begin november of van eind januari tot eind februari.

De ogen van de druivelaar die gesnoeid werden tijdens de eerste periode lopen tot één week vlugger uit maar bij de bloei is deze voorsprong t.o.v. laat gesnoeide druivelaars reeds verdwenen.

Bomen mogen nooit in bevroren toestand gesnoeid worden. Ook sterke vorst, kort na de snoei kan soms schade veroorzaken doordat het oog onder de snoeiwonde zal bevriezen.

De eerste week na de snoei moet vermeden worden dat de luchtvochtiheid te hoog wordt ; anders kan de wonder beschimelen waardoor de ogen soms beschadigd worden.

Indien laat in het voorjaar gesnoeid wordt, zal sap uit de wonden lopen : de druivelaar zal bloeden. Dit sap is rijk aan resevevoedsel dat naar de knoppen wordt getransporteerd.

 

- De winter snoei :

Als de gesteltakken eenmaal gevormd zijn, beperkt de wintersnoei van de druivelaar zich tot het snoeien van de vruchtsporen.

De sporen worden elk jaar op twee ogen gesnoeid. Boven hetr tweede oog wordt een stukje hout van ±0,5 cm gelaten, het nageltje, om het laatste oog te beschermen tegen beschadiging door schimmel vorming of tegen bevriezing. Het nageltje van het jaar voordien, dta vethout is, wordt weggesnoeid.

 

- De zomersnoei :

De zomersnoei bestaat erin alle dieven weg te vbreken. Alleen bij jonge bomen in de opkweekfase wordtr hierop een uitzondering gemaakt.

De dieven mogen nooit te lang worden ; ze onttrekken immers sap ten koste van de andere bladeren en de druiven. Wanneer men te lange dieven wegbreekt, krijgt de boom een groeischok wat de bessen kan doen barsten.

Lange dieven verhinderen ook een goede luchtcirculatie tussen de bladeren en houden het vocht onder het bladerdek gevangen ; dit vehoogt de kans op Oïdium en Botrytis.

 

- De rijpingssnoei :

Een veertiental dagen voor de oogst worden van de kop van de vruchtscheuten twee bladeren weggesnoeid.

Door deze rijpingsnoei krijgen de druiven meer licht en lucht. Ze kleuren goed en door een betere luchtcirculatie wordt rotting vermeden.

I.p.v. de kop van de vruchtak weg te snoeien, kan ook een tweetal bladeren in de buurt van de tros afgebroken worden.

 

 

Terug naar begin

Het snoeien van verwaarloosde druiven:

2/IV Het snoeien van verwaarloosde druiven :

Het is het best als men een verwaarloosde druiveplant heeft staan, deze eerst maar eens in de winter flink terug te snoeien tot op de hoogte waar men hem wil hebben. Haal er maar gerust een heel eind vanaf ; de plant zal zeker weer uitlopen en u kunt hem dan vanaf de stam opnieuw gaan vormen. Probeer ondertussen ook uit te vinden met wat voor een ras u te doen heeft, zodat u weet hoe de plant gesnoeid zal moeten worden.

Als de plant na deze forse snoeibeurt het volgende jaar weer uit gaat lopen, kunt u verder de aanwijzinge anhouden die voor een drie- of vierjarige plant l gegeven is.

Het verjongen van een buitendruif :

In de lente kan aan de voet van de stam een wilde scheut ontstaan. Als deze groeikrachtig is, kan men de oude stam het jaar daarop tot boven deze scheut terugsnoeien en zo de boom verjongen.

Men zaagt het best horizontaal om het wondvlak zo klein mogelijk te maken en een 0,5 cm boven de scheut om te voorkomen dat deze afsterft.

Op de wond wordt lakbalsem of een wondafdekmiddel gesmeerd.

 

Terug naar begin

Het bemesten:

2/V Het bemesten een jaar rond :

Om te kunnen bepalen wat voor soort en hoeveel voedingsstoffen er in de grond woorkomt kunt u een bodemmonster laten nemen door een bodemdeskundig laboratorium, waarbij dan meteen bepaald kan worden wat u voor de teelt van de druiven moet bijmesten. Vindt u dit wat overdreven voor de ene druif die u hebt staan, dan volgen gier nog wat vrij algemene aanwijzingen voor de bemesting.

- Bemesten bij het planten van de jonge druivenplatnjes :

Tijdens het planten van nieuwe boompjes wordt het best « Levende Humus » in de plantpunt gemengd. Hierdoor worden naast humus ook bacteriën en Roofschimmels® in de bodem gebracht die eventueel schedelijke schimmels en bacteriën onderdrukken.

Zware gronden kunnen verlicht worden door bij de plant 5 à 10 % van het plantputvolume te mengen met vulkanische lavakorel ( 0-3 mm grijze kleur). Dit vulkanisch natuurgesteente bevordert de wortelvorming van de druivelaar en houdt extra zuurstof ter beschikking van de wortels.

Het eerste jaar na het aanplanten is het aangewezen niet te veel of geen stikstof toe te voegen aan de planten omdat dit de bladgroei bevordert wat in dit geval tenkoste gaat van de wortel ontwikkeling.

- Het bemeste in de winter :

Tijdens de winter kan men paardemest toevoegen aan de grond en vruchtbaar bodemlever. Dit goed inwerken en altijd goed bevochtigen na het bemesten.

Bij het gebruik van chemische meststoffen dient men op te letten,na verloop van tijd kan dit het verzouten van de grond teweeg kan brengen. Indien de grond teveel zouten bevat kan men dit oplossen door in serres eensovervloedig te spoelen waardoor men ook een deel van de zoute wegspoeld ( bij deze behandeling er ook op letten dat men de meeste andere meststoffen ook wegspoeld).

- Het bemeste bij het uitkomen van de knoppen :

Bij het uitkomen van de knoppen in maart april kan men extra stikstof toevoegen in de vorm van bloemeel, dit om het ontwikkelen van de bladeren en takjes te bevorderen.

Men kan ook kalk toevoegen onder de vorm van zeewierkalk, dit bevat de nodige voedingsstoffen en ook nog vele spoorelementen.

 

Terug naar begin

De soorten meststoffen:

2/V. De soorten meststoffen:

 

Om te zorgen voor een goede groei van de druivenplant moet er gezorgd worden voor voldoende voedingsstoffen in de bodem. In de wijnbouw gaat men ervan uit dat een druif op arme gronden de beste opbrengst levert. Best wil in dit geval niet zeggen een grote opbrengst in kilo’s, maar best in kwaliteit. Druiven die op rijke gronden groeien, geven meestal een grote opbrengst van mindere kwaliteit. Dit houd voor ons automatisch in dat veel bemesten niet altijd kwaliteit verbetering oplevert; natuurlijk betekent dat niet dat de druif daarom helemaal maar niet bemest zou moeten worden. Want ook een druif heeft een aantal elementaire stoffen nodig om goed te kunnen groeien. Deze stoffen worden onderstaand dan ook iets uitvoeriger behandeld, tegelijk met het uiterlijk van de druif als er een tekort aan of teveel van is.

 

Stikstof -N:

Nodig voor de groei van alle groene delen van de plant en daarom onmisbaar voor een goede groei, de suikerproductie en een regelmatige opbrengst. Stikstof gebrek merkt u aan de lichtgroene tot zelfs gele bladeren en aan een rode verkleuring van de bladsteel. Daarnaast zal de groei zwakker worden en zijn het blad en druiven kleiner. Door stikstoftekort kan een algemene verzwakking van de plant optreden en een verhoofde aantasting door spint.

Te veel stikstof kan leiden tot een zeer sterke groei en u zult dan dus veel meer moeten snoeien. Door te snelle groei zal het hout minder afrijpen in de herfst en daarom vorstgevoeliger zijn. Ook schimmels zullen in grotere mate optreden doordat het gewas zachter wordt.

 

Fosfor - P:

Is nodig voor de vorming van de bloemknoppen, het afrijpen van het hout, de vorstbestendigheid alsmede bij de assimilatie en de eiwitvorming. Een tekort aan fosfor merkt u bij de plant door het slecht afrijpen van het hout in de herfst, minder en kleinere bloemtrossen en het vroeg afstoten van gevormde vruchten. Verder krijgt de plant kleinere bladeren, die aan de randen bruinig verkleuren, en tevens zal de groei ook sterk teruglopen.

 

Kalium ( potas, kali) - K:

Dit mineraal zorgt voor een gezonde, sterke plant en bevordert de vorming van suikers, zetmeel en eiwitten, alle zeer belangrijker bouwstenen voor de plant. Daarnaast heeft kalium een gunstige invloed op de vorming van bloemen en vruchten alsmede op de wortelgroei en de houtrijping, en tevens wordt de weerstand tegen schimmels en vorstschade sterk verhoogd.

Een tekort aan kalium merkt u aan de druif doordat jonge bladeren opgekrulde, bruine bladranden krijgt, terwijl ouder blad over grote delen bruinig kleurt. Het hout rijpt ook hierbij weer slechter en een tekort aan kalium heeft ook invloed op de bloemvorming.

 

Kalk - Ca:

Kalk is de vierde belangrijke meststof en is nodig voor de opbouw van plantencellen. Kalk regelt de stofwisseling en is tevens nodig voor het verminderen van zuren in de afrijpende vruchten; kalk beïnvloedt bovendien de wortelgroei positief.

Een tekort aan kalk is te kenmerken aan het blad, dat dan begint te vergelen tussen de nerven en de randen sterven vervolgens af, maar bovendien wordt de groei van de plant vertraagd doordat de wortelgroei achteruitgaat, waardoor ook andere voedingsstoffen slechter worden opgenomen, Kalkgebrek, in combinatie met fosforgebrek, komt vaak voor op zure gronden.

 

Magnesium - Mg:

Dit is eveneens een belangrijke voedingsstof voor de druivenplant. Het is een stof die in minder mate in de grond voorkomt. Gebrek aan magnesium verzakt de plant en geeft verkleuring van het blad te zien. Allereerst wordt het blad tussen de nerven geel of roodachtig, waarna de verkleurde delen kunnen afsterven en bruin worden. Dit heeft een verminderde suikerproductie voor de vruchten tot gevolg. Magnesiumgebrek komt vaak voor op lichte zure gronden, maar ook een teveel aan kalium kan een gebrek aan magnesium veroorzaken.


Spoorelementen:

Er is nog een reeks andere mineralen die de plant gezond houden, maar van deze mineralen zijn over het algemeen slechts kleine tot zeer kleine hoeveelheden nodig.

Hieronder vallen:

- Boor (borium) - B

- Zink - Zn

- IJzer- Ze

- Koper - Cu

- Zwavel ( sulfer) - S

- Molybdeen - Mo

- Chloor - Cl

De meeste grondsoorten bevatten over het algemeen voldoende van deze spoorelementen om in de behoefte van de plant te voorzien.

Gaat u wijn maken van uw druiven, dan zijn deze stoffen van extra belang, omdat ze uiteindelijk ook in de wijn terechtkomen en dan mede de smaak bepalen.

 

Terug naar begin


Gecreëerd door Bruneel Chris als eind opdracht voor z'n avondschool cursus over Internet.
Copyright © 2001. Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 17 mei 2001 .