DIT IS HET BELOOFDE LAND



Hoe lieflijk zijn uw tabernakels, o Heer der heerscharen! De mus heeft haar huis gevonden en de tortel een nest waar ze haar jongen in kan leggen! (Ps 84, 2-4)

Dit is het land waar Gij mij wortels heb gegeven voor de eeuwigheid, o God van hemel en aarde. Dit is het brandende beloofde land, het huis van God, de poort van de hemel, de plaats van vrede, de ruimte van stilte, de plek voor het gevecht met de engel. Gezegend zijn zij die verblijven in uw huis, o Heer! Zij zullen U prijzen voor immer. (Ps 84, 5)

Het dak van het oude tuinhuis is versleten, het bouwsel is vervallen. Eén van de pijlers van het oude wagenhok is stuk gereden door een tractor. Er zal een nieuwe metalen hangar komen voor de machines. Deze hoek van de boerderij, waar de oude paardenstal stond, is de woestijn geworden aan mij geschonken om er schaduwbomen te planten, opdat het eens een plek voor contemplatie zou worden.

De Heer is aanwezig als de nieuwe dag de dauw op het jonge gras doet glinsteren. God is aanwezig op de plek waar de kleine wilde bloemen alleen door Hem gekend zijn. Hij komt voorbij in de wind die de nacht doet wegebben in de aarde. Hij die oneindig groot is laat zijn kinderen delen in zijn eigen onschuld. Zijn liefde is de liefste van allen, zijn zuiver vuur eerbiedigt alle dingen.

God aan wie alle dingen toebehoren, Hij schenkt ze allen hun vrijheid. Hij trekt ze nooit tot zich zoals wij dit doen om ze te vernietigen. Hij laat ze vrij. Hij geeft hen voortdurend dat wat ze zijn. Hij vraagt geen andere vorm van dankbaarheid dan dat ze zijn weldaden zouden aanvaarden, zijn liefde en zijn voedsel, dat ze zouden groeien en zich vermenigvuldigen om Hem te loven.

Hij zag dat al het geschapene goed was, maar Hij proefde er zelf niet van. Hij zag dat alles heerlijk was en Hij koesterde geen verlangen naar wat dan ook. Zijn liefde is anders dan de onze, zijn liefde is bezitteloos, ze is zuiver omdat zij aan niets behoefte heeft. Als Ik zou hongeren, dan zou Ik het u niet zeggen (Ps 50, 12). Maar in Hem bestaat geen honger. Hij is onbekend aan hen die nood hebben aan genot. Zij die dorsten hebben nooit gehoord over Hem die dorst naar niets. Alle dingen horen Hem toe en ze zijn Hem alles verschuldigd, ze kunnen Hem niets in ruil geven. Ze bestaan in Hem in een ongeschapen zijn, heilig en zuiver, oneindig verheven boven hen.

Wij, die tot de ondergang gebracht worden door onze eigen nooddruft, waarbij we ons voorstellen dat we iets kunnen bezitten, wij denken soms dat God de dingen die Hij schiep nodig heeft -- alsof Hij zijn eigen schepping zou gebruiken of er afhankelijk van zou zijn!

God is zuiver, en daarom heeft Hij er geen behoefte aan vogels in te kooien. God is groot, en daarom kan Hij het gras laten groeien waar Hij wil en zal het onkruid onze ingestorte gebouwen overwoekeren, want de dag zal komen dat al onze gebouwen in puin zullen liggen, omdat ze het bezit van iemand waren.

God is zijn eigen wet en de wet van alle dingen is gelegen in zijn vrijheid. Daarom ook dienen de sterren Hem in vrijheid, gaat de zon op in een vreugdezang en verdwijnt de heldere sprakeloze maan zonder vorm van enig protest.

Elke golfslag van de zee is vrij. Elke rivier op aarde verkondigt haar eigen vrijheid. De onafhankelijke bomen hebben geen enkele behoefte, ze groeien zonder iemands hulp: ze steken hun gebladerte vredevol de hoogte in en verheerlijken hun schepper. Geen twee van hen zijn identiek, zelfs niet twee bladeren van dezelfde boom. Nooit waren twee cellen van hetzelfde blad gelijk. Bomen groeien immers zoals ze willen: en alle dingen gebeuren zoals God het verlangt. Hij heeft er trouwens geen nood aan zich te verheugen in zijn schepping. Wij gebruiken deze term en wij zeggen dat Hij gelukkig is, omdat in al deze dingen zijn vrijheid, zijn wijsheid en zijn genade zich verheugen in zijn eigen oneindige vrijheid.

God deelt in het geheim en in de onschuld van heel zijn schepping zonder in aanraking te komen met haar, zonder zich te bemoeien met zijn schepselen, zonder zelf af te dalen tot het niveau van hun vreugde; dat is zijn bestaan en zijn mysterie. Dat is ook wat we bedoelen met zijn glorie die zijn schepselen Hem dienen te geven. Maar wat is zijn glorie? De glorie van God is God in hen zonder ze te raken, God die hen alles geeft en die toch zijn oneindige afstand bewaart. God, de Vader van zijn schepselen zonder verdere samenhang met hen. Ze zijn wel verwant aan Hem, maar toch komen ze Hem die in hen leeft nooit nabij. Gods glorie en zijn gereserveerdheid zijn één. Het is zijn glorie ze alles te geven en te midden van hen te verblijven als ongekend.

O kinderen van de mensen! Weten jullie dan niet dat God zich niet vertoont? Als jullie konden zien hoe anders zijn glorie is, dan zouden jullie sterven uit liefde voor Hem. Maar hoe kunnen wij geloven, wij die onszelf trachten te verheerlijken? Konden wij maar begrijpen dat God verheerlijkt wil worden door Hem glorie te schenken. Hij vraagt van ons niet Hem glorie te schenken die we niet van Hem ontvangen hebben... Waar kunnen we Hem vinden om Hem terug te geven wat we van Hem ontvangen hebben? Zodra we Hem gevonden hebben is Hij al verdwenen!

Slot van hdst. VI uit “The Sign of Jonas”



NAAR INDEX