In Louisville, op de hoek van de Vierde en de Walnutstraat, in het midden
van de winkelbuurt, werd ik ineens overweldigd door
het besef dat ik van al die
mensen hield, dat zij bij mij hoorden en ik bij hen, dat wij geen vreemden voor
elkaar konden zijn al kenden wij elkaar niet eens.
Het was alsof ik ontwaakte uit
een droom van vereenzaming, van onechte zelf-afzondering in een aparte wereld,
de wereld van zelfverloochening
en vermeende heiligheid. De hele illusie van een
afgezonderd, heilig bestaan is een droom. Niet dat ik de realiteit van mijn roeping
of van mijn
koosterleven in twijfel trek. Maar de opvatting die wij hebben over de
‘afzondering van de wereld' dient zich al te vaak als een volslagen illusie aan:
des
illusie dat wij totaal andere wezens worden, pseudo-engelen, ‘geestelijke mensen',
mensen van inwendig leven en noem maar op, omdat wij
geloften hebben
afgelegd.
Die aloude waarden zijn ongetwijfeld reële waarden, maar hun realiteit ligt
niet buiten het alledaags bestaan in een onzekere
wereld, noch geeft zij wie ook
het recht de leken te verachten: want ofschoon ‘buiten de wereld', zijn we in
dezelfde wereld als iedereen, de wereld van
de atoombom, de wereld van de
rassenhaat, de wereld van de technologie, de wereld van de massamedia, van de
grote zaken, van de revolutie en
al de rest. Wij nemen tegenover die dingen een
andere houding aan, omdat wij van God zijn. Maar iedereen is eigenlijk van God.
Wij zijn er ons
echter van bewust en van dit bewustzijn leggen wij getuigenis af.
Maar geeft dit ons het recht onszelf als anders dan de anderen te beschouwen, of
zelfs beter dan de anderen? Dit zou belachelijk zijn.
Dit gevoel bevrijd te zijn van een denkbeeldig verschil betekende voor mij
zulk een opluchting en zulke vreugde, dat ik haast
hardop begon te lachen. En ik
vermoed dat mijn geluk kon vertolkt worden door de woorden: "God zij dank,
God zij dank, dat ik ben als de andere
mensen, dat ik slechts een mens onder de
mensen ben". Te bedenken dat ik zestien of zeventien jaar lang die loutere illusie,
die impliciet in een
groot deel van ons kloosterlijk denken vervat ligt, ernstig heb
opgenomen.
Het is een glorieuze bestemming een lid van het menselijk ras te zijn, ofschoon het een ras
is dat tot menigvuldige
dwaasheden en verschrikkelijke vergissingen is gedoemd. En toch, met
dat al, heeft God zelf er zich op beroemd een lid
van het menselijk ras
te worden. Een lid van het menselijk ras! En dan te bedenken dat het
beseffen van dergelijke gemeenplaats je plots overvalt als het
nieuws
dat je het groot lot gewonnen hebt in een wereldloterij.
Ik ken de oneindige vreugde een mens te zijn, een lid van het menselijk ras
waarin God zelf geïncarneerd werd. Alsof
het leed en de dwaasheid van onze
menselijke situatie mij kon overstelpen, nu ik besef wat wij allen zijn. Als iedereen dat maar
kon beseffen! Maar
het kan niet worden verklaard. Daar is geen
mogelijkheid om aan de mensen diets te maken dat zij allen over de aarde gaan,
lichtend als de zon.
Dit verandert niets aan de zin en de waarde van mijn eenzaamheid, want het
is in feite de functie van de eenzaamheid het
besef van die dingen bij te brengen.
Wie ondergedompeld is in andere zorgen, andere illusies en het hele automatisme
van een strak
collectief bestaan, kan onmogeljk tot dit bewustzijn komen. Mijn
eenzaamheid is echter niet van mij alleen, want ik zie nu hoezeer zij ook anderen
toebehoort - en dat ik er voor verantwoordelijk ben, niet enkel voor mezelf maar
ook voor de anderen. Omdat ik me één voel met hen,
ben ik aan hen verplicht
alleen te zijn en wanneer ik alleen ben, dan zijn zij niet ‘zij', maar mijn eigen
zelf. Er bestaan geen vreemden!
Het was alsof ik plots de geheime schoonheid van hun harten zag, de diepten
van hun hart waar noch begeerte noch
zelfkennis kunnen doordringen, de kern
van hun wezen, de persoon die ieder in Gods ogen is. Als zij zich maar konden
zien zoals zij werkelijk
zijn. Als zij elkander maar altijd zo konden zien! Er zou
geen oorlog meer zijn, geen haat, geen wreedheid, geen hebzucht... Ik vermoed
dat het grote probleem dan zou zijn dat we neervallen en elkaar gaan vereren. Dit
kan echter niet worden gezien, enkel geloofd en ‘begrepen'
door een bijzondere
gave.
Hier komt de uitdrukking le point vierge (ik kan dit niet vertalen)
weer te pas. In de diepste kern van ons wezen is er een
punt van niets-zijn, waar zonde en illusie
niet zijn doorgedrongen, een kern van loutere waarheid, een vonk die geheel God toebehoort,
die nooit tot
onze beschikking is, van waaruit God over onze levens beschikt, en die niet
toegankelijk is voor de spelingen van onze geest of de brutaliteit van
onze wil. Die kleine
kern van niets-zijn en volstrekte armoede is de zuiverste glorie van God in ons.
Het is, om zo te zeggen, Zijn Naam
die in ons is geschreven, als onze armoede,
onze behoeftigheid, onze afhankelijkheid, ons kindschap. Het is als een pure diamant die
schittert met het onzichtbare licht uit de hemel. Het is in iedereen aanwezig en als
wij het konden zien, dan zouden wij de ontelbare lichtpunten
zien die samenkomen in de uitstraling
en de schittering van een zon, die al de duisternis en de wreedheid van het leven
volkomen zal doen
verdwijnen... Ik kan daar geen programma voor opstellen.
Het is een gave. Maar de poort van de hemel staat overal open.