De komst van de katharen in het zuiden

 

Om een er een idee van te krijgen hoe de Katharen zich rond de middellandse zee konden vestigen is het noodzakelijk om het leven in de middeleeuwen eens van nader te gaan bekijken. Maar welke middeleeuwen? Deze van het jaar 1000 of deze van de XVde eeuw? Laten we naar het begin van de jaren 1200 gaan en er eens kijken hoe het leven er was georganiseerd. Weinig zaken laten ons vermoeden dat er leven is in de streek. Er is de oude Romeinse weg waarlangs er enkele ruw bewerkte stukjes land liggen die gewonnen zijn op het bos. Langs het veld een verzameling van schuurtjes vervaardigd uit takken, vodden en enkele bewerkte stenen voor de haard. Dat was het dorp van de tijd waar mens en dier naast elkaar leefden.

De bevolking van toen kon je in de volgende groepen onderverdelen:

Laten we beginnen bij de boer. Dit waren meestal lijfeigenen in dienst van een leenheer. De boer kan niet lezen of schrijven en praat niet veel. Hij gaat miserabel gekleed, met een beetje geluk kan hij van een dode wat kleren bemachtigen of stelen van een argeloze vreemde op doortocht. Anders had hij slechts één kostuum voor zijn hele leven. Over schoeisel gesproken, in de zomer op zijn blote voeten en in de koude periode wikkelden ze strooi en vodden om hun voeten. Men kende toen eigenlijk slechts twee perioden in plaats van de vier seizoenen: de koude periode, waar men de huizen moest verwarmen en de warme periode waar alles scheen te herleven.

De leenheer woonde een beetje verder in een kasteel dat al of niet versterkt was. De grootte van zijn leengoed bepaalde de omvang en versterking van zijn kasteel. Leenheer zijn was geen synoniem voor rijkdom, macht en glorie. Zij waren steeds verantwoording verschuldigd aan hun hoofdleenheer en moesten een leger onderhouden om hun leen te beschermen tegen de begerigheid van hun buren leenheren. Hun levensverwachting was ongeveer 50 jaar, hoe kon het ook anders, de kastelen waren binnenin altijd ijskoud, door de dikke muren, en hingen bovendien vol rook in de winter door het vuur. Het was er altijd somber mede door de kleine ramen. Het familieleven was zeer beperkt. De vrouw van de leenheer werd gekozen in functie van het deel dat ze kon bijdragen tot de uitbreiding van het leen. Ze ziet de leenheer slechts zelden, zij slaapt in de kamer voor vrouwen en de leenheer bij de ridders. De leenheer bracht zijn tijd door met oorlogen, jagen en oefenen voor een of ander van zijn activiteiten. De leenheer en zijn ridders konden evenmin lezen of schrijven. Het waren een stel bruten die als voornaamste taak hadden: het leen beschermen en belastingen innen voor de hoofdleenheer, hemzelf en de clerus van de katholieke kerk.

De stedelingen leefden in een gemeenschap op strategische plaatsen. De hiërarchie was ongeveer dezelfde als op het platteland. De boeren waren nu arbeiders geworden. Men bouwde een versterking rond de huizen. Dit kon zowel een muur of omwalling zijn, met of zonder torens. Binnen deze muren ontwikkelden zich de eerste handelaars, burgerij en notabelen, soms zeer rijk. De steden ontwikkelden zich buiten de voogdij van de leenheer die een veel landelijker taak had. Een raad van de wijzen, aangesteld door een hogere raad, bestuurde de steden.

De marginalen stonden op de laagste sport van de maatschappij. De mensen op de marge, rand. In de geschiedschrijving zijn weinig van hun namen bekend alhoewel zij een grote rol hebben gespeeld. Men noemde ze de haviken, de straatlopers met hun stok en zak komende uit alle uithoeken. Ze vestigden zich in de steden maar ook op het platteland en langs de wegen. Hun rangen telden huurmoordenaars, deserteurs en huurlingen zonder werk die voor eigen rekening op zoek waren naar een onderkomen. Het waren die mensen die de leenheer rekruteerde om oorlog te voeren. Dit zootje van dieven, moordenaars, verkrachters... kortom dit uitschot van de bevolking werd het voetvolk van de leenheer met als enige doel een beetje van de buit voor zichzelf binnen te halen. Zij waren een schrik zelfs voor hun werkgevers. Dat maakte van hen een berucht en geducht volkje.

Nu we een klein beetje een kijk hebben over de toestand komen we bij het leger en de kerk. Het leger was samengesteld uit de rijken te paard, de ridders en de armen te voet, het voetvolk. Deze samenstelling lokte een vijandelijk gevoel uit tussen ridders en voetvolk. Bij een belegering werd eerst het voetvolk uitgestuurd om een opening te forceren. Daarbij vielen de meeste doden. Daarna kwamen de ridders om de buit te roven. Niet zelden verpletterden de ridders hun eigen voetvolk, maar omgekeerd viel het voetvolk ook een geïsoleerde ridder aan om hem te beroven. In welk klimaat van vertrouwen was men daar bezig? Niet zelden wisselde het voetvolk van kamp tijdens een belegering. De kerk had bij dit alles weinig te verliezen. Niemand vreesde niemand behalve God, vertegenwoordigd door de katholieke kerk, waar de paus het hoogste gezag vertegenwoordigde, bijgestaan door kardinalen, bisschoppen, abten enz. De kerk droomde van macht en overheersing. Maar daarvoor heb je orde nodig, hun orde. De kerk onderhield een soort van goed gedoseerde domperpolitiek die de sterveling niet toeliet veel na te denken en voerde een geestelijke terreur gebaseerd op het bekende postulaat dat er een beter leven is na de dood op voorwaarde dat men volgens hun regels leeft. Hun enige wapen was de excommunicatie. Iedereen vreesde voor de excommunicatie, dit was de verdoemenis naar de hel, het eeuwig branden. Dit geloof belaste het dagelijkse leven aanzienlijk. Dit geloof dat hoop en licht verkondigde, was eigenlijk schrikwekkend voor iedereen.

We hebben ons nu een beetje kunnen inleven in de situatie van deze periode en we trekken nu naar het zuiden om te zien wat er daar aan de hand was.

Ten zuiden van de Loire was het leven een beetje anders. De streek ontsnapte niet aan de plunderingen en oorlogen van de naburige leenheren maar was toch een beetje verder geëvolueerd dan het noorden. Het klimaat was er minder gewelddadig en het leven er aangenamer. De Romeinse erfenis was hier levendiger dan elders. Alles is hier ver van ideaal, men vindt hier ook dezelfde sociale klassen maar met dat verschil dat ze veel dichter bij de renaissance staan op vele vlakken. De voornaamste oorzaak is de aanwezigheid van de middellandse zee, bron van permanente uitwisseling van handel en cultuur. Van Venetië tot Constantinopel over Barcelona en Athene, veel schepen worden geladen en gelost met kostbaarheden zoals goud, stoffen, kruiden, fruit, luxegoederen en kennis van geleerden. Dat was allemaal mogelijk door het pact dat werd afgesloten met de zeeschuimers en piraten dat het vrijhandelsverkeer mogelijk maakte. Wie spreekt van uitwisseling spreekt van opening naar andere culturen. Toulouse bloeide als Venetië. Het merendeel van de kleine leenheren kon lezen en schrijven, meer zelfs, ze ontvingen Arabische geleerden en leerden hun taal en ontcijferden hun schrift. De streek was aan het open bloeien en dat manifesteerde zich in alle sociale klassen. Het feodale systeem bleef hetzelfde maar was veel soepeler. Deze cultuur verspreidde zich over de streek door de troubadours. Mensen met talent die het schrift kenden en op zijn minst negen instrumenten konden bespelen. Gedurende de winter verbleven de troubadours in de kastelen van de leenheren, waar ze voor vermaak zorgden en in de lente verkondigden ze op straat allerhande sterke verhalen over leenheren gaande over actualiteiten, rare verhalen, tornooien, oorlogen en de liefde. De meeste troubadours bleven in de omgeving van hun leenheer, anderen vertrokken voor meerdere jaren en vertelden aan hun gastheer fabuleuze verhalen over de leenheer waar ze vandaan kwamen gedurende de lange winteravonden.

HOME