De fouten van overmoed

Gecultiveerd en mannen met smaak, de leenheren en ridders van het zuiden beschouwden zich beschermd voor alles en vreesden niets. Dat maakte van hen hooghartige mooipraters met een grote mond. Dit was hun eerste fout.

Hun tweede fout, een gebrek aan eenheid door de onafhankelijkheid van de zuiderse leenheren. De graafschappen in het zuiden speelden een belangrijke rol in wat toen Frankrijk nog niet was. Zoals in het noorden was ieder leen bestuurd door een leenman of vazal en hing af van een opperleenheer. De voornaamste waren Raymond Roger Trenceval, burggraaf van Carcasonne, Pierre II, graaf van Barcelona en koning van Aragon, de graven van Foix, Comminges en Béarn. De meest belangrijke was Raymond VI, graaf van Toulouse en officiële vazal van de koning van Frankrijk. Hij was tevens vazal voor de bezittingen van de keizer van Duitsland die gelegen waren op de linkeroever van de Rhône en voor de koning van Aragon en Engeland voor hun bezittingen in het westen. Deze situatie bezorgde hem een speciale maar comfortabele positie. Hij was door iedereen beschermd en vreesde daarom niemand. De opperleenheren van het zuiden hadden evenwel weinig macht over hun vazallen. Dat kwam enerzijds door de zeer complexe structuur waarvan zij deel uitmaakten en anderzijds was er op dat ogenblik nog geen sprake van een land of streek zoals wij deze nu kennen. Zij regeerden ook niet echt de steden, dat was het werk van de consuls.

De katholieke kerk was slecht vertegenwoordigd in die streek. De vertegenwoordigers van de kerk waren verslaafd aan drank en spelen en gingen om met ver van betrouwbare individuen. Sommigen verrijkten zich op een schandelijke wijze. Het katholieke geloof was op die wijze ongeloofwaardig geworden en de gelovigen scheurden af. De paus Innocentius III probeerde nog om het vertrouwen van de gelovigen terug te winnen door predikanten te sturen, dat was echter boter aan de galg. Men tolereerde nog de aanwezigheid van de kerk maar het deel van de belastingen dat naar de kerk moest gaan werd niet meer gestort aan de clerus. Alles scheen zich toe te spitsen op een andere godsdienst, veel sceptischer en strenger: het Katharisme. Dit was de derde en fatale fout.

HOME