De uitrusting


Wat iedereen droeg en wat niet onder te brengen is in de verdedigings- of aanvalscategorie, waren de sandalen en de gordels. Om het zwaard en de dolk niet de hele tijd in de hand te moeten houden, gordden de legionairs een riem om. Daaraan konden ze dan hun wapens hangen. Aanvankelijk waren het twee gordels die elkaar op de rug en aan de voorkant kruisten. Ze werden samengehouden door een een aantal leren stroken. Samen vormden ze een soort schort. Elke strook was versierd door metalen plaatjes. De gewone soldaten droegen de dolk links en het zwaard rechts, de centurio's deden dit net omgekeerd. Deze tweeledige riem evolueerde naar een enkelvoudig exemplaar. Het plaatje met bijhorend schortje bleef echter bestaan als getuige van de twee gordels. Aan de nieuwe riem hing voortaan nog enkel de dolk. Het zwaard werd aan een schouderband meegedragen.

Wat de soldaten ook droegen, waren sandalen. Sandalen werden uit een stuk leder gesneden. De zool behoefde natuurlijk een versteviging, dit in de vorm van het verdikken ervan. Dit werd gedaan door het aan elkaar bevestigen van een aantal lagen leer. Bovendien werden er nog metalen noppen ingeslagen. Hoe de sandaal toegebonden werd, was vrij simpel: het bovenstuk van het schoeisel was, zoals tegenwoordig in 'riemen' gesneden. Deze riemen werden achter de hiel vastgebonden.

 

 

LANDMACHT

Infanterie

Beschermingsdelen of arma

Ter bescherming van het hoofd droeg de Romein een helm, ook wel galea genoemd. Dit hoofddeksel werd reeds vanaf het begin van de Romeinse oorlogsgeschiedenis gedragen. Jammer genoeg ontbreken duidelijke bronnen van hoe de helm er indertijd uitgezien moest hebben. Uit de weinige archeologische vondsten kan afgeleid worden dat het ontwerp meestal gewoon overgenomen werd van andere culturen, enkele voorbeelden van modellen zijn de Griekse, de Attische en de Montefortinohelm. Telkens hebben ze een ding gemeenschappelijk: alle beschikken ze over kokertjes om pluimen in te steken. Getooid met een immense pluim konden ze immers blijk geven van hun rijke afkomst en eveneens de vijand af te schrikken.

In Caesars periode was er geen verandering in de bescherming van het hoofd: het type helm werd bepaald door de willekeur van de soldaat. De gewone soldaat droeg een helm van het Montefortino-type of van het Etruskisch-Korinthische type. Dit laatste is, zoals de naam al doet vermoeden, afgeleid van de Korinthische (Griekse) helm. Bij de officieren was ook een laat-hellenistisch model in zwang.

Rond het begin van onze jaartelling kwam er dan uiteindelijk een evolutie in de helmenmode van de Romeinen. Na de verovering van Gallië werd een nieuw model ontdekt: de 'jockey-pet'. Het dankt die naam aan de gelijkenis met de pet die de jockeys heden ten dage op het hoofd dragen. Geleidelijk aan verdreef deze nieuwe helm de oudere Montefortino en Etruskische-Korinthische helmen. Toch bleven enkele lieden vasthouden aan het vorige type. Het was de keizerlijke garde die niet mee-evolueerde. In tegenstelling met de oorspronkelijke (bronzen) helmen, waren de Gallische modellen uit ijzer vervaardigd. Het ultieme voorbeeld hiervan is de helm die de soldaten van Trajanus droegen.

Op mars werd hij aan een lederen riem voor de borst van de krijger gehangen.

Het schild of scutum, dat de Romeinen met zich voerden was aanvankelijk van hout gefabriceerd. Het was ongeveer dubbel zo hoog als breed: anderhalve meter hoog bij een breedte van om en bij de 90 centimeter. De scutum was bedekt met canvas en leder. In het midden ervan bevond zich een ijzeren punt. Het ovalen schild was niet plat, maar licht gebogen in de breedte. Op die manier kon de soldaat zich bijna volledig 'in' het schild verschansen. Rond de eerste eeuw na Christus was het schild geëvolueerd naar een rechthoekige vorm. De basislaag was eveneens vervangen door een soort triplex hout: drie dunne lagen hout van een tweetal millimeter dik, werden dwars op elkaar geplakt. Op die wijze kon men een stevig schild in een gebogen vorm maken. Daar bovenop werd de achterkant nog eens verstevigd met houten plankjes. In het midden van zo'n houten plankje, dat op de triplex-plaat geplakt was, bevond zich een versteviging waar de soldaat het shcild kon vasthouden. Om de holte van het handvat te compenseren aan de voorkant, werd aldaar een ijzeren of bronzen uitsteeksel aangehecht. Het geheel, met uitzondering van de ijzeren punt, werd nog eens overtrokken met een leren 'hoes' en daarover werd een linnen laag aangebracht. Op die laatste laag konden versieringen aangebracht worden, die duidden op de eenheid tot dewelke de desbetreffende soldaat behoorde.

Wanneer het schild niet gebruikt werd, onderweg dus, werd het in een lederen hoes gestopt. Deze hoes droeg de naam tegumentum.

De overige stukken die een soldaat bescherming boden, waren de lichaamsbepantsering en beenbescherming. In den beginne droeg de arme soldaat een simpele, vierkante borsplaat. Dit stond in tegensteling met de rijkere legionair, die een maliënkolder droeg over zijn gehele romp en ook nog beenbeschermers, die zijn schenen bedekten.

Tegen de eerste eeuw voor Christus beschikte de officier over een kuras. De kuras was een anatomisch gevormd lichaamspantser, van oorsprong Grieks. Het was uit metaal vervaardigd. Onder hun kuras droegen de officiers een zware, wollen tuniek en twee pteriges, dit zijn lederen stroken die kruiselings over de schouders liggen om enige verzachting te bieden van de harde pantser. Onder deze tunica werd een normale, lichtere gedragen. Ook scheenplaten behoorden standaard tot zijn uitrusting. Aanvankelijk werd er geen broek onder gedragen, later kwam de korte broek in de mode.

In de eerste eeuw na Christus verloor de maliënkolder zijn plaats op de schouders van de soldaat om plaats te ruimen voor het 'gelede plaatharnas'. Dit zijn harnassen zoals we ze kennen uit de verhalen van Asterix (dit is een fout in de strips: plaatharnassen werden pas 80 jaren na Caesar heerschappij ingevoerd, terwijl de Romeinen in 'Asterix' reeds allen in dergelijk dingen rondlopen!). Van dit harnas zijn twee types bekend. Wat ze gemeen hebben is dat de borst- en bovenrugplaten door riemen en gespen aan elkaar gebonden waren. Ook waren bij beide modellen, de kleine plaatjes, van schouder-, gordel- en bovenrugstukken werden op leren repen genageld (de gordelstukken zowel langs voor- als achterkant). Borst- en schouderdelen werden in elk geval door versierde gespen aan elkaar gehaakt. Het verschil tussen de twee types is, dat het ene type de borst- en bovenrugplaat door middel van een haak verbindt en het andere dat door riemen en gespen deed. Onder de plaatharnassen werd hetzelfde gedragen als onder de kuras.

De scheenplaten bleven over het algemeen identiek doorheen de loop der tijden.

 

Aanvalswapens of tela.

Het zwaard zoals we het nu kennen, kwam in de derde eeuw voor Christus bij de Romeinen terecht na de confrontatie met de Spanjaarden. Na de verovering ontdekten de Romeinen de Spaanse smeedkunst en verbeterde daardoor de wapens waarover ze tot dan toe beschikten. De verwijzing naar de Spaanse smeedkunst vinden we in de Latijnse naam voor hun zwaard: gladius hispaniensis. Er bestaan zelfs vermoedens da de Romeinse dolk op een Spaans model geïnspireerd zou zijn. Kenmerkend voor dat zwaard was eat het een langwerpige, scherse punt had. In de loop van de eerste eeuw na Christus werd het lemmet recht (d.w.z. twee evenwijdige snijdende zijden) en langer (55 centimeter) en de punt zelf korter. Het zwaard werd in een schede gestopt, die schede bestond uit brons, hout en leder.

De dolk (pugio) evolueerde niet veel doorheen de evolutie van het leger, maar het is mogelijk dat de dolk tegen het einde van de eerste eeuw na Christus uit de basisuitrusting van de soldaat verdween. In haar glorietijd werd ze in een bronzen of ijzeren schede opgeborgen. Soms was de dolk nog opgemaakt met zilveren inleggingen.

Er waren twee types speren: werpsperen (pila) en stootlansen (hasta).

De pilum was een werpspies, met een handvest in hout. Aan het einde ervan was een metalen top met behulp van twee klinknagels bevestigd. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het een platte, scherpe punt betrof. Er waren twee weerhaken aan gemaakt, zodat het wapen zich bij inslag in een schild van de vijandige partij boorde. Daardoor was dat schild onbruikbaar. Toch was dit niet altijd een garantie dat de speer bleef waar hij was. Marius zag in dat de speer geretourneerd kon worden als ze geen doel trof. Normaal moest het metalen uiteinde verbuigen nij impact. Daar dit niet het geval was, dacht hij een andere methode uit: hij liet één van de twee klinknagels vervangen door eenhouten pin die afbrak bij de schok van de inslag. Zo werd de pilum nutteloos nadat hij gebruikt was. Caesar verbeterde de self-destruction mode nog door het metaal onder de punt niet te verharden. De pilum zelf was tussen één en twee meter groot en had een bereik van zo'n twintig tot vijftig meter. In de loop der tijden is de pilum er lichter op geworden. In de eerste eeuw na Christus was dit wapen zo licht geworden dat men een nieuwe, zwaardere, speer invoerde. Om deze te verzwaren, werd bij de overgang tussen het metalen en het houten deel een loden gewicht aangebracht.

 

Cavalerie.

Ter bescherming droeg de ruiter een helm die het hoofd volledig bedekt, met uitzondering van de ogen, neus en mond. Dit stond in schril contrast met het Griekse model dat zo weinig mogelijk bedekte om het perceptievermogen van de cavalerist zo weinig mogelijk te hinderen. Voor het lichaam werd dezelfde pantsering gebruikt als de hulptroepen, namelijk een maliën- of schubkolder. Voor Hadrianus' periode werden de paarden zelf niet gepantserd, wel overvloedig versierd met brons, na deze keizer waren zowel ruiter als paard zwaar gepantserd, wat het geheel van hen beiden de naam cataphractus opleverde.

Het wapenbestand dat zij droegen bestond in de periode van de Republiek uit een speer, een zwaard en een bol, rond schild, dat de Latijnse naam parma equestris droeg. Wat speciaal was aan de speer, was dat ze ook een scherpe punt aan de achterkant had. Dit was voor het geval de punt aan de voorkant zou afbreken op een of andere vijand (of in de grond!), dat de ruiter toch nog een wapen had om een vijand vanop afstand van op het paard aan te vallen.

Met het aanbreken van het Keizerrijk, deed een langer zwaard (spatha) zijn intrede. De afkomst daarvan zou in het Keltische gebied liggen Het schild was afgeplat en kreeg een anderevorm, er was nu een keuze uit zeshoekig en ovaal. Ook nieuw was de mogelijkheid tot het afschieten van pijlen door cavaleristen. Ze bezaten een pijlkoker waarin onder andere drie pijlen met een punt ter grootte van die van de gewone speer zaten.

Wat eveneens niet eerder in het leger vertoond was, was het zadel. Na het zwaard de tweede Keltische invloed op de Romeinse cavalerie. Een derde Keltisch gebruik is terug te vinden in het gebruik van het hoefijzer: het model met hoefnagels, zoals wij dat nu nog kennen werd door de Romeinen vermoedelijk naast de hoefsandaal gebruikt. De hoefsandaal werd uitgevonden voor gebruik op nijlpaarden want een galopperend paard kon ze niet aanhouden, ze vlogen van de hoeven af. Aanvankelijk werden er ook geen stijgbeugels gebruikt, maar door de invoering ervan werd het mogelijk om zwaarder gepantserde ruiters op het paard plaats te laten nemen zonder dat ze er zouden afdonderen. Naar verluidt zou dit een vinding zijn die uit Zuid-Rusland afkomstig was (daar leefden talrijke ruitervolken onder invloed van de Mongolen, bijvoorbeeld de Kazakken). Sporen werden altijd al gebruikt door de Romeinen. Het bit tenslotte is altijd al gebruikt geweest, vanaf het Bronzen Tijdperk tot nu. De Romeinen pasten een tweedelig trenstype in de paardenmond.

 

 

ZEEMACHT.

In de jonge jaren van het Rijk was, zoals reeds eerder vermeld, geen vloot vereist daar alle veroveringen over land verliepen. Er werden voor het eerst schepen ingezet in een oorlog tegen de Samnieten in de tweede Samnitische oorlog die van 326 tot 304 voor Christus duurde. Het betrof een klein scheepsbestand van een twintig drieriemen (triremes). Pas in de strijd met Carthago werd een echt uitgebouwde vloot opgericht. In 264 voor Christus werden honderd schepen nagemaakt naar het model van een gestrand Carthaags schip. Dat was een galei met vijf roeibanken, maar hierover later meer. Met hun copieën slagen ze erin de originelen te verslaan. Na dit succes komt het zeewezen in een periode van verval terecht. Pas in de tweede eeuw voor Christus is er opnieuw nood aan een controlerende macht op zee. Naar aanleiding van piraten in de Middellandse Zee werd de vloot in ere hersteld. Even later zal ze ook nog haar nut bewijzen in de burgeroorlog, die haar besluit vond in de zeeslag nabij Actium in 31 voor Christus. Augustus, de overwinnaar in Actium, besluit dan een permanente, degelijke vloot te laten bestaan. Hij liet havens bouwen te Ravenna en Misenum en stelde een vloot van zevenhonderd schepen samen. De kleinere schepen vormden aparte vloten die vooral de orde moesten handhaven, een soort politionele functie dus. Zo werden er ook op rivieren vloten gestationeerd. In Wenen was er bijvoorbeeld een haven om de Donau onder scherp toezicht te kunnen houden over water.

De bemanning van de Romeinse galei stond in de keizertijd onder commando van de keizer. Het daadwerkelijke bestuur per vloot lag daarentegen in de handen van de praefectus classis (=stolarchus). Hij werd bijgestaan door een subpraefectus. Elk schip staat dan weer onder leiding van zijn eigen triërarchus. De gehele bemanning, en daaronder verstaan we zowel matrozen (nautae), roeiers (remiges) en soldaten (classiarii) vormde samen met de loods (gubernator) en de peregrini een centurie dat onder de leiding stond van een centurio classicus.

Aan de hand van de bouw van de schepen kunnen we onderscheid maken tussen een zestal schepen. De naam ervan duidt meestal op het aantal rijen roeiers. Zo was het aatal roeibanken van een moneris gelijk aan één. De moneris droeg soms nog de naam van snelzeiler (navis actuaria). Op een biremis waren er twee rijen, op de trireme of rimeges waren er drie aanwezig, op een quadriremis vier en op een quinquereme vijf. Omdat het praktisch nogal moeilijk moest geweest zijn om vijf roeiers boven mekaar op te stellen, sloeg de vijf waarschijnlijk op het aantal roeiers. Er werden telkens twee mannen aan een riem gezet op de twee bovenste rijen en een mannetje aan de onderste en ook kortste roeiriem.

De eerste Romeinse schepen waren gebaseerd op het Griekse type van de trireme. Het had drie banken roeiers, die schuin onder elkaar kwamen te zitten. In totaal waren er 170 roeiers die het schip van een 35 meter lengte en zes meter breedte.

Toch zochten de Romeinen een nog sneller, stabieler en flexibeler schip. Hun zoektocht eindigde bij de quinquereme. Het schip van 40 meter lang en 7 meter breed werd aangedreven door 300 matrozen en roeiers, die deze keer op vijf banken terug te brengen waren. Deze bemanning vervoerde een legertje van 120 soldaten en 20 officiers. In tijden van oorlog werden deze kolossale schepen vergezeld van meestal twee kleinere schepen met twee rijen roeiers.

Een kleiner type schip werd overgenomen van de zeerovers, die zich op hun beurt voor het ontwerp hadden laten inspireren door het Liburnische oorlogsschip. De liburnica was snel en licht en kon een bemanning van 200 koppen omvatten. Dit schip mat 33 meter lang en 4 meter breed.

Hoe het schip gebouwd werd, namen de Romeinen ook weer over van de Grieken. Ze begonnen met het bouwen van de romp, meestal met behulp van cypressen-, ceder-, zilverspar- of dennenhout. De planken werden tegen mekaar bevestigd door messen en voren. De boorden werden met massief eikenhout afgewerkt. Eens de romp klaar was, werd begonnen met het verstevigingswerk aan de binnenkant: het geraamte Maar door het stilaan verminderen van de slavernij zal men deze volgorde omkeren en starten met de bouw van het geraamte en daarna pas de romp ineen te zetten. Het stuk van hets schip dat zich onder water bevond, werd bekleed met lood.

Om de voortbeweging van het schip te bevorderen, konden de Romeinen beschikken over roeiriemen en zeilen. Wat de riemen betreft, werd al vroeg een aanpassing aan het schip toegebracht zodat de roeier mmer kon profiteren van het zogenaamde hefboomeffect. Daartoe werd een soort 'outrigger' gemaakt. Dit is een uitsteeksel zoadt de roeidol zich meer naar de buitenkant bevond. De vierkante zeilen werden slechts gebruikt indien de wind echt gunstig opstak. Voor de slag echt begon werd zowel het zeil als de mast zelf gestreken. In latere periodes hadden de galeien een sprietzeil op de voorsteven. De besturing gebeurde niet met een roer zoals wij dat kennen, maar met twee brede riemen aan de achterkant van het schip.

Op de voorsteven van de Romeinse galei stond in het begin de corvus. De corvus was een lange loopplank, die rond een paal op het dek roteerde. Aan het uiteinde van de corvus zat een zware ijzeren pin, die zich bij het neerlaten boven het vijandige schip in het desbetreffende dek boorde. Op die manier kwam de plank stevig vast te zitten. Vervolgens liepen de Romeinse soldaten met twee, zij aan zij, via de zopas gelegde brug, naar de vijand om aldaar een slachtpartij aan te richten en zo het schip tot kelderen te brengen. Later werd ook dit systeem vervangen door een soort enterhaak: de harpago. Deze haak werd met een katapult naar het vijandelijk schip afgevuurd en bij een voltreffer werd dat schip door middel van een katrol naar het Romeinse schip toe getrokken.

Wat we nog terugvinden aan de voorkant van de galei was de stootboeg, ofwel rostrum. Het was een uitstekend stuk van de boeg dat uitliep in drie punten. Het was meestal met brons versierd, verstevigd en verzwaard. Het gewicht van deze 'scheepsnavel' wordt op 77 kilogram geschat. Bij een overwinning op een ander schip werd bij wijze van oorlogsbuit dit stuk terug meegenomen ,aar Rome om het daar dan in triomf naar het Forum te brengen. Daar kregen deze trofeeën een speciaal plekje. Op de plaatsen waar de rostra zich bevonden werden ook redevoeringen gehouden.

Aan de achterkant van het schip stond veelal een beeld van de beschermgod (tutela) en het blazoen van de voogd van de vloot (arma).

In de slag op zee was het de bedoeling de opponent tot zinken te brengen. De roeiers zetten hun schilden langs de rand van de reling ter bescherming. De vijand, en de Romeinen overigens ook, bouwden soms een houten torentje, dat na de strijd opnieuw werd afgebroken, op de voorsteven om de boogschutters en de speerwerpers een beter overzicht te geven op het vijandelijke dek. Hoe het schip een ander tot zinken kon brengen, was een secure operatie: allereerst werd getracht met behulp van de rostrum een gat in de romp van de vijand te boren. Hiervoor bestonden twee tactieken. Ee wordt steeds van dezelfde beginsituatie uitgegaan, er staan twee rijen schepen tegenover mekaar. De eerste strategie vereiste sterke roeiers, om eerst door de vijandelijke linie door te varen. Daarna moest het schip direct gekeerd worden zodat de vijand op de achtersteven efficiënt geramd kon worden. Deze ramwijze heet diecplus. De tweede, periplus, hield in dat een rij de vijand in de flanken aanviel zodat de tweede linie in de rug kon aanvallen. Eens de vijandelijke galei geramd, kon overgegaan worden op de entering. Hier kwam ook de navis turrita 'in actie', de boogschutters schoten, de mariniers klommen aan dek van de tegenstander en de strijd op leven en dood begon weer eens, nu op een platform op zee.

 

BELEG.

Het beleg begon meestal met het isoleren en/of de bestorming van het aan te vallen doel. Aangezien er voor het isoleren van bijvoorbeeld een stad niet zo veel nodig is, komen hier voornamelijk bestorminstuigen aan bod.

Tijdens het aanvallen van een hypothetische versterkte stad zijn toch nog steeds verdedigingsmaatregelen nodig. Deze bestonden uit pantseropstellingen, zoals in Asterix-albums, schermen, enzovoorts.

Een eerste aspect is het scherm of de pluteus. Dit was in feite een groot schild, met als basislaag een in elkaar gevlochten houtwerk. Dit raamwerk werd vervolgens bedekt met lederen dierenhuiden. Dit geheel bood bescherming tegen pijlen afkomstig van de verdedigende mogendheid. Een andere pantsering werd geboden door de galerij of de vina. Dit was een meer uitgebreide vorm van het schild: het was meer een huisje, waaronder af en toe wieltjes werden geplaatst. Deze huisjes waren aan de voorkant en aan de achterkant open zodat je een gang verkreeg wanneer ze achter elkaar geplaatst werden. Door die gang konden de legionairs dan veilig tot aan de wallen lopen. De galerij werd immers bedekt met niet-geschraapte, dus ruwe, dierenhuiden; dit om brandveilig te zijn (vuurpijlen!).

Een opstelling die ook vaak gebruikt werd, was de testudo of schildpad. Een groepje soldaten sluit bij mekaar aan en houdt zijn schilden naar de buitenkanten gericht. Het werd toegepast om troepen naar de vijandelijke wallen te laten marcheren.

De toren tenslotte hadden de bedoeling om de Romeinse manschappen op een hoogte te krijgen, die gelijk was aan die van de wallen van de vijand. Torens konden tot dertig meter hoog zijn. Ze werden gemaakt met een houten geraamte en vervolgens bedekt met lederen huiden of zelfs metalen platen. Ook dit om de brandveiligheid te garanderen. Binnenin werden verdiepingen aangebracht, die zich telkens op drie meter bevonden. Ze werden met elkaar verbonden door middel van ladders. Het enorme bouwsel werd voortbewogen over ronde voorwerpen, soms op wielen, soms over boomstammetjes.

Nu de soldaten veilig bij de wallen geraakt zijn, kan de eigenlijke belegering aanvangen. Ook daarvoor waren toestellen ontworpen. De manier om door de poort van een versterking te geraken, was zeer simpel: met een ram de poort inbeuken. Deze ram bestond reeds lang en kende zodus een zekere evolutie vooraleer ze in gebruik genomen werd bij de Romeinse krijgsmacht. Enkele voorgaande beschavingen hadden dit tuig al meerdere malen onder handen genomen zodat het apparaat dat de Romeinen gebruikten zeer doeltreffend genoemd kon worden. Als basis werd de galerij genomen, men make vervolgens de voor- en achterkant dicht, doch men laat een voldoende grote opening vrij waardoor de stormram kan bewegen. Dan komt de ram zelf. Het was een lange, stevige boomstam waarvan de kop met ijzer versterkt was. De stam zelf was ingewikkeld met touw opdat het hout niet barsten zou onder de zware krachten die erop uitgeoefend werden. Binnenin de galerij werd de ram dan als een slinger aan de nok bevestigd. De mannen in de galerij duwden en trokken tenslotte aan de ram en op die manier werd voldoende slingerkracht meegegeven zodat een poort ingebeukt kon worden.

De katapultae en ballistae werden beide overgenomen van de Grieken. Het verschil tussen deze twee schuilt in de projectielen die ze afvuren. De ballista schoot stenen af en de katapulta vuurde pijlen weg. Volgens historici zouden deze wapens qua structuur te vergelijken zijn met de kruisboog, maar dan wel een stuk groter (vanaf twee meter), en hét verschilpunt is dat de kracht die de projectielen wegslingerde niet afkomstig is van de boog zelf (~kruisboog) maar vanuit een ingenieus veersysteem bestaande uit gevlochten pezen. Op het einde van het imperium kwam de onager in zwang. Dit was een eenarmige slinger.


Kristof Roekens