Niger

Donderdag 1 februari, coucous in Agadez.

Aangekomen in Agadez rijden we rechtstreeks naar het tankstation, Daffy heeft dorst. Hier maken we kennis met Abalé, gids en mede-eigenaar van een reisbureau. Wij informeren of er andere overlanders zijn met wie we een tour zouden kunnen maken in de Ténéré woestijn of in het Aïr-gebergte. Abalé maakt ons duidelijk dat februari geen hoog seizoen is en overlanders arriveren meestal reeds in groep (georganiseerd en klaar om te vertrekken). Er zijn er ook niet veel. Zijn reisbureau leeft vooral van Europese toeristen die invliegen via Parijs-Tamanrasset-Agadez. Telkens op donderdag landt het kleine chartervliegtuigje dat een nieuwe lading bezoekers afzet en de vorige afhaalt. Voor deze klanten organiseert hij dan een 3-daagse trip Ténéré en op de terugweg 2 dagen Aïr-gebergte. Een dergelijke trip doe je ook liefst niet met één wagen. Twee wagens minimum en een gids is aan te raden. Abalé biedt z'n diensten aan: hij met z'n Toyota LandCruiser HJ60 van '86 en wij met Daffy aan 600 FF/dag. Voor ons een beetje teveel geld. Onze Ténéré-droomtrip leggen we naast ons neer. Ooit eens... Die avond nodigt Abalé ons uit om samen met nog twee Franse klanten en zijn bende vrienden wild te kamperen. Her en der pikt hij jonge meisjes op en samen rijden we Agadez uit. Dan draait hij zijn HJ60 een droge rivierbedding in. Algauw ondervinden we dat dit tripje een zekere 4X4 rijkunst vraagt. Te midden deze brede strook zand slaan we ons kamp op. Een ruim tapijt wordt opengerold en iedereen schuift bij rond de dampende couscous-schotel. Borden worden gevuld met hopen en de 'Bière Niger' wordt uitgedeeld. Dit bier wordt spottend 'La Conjoncture' genoemd. Vroeger waren de flesjes 66 cl, sinds enkele jaren zijn het slechts 48 cl flesjes meer. Die avond luisteren we naar allerlei straffe woestijnverhalen en dromen we weg in de vlammen van het kampvuur. De Ténéré.... ooit komen we terug !

Vrijdag 2 februari, de Harmattan daagt ons uit.
Harmattan winden in Niger

We verlaten Agadez, betalen 1070 CFA péage en volgen de tarmac richting Zinder. Onderweg draaien we een zandweg in op zoek naar hoge duinen. Algauw versperren ze de zandpiste met hun 5- tot 10m hoge formaat. We ravotten een hele tijd in deze grootse zandbak. De wind komt aanzetten en waait hoe langer hoe harder. De zanddeeltjes snijden in onze gezichten. We draaien Daffy weer naar de hoofdweg en vervolgen de tarmac met gaten. De zichtbaarheid is beperkt tot 5 meter ! Net een western-tafereel: dode struikjes rollen over en weer, geen zicht, alleen zandgordijnen. Plots zijn er geen putten meer, zelfs geen tarmac meer. Ronald moet sterk afremmen en holder de bolder vliegen we op een 'lateriet' stuk. Een restant van een oude verharde laterietpiste. Maar is de echte weg? We stappen uit en speuren de omgeving af. Veel zien we niet maar vooruit rijden is uitgesloten: zandhopen en struikbegroeiing zonder enig spoor. Uiteindelijk besluiten we de laptop boven te halen en aan de hand van onze 'World Map Source' CD-rom en de Garmin GPS onze positie te bepalen, coördinaten in te geven van nabije dorpen en onze route te bepalen. Vervolgens wagen we ons in de zandduinen en rijden uitsluitend op navigatie van "GP" de zandgordijnen door. Met een start van 40km/h zakt die algauw tot 20 km/h. Toch vreemd dat de tarmac zo bruut ten einde liep... geen overgang naar een 'wasbord' piste zoals de wegengids "Transafrique" editie Olizane vermeldt. Ronald begint reeds te zweten: hard werk hindernissen ontwijken en voldoende 'momentum' houden om door het mulle zand te raken. Na enkele kilometers bemerken we toch een opvallend, grijze strook aan onze rechterzijde. We draaien af en ja hoor, hier is die 'wasbord' piste. GP bracht ons op het goede spoor. Voor de komende 150 km kunnen we nu shaken in de Harmattan.

Maandag 5 februari, zondagsdiesel maakt ons het leven zuur.

De "Transafrique", Editions Olizane beschrijft de toestand van 220.000 km pistes in 40 Afrikaanse landen. Dit boek waarschuwde ons dat er in Nguigmi -het laatste dorp van Niger- niet steeds Dromedarissen, het lokale transportmiddelmazout te vinden is. Daarom tankten we gisteren in Diffa. Alleen was het enige tankstation gesloten op zondag en opteerden we dus voor diesel uit vaten. Daffy vol en enkele jerrycans vol (nog 40 liter van Agadez). Deze morgen rijden we Nguigmi binnen zonder enige kracht; Daffy pruttelt sterk tegen telkens we de gaspedaal indrukken. Zo geraken we dus nooit Niger uit. Modo, freelance-gids en een reus van een vent, leidt ons van het douanekantoor naar het immigratie- en politiekantoor om de grensformaliteiten af te werken. Vervolgens brengt hij ons bij zijn 'mecanicien', uiteraard de enige in heel dit grensdorpje. Ronald vervangt de mazout- en luchtfilter. Deze eerste is één brok vuil waarop de oude baas zijn vijf werknemers de opdracht geeft onze dieseltank te ledigen. De diesel is van slechte kwaliteit, ziet zwart en ruikt anders, althans volgens hen. We vullen de tank met onze 40 liter van Agadez. Uit de testrit blijkt dat er nog iets scheelt. De baas krabt eens in zijn grijze haren en geeft de opdracht om de vijf injecteurs los te draaien. Dan gaat de baas er zelf bij zitten en draait ieder stuk één voor één open: vlotje, naaldje, rubberringetje, etc. zo'n tiental elementen per injecteur. Hij zuigt mazout op en blaast, spuugt en wrijft er ieder elementje mee proper. We houden ons hart vast bij het terug samenstellen: alles op z'n plaats, alles er terug op ? Ik kijk Sofie aan en denk efkes dat de reis wel eens vroeger ten einde zou kunnen lopen dan verwacht. Eenmaal de injecteurs terug gemonteerd zijn, draait Daffy echter weer beter. Van de drie kapotte bladveren links achter spreken we niet. Modo nodigt ons uit om samen met zijn vrouw en vijf kinderen couscous te eten. Wij scharen ons op het tapijt en Modo dringt aan om ons te gidsen tot de grens. Van Nguigmi tot de eigenlijke grens is het één zandterrein doorkruist met 100'en sporen. Wij kennen twee overlanders die probeerden het juiste spoor op hun eentje te vinden en terugkeerden. Goed dan, Modo kan mee. Hij waarshuwt ons dat we zeker sigaretten moeten kopen.... om de militairen gunstig te stellen. Jaja, daar doen we niet aan mee. Eenmaal uit het dorp draaien we zowaar een landingsbaan op. Op het einde van deze baan bemerken we inderdaad tientallen sporen: diepe en ondiepe, brede en smalle, alle richtingen uit. Op Modo's aanwijzingen werken we er ons door. 't Is mul zand en we laten druk van de banden. Een uurtje later zetten we Modo af bij een vestiging vol gewapende militairen. Van hieruit zal Modo morgen per kameel terugreizen. De militairen komen aangerend maar Modo wuift hen weg met de melding dat de papieren geregeld zijn en de cadeautjes op zijn. We keren Daffy terug naar de hoofdpiste en rijden volgens Modo's plan..... één zandvlakte, geen levende ziel te bespeuren, op weg naar Tsjaad. Met moeite halen we Daboua, Tsjaads grensdorpje op de heuvel. Wat een hoeveelheid zacht zand, en er is gewoon geen andere weg mogelijk dan er dwars doorheen ploegen. De eerste post stempelt ons paspoort, de tweede post controleert de stempel en bij het douanekantoortje moeten ze nog iemand zoeken die de sleutel van het kantoortje heeft. Onze carnet de passage wordt pas afgestempeld in Bol, eveneens onze immigratie-formaliteiten dienen we daar opnieuw te doen. Zonder sigaretten raakten wij ook door Daboua. Nu moeten we enkel nog Daffy door het uitgedroogde 'lac Chad' te krijgen.

Terug