GUIDO GEZELLE - MYSTICUS EN MAGIËR

OP HET BREUKVLAK VAN TWEE EEUWEN 




In Roodkoper, "maandblad voor cultuur, religie en politiek" (redactie: Huub Oosterhuis, Mieke Groen en Kees Kok), verscheen (augustusnummer 1999) een artikel van Anneke Reitsma, dat om meer dan één reden een vermelding verdient.

Het is een uiterst inzichtelijke tekst waarin Gezelle zonder enig voorbehoud in een ruim internationaal verband wordt geplaatst en tegelijk ook de dichter blijft die helemaal thuishoort in het West-Vlaamse milieu. En dit laatste wordt met overtuiging positief en zelfs up to date bevonden. Die tekst wekt de indruk dat de auteur uitgaat van een nieuwe lectuur van het Volledig dichtwerk (1998), door haar "een fraai vormgegeven dundrukeditie" genoemd, "grotendeels gebaseerd op het Verzameld dichtwerk" (1980-1991), een uitgave die "een nogal radicale herschikking van Gezelles oeuvre" was. (Nvdr: Inderdaad; maar is dit niet de allereerste keer dat ik het lees?) Die tekst lijkt me de neerslag te zijn van door niemand geïnspireerde indrukken na een openbarende "eerste" lectuur of de neerslag van een onvooringenomen hernieuwde lectuur na jaren.

Ik werd tijdens heel dit Gezellejaar door geen andere tekst zo vaak positief verrast. Slechts één fris voorbeeld uit de Roeselaarse jaren. Gezelle daagde toen - ik citeer -"zijn leerlingen uit om ook zelf creatief werkzaam te zijn. Ze kregen hun werkstukken terug met uitvoerig commentaar, niet zelden begeleid door een eigen gedicht van de 'meester'. Voor een deel zijn zo de Dichtoefeningen ontstaan en dit geldt in zijn totaliteit voor de bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden. Men kan bijna spreken van een ‘Gesamtkunstwerk', waarbij de leraar als het ware wisselend mentor én medeleerling was. Wat wij nu ‘creatief schrijven' noemen, was destijds een onderwijskundig novum!"

Allemaal bekende gegevens, en toch een nieuwe kijk dankzij hun onderling verband. De hele Gezelle wordt in de 14 kolommen van dit artikel op die wijze als vanuit een nieuwe hoek ‘doorgelicht'. Tijdens de lectuur ervan heb ik uiterst zelden de neiging voelen opkomen om een afwachtend vraagteken te plaatsen.

Een tekst die een ruime verspreiding verdient; zeer geschikt voor de leerkrachten. (Uitgever: Stichting Roodkoper, Keizersgracht 98, 1015 CV Amsterdam.)

Prof. J. BOETS
Uit Rijmtijd, 32, maart 2000, blz. 7




In 1999 is het honderd jaar geleden dat Guido Gezelle - de priester, dichter, leraar en journalist - in zijn geliefde geboortestad Brugge overleed. Hij kreeg een koninklijke begrafenis en werd algemeen erkend als de grootste dichter die Vlaanderen (Gezelle had het zelf ook wel over 'Belgenland') sinds eeuwen had voortgebracht. Kunnen we Gezelle nog een modern dichter noemen, die door zijn taalbehandeling een blijvende invloed heeft uitgeoefend op de vele dichtersgeneraties nadien? Een Vlaamse Tachtiger avant-la-lettre wellicht en vergelijkbaar met een figuur als Herman Gorter in Noord-Nederland?

Ter gelegenheid van een eerder jubileum - toen men Gezelles geboortejaar herdacht - schreef Henriëtte Roland Holst in haar monografie Guido Gezelle (1931): "Poëzie kan het heerlijk bloeisel zijn, dat een tijdperk van economisch, sociaal en geestelijk volgerijpte krachten voortbrengt. Maar zij kan ook op die rijping vooruitloopen, haar aankondigen, haar komende schoonheid ontsluiten, opwekken haar bewust te willen en onvermoeid na te streven. In dat geval draagt zij een profetisch karakter, zij verhaast de ontplooiing van krachten, die in het volksbewustzijn sliepen. De poëzie van Gezelle is van deze laatste soort."

Het is alsof we Gezelle zèlf horen, namelijk waar hij - in een van zijn vroegere gedichten - schrijft:

            De vlaamsche tale is wonder zoet,
            voor die heur geen geweld en doet,
            maar rusten laat in 't herte, alwaar,
            ze onmondig leefde en sliep te gaar,
            tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
            te monde uitgaat heur vrijen gang!

Sinds kort is er alle reden en gelegenheid om opnieuw stil te staan bij het vernieuwende karakter van Gezelles poëzie. Dankzij een gezamenlijk initiatief van de uitgeverijen Pelckmans, Lannoo en Anthos is een speciale jubileumuitgave verschenen van het Volledig dichtwerk van Guido Gezelle. Het is een fraai vormgegeven dundrukeditie, grotendeels gebaseerd op het Verzameld dichtwerk, dat van 1980 tot 1991 in acht lijvige delen van de pers kwam. Dat was een ambitieus project van 'aanvullingen, schrappingen, (her)dateringen en correcties', wat destijds resulteerde in een nogal radicale herschikking van Gezelles oeuvre. Eigenlijk ging iedereen ervan uit dat Gezelles poëtische activiteiten hiermee wel volledig in kaart waren gebracht. Wat niemand verwachtte, gebeurde echter toch: in september 1998 vonden twee bibliothecarissen in Roeselaere een nog onbekend gedicht van Guido Gezelle. Ook dit gedicht, 'Keerselucht', is nu in de nieuwe jubileumeditie opgenomen. Wat deze uitgave bovendien 'handzaam' en werkelijk lezersvriendelijk maakt, is dat elk gedicht - waar nodig - voorzien is van helder commentaar en ruime woordverklaringen.

Toch moet de eigentijdse lezer natuurlijk nog een hele afstand overbruggen - niet alleen in tijd gemeten, maar vooral ook wat geestelijk klimaat betreft - om de poëzie van Guido Gezelle werkelijk op waarde te kunnen schatten. Enig historisch besef is hierbij onontbeerlijk. Als iémand immers gedwongen was om proefondervindelijke poëzie te schrijven (lang voordat deze term door Lucebert geijkt zou worden), dan was het wel de jonge Guido Gezelle, die in het negentiende-eeuwse Vlaanderen een volstrekt verwaarloosd literair landschap aantrof.

Het is de dichter en criticus T.S. Eliot (1888-1965) geweest die op indringende wijze aandacht heeft besteed aan de verhouding tussen traditie en persoonlijk talent. Over het belang van de traditie schrijft hij: "Zij kan niet geërfd worden; en als men haar begeert, moet men haar met veel moeite veroveren. Zij brengt allereerst mee het historisch besef dat wij nagenoeg onmisbaar kunnen noemen voor ieder die dichter wil blijven na zijn vijfentwintigste jaar; en het historisch besef brengt mee een gewaarwording, niet alleen van het feit dat het verleden voorbij is, maar ook van zijn tegenwoordigheid; het historisch besef dwingt iemand ertoe niet louter te schrijven met de overtuiging van zijn eigen generatie, maar met een gevoel dat de hele Europese literatuur vanaf Homerus en daarin de hele literatuur van zijn eigen land een gelijktijdig bestaan heeft en een gelijktijdige orde schept."

Maar wat te doen als de literaire traditie in de eigen, nationale context volkomen verstard is geraakt?

Wanneer Gezelle in de jaren vijftig van de vorige eeuw met zijn poëtische werkzaamheden begint, ziet hij zich geconfronteerd met een cultureel klimaat waarin het voor een Vlaming bijna onmogelijk was om een vitale schakel te zijn in de continuïteit van het verleden. Als gevolg van de (in feite eeuwenoude) Franse hegemonie immers stelde het Vlaamse culturele bewustzijn bijzonder weinig voor. De voorvechters van de Vlaamse Beweging proberen hier wel een kentering in te brengen, maar hun activiteiten zijn eerder op een geïdealiseerd verleden gericht (men denke aan de bewerking van de Reynaert door Jan Frans Willems, maar ook aan een populair boek als De leeuw van Vlaanderen van Conscience) dan dat zij een eigentijds stempel drukken op de gebeurtenissen. Men opereert vanuit het defensief en dat is een weinig vruchtbare strategie om de traditie nieuwe impulsen te geven.

Als aankomend priester ervoer Gezelle bovendien als geen ander dat het Frans de voertaal van de clerus was: onderwijs en catechese waren Franstalig. Toen hij als leerling op het kleinseminarie in Roeselare zat, was het hem (en zijn medeleerlingen) zelfs verboden om in de vrije tijd Vlaams te spreken. Als cultureel instrument was de taal waarin Gezelle opgroeide, volstrekt uit de gratie geraakt. Zoiets heeft natuurlijk een buitengewoon vervreemdende uitwerking op een creatieve dichterspersoonlijkheid. Binnen de kerkelijke hiërarchie, zo moest Gezelle meerdere malen ervaren, stonden ‘traditie( en ‘persoonlijk talent' op uiterst gespannen voet.

De vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (zoals die in 1815, na de Franse bezetting, haar beslag kreeg) vertegenwoordigt historisch gesproken slechts een intermezzo. In feite is er sprake van een nieuwe achterstandssituatie, waarbij de Franse hegemonie tijdelijk wordt ingewisseld voor een NoordNederlandse dominantie. Ook de culturele gedachte van een ‘Groot Nederland' (een term die tóen overigens nog niet politiek besmet was geraakt) verhindert een zelfstandig Vlaams bewustzijn. De Belgische opstand en latere onafhankelijkheid doorkruisen dit streven, iets wat vooral in Noord-Nederland als een verlies ervaren wordt!

Maar er is - in nauwe samenhang met het voorgaande - nog een derde omstandigheid die misschien wel het meest fnuikend is geweest voor een nieuw literair elan in Vlaanderen. Waar het Nederlands immers over een algemeen geaccepteerde standaardnorm beschikt (het A.B.N), bestond er in België niet zoiets als een Algemeen beschaafd Vlaams. Er was alleen maar sprake van een optelsom van regionale dialecten. Voor Guido Gezelle, geboren en getogen aan de - nog volstrekt landelijke - rand van Brugge, betekende dit het dialect van West-Vlaanderen. Deze dialecten hadden uitsluitend een primaire communicatieve functie: goed genoeg voor dagelijks gebruik, maar ontoelaatbaar in de wereld van bestuur, rechtspraak, kunst en religie. Alleen lagere kunstvormen als kluchten en locale satires werden in dialectvorm uitgevoerd. Religieuze poëzie in de sappige tongval van het West-Vlaams (zoals ook Shakespeare de taal van de straat tot cultureel instrument wist te verheffen): dat zou in het conservatieve, oerkatholieke Vlaanderen bijna als een daad van blasfemie zijn beschouwd! Het is fascinerend om te zien hoe Gezelle er geleidelijk in slaagt om deze culturele handicaps in zijn voordeel om te buigen. Hoe? Door aansluiting te blijven zoeken bij de traditie van het gesproken, diepgedoken woord:

            Als de ziele luistert
            spreekt het al een taal dat leeft,
            't lijzigste gefluister
            ook een taal en teeken heeft:
            blâren van de boomen
            kouten met malkaar gezwind,
            baren in de stroomen
            klappen luide en welgezind,
            wind en wee en wolken,
            wegelen van Gods heiligen voet,
            talen en vertolken
            't diep gedoken Woord zoo zoet...
            - als de ziele luistert!

Ziehier het culturele ‘braakland' en de persoonlijke conflictstof waar de aankomende priester-dichter mee te maken krijgt: afkomstig uit een orthodox katholiek gezin en een uitgesproken pro-Vlaams milieu moet hij beide werelden zien te verzoenen in zijn poëzie. Vanuit Vlaams perspectief een uiterst vernieuwende opdracht. Geen wonder dat de taal voor Guido Gezelle niet alleen een poëtisch instrument vertegenwoordigt, maar ook uitgroeit tot een van de belangrijkste thema's in zijn werk.

Hoewel er in de romantische poëtica sprake is van een ware priestercultus rond het dichterschap (de dichter fungeert vanuit zijn bijzondere positie als een soort van middelaar die in rechtstreeks contact staat met het Hogere), liggen de zaken natuurlijk gecompliceerder wanneer je - zoals Gezelle - daadwerkelijk een dubbele roeping hebt. Je hebt dan immers ook te maken met een dubbele - en innerlijk veelal tegenstrijdige - loyaliteit.

Als Gezelle op twintigjarige leeftijd naar het grootseminarie in Brugge gaat, komt hij terecht in een klimaat dat haaks staat op persoonlijke expressie en creatieve ontplooiing. Anton van Duinkerken, zelf een oud-grootseminarist, beschreef de sfeer van zo'n opleiding in een van zijn herinneringen als volgt: "Wat heeft een seminarist te vertellen? Hij zit de hele dag tussen zijn boeken en zijn professoren. Zijn gevoelsleven wordt onderworpen aan de natuurlijke nivellering in een beperkte samenleving van medestudenten, die geen buitenissigheid verdragen. De natuur wordt hem per wekelijkse portie toegemeten op voorgeschreven wandelingen. De aard van de medemensen kent hij alleen uit vluchtige ontmoetingen, waarbij hij een argeloze waarnemer blijft" (uit Brabantse herinneringen, 1961).

Gezelle, de vrijheidslievende natuurmens, raakt opgesloten in een beklemmend keurslijf van voorschriften en normatieve gelijkschakeling. Hoewel hij in deze periode wel poëzie schrijft (willens nillens, zoals hij dat ergens noemt), ligt zijn eerste prioriteit toch bij de veeleisende priesteropleiding. Het is aandoenlijk om te zien met hoeveel ernst en toewijding Gezelle aantekeningen maakt naar aanleiding van de dagelijkse, verplichte retraite-oefeningen. Zo schrijft hij, met betrekking tot de regels van nederigheid en gehoorzaamheid:

    Nooit zal ik spreken over mijzelf, noch over mijn ouders, mijn broers, de school, Engelse of Vlaamse zaken.

    Ik zal met Gods genade proberen vernederingen te aanvaarden als komend van God. Ik zal mijn karakter uitschakelen, mijn aangeboren melancholie, mijn gewoonte van melancholie zal ik onderdrukken. Ik zal nooit over mijzelf spreken.

Deze paradoxale zelfcensuur moet Gezelle natuurlijk wel in conflict brengen met zijn dichterlijke aanleg. Een lyrisch dichter immers (en Gezelle is een uitgesproken lyricus die in de romantische traditie staat) kán niet anders dan spreken over en vanuit zichzelf. Gezelle vindt dan een uiterst vernuftige manier om uit dit religieuze én poëticale dilemma te geraken: hij begint - bij wijze van Dichtoefeningen (1858) - gelegenheidspoëzie te schrijven: verzen die hun aanleiding vinden in geboorte, eerste communie, huwelijk, kerkelijke hoogtijdagen en sterven.

Vanaf zijn omvangrijke debuutbundel probeert Gezelle zijn dichterschap dus dienstbaar te maken aan het priesterschap en de daarbij behorende pastorale praktijk. Hij slaat hiermee twee vliegen in één klap: tegen deze vorm van dichtkunst konden de kerkelijke autoriteiten inmiddels moeilijk meer bezwaar maken en Gezelle heeft de gelegenheid zijn dichterlijk vakmanschap te ontwikkelen. Bovendien omzeilt hij op deze wijze het romantische adagium dat ‘kunst', zoals Kloos het later zou formuleren, ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' zou moeten zijn.

Een fraai voorbeeld is de bundel Kerkhofblommen (1858), die Gezelle - zèlf inmiddels tot leraar benoemd aan het kleinseminarie van Roeselaere - schrijft naar aanleiding van het overlijden en de begrafenis van een jonge student. Deze bundel is op twee niveaus te lezen: als een indrukwekkend relaas van een indrukwekkende begrafenis, maar óók als een poëtisch manifest waarin Gezelle zijn ideaal zichtbaar maakt om een nieuwe, christelijke Vlaamse dichterschool te stichten. De Nederlandse pendant hiervan zou pas vele decennia later gestalte krijgen in de kring rond het tijdschrift De Gemeenschap (1925-1941).

In 1854 wordt Gezelle volkomen onverwacht (hij was nog niet tot priester gewijd en had dus ook nog niet de officiële gelofte van gehoorzaamheid aan de bisschop afgelegd) benoemd tot leraar aan het kleinseminarie te Roeselaere. Hoewel Gezelle door dit nieuwe beroepsperspectief overvallen wordt, ontpopt hij zich onmiddellijk als een enthousiast en begenadigd leraar, die een vertrouwelijke omgang met zijn leerlingen voorstaat. Ongetwijfeld zullen hierbij zijn eigen, eenzame herinneringen aan de Roeselaerse tijd een rol gespeeld hebben. Hij deelt ‘s avonds in de slaapzaal iedereen een kruisje op het voorhoofd uit, doet mee met spel en sport, en stelt zijn eigen kamer gastvrij beschikbaar voor wie dat maar wil. Voor vele leerlingen wordt hij een speciale vertrouwensfiguur. Na zijn priesterwijding neemt hij als biechtvader de gewoonte aan om zijn leerlingen uitvoerige brieven te schrijven, waarin hij niet schroomt ook zichzelf bloot te geven. Hij gaat zelfs zover om in de Engelse afdeling een geheim genootschap te stichten, ter bevordering van de onderlinge vriendschapsbanden. Hoogst ongebruikelijk allemaal.

Opvallend is ook dat hij altijd een opschrijfboekje bij zich heeft, om vreemde Vlaamse uitdrukkingen in te noteren. Ook dàt is een ideaal: het samenstellen van een West-Vlaams glossarium, om de eigen taalrijkdom te boekstaven. Na zijn dood wordt de zogenaamde ‘Woordentas' gevonden: ruim tweehonderdduizend fiches, elk gewijd aan een enkel woord. Hierin zijn ook originele Vlaamse alternatieven opgenomen. Zo noemt Gezelle een trapezium een ‘haaivierkant'; een envelop is een ‘omsloof' en dineren wordt eenvoudig ‘noenen'.

Natuurlijk heeft dit alles grote gevolgen voor zijn eigen poëzie. Enigszins gniffelend horen we hem dan ook zeggen, in de verantwoording van zijn Dichtoefeningen: "Van Maerlant is voor ons geen oud boek, noch Kiliaens Etymologicon (...), vele woorden die daar als Vetus flandricum, dat is oud vlaams geboekt staan, hooren wij dagelijks, en ‘t valt ons aardig op, als wij, bij door-en-door geleerde uitleggers van oude gedichten, lange en verkeerde noten vinden, op een woord, daar wij, van kindsbeen af, meê gespeeld hebben (...). Op dien grond hebbe ik dan gesteund, in mijne Dichtoefeningen: dat de volkstaal, die, bij ons toch, zoo nabij de oude taal gebleven is, in eeniger mate, mag en moet gebruikt worden."

Ongetwijfeld heeft Gezelle de prestigieuze benoeming tot leraar in de poësis-klas (in 1857) beschouwd als aanmoediging om zijn ideeën ook in de onderwijspraktijk gestalte te geven. Nu had hij immers een ideaal podium om zijn taalkundige en literaire opvattingen op een jongere generatie over te dragen. Het worden de mooiste jaren van zijn leven, die resulteren in een explosie van dichterlijke creativiteit. Bij het onderwijs in de dichtkunst oriënteerde Gezelle zich op de eigen Vlaamse traditie, die hij moeiteloos in een internationale context wist te plaatsen. Vervolgens daagde hij zijn leerlingen uit om ook zelf creatief werkzaam te zijn. Ze kregen hun werkstukken terug met uitvoerig commentaar, niet zelden begeleid door een eigen gedicht van de ‘meester'. Voor een deel zijn zo de Dichtoefeningen ontstaan en dit geldt in zijn totaliteit voor de bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden (1862). Men kan bijna spreken van een ‘Gesamtkunstwerk', waarbij de leraar als het ware wisselend mentor én medeleerling was. Wat wij nu ‘creatief schrijven' noemen, was destijds een onderwijskundig novum!

Er zat ook een keerzijde aan deze vrijzinnige didactische aanpak, waarin - vanuit wat ik een ‘pedagogische eros' zou willen noemen - bewust ruimte was gemaakt voor geestelijke intimiteit. Gezelle vat in deze periode een bijzondere vriendschap op voor Eugène van Oye, in wie hij een toekomstig priester-dichter ziet. In een van zijn brieven stelt Gezelle de heidense, romantische liefde tegenover de sacramentele, christelijke vriendschap, zoals die bijvoorbeeld beleefd is tussen David en Jonathan.

Deze ‘liefde die vriendschap heet' heeft bij Gezelle (in tegenstelling tot Boutens, die deze term gebruikte als aanduiding voor een homo-erotische relatie) nadrukkelijk een spirituele, religieuze dimensie, waarvan de basis zielsverwantschap is. Dit komt prachtig tot uiting in het klassiek geworden gedicht ‘Dien avond en die rooze':

            'k Heb menig uur bij u
            gesleten en genoten,
            en nooit en heeft een uur met u
            me een enklen stond verdroten.
            (...)
            maar nooit een uur zoo lief met u,
            zoo lang zij duren koste,
            maar nooit een uur zoo droef om u,
            wanneer ik scheiden moste,
            als de uur wanneer ik dicht bij u,
            dien avond, neêrgezeten,
            u spreken hoorde en sprak tot u
            wat onze zielen weten.
            (...)
            Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
            - wie zal dit kwaad genezen?
            - een uur bij mij, een uur bij u
            niet lang een uur mag wezen;
            ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
            zoo lief en uitgelezen,
            die rooze, al was 't een roos van u,
            niet lang een roos mocht wezen,
            toch lang bewaart, dit zeg ik u,
            't en ware ik 't al verloze,
            mijn hert drie dierbre beelden: U,
            DIEN AVOND - en - DIE ROOZE!

Deze kleine ‘affaire' heeft grote persoonlijke en maatschappelijke gevolgen. Eerst is er de teleurstelling, omdat Van Oye onverwacht het seminarie verlaat. Hij heeft - overeenkomstig zijn vaders wens - besloten om voor arts te gaan studeren, iets wat Gezelle als een persoonlijke nederlaag ervaart. In het gedicht ‘Ik misse u' schrijft hij, in een fraaie omkering:

            Nu zingt men wel en 't orgelspel
            en misse ik niet, o neen,
            maar uwen zang mist de orgelklank
            en misse ik al met een.

Binnen het college van docenten is bovendien onenigheid ontstaan en Gezelle wordt ontslagen als leraar van de poësis-klas: een overduidelijke degradatie (hij mag slechts enkele taallessen geven en zo nu en dan surveillant zijn). Het heeft hem diep gegriefd en teruggeworpen op zijn oude eenzelvigheid. Hij voelt zich een gekooide leeuwerik die men het vliegen onmogelijk heeft gemaakt. Met subtiel raffinement heeft Gezelle dit gegeven - zonder in concreto te verwijzen naar de vernederende gebeurtenissen - verwerkt in het volgende gedicht (waarin truisch een soort kwastje betekent en kevie staat voor een getraliede kooi):

            Hangt nen truisch hem over 't hoofd
            van den leeuwerk,
            van den leeuwerk,
            hangt nen truisch hem over ‘t hoofd,
            eer gij hem de vrijheid rooft.
            Als hij rijst, de kevie moe,
            dan en vliegt hij,
            dan en vliegt hij,
            als hij rijst, de kevie moe,
            niet zijn hoofd en hert ten bloe'.
            Ah, de vrijheid is zoo zoet...
            gouden kevie,
            gouden kerker:
            Ah, de vrijheid is zoo zoet...
            liever vrij - als alle goed!

In 1975 hield Ida Gerhardt een toespraak in Schoten (vlakbij Antwerpen), waar het getoonzette Boek der Psalmen (door haar en Marie van der Zeyde vertaald) gepresenteerd werd. In de passende entourage van een priorij bracht zij dit gedicht van Gezelle als volgt in herinnering: ‘Er bestaat van Gezelle een even prachtig als hartverscheurend vers van slechts drie strofen, die tesamen vijftien regels omvatten. Het gaat over een gekooide leeuwerik, die ook in zijn gekooide staat de wijde hemel maar niet vergeten kan en eindeloos, eindeloos tracht op te vliegen. Boven in de kooi heeft de mens die hem tot levenslang veroordeelde, een soort kwastje (...) bevestigd. Dan kan - o bittere ironie - de leeuwerik zich niet bezeren als hij opstijgen wil. De vijfregelige strofen hebben, alle drie, een onverbiddelijke vorm. Een kooivorm. Regel 1 en 4 zijn steeds woordelijk gelijk. Regel 5 heeft weer hetzelfde rijm als 1 en 4; alles is vergrendeld. Binnen die gesloten kooi fladdert, telkens en telkens, de gebroken poging tot opstijgen. (...) Zo kan men ook het psalmvers kooien. De leeuwerik kooien en de adelaar.' (uit Nu ik hier iets zeggen mag, 1981).

Inmiddels is de toestand in Roeselaere dermate onhoudbaar geworden - "De wereld verdraagt de vleugelslag der poëzie niet," zegt Gerhardt, "en handelt daarnaar" - dat de bisschop besluit in te grijpen. Gezelle wordt overgeplaatst naar Brugge, waar hij benoemd wordt tot vice-rector van het nieuwe Engelse college en tot leraar filosofie aan het Seminarium-Anglo-Belgicum.

Hoewel het op zichzelf om prestigieuze benoemingen gaat, krijgt men toch de indruk dat Gezelle veiligheidshalve wordt weggepromoveerd en zo heeft hij het zelf zeker ervaren. Het vertrek uit Roeselaere betekende immers ook dat een specifieke levensstijl werd afgesloten. Het heeft een diepe cesuur getrokken in zijn leven en werk: een periode van (bijna twintig jaar) dichterlijk zwijgen breekt aan. De lyrische Gezelle - de mysticus en taalmagiër - lijkt uitgesproken te zijn.

Toch weet hij een nieuwe modus te vinden en andere creatieve bronnen aan te boren. In verschillende bladen begint hij - onder het pseudoniem ‘Spoker' - polemische bijdragen te schrijven, die we nu columns zouden noemen. Hij krijgt zelfs een bisschoppelijke opdracht - enig opportunisme is zijn superieuren niet vreemd - om mee te werken aan het katholiek-activistische tijdschrift ‘t Jaer 30.

Gezelle neemt echter geen blad voor de mond en zo wordt hij - in de loop van 1869 - door de Brugse curie onder curatele gesteld: hij is te ver gegaan in zijn polemieken en wordt bovendien beschuldigd van financieel wanbeheer. En alsof alles nog niet erg genoeg is: zijn huishoudster verspreidt roddels over hem en weet hem met talrijke schulden op te zadelen. In de zomer van 1872 wordt Gezelle ernstig ziek. Overplaatsing naar Kortrijk (in de functie van onderpastoor) moet hem in rustiger vaarwater brengen en het bisschoppelijk gezag buiten schot houden. Ogenschijnlijk ondergaat Gezelle ook deze ingreep gelaten, maar vele jaren later klinkt nog steeds bitterheid door in regels als:

            Vaart mij wel dan, slaapt in vreden,
            g'hebt mij lang genoeg geplaagd,
            wereld, met uw' lastigheden:
            neen, ge ‘n zult, eer ‘t morgen daagt,
            mij geen banden meer doen dragen;
            vrij eens wilt het herte mijn
            rijdend op den hemelwagen,
            rustend in de sterren zijn!

Het wordt steeds duidelijker hoezeer Gezelle ‘op het breukvlak van twee eeuwen' opereert. Aan de ene kant staat hij volop in de traditie van de negentiende-eeuwse romantiek - zij het dat hij zijn filosofie en poëtica van een strikt katholieke signatuur voorziet. De natuurcultus van de romanticus heeft bij Gezelle een zuivere, mystieke inslag. De natuur is voor hem de onuitputtelijke schatkamer van Gods schepping, ten opzichte waarvan volstrekte overgave past. Daarom maakt Gezelle ook zo veelvuldig gebruik van personificaties: de natuur als bezield universum dat onafgebroken van zich spreken doet. Van dit pantheïstische getuigenis - dat geen enkele dubbele bodem kent - mag de dichter de bescheiden vertolker zijn:

            o Wilde en onvervalschte pracht
            der blommen, langs den watergracht!
            (...)
            daar staat ge: en, in den zonneschijn,
            al dat gij doet is blomme zijn!
            ‘t Is wezen, ‘t geen mijne ooge aanziet,
            ‘t is waarheid, en ge ‘n dobbelt niet.

Aan de andere kant loopt Gezelle in zijn taalopvattingen en stilistische vrijmoedigheid - waarbij klankexpressie en ritmiek veelal de grammaticale grenzen tarten - vooruit op de modernistische praktijken van Herman Gorter, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff en Lucebert. Het is bovendien opvallend dat wat later de ‘democratisering van het taalgebruik' genoemd zou worden, bij Gezelle al volop aanwezig is. Geen onderwerp - of het nu een spijker, een weefgetouw of een ‘schrijverke' betreft - is hem te min. In het poëtisch universum van Gezelle vloeien het sacrale en het profane soms verrassend vanzelfsprekend samen.

Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Paul Rodenko - in zijn befaamde bloemlezing Nieuwe griffels schone leien (1954) - Guido Gezelle als de ouverture beschouwt van ‘de poëzie der avant-garde'. Doorslaggevend is daarbij de volgende overweging: De experimentele dichter (gaat) niet van een vooropgestelde wereldbeschouwing uit, die hij vervolgens in de taal ‘ver-woordt', maar (hij) tracht zich aan de feiten van de taal - die hij in het ‘laboratorium' van het gedicht isoleert van hun gangbare wereldlijke betekenis - een poëtische waarheid te vormen. Hij dicht om zo te zeggen van een nulpunt uit en creëert al dichtende zijn taal, zijn vorm, zijn levensvisie. Deze poëticale strategie resulteert, aldus Rodenko, in een taalverruimende doorbraak, waarbij de ‘poëtische standenmaatschappi'' wordt opgeheven.

Nu moet men Gezelle natuurlijk niet moderner willen maken dan hij was: hij bleef een man van twee werelden die zich vanuit religieuze overtuiging geen volstrekt ‘nulpunt' (of het moest God zélf zijn!) permitteren kon. Maar hij geloofde evenmin in een gemakzuchtige vertaalslag van religieuze overtuiging naar poëtische praktijk.

Ook het gedicht immers moest een volwaardige creatio zijn, waarin zich ten opzichte van het gangbare idioom allerlei mutaties konden voordoen. Dit experimentele aspect van Gezelles dichterschap - waaruit ook zoveel onbekommerd taalplezier spreekt - komt onder andere tot uiting in dialectische vondsten, woordsoortelijke verschuivingen (een zelfstandig naamwoord kan bij hem moeiteloos een werkwoord worden) en tal van neologismen. Gezelle is een impressionist met de pen die geen enkel stilistisch middel onbeproefd laat:

            Schavende snijdt het staal
            en 't kerft in de penne van cederhout;
            (...)
            Sterk is het hout en sterk is de penne:
            sterk zij de tale der woorden!

Het is opvallend dat Gezelle in het zojuist geciteerde gedicht (dat uit 1860 dateert) de mogelijkheid van een ‘writers block' onder ogen ziet. Hij zou wel eens zozeer door gevoelens overmand kunnen worden dat het beter is om de pen te laten rusten:

            Ligt dan, nutteloos hout,
            en rust, met de hand van den dichter,
            rust, dan kunt gij de ziele
            een last maar geen hulpe zijn:
            rust dan!

En in het slotgedicht van de betreffende bundel, opgedragen aan ‘de onbekende lezer', is zelfs openlijk sprake van

            al de droeve falen van
            uw vader den Poëet!

Deze regels plaatsen het jarenlange zwijgen van Gezelle in een psychisch-poëticaal perspectief: hoewel hij ook in de Kortrijkse periode volop actief is als journalist en columnist, is hij als dichter uit balans geraakt. Teugelloze emoties en een traumatische bezeerdheid verdragen zich nu eenmaal niet met de uitgebalanceerde ordening van een gedicht. Paradoxaal gezegd: je kunt alleen maar een ‘kooivorm' realiseren bij de gratie van innerlijke vrijheid.

Achteraf bezien is de journalistieke dadendrang van Gezelle te beschouwen als een creatieve poging om die innerlijke balans te hervinden. Zo schrijft hij onder een veelvoud van pseudoniemen bijna in zijn eentje de Gazette van Kortrijk vol, is hij initiatiefnemer van het maandblad Loquela, terwijl hij zich bovendien uitleeft in het genre van de Duikalmanakken, een soort scheurkalenders waarin onbekende uitdrukkingen en zegswijzen worden ‘opgedoken'. Hij is trouwens ook nooit te beroerd om de plaatselijke middenstand van een passend uithangbord of een karakteristiek gelegenheidsvers te voorzien.

Toch heeft het er alle schijn van dat Gezelle alvast begonnen is zijn poëtisch testament op te maken: naast heruitgaven van eerder werk verschijnt in 1880 de verzamelbundel Liederen, Eerdichten en Reliqua, die we helaas moeten karakteriseren als overwegend brave, stichtelijke (gelegenheids)poëzie, waarin maar weinig is terug te vinden van de vrijgevochten, oorspronkelijke Gezelle. De dichter heeft zijn positie geconsolideerd, zo lijkt het, maar een innerlijke vernieuwing blijft uit.

Dat gebeurt uiteindelijk wél in de bundel Tijdkrans (1893), waarin het Vlaams als scheppend medium wordt uitgebuit, een lijn die wordt voortgezet in Rijmsnoer (1897). Met recht kunnen we deze bundels beschouwen als 'ouderdomspoëzie', maar dan zonder de negatieve bijklank die deze term doorgaans heeft. Nu pas blijkt hoezeer de creatieve stilte van de afgelopen periode vruchtbaar is geweest: dit is de Guido Gezelle die ook voor latere generaties volop herkenbaar is: het wemelt van neologismen en oorspronkelijke beeldspraak. Ik krijg ook de indruk dat in deze poëzie Gezelles katholicisme, nu zich dat meer los heeft gemaakt van kerkelijke besognes, een volstrekt natuurlijke bedding heeft gevonden.

Tijdkrans groeit uit tot een soort van poëtisch brevier, waarin de gang van het jaar - met al zijn seizoenswisselingen - minutieus wordt nagegaan. Dit gebeurt zó plastisch en evocatief dat niet de ik-figuur, maar de natuur zèlf - in de meest brede zin van het woord - hoofdrolspeler wordt. Zo beschrijft Gezelle een berijpt winterlandschap als volgt:

            De stilstaande boomen
            zijn, witter als wasch,
            verwenscht en veranderd
            in boomen van glas.
            (...)
            Besponnen van onder
            vol netten, die, fijn,
            van ‘t een hout in ‘t ander
            gespellewerkt zijn.
            Zoo versch ligt de ruwrijm,
            zoo helder, als ooit
            viel, versch uit den hemel,
            eens manna gestrooid.

Deze regels ademen een aardse mystiek die misschien wel de meest zuivere vorm van religie is. Elders gebruikt Gezelle het mooie beeld dat wij uit Gods handen gevallen zijn (een metafoor die we naderhand ook bij Rilke aantreffen): een ziel is eerst en meest het mensch dat uit Gods handen viel. De dubbele lading van deze uitspraak is de bron van elk mystiek verlangen.

Na deze - onverwachte - apotheose van zijn dichterschap sluit de cirkel zich vrij snel. In Brugge (waar hij op de valreep nog een eervolle benoeming heeft gekregen) overlijdt Gezelle aan de gevolgen van een hardnekkige infectie. Vlaanderen rouwt. Het lijkt wel alsof er een hofdichter ten grave wordt gedragen: heel Brugge heeft een dodenmasker opgezet (de lantarens zijn met zwart papier omfloerst) en er klinken saluutschoten. Bizar om te weten dat de postume Gezelle de kosten van deze barokke uitvaart grotendeels voor eigen rekening heeft moeten nemen!

Gezelle heeft het braakland van de Vlaamse poëzie van een nieuwe, authentieke invulling voorzien. Daar heeft iemand als Hugo Claus ten volle de vruchten van geplukt. Zo zei hij naar aanleiding van "Het verlangen" (Claus' eerste puur Vlaamse roman, die als voorstudie fungeerde van "Het verdriet van België"): "Ik ben absoluut tegen de puurheid van de taal. Als het iets wezenlijks meebrengt, moet je anglicismes, germanismes of gallicismes meteen cultiveren. Ik geloof niet in het uitgedunde dat men voorhoudt als het enige Nederlands; ik irriteer me aan die Nederlandse overheersing (...). Die verschillen in taal moeten niet gelijk getrokken worden, we moeten ze handhaven."

De huidige stand van zaken in de Vlaamse poëzie - die op een onomstreden hoog peil staat - is mede te danken aan het inspirerende voorbeeld van Guido Gezelle. Men kan hem niet beter herdenken dan door zijn werk te (her)lezen. Immers, zoals Henriette Roland Holst concludeerde aan het slot van haar monografie: "Gezelle's poëzie spreekt tot allen, wier ziel wil luisteren en nog luisteren kan."

Anneke REITSMA



NAAR INDEX