|
Ontstaan in de Middeleeuwen uit ambachtelijke coöperaties van
steenhouwers, metselaars en bouwers (bouwgilden), ontwikkelt zij van
een ‘operatieve’ groepering naar een ‘speculatieve’ beweging, dit
onder invloed van de renaissance en de Verlichting.
Aldus vermengen zich de bouw- en de lichtsymboliek.
De tolerantiegedachte wordt beschreven in de ‘Anderson-constituties’
(eerste maçonniek wetboek, London 1723), nl. de maçonnerie als
middel om oprechte vriendschap te stichten tussen mensen die anders
in voortdurende verwijdering van elkaar zouden gebleven zijn …’
Uit het ‘arbeiden ter ere van de Opperbouwmeester van het Heelal’ of
‘onder het symbool van de Opperbouwmeester van het Heelal’ (een van
de al dan niet gehanteerde symbolen) kan het religieuze / spirituele
concept herkend worden, alsook het - eveneens al dan niet aanwezige
- boek der zedenwet (de Bijbel).
Passer en winkelhaak vormen de belangrijkste geestelijke werktuigen
van de onderzoekende en constructief ingestelde vrijmetselaar.
De eerste loge in België werd opgericht in 1721 (La Parfaite Union
te Bergen).
Vanaf dit moment ontwikkelt de Belgische vrijmetselarij zich in
verschillende richtingen. In 1833 werd het Grootoosten van België
opgericht, in 1960 de Grootloge van België, dit vanwege
accentverschillen tussen de enerzijds Latijnse en de anderzijds
Angelsaksische maçonnieke beleving. In de jaren ’70 zien we hierdoor
omwille van de erkenningsproblematiek (regulariteit) de Reguliere
Grootloge van België ontstaan.
Deze orden (obediënties) laten enkel mannen toe.
Een gemengde orde, Le droit Humain werd in 1893 opgericht.
Alleen voor vrouwen zijn
toegankelijk de Order of Women Freemasons, de Grande Loge Féminine
en de orde Vita Feminea Textura, resp. opgericht in 1908, 1959 en
1947).
Het Grootoosten, de Grootloge van
België, de Vrouwengrootloge en Le Droit Humain bevestigden d.m.v.
een gemeenschappelijke verklaring elkaars maçonnieke volwaardigheid,
wat vormen van samenwerking mogelijk maakt, zonder afbreuk te doen
aan elkaars eigenheid.
|