Les temps primitifs

Les TP( temps primitifs) sont les formes irrégulières des verbes qui ne suivent pas la règle de la conjugaison à l'OVT ainsi que celle de la formation des participes passés. Le but est de pouvoir spontanément utiliser la forme correcte sans hésitation et sans devoir faire défiler dans sa tête une liste de TP.

Tu disposes ci-dessous d'une série de verbes irréguliers(45) et de leurs TP (OVT singulier/OVT pluriel - participe passé).
Entraîne-toi autant qu'il le faut. En cliquant sur ' SUIVANT', tu les fais apparaitre au fur et mesure . En cliquant sur 'EFFACER', tu les fais disparaitre de la liste.
Tu sais ainsi mieux cibler ceux qui restent inconnus.
Tu pourras ensuite vérifier ton étude en cliquant sur le bouton "S'exercer".

zijn = êtrewas / waren - geweest (Z)
hebben = avoirhad / hadden - gehad
doen = faire (ainsi que tous les composés: meedoen, ...)deed / deden - gedaan
blijven = rester (et tous les composés: binnenblijven, thuisblijven, ...)bleef / bleven - gebleven
komen = venir (et tous les composés: terugkomen, meekomen, ...)kwam / kwamen - gekomen
gaan = aller (et les tous les composés: teruggaan, meegaan, ...)ging(en) - gegaan
drinken = boiredronk(en) - gedronken
eten = mangerat / aten - gegeten
schrijven = écrireschreef / schreven - geschreven
lezen = lirelas / lazen - gelezen
zoeken = chercher (et tous les composés: bezoeken, opzoeken, ...)zocht(en) - gezocht
doorbrengen = séjourner, passer du temps quelque partbracht(en) ... door - doorgebracht
nemen = prendrenam / namen - genomen
vinden = trouver ( et tous les composés)vond(en) - gevonden
ontstaan = naitre (apparaitre)ontstond(en) - ontstond
beginnen = commencerbegon(nen) - begonnen
kunnen = pouvoir ( capacité!!! )kon / konden - gekund
mogen = pouvoir ( permission!!! )mocht(en) - gemoogd
moeten = devoirmoest(en) - gemoeten
bakken = cuirebakte(n) - gebakken
snijden = coupersneed/sneden - gesneden
liggen = être couché, se situerlag(en) / gelegen
houden = tenir (et composés : ophouden, houden van ...)hield(en) - gehouden
vertrekken = partirvertrok(ken) - vertrokken
breken = casserbrak / braken - gebroken
roepen = appeler, crierriep(en) - geroepen
brengen = amenerbracht(en) - gebracht
slapen = dormirsliep (en) - geslapen
spreken = parlersprak(en) - gesproken
vragen = demandervroeg(en) - gevraagd
staan= se trouver debout ,(sens figuré: inscrit)stond(en) - gestaan
ontbijten = prendre le petit-dejêunerontbeet / ontbeten - ontbeten
kijken = regarderkeek / keken - gekeken
worden = devenir (aussi auxiliaire de la voix passive)werd(en) - geworden
kopen = acheterkocht(en) gekocht
wassen = laverwaste(n) - gewassen
laten = laisserliet(en) - gelaten
rijden = roulerreed / reden - gereden
begrijpen = comprendrebegreep / begrepen - begrepen
krijgen = recevoirkreeg / kregen - gekregen
zien = voirzag / zagen - gezien
klimmen = escaladerklom(men) - geklommen
zwemmen = nagerzwom(en) - gezwommen
vallen = tomberviel(en) - gevallen
lopen = courirliep(en) - gelopen