De Egyptenaren
De Hyksos, een Aziatisch volk afkomstig uit het Oosten heerste van 1785 tot 1580 voor Christus over Egypte. Zij brachten hun beroemde, door paarden getrokken strijdwagen mee, een tuig dat de Egyptenaren toen niet kenden. De ruiters zaaiden paniek onder de vreedzame landbouwers langs de oevers van de Nijl. Vrij snel versloegen ze de infanterie van het Egyptisch leger dat overtroffen werd door de kracht en het elan van de krijgers te paard en van de wendbaarheid van de strijdwagens. Nog lange tijd hierna bleven de Egyptenaren gebruik maken zeer uitgewerkte strijdwagens. Ook in graftombes werden er schilderingen van paarden aangebracht bij de Egyptenaren.

Omstreeks de vierde eeuw voor Christus werden stoeterijen opgericht. Dankzij de aanvoer van nieuw bloed uit Syrië slaagde men erin het uitzicht en de prestaties te verbeteren van grote, magere paarden met gebogen profiel. Vanaf dat ogenblik leverde de Egyptische ruiterij hoge prestaties: de snellere en mobielere boogschutters te paard, die vochten aan de zijde van strijdwagens die gemend werden door krijgers, waren in zekere zin onoverwinnelijk.
De Hebreeuwers, een volk uit het Midden-Oosten, hadden niet dezelfde bewondering voor het paard: ze beschouwden het zelfs als het levende symbool van pretentie en verdorvenheid. De wet van Mozes verbood trouwens het gebruik van paarden in gevechten, een toestand die bleef duren tot de troonsbestijging van Salomo in 971. Deze laatste kocht Syrische hengsten aan en onderhield een leger van meer dan 12.000 rij- en trekpaarden. Onder Salomo kende Israël het toppunt van zijn macht.
Bucephalus was een strijdros dat historische roem vergaarde omdat zijn lot verbonden was aan dat van een groot veroveraar, met name Alexander de Grote. Dit paard werd door een paardenverkoper, Philonicus, bij Philippus, koning van Macedonië en vader van de jonge Alexander, bevracht. Het onbetrouwbare sujet vroeg dertien talenten in ruil voor het paard waarvan vrij snel bleek dat het onberijdbaar was. Philippus was van plan om het weerspannige dier terug te sturen naar waar het vandaan kwam, maar Alexander, zijn zoon, verklaarde zich bereid om het dier te temmen. Amper twaalf jaar oud, draaide hij het paard in de richting van de zon en hij wipte op zijn rug Na enkele bokkensprongen werd het paard rustiger en luisterde het naar de bevelen van de jonge ruiter. Blijkbaar was hij de enige die opgemerkt had dat het paard bang was van zijn schaduw! Bucephalus, waarvan de Griekse naam ‘ossenkop’ betekent, werd vervolgens het oorlogspaard van de jonge krijger en het vergezelde hem op alle slagverlde, van Corinthe tot Babylonië. Wanneer het gezadeld en geteugeld was duldde het volgzame paard zelfs door zijn knieën om Alexander de kans te geven makkelijk op zijn rug te klimmen. Dit legendarische paard stierf op het slagveld, het slachtoffer van zijn ouderdam en niet zozeer van verwondingen: het was toen meer dan twintig jaar oud… Alexander schonk het dier een prachtige begrafenis, want het had zijn hele leven lang blijk gegeven van een geweldige toewijding. Op de plaats waar Bucephalus werd begraven, aan de oevers van de Hydaspes, ontstond een stad die Bucephalia gedoopt werd, later omgevormd tot Lahore. |
![]()
De Perzen
In de 9de eeuw onder de Perzen kreeg het paard een voorrangspositie in de overleving en in de kunst. Cyrus de Grote was in Azië de verlichte beschermheer van het dier. Hij las iedereen de les die een rijdier had en te voet ging, bovendien eiste hij dat kinderen vanaf de leeftijd van 5 jaar begonnen te rijden. Zijn leger telde ongeveer 40 000 ruiters. Toen hij overleed, offerden zijn hovelingen elke maand een paard op zijn graf. Volgens de historicus Herodotus bezaten de koningen van Babylon meer dan 60 000 paarden waarmee zij de wereld beheesten.
![]()
De Grieken

Georganiseerde wagenrennen dateren van het begin van de Olympische Spelen. De eerste koersen vonden plaats in de vrije natuur, maar vrij snel werden ze georganiseerd op renbanen. De Grieken beschouwden het wagenrennen dan ook als een nationale sport. Een paard dat een krachtproef won werd vereerd tot aan zijn dood en werd begraven met alle mogelijke eerbetoon en dan nog vaak in de familiekelder van zijn voormalige eigenaars.
![]()
De Hunnen

De Hunnen, verenigd door de legendarische Attila, waren uitzonderlijke ruiters die leefden door en voor hun paarden, waarvan ze vlees, melk en huiden gebruikten. Attila, bijgenaamd ‘de gesel Gods’, reed op een afstotelijk,spichtig en lelijk paard waarmee hij op veroveringstocht trok. Balamer, zo hete zijn paard, zou hem de plaats hebben aangewezen waar het verloren zwaard van hun god rustte. Dankzij zijn paard kwam hij in het bezit van het wapen en genoot hij bij zijn volk een onbetwiste faam. Op het einde van zijn bewind stond hij aan het hoofd van een leger krijgers die meester waren in de rijkunst, waardoor ze uitmuntten in confrontaties.
![]()
De Romeinen
Ook in Rome behoorden de ruiters tot de elite van de samenleving. Wagenrennen waren enorm populair. Bij de Romeinen bestonden de circusspelen aanvankelijk enkel uit wagenrennen en paardenkoersen. Pas later werden ook de beroemde gladiatorengevechten en watersteekspelen gehouden. De Romeinen waren bedreven fokkers. Zij begonnen diverse typen paarden te produceren die aangepast waren aan de verschillende taken waarvoor ze bestemd waren. Heel wat rassen die zij eerst hebben ontwikkeld, hebben in de loop der tijden het fokken in heel de Europese landen beïnvloed.
![]()
De Chinezen
De Chinezen waren de eersten die gebruik maakten van sporen en stijgbeugels. Daarnaast gebruikten ze ook paarden tijdens gevechten en voor het transport. In werkelijkheid waren ze nooit grote paardenliefhebbers.
![]()
De Saracenen
Aanvankelijk waren de Arabieren kameeldrijvers. Maar omstreeks de 4de eeuw begonnen ze zich toe te spitsen op het gebruik van het paard. Vanaf de 6de eeuw en onder invloed van de profeet Mohammed kreeg de fokkerij een nieuw elan. De grote veroveringen van de islam in de 7de en de 8ste eeuw gebeurden dankzij het paard, de gezel die verafgood werd door de krijger en bewierookt door het geloof. Mohammed had namelijk heel snel begrepen dat de verspreiding van de islam niet kon gebeuren zonder de hulp van het paard. Hun paarden speelden en spelen ook vandaag nog een belangrijke rol in het verbeteren van de rassen.
![]()
De Mongolen

Djingiz Khan, de beroemdste Mongool, behoorde tot een nomadenstam die leefde in de Gobiwoestijn. De Mongoolse legers bestonden enkel uit ruiters die georganiseerd waren in horden. De krijgers voedden zich met boter, melk van de merries en vlees dat ze lieten drogen en dat ze zacht maakten door het onder hun zadel te steken. Elke man bezat 6 à 7 paarden en wisselde vaak van dier. Hun wet verbood dat een paard meer dat een dag op vier bereden werd. Hun legers werden dan ook gevolgd door grote troepen paarden.