I. Het vertrek van de
cisterziënzermonniken uit Molesme
Zoals men weet bevindt zich in het bisdom
Langres
een klooster, Molesme geheten,
dat een grote vermaardheid geniet en
uitmunt door zijn monastiek leven. Na zijn oprichting kende het, dank
zij
Gods goedheid, in weinige jaren een grote luister en telde beroemde
mannen onder zijn bewoners, terwijl
de overvloed van zijn bezittingen
de
faam van zijn deugden evenaarde.
Daar evenwel rijkdom en deugd gewoonlijk niet
samengaan en enkele mannen uit die
gemeenschap zo wijs waren dit in
te
zien, verkozen dezen, met hogere verlangens bezield, zich op de dingen
van
de hemel toe te leggen liever dan in aardse aangelegenheden verstrikt te
raken. Vandaar dat zij, in hun ijver
voor de deugd, begonnen na te
denken
over de armoede die sterke mannen voortbrengt. Tevens stelden zij
vast
dat
de regel die zij hadden beloofd, ter plaatse te weinig werd
onderhouden,
alhoewel men er heilig
en eerlijk leefde doch eerder volgens eigen
inzichten
en eigen opzet. Zij bespraken onderling hetgeen ieder
van hen beroerde
en
overlegden samen hoe zij het psalmvers konden waarmaken: "Ik zal
mijn
beloften nakomen
die mijn lippen hebben uitgesproken" (Ps. 65).
Genoeg daarover. Een en twintig monniken
samen
met de abt van genoemde abdij,
namelijk Robertus, zaliger
gedachtenis,
vertrokken vandaar om te trachten, in onderling beraad en eensgezind
ten
uitvoer te brengen hetgeen zij in gemeenschappelijke geest hadden
vastgelegd. Het gevolg was dat zij zich
vele inspanningen moesten
getroosten en grote moeilijkheden overwinnen, zoals aan allen
overkomt
die
een leven van toewijding aan Christus willen leiden, tot zij hun
verlangen
konden verwezenlijken door zich te
vestigen in Cîteaux, toen nog een
plaats
vol afschrikking wegens de uitgestrekte eenzaamheid. Maar de
strijders van Christus waren van oordeel dat de ontoegankelijkheid van
de
plaats hen niet mocht afschrikken
van de strenge levenswijze die zij
zich
met hart en ziel hadden voorgenomen; de plaats, blijkbaar door God
voor
hen bereid, was hun even aangenaam als hun opzet hun dierbaar was.
II. Het begin van het klooster
Cîteaux
Het geschiedde dus in het jaar van de
menswording
1098 dat, steunend op de raad en
sterk door het gezag van de
eerbiedwaardige Hugo, aartsbisschop van de kerk van Lyon en toen
legaat
van
de H. Stoel, van de eerbiedwaardige Walter, bisschop van Chalon
en
van Odo, roemrijke vorst van Burgondië, de
monniken aan het werk
togen
om de gevonden eenzaamheid om te bouwen tot een abdij.
Voornoemde
abt
Robertus ontving van de bisschop van dat diocees de zielzorg en de
herderlijke staf, en de overige monniken
beloofden vast verblijf op deze
plaats, onder zijn gezag.
Niet lang nadien evenwel werd Robertus,
ingevolge
het aandringen van de monniken van
Molesme, op bevel van paus
Urbanus
II en met verlof en instemming van Walter, bisschop van Chalon, naar
Molesme terug gevoerd en werd Albericus, een diepgeestelijk en heilig
man, in zijn plaats aangesteld. Met het
oog op de onderlinge vrede
tussen
de twee kerken werd bepaald en door Apostolisch gezag bekrachtigd
dat,
van dan af, geen van beide een monnik van de andere abdij mocht in
huis
opnemen zonder de aanbeveling
die de regel voorziet. Sindsdien
maakte het
nieuwe klooster, dankzij de zorg en de toewijding van de nieuwe
vader
en
met Gods hulp, in korte tijd grote vorderingen in zijn heilige
levenswandel,
genoot meer en meer
achting en kende een voorspoedige economische
bloei.
Maar de man Gods Albericus, die gedurende
negen
jaar, niet zonder verdienste naar de
palm van de hoogste roeping had
gestreefd, ging die het tiende jaar in ontvangst nemen. De heer
Stefanus,
een engelsman, vurige minnaar van en trouwe ijveraar voor het
monastieke
leven, de armoede en de
regelonderhouding, volgde hem op.
In de dagen van zijn bestuur bleek de waarheid
van
het Schriftwoord: "De ogen van de
Heer rusten op de gerechtigen en
zijn
oor leent zich naar hun gebeden" (Ps. 33). Immers, toen treurde
de
kleine
kudde enkel omdat zij zo klein was en omdat de armen van Christus
vreesden, met een vrees die
hun bijna alle hoop ontnam, dat zïj geen
erfgenamen zouden achterlaten van hun armoede. De mensen namelijk
uit
hun omgeving hadden wel eerbied voor hun heilig leven maar
schrokken
terug voor hun gestrengheid, zodat zij
terugdeinsden van hun navolging
nadat zij hen uit verering waren benaderd. God, voor wie het licht is het
kleine
groot en het weinige talrijk te maken, bewerkte de harten van
velen
om hen na te volgen, meer zelfs dan men
had kunnen hopen, zo dat
dertig
nieuwelingen, geestelijken en leken onder wie edelen en machtigen der
wereld, samen in het noviciaat verbleven. Door dit zo plotseling en zo
verblijdend hemels bezoek kon eindelijk
de onvruchtbare die niet
baarde
zich terecht verheugen, daar de kinderen der vereenzaamde zo talrijk
waren
geworden (Jes. 54). In het vervolg hield God niet op met het
vermeerderen
van hun getal en het verhogen van
hun vreugde, bij zover dat, in de
tijdspanne van ongeveer twaalf jaar, de gelukkige moeder reeds twintig
abten
van haar dochter- en kleindochterabdijen rond haar dis zag
aanzitten.
Blijkbaar achtte zij het passend de
voorbeelden na te volgen van de
heilige
vader Benedictus wiens voorschriften zij had omhelsd.
Verder, voordat de nieuwe plant haar eerste
loten
begon voort te brengen, had de
eerbiedwaardige vader Stefanus met
nauwkeurig wakende schranderheid in een tekst voorzien die blijk gaf
van
een wonderbare evenwichtigheid, gewild als een snoeimes om de
scheuten
van tweedracht te verwijderen die
ooit zouden kunnen opschieten en
die de
ontluikende vruchten van onderlinge liefde zouden verstikken. Dat was
de
reden waarom hij dat stuk de naam liefdescharter meegaf, daar toch
heel
zijn inhoud op de liefde betrekking
heeft zodat blijkt dat de zijnen,
overal
verspreid, niets anders moesten betrachten dan: "Zorg, dat gij elkaar
niets
verschuldigd zijt tenzij de wederzijdse liefde" (Rom. 13).
Dat charter nu, zoals het door dezelfde vader is
uitgewerkt en door voornoemde twintig
abten bekrachtigd, zo werd het
ook
met het zegel van het pauselijk gezag bekleed; het handelt uitvoerig
over
wat wij zegden, maar wij willen er hier slechts de korte inhoud van
samenbundelen.
III. Algemene bepalingen
betreffende de abdijen
In de lijn dus van dit charter is, aangaande de
abdijen van de cisterciënzer orde, het
volgende bepaald: dat de
moeder-abdijen geen enkele materiële inning aan de dochter-abdijen
kunnen opleqgen;
dat de abt-vader die het klooster van de abt-zoon
bezoekt,
geen van zijn novicen tot monnik mag wijden, geen van
zijn monniken,
tegen de zin van de abt in, vandaar mag wegtrekken noch een andere
binnen brengen om er
te wonen, en tenslotte niets mag regelen buiten
zijn
wil noch er iets bevelen, behalve in zover het van belang is
bij de zorg
voor
de zielen. Indien hij echter ter plaatse iets vaststelde dat tegen de regel
of de
‘ordo' ingaat, kan hij
dat met de raad van de aanwezige abt liefdevol
verbeteren. Maar zo deze toevallig afwezig is verbetert hij toch
de grote
misbruiken die hij er zou aantreffen. En niet alleen in het kapittel maar
ook
in alle plaatsen van het klooster
staat de abt-zoon zijn plaats af aan de
abt-vader. In de refter evenwel eet de abt-vader met de broeders,
omwille
van de regeltucht, tenzij de abt van die plaats afwezig zou zijn.
Alle abten van onze orde die op bezoek komen
handelen op dezelfde wijze. Indien er
meerdere bijeen komen en de
plaatselijke abt afwezig is, dan eet de waardigste van hen in het
gastenhuis.
Verder bezoekt iedere abt, met vaderlijke zorg,
minstens één keer per jaar de abdijen die
zijn kerk heeft gesticht.
Wanneer evenwel de abt-zoon naar
zijn moeder-abdij komt, betoont men hem de
voorkomendheid die een
abt
toekomt. Voor wat de rangorde betreft neemt hij de rang in van de
plaatselijke abt,
op voorwaarde dat deze afwezig is, want indien hij
thuis is
laat hij hem, daar hij zijn vader is, overal voorgaan.
Vandaar dat hij
niet
met de gasten eet zolang de aht-vader aanwezig is, maar in de refter
met de
broeders.
IV. Het jaarlijks
abtenkapittel
De kerk van Cîteaux, de moeder van allen, heeft
zich met nadruk dit alleenrecht bïjzonder
voorbehouden, dat namelijk
éénmaal per jaar alle abten zonder onderscheid daar samenkomen, met
het
doel haarzelf een bezoek te brengen, de ‘orde' na te gaan, de onderlinge
verstandhouding te verstevigen en
de genegenheid te behouden. Daar
zullen
allen eerbiedig en nederig gehoorzamen aan de heer van Cîteaux
en de
heilige vergadering, met het oog op de verbetering van de
overtredingen;
degenen die er aangeklaagd
worden vragen vergeving, maar zulke
aanklacht wordt alleen door abten verricht. Maar ook dit wordt door die
bijeenkomst beoogd: indien eventueel de al te grote armoede van een
der
abten aan de vergadering bekend
raakt, springen allen bij om de nood
van
de broeder te lenigen, zoals de liefde hen ingeeft en de mogelijkheid
het
toelaat.
Stellig is het onder geen enkel beding
toegestaan
van het jaarlijks kapittel weg te blijven,
tenzij om twee redenen, met
name
wegens lichamelijke zwakheid of omwille van een novice die gewijd
moet
worden. Aan wie een van deze gevallen zich voordoet, hij sture zijn
prior in
zijn plaats. Zo iemand zich ooit inbeeldt
om wegens om 't even welke
andere reden te kunnen wegblijven, dan vraagt hij aan het volgend
kapittel
vergeving
voor zijn vergrijp, en ondergaat tot straf de kleine schuld,
volgens het oordeel van de abten.
V. Over de tekortkomingen
der
abten
Indien een abt ten opzichte van de regel of de
‘ordo'
minachtend of in de hem toeverouwde
zorg achteloos en nalatig
bevonden
wordt en hij om die reden tot viermaal toe vermaand is door zijn abt,
persoonlijk
of door diens prior of ook nog schriftelijk, en hij weigert
zich te
beteren; indien de schuld van de overtreder daarna
aan de bisschop en
de
geestelijkheid van zijn diocees bekend gemaakt wordt en door
nalatigheid
van deze
laatsten de toestand onverbeterd zou blijven, dan roept de
abt-vader minstens twee van zijn mede-abten bij zich
en, na zich op de
plaats van de feiten te hebben begeven, ontzetten zij de schuldige uit
zijn
ambt en manen de
broeders aan om onmiddellijk een andere te kiezen
die er
waardig toe is. Indien zij opstandig zijn tegenover
de aanwezige abten
en
hun abt niet laten aftreden of geen andere in zijn plaats willen kiezen,
dan
worden zij
door hen in de ban gedaan.
Indien vervolgens een van deze weerspannigen
ooit
tot bezinning komt en, vermurwd, het
doodvonnis van zijn ziel niet
langer
kan dragen, en hij zijn toevlucht neemt tot dat klooster waarvan het
zijne is
uitgegaan, dan worde hij er ontvangen als zoon en monnik van die kerk,
totdat hij eens aan rijn inmiddels
verzoende kerk wordt terug gegeven.
Wat verder de abt van Cîteaux aangaat,
aangezien
hij als hoofd van allen geen abt boven
zich heeft die hetgeen voor
andere
overtreders, zoals voorgeschreven is, te doen staat ook voor hem in
geval
van overtreding zou moeten doen, die zorg is toevertrouwd aan het
gemeenschappelijk beraad van de abten
van La Ferté, Pontigny en
Clairvaux; zij zullen namens alle abten en alle abten door hen,
zorgvuldig
alles, volgens
de voorgeschreven regeling, aan hem voltrekken. Dit
echter
uitgezonderd dat deze drie zelf geen andere kunnen
in de plaats stellen
wanneer hij niet zou wijken en de weerspannige niet met de ban
kunnen slaan. Maar de prior
van die plaats zorgt ervoor drie of meer
boden naar
de
abten te zenden, wel te verstaan abten die speciaal tot de
filiatie van
Cîteaux
behoren, en er zoveel samen te roepen als er binnen de vijftien dagen
ter
plaatse kunnen
komen; dezen nu zullen de schuldige vandaar
verwijderen,
de monniken bevel geven in hun aanwezigheid een
andere vader te
kiezen
of, indien zij niet willen luisteren, zowel hen als de abt met de ban
slaan.
Indien een
van hen achteraf tot inkeer zou komen en zou verlangen zijn
ziel
te redden, hij zoeke zijn toevlucht tot een van de
drie hoger vermelde
kerken, namelijk La Ferté, Pontigny of Clairvaux, en hij worde er
ontvargen
als een
broeder en een huisgenoot totdat hij, God hebbe medelijden met
hem, aan zijn inmiddels verzoende klooster
wordt teruggegeven.
Ondertussen wordt het jaarlijks abtenkapittel niet te Cîteaux gehouden,
maar waar het door
de drie hoger genoemde abten wordt voorzien.
Men dient ook te weten dat, zolang de kerk van
Cîteaux, om welke reden ook van haar vader
beroofd, onbeheerd is, de
plaats ondertussen door de abt van La Ferté wordt ingenomen. En bij
de
verkiezing
van de abt van Cîteaux zal men zich steeds houden aan de
hoger
beschreven wijze en regeling. In de
overige kloosters echter waar de abt
overleden is wordt de abt, die met de zorg voor die plaats speciaal
belast is,
bijgeroepen opdat in zijn aanwezigheid en volgens zijn raad een
reguliere
verkiezing kan plaats hebben.
Om 't even welke persoon uit om 't even
welke cistertiënzer gemeenschap zij kiezen, die zullen zij zonder
tegenspraak aanvaarden. Maar het is de cisterciënzers niet geoorloofd
zich
een abt te nemen van andere
kloosters of eigen monniken daarvoor aan
anderen af te staan.
VI. Wat de wet is aangaande
abdijen die niet van elkaar afstammen
Van nu af zal dit de wet zijn aangaande de
abdijen
die de ene de andere niet hebben
gesticht. Elke abt staat in elke plaats
van
zijn klooster zijn plaats af aan de mede-abt die op bezoek komt, opdat
zou vervuld worden: Elkaar tegemoet komend in eerbetoon (Rom.
12,10).
Als er twee of meer samenkomen, dan
neemt de oudste van hen die
samen
zijn, de eerste plaats in. Allen echter, uitgenomen de plaatselijke abt,
nemen
hun maaltijden in de refter. Overal elders waar ze samen zijn nemen ze
hun
rangorde in volgens de stichtingsdatum
van hun abdij, zodanig dat hij
de
eerste is wiens kerk de oudste is. Uitzondering wordt gemaakt wanneer
een
hunner met de albe bekleed is; deze zal voor de andere gaan en in alles
de
taak van de oudste vervullen, zelfs
al zou hij de jongste van allen zijn.
Overal waar zij samen gaan zitten maken zij een buiging voor elkaar.
VII. Dat niemand een
postulant
aanvaarde die naar een andere kerk verlangt te gaan
Niemand van ons mag een mens, die zich tot
het
kloosterleven bekeert en naar een van
onze kerken op weg is, van dat
opzet
afbrengen noch hem naar zich toe halen, hem zelfs niet weerhouden
indien
hij uit eigen beweging van gedachte verandert en verlangt te blijven.
Maar
wanneer hij op zijn bestemming is
aangekomen en, vooraleer in het
noviciaat te zijn opgenomen, zijn opzet betreurt en het huis verlaat, dan
mag alwie het wil hem aanvaarden. Wanneer hij na zijn opname zou
weggaan mag hij nooit aangenomen worden
zonder toestemming van
die
Kerk.
VIII. Over vluchtende
monniken en
lekebroeders
Als een monnik of lekebroeder in het geheim
van
een van onze kloosters wegvlucht en naar
een ander klooster komt, dan
moet
men hem overreden terug te keren. Als hij weigert dan zal het hem niet
toegelaten worden langer dan één nacht in het klooster te blijven. Als
hij
monnik is zal hij ontdaan worden van zijn
habijt, zo hij het bij zich
heeft,
behalve als hij reeds monnik was geweest voor hij tot onze orde
toetrad.
IX. Het oprichten van nieuwe
abdijen
Bepaald werd dat al onze kloosters moeten
toegewijd worden aan de Koningin van Hemel
en Aarde. Geen
enkel
klooster zal gebouwd worden binnen de steden, burchten en
heerlijkheden.
Geen abt
zal naar een nieuwe plaats gezonden.worden zonder op
zijn
minst
twaalf monniken en de volgende boeken:
een psalterium, een
hymnenboek,
een collectaneum, een antifonarium, een graduale, de Regel, een
missaal;
en ook niet zonder de voorafgaande constructie van ruimten als: een
kerk,
een refter, slaapzaal, gastenhuis en
portierscel, zodanig dat de
monniken
onmiddellijk God kunnen dienen en het regulier leven leiden. Buiten de
poort van het klooster zullen geen woonplaatsen, alleen dierenhokken,
gebouwd worden.
Ten einde een vaste en blijvende eenheid
tussen
onze abdijen te vormen werd
vastgesteld dat: ten eerste, de regel
van
onze heilige Vader Benedictus zal geïnterpreteerd en onderhouden
worden op één
en dezelfde manier (en zelfs geen haartje zal men ervan afwijken).
Vervolgens, dat dezelfde
liturgische boeken, hetzelfde voedsel,
dezelfde
kleding en ten laatste ook dezelfde gewoonten en gebruiken
in alle
kloosters
zullen teruggevonden worden.
X. Welke boeken niet
mogen
verschillen
Missaal, evangelieboek, epistelboek,
collectaneum,
graduale, antifonarium,
hymnenboek, psalterium, lectionarium,
Regel
en
heiligenkalender zullen overal dezelfde zijn.
XI. De
kleding
De kleding zal eenvoudig en goedkoop zijn,
zonder
pelsen noch onderkleding, zoals
de regel voorschrijft. Doch ook dit
dient in
acht genomen te worden: de kovels zullen aan de buitenkant
zonder
belegsels zijn, de dagschoenen worden van koeleder gemaakt.
XII. De
voeding
Behalve hetgeen de regel bepaalt aangaande
de
maat
van het brood en de drank en
het aantal schotels, moet nog het
volgende
in
acht genomen worden: het brood moet grof zijn, dat is van
gezeefd
meel.
Waar de tarwe schaars is mag evenwel rogge gebruikt worden. Dit
voorschrift geldt niet voor
de zieken; dezen en ook de gasten voor
wie
het
bevolen wordt, krijgen mastellen. Aan degenen die een
aderlating
ondergaan zal eenmaal ter gelegenheid van de aderlating een pond
gedesemd wit brood gegeven
worden.
XIII. In het klooster mag
niemand
vlees eten noch voedset met vlees of vet bereid
De in het kloosters gekookte schotels moeten
steeds
en overal bereid zijn zonder
vlees of vet. Uitzondering wordt gemaakt
voor
de broeders die ernstig ziek zijn of voor onze gehuurde
werklui.
XIV. Dagen waarop we
vasten
We vasten in de veertigdagentijd, voor
Kerstmis, in
de septuagesimatijd, op alle
vrijdagen - de zieken uitgezonderd - en
op
de
quatertemperdagen in september, alsook op de vigiliedagen van
St-Jan
de
Doper, St.-Petrus en Paulus, St.-Laurentius, Maria ten
Hemelopneming,
Mattheus apostel, Simon
en Judas, Allerheiligen, Andreas apostel.
Niets zal
voor een gast speciaal gekocht worden, behalve als hij
ziek is.
XV. Waar het onderhoud
van
de
monniken vandaan komt
Het onderhoud voor de monniken van onze
orde
moet eigenlijk verkregen worden door
handenarbeid, landbouw en
het
kweken van dieren. Hieruit volgt dat we voor eigen gebruik waters,
bossen,
wijngaarden en weilanden mogen bezitten, en gronden die ver
verwijderd
moeten zijn van de woonkernen van
de wereldlingen, ook dieren,
uitgezonderd deze die eerder dienen voor de afleiding en om mee te
pronken in
plaats van nuttig te zijn, zoals herten, kraanvogels, en
andere
soortgelijke dieren. Om dieren te kweken, te
verzorgen en onder
dak te
brengen mogen we in de onmiddellijke omgeving of op grotere
afstand
boerderijen bezitten; deze moeten bewaakt en bediend worden door
de
lekebroeders.
XVI. Geen enkele monnik
mag
buiten het klooterslot leven
De monnik wiens eigen thuis, overeenkomstig
de
regel, het klooster is, mag naar een
boerderij gaan zo dikwijls hij
erheen
gezonden wordt, maar in géén geval mag hij daar een lange tijd
verblijven.
XVII. Vrouwen mogen
niet in
onze
huizen wonen
Onder geen enkel voorwendsel, hetzij voor
de
teelt
of de bewaring van levenmiddelen,
hetzij voor het reinigen van
dingen
van
het klooster, ook zo dit nodig mocht zijn, hetzij om gelijk welk
geval
waarin hun diensten nodig zouden zijn, mogen vrouwen bij ons of
bij
onze
lekebroeders hun intrek
nemen.
XVIII. Vrouwen mogen
niet
binnen
de kloosterpoort komen
Vrouwen mogen niet ontvangen worden als
gasten
in de binnenplaats van onze
boerderijen, noch mogen zij binnen de
kloosterpoort komen.
XIX. Wij verbinden ons
niet
met
wereldlingen tot het houden van schapen of het bebouwen van het
land,
tegen deelname in de oogst of andere
tegenprestaties
Voor het kweken van dieren en bewerken
van
het
land is het ons niet toegelaten
overeenkomsten te hebben met leken,
zoals
het geven of ontvangen van een deel der opbrengst of van de
aangroei
(der
kudden).
XX. Deze zaken moeten
door
de
lekebroeders geschieden
Zoals gezegd, moeten deze zaken door de
lekebroeders gebeuren of door gehuurde
arbeiders. De lekebroeders
nemen
we onder onze hoede met de toelating van de bisschoppen, en
we
beschouwen ze als onze onontbeerlijke medehelpers, op gelijke voet
met de
monniken, als broeders, die
op gelijke wijze zoals de monnik en
delen
in
onze goederen zowel geestelijke als stoffelijke.
XXI. Over de proeftijd van
de
lekebroeders
We leggen een proeftijd op van één jaar aan
diegenen die als nieuwelingen tot ons
komen. Aan het einde van dat
jaar
nemen we de professie aan van diegenen die wensen aangenomen
te
worden
en die verdienen weerhouden te worden.
XXII. (Een lekebroeder
mag
geen
monnik worden)
Eens zijn geloften gedaan mag een
lekebroeder
geen
monnik worden, zelfs niet als hij
dat vurig zou verlangen, maar hij
zal
in de
roeping van bij zijn aankomst blijven.
Als hij onder invloed van de duivel het
habijt
van
een monnik of van een regulier kanunnik,
van een bisschop of abt
heeft
aangenomen, zal hij daarna nooit meer in een onzer kloosters worden
aanvaard.
XXIII. Welke inkomsten
we
verwerpen
Onze echte naam (monnik) en de constitutie
van
onze orde laten niet toe inkomsten te
hebben van kerken, altaren,
begrafenissen, tienden van het werk of van de oogst van
buitenstaanders,
heerlijkheden, lijfeigenen, pachtgelden, oven- en moleninkomsten
en
alle
andere inkomsten strijdig met de
zuiverheid van de monastieke
roeping.
XXIV. Wie we toetaten
voor
de
biecht en de communie en voor de begrafenis
We ontvangen geen buitenstaanders voor
biecht
of
H. Communie, noch verlenen we
toestemming voor begrafenis aan
om
het
even welke buitenstaanders, tenzij hij een gast is of één onzer
huurarbeiders
en hij binnen het klooster sterft; ook nemen we geen giften aan van
buitenstaanders gedurende
de conventsmis.
XXV. Wat we mogen en
niet
mogen hebben inzake goud, edelstenen en zijde
Altaarlinnen en liturgische gewaden, behalve
stool
en manipel moeten zonder zijde zijn
gemaakt. De kazuivel moet
van
één
kleur zijn. Elke versiering, vaatwerk en huishoudelijk gereedschap
van
het
klooster moet zonder goud of zilver of edelstenen zijn gemaakt,
behalve
de
kelk en het communieriet;
deze twee dingen mogen van verguld
zilver
zijn,
maar nooit van massief goud.
XXVI. Over beeldhouwwerk,
schilderijen en houten kruisen
We mogen geen beeldhouwwerk om het
even
waar
hebben. We mogen schilderijen
hebben, maar alleen op kruisen, en
deze
mogen enkel van hout zijn gemaakt.
Jan B. Van Damme, ocso