PIETER

VAN DER MEER

DE WALCHEREN


1880-1970




EEN LIEFDEVOLLE GEWELDENAAR


Het verhaal over Pieter van der Meer de Walcheren is in de monastieke wereld en ook ver daarbuiten overbekend en dus als 'monastieke informatie' niet zo relevant. Hoewel hij stierf als volwaardig benedictijner monnik, blijft het echter na het herlezen van zijn dagboeken nog steeds verleidelijk de vraag te stellen of hij misschien toch niet altijd gewoon een 'leek' is gebleven?

Dat de tijden sinds het leven en de dood van Pieter van der Meer veranderden, is niets nieuws; we leven nu eenmaal in een historische wereld waarin evolutie en revolutie tot de normale dingen des levens behoren. Zo kan opgemerkt worden dat de ruimtelijke dimensie van de monastieke wereld zich in deze tijd als het ware lijkt te verbreden. De poorten van abdijen en kloostergemeenschappen gaan gemakkelijker open en de hoge muren werden - figuurlijk gesproken dan toch - minder hoog. Al voerden deze instellingen al sinds onheuglijke tijden de gastvrijheid hoog in het vaandel, al klopten mensen daar omzeggens nooit vruchteloos aan, toch is er in de levenstrant van monniken en monialen duidelijk een andere trend te bespeuren vergeleken bij pakweg vijftig jaar geleden. De meeste religieuze instituten stellen zich royaal open voor de tekenen des tijds, zelfs als overijverige leken te goeder trouw soms proberen door te dringen tot de interne keuken van het monastieke leven.

Anderzijds gaat het natuurlijk niet op om boudweg te stellen dat er in iedere mens een monnik in spe huist, al gaan er de laatste tijd hier en daar wel stemmen op die beweren dat 'monnik-zijn' iets is dat toch wel diep in heel veel mensen leeft en dat een of andere vorm van monastiek leven ook iets zou kunnen zijn voor mensen in de wereld.

Een levende illustratie hiervoor vormt in feite het leven van Pieter van der Meer. Deze man hield intens van het leven in de wereld, maar kwam uiteindelijk op de plaats terecht waar hij wilde zijn, en dat was in de Sint-Paulusabdij te Oosterhout. Hij trad toe tot de communauteit van deze abdij waar hij reeds sinds lang als kind aan huis verkeerde bij elke gelegenheid die zich aandiende. Van 1941 tot 1965 fungeerde dom Max Mähler als tweede abt in de Sint-Paulusabdij, die aan het begin van de eeuw vanuit Wisques (Frankrijk) was gesticht.

Spectaculaire bekeringsevenementen zoals die van Blaise Pascal, kardinaal J.H. Newman, Charles de Foucauld, Pieter van der Meer de Walcheren en tutti quanti lijken zich op de dag van vandaag niet zo vaak meer voor te doen. En als ze nog voorkomen, wordt er alvast zeker niet meer zoveel ophef over gemaakt. Kan dit misschien iets te maken hebben met de tanende aantrekkingskracht die uitgaat van de kerk?

Vanaf de tijd van zijn bekering werd Pieter van der Meer ook diep geraakt en aangesproken door alles wat er omging in kloosters en abdijen. "Daar leeft iets schoons en iets heiligs", constateerde hij. Het kan op zijn minst opmerkelijk genoemd worden dat de aantrekkingskracht die uitgaat van kloosters en abdijen op de dag van vandaag nog altijd levendig lijkt, al kennen deze instellingen dan niet meer zo'n florissant bestaan als in de eerste helft van de vorige eeuw.

Maar hoe komt het dan dat Pieter van der Meer op de huidige dag zo goed als helemaal verdwenen is uit het geestelijk literaire landschap? Was hij te vrijpostig? Of is er tegenspraak tussen wat hij verkondigde bij zijn bekering en datgene wat hij later beleefde en beschreef? Betoonde de soms rebellerende clericus zich onvoldoende gezagsgetrouw? Of erger zelfs: ging hij in zijn oude dag soms de ketterse toer op? Allemaal vragen die natuurlijk niet zomaar te beantwoorden zijn. Al kan er - zo meen ik althans - onder geen beding getornd worden aan de oprechtheid en de eerlijkheid van deze destijds veel gelezen auteur.

* * *

Ik was vermoedelijk zo'n jaar of zeventien toen ik bij een oom - een eenvoudige en beminnelijke man - kennis maakte met de figuur van Pieter van der Meer de Walcheren. Mijn oom was niet bepaald een fanatieke boekenliefhebber, maar hij beschikte wel over een boekenplank met nogal wat boeken, waartussen ook de twee delen van Mensen en God. Hij sprak me vol lof over de schrijver van deze boeken en gaf me de twee delen graag ter lezing mee. Ik begreep toen niet alles wat ik daarin las, maar ik ben die boeken later blijven lezen.

In die tijd studeerde ik in het prachtige College van het Eucharistisch Hart van de paters redemptoristen te Essen (op amper een boogscheut van de grens met de Nederlandse provincie Noord-Brabant), waar de door mij bewonderde schrijver van Mensen en God op een dag een lezing kwam geven. Ik herinner me nog levendig dat hij ons toen het verhaal bracht van de bekeerling Matthias die hijzelf was, en dat hij ons aanspoorde om te volharden in onze veronderstelde priesterroeping. Ik studeerde immers in wat men in die tijd wel eens smalend een 'patersfabriekje' noemde. Tot zover iets over het toenmalig tijdsbeeld waarin ik al op jeugdige leeftijd kennis maakte met Pieter van der Meer de Walcheren.

* * *

Pieter van der Meer werd geboren te Utrecht in een protestantse familie. Na zijn studietijd in Maastricht en Amsterdam betuigde hij al vlug zijn sympathie met het socialisme en had contacten met dit kamp, o.a. met Frederik van Eeden. Hij begon toen romans te schrijven. In 1902 huwde hij in Brussel met Christine Verbrugghe, die van haar echtgenoot ooit zei dat hij verliefd was op de liefde. Ze hadden drie kinderen: twee zonen (Pieterke en Janneke-Frans) en een dochter (Anne Marie - later zuster Christine, benedictines in de Onze-Lieve-Vrouwabdij te Oosterhout). Aanvankelijk woonden ze in het Brusselse. Maar echt honkvast is het echtpaar wel nooit geweest. Ze leken eerder zwerversbloed in de aderen te hebben. Telkens ze de kans schoon zagen om er eens uit te vliegen, namen ze die gretig te baat. Zo maakten ze tijdens hun leven heel wat reizen en uitstappen. Ze ondernamen zelfs tamelijk uitgebreide reizen, naar Italië bijvoorbeeld en naar La Salette (Frankrijk). Aanvankelijk woonden ze op verschillende plaatsen in de buurt van Parijs.

Rond de tijd dat hun eerste kind geboren werd, deden deze jonge mensen een ontdekking die Pieter ooit op zijn eigen wijze in een interview als volgt verwoordde: "Als je het leven zin wilt geven en als je er over doordenkt, dan zijn er drie oplossingen. Je wordt gek als Nietzsche, je schiet je voor de kop of je valt in de duisternis op je knieën voor het Kruis. Buiten die drie oplossingen leef je in een compromis: je scharrelt, je leeft als een rund, je blijft oppervlakkig, je boort niet naar de grond van je bestaan. Je kunt je bestaan wel vullen met schoonmenseIiikheid of met schoonheid, maar dat geeft geen antwoord op de laatste vraag: Wat ben ik komen doen op de aarde?" Dit interview van de oude benedictijner monnik Pieter van der Meer met Joos Florquin in de Sint-Paulusabdij te Oosterhout werd uitgezonden op TV op 15 december 1966. Het werd ook gepubliceerd in de welbekende reeks Ten Huize van… (vierde reeks, Davidsfonds).

In Parijs raakte Pieter in de ban van Leon Bloy en Jacques Maritain. In 1911 werd hij in de lichtstad gedoopt in de kerk van Saint Médard. Tijdens de grote Wereldoorlog woonde het echtpaar even in Nederland, maar ook weer op verschillende plaatsen in de buurt van Parijs.

In 1918 keerden de van der Meers terug naar Nederland waar Pieter werkte voor het tijdschrift De Nieuwe Eeuw (1921-1924). Daarna werkte hij mee aan de tijdschriften Roeping en De Gemeenschap. In 1929 aanvaardde hij de taak van directeur bij het uitgeversbedrijf Desclée de Brouwer in het hoofdhuis te Parijs.

Toen hun zoon Pieterke, die in Oosterhout bij de benedictijnen was ingetreden, in 1933 plots en veel te jong overleed, besloten Pieter en Christine hun huwelijksleven op te geven om eveneens in het klooster te treden. Dit "roekeloze besluit" zoals Pieter het noemde, dit bijna onmenselijk plaatsvervangend offer na meer dan dertig jaar huwelijksleven, was - althans naar het oordeel van Albert Helman - heel duidelijk de beslissing van twee door smart overmande mensen die op dat ogenblik zo goed als zeker in een labiele geestestoestand verkeerden. Al enkele maanden voor hun scheiding schreef Pieter in Mensen en God II: "Het zal verschrikkelijk zijn, de lichamelijke losscheuring te ondergaan van onze twee levens die onverbrekelijk tot één zijn saamgegroeid".

Omdat de benedictijnse oversten te Oosterhout en in Solesmes, die in deze aangelegenheid door de echtelingen geraadpleegd werden, het niet raadzaam achtten dat moeder en dochter in dezelfde abdij zouden verblijven, trad Christine in bij de benedictinessen te Solesmes en Pieter werd novice in Oosterhout. Dat dit experiment moest mislukken had men vooraf kunnen weten. Nog geen anderhalf jaar later dienden zij hun goedbedoelde wanhoopspoging op te geven en Christine en Pieter keerden terug in de wereld om hun huwelijksleven verder te zetten.

* * *

Pieter van der Meer heeft heel zijn lang leven in zijn dagboeken met een geweldige intensiteit en vanuit een diepe bewogenheid vooral geschreven over zijn belevenissen met de mensen en over God. Na Mijn Dagboek probeerde hij een zekere afstand te nemen van zijn persoonlijke belevenissen. Zo bracht hij in Mensen en God I het verhaal over een bekeerling - een zekere Matthias - die hijzelf was. In de loop van Mensen en God II schakelde hij dan weer over op de gebruikelijke dagboekstijl.

Na op jeugdige leeftijd heel wat romans en andere verhalen uitgeprobeerd te hebben - zonder veel succes overigens - vond hij blijkbaar zijn weg in een reeks dagboeken die de tijd tamelijk goed hebben getrotseerd. Rekening houdend met de evolutie van het geestelijk klimaat waarin hij leefde, blijven ze ook vandaag nog actueel, vermoedelijk vooral omdat de monastieke wereld, waarmee hij op zijn zachtst gezegd steeds vurig sympathiseerde, blijkbaar nog altijd beheerst wordt door ongeveer dezelfde kritieke vragen.

Zijn nauwkeurig bijgehouden dagboeknotities leidden dus tot de publicatie van de zes bekende boekdelen: Mijn Dagboek (1913), Mensen en God I (1940), Mensen en God II (1946), Dagboek 4 (1963), Dagboek 5 (1963) en Dagboek 6 (1965). Enigszins hierbij aansluitend kan nog gerekend worden het - naar het oordeel van Albert Helman alhans - "heel openhartig en eerlijk boekje" Maak alles nieuw dat de oude pater Pieter in 1969 publiceerde en dat eigenlijk niet echt een dagboek is. Deze dagboeken verschillen onderling nogal in stijl en kwaliteit. Zo is bijvoorbeeld in Dagboek 6 duidelijk te merken dat de inbreng van de schrijver wat de compositie betreft maar miniem zal geweest zijn. En wat het boekje Maak alles nieuw betreft, daarvan toont vooral de soms nogal cassante verwoording van de hybride inhoud aan, dat het inderdaad "vrijmoedige beweringen" van pater Pieter zijn, die in 1969 waarschijnlijk in bepaalde milieus wel als ketters moeten geklonken hebben.

Deze dagboeken werden in heel wat talen vertaald en ze werden destijds ook veel gelezen, zeker in het Nederlands taalgebied waar sommige delen tot tienmaal toe werden herdrukt. Nu blijken die dagboeken van Pieter van der Meer bij ons zo goed als weg te zijn. Met wat geluk vindt men ze nog in goede tweedehandse boekenwinkels.

Bij het redigeren van zijn dagboeken ging Pieter van der Meer steeds tamelijk voorzichtig te werk. Vermoedelijk heeft hij bij het publiceren steeds zelf een welbewuste en eigenwijze keuze gemaakt. Het is echter niet eenvoudig zijn werkwijze te achterhalen, maar gelukkig hebben we het boek van de reeds hoger vernoemde Albert Helman, waarover verder meer. Deze dagboeken lijken vaak nogal wervend, apologetisch, apostolisch en soms zelfs bijna propagandistisch gecomponeerd, vooral dan betreffende wat Pieter bij zijn bekering tot het katholicisme meende gevonden te hebben. Vooral onder invloed van de exuberante en door Pieter erg bewonderde schrijver Leon Bloy (zijn dooppeter) en de Franse filosoof Jacques Maritain (zijn levenslange vriend), werd zijn geloof voor hem blijkbaar iets als een vanzelfsprekend en voor eeuwig onwrikbaar vaststaand standpunt dat hij had ingenomen, en waaraan hij ook gedurende heel zijn lang leven oprecht trouw is gebleven. "De trouwe zekerheid van het geloof dat alles doet begrijpen en inzicht geeft tot in de diepten, is met Jezus te leven en te sterven en te verrijzen" (Dagboek 4, blz. 27). Zulke gelovige overtuiging was absoluut geen uiting van een rigoureus exhibitionisme vanwege de bekeerling; ze paste bijzonder goed in het Nederlandse tijdskader van de eerste helft van de twintigste eeuw. Tot ongeveer 1950 leefde hij immers nog in de sfeer die men nadien als 'het rijke Roomse leven' heeft omschreven… ook al woonde hij dan lange tijd in Frankrijk.

Toen Pieter in 1954 na de dood van zijn echtgenote, benedictijner monnik werd in de Sint-Paulusabdij te Oosterhout, was hij een oude maar voor zijn leeftijd nog krasse man, die het moest beleven dat hij in de zestigerjaren geleidelijk aan zijn gezichtsvermogen begon te verliezen.

De tijd dat Pieter in de abdij verbleef en daar al heel vlug als volwaardig monnik werd aanvaard, was vermoedelijk niet zo'n gemakkelijke tijd. Het reguliere leven vlotte er niet altijd even goed. De tamelijk grote communauteit beleefde, zoals veel kloostergemeenschappen in die tijd, dat de lekenbroeders erkend werden als volwaardige monniken, wat voor de oudere koormonniken niet altijd zo evident bleek. Het was eveneens de tijd dat sommige kloosterlingen begonnen uit te treden. Zo bleef ook de kloostergemeenschap van Oosterhout niet gespaard van crisissituaties, waarbij de oude wijze weduwnaar-monnik die een harmonisch huwelijksleven van meer dan vijftig jaar achter de rug had, en die men in feite nog maar pas had binnengehaald in de abdij, weleens moest optreden als bemiddelaar, soms zelfs in opdracht van de abt van Solesmes.

Door zijn toenemende blindheid was de ouder wordende dom Pieter bij zijn schrijven al langer hoe meer aangewezen op de hulp van anderen, vooral dan van zijn dochter Anne-Marie, die sinds haar achttiende jaar als benedictines leefde in de naburige Onze-Lieve-Vrouwabdij. De dagboeken 4, 5 en 6, die gecomponeerd en gepubliceerd werden toen Pieter in de abdij leefde, kwamen wegens zijn verslechterende ogen maar tamelijk moeizaam tot stand. De kunstzinnige dochter, die haar handen vol had met haar eigen schilderwerk en andere opdrachten binnen haar gemeenschap, stond haar vader naar best vermogen terzijde, maar de oude man was niet altijd een even minzame opdrachtgever. De drie aldus gepubliceerde delen zijn van een heel ander gehalte dan de vorige die hij zelf in alle vrijheid samenstelde en zonder problemen kon publiceren. Men merkt al gauw dat de ouder wordende monnik niet meer zo vrijuit sprak en schreef als in vroegere jaren, al bleef zijn schrijfwijze even hoekig en vrijmoedig. Dezelfde hyperbolen waar hij zich vroeger al zo gretig van bediende sieren ook de drie laatste delen.

In de tijd dat vader 'dom Pieter' en dochter 'soeur Christine' in elkaars nabijheid leefden, kwam er heel wat beweging in de Roomse kerk, die onder de stuwende kracht van paus Johannes XXIII op weg was naar het Tweede Vaticaans Concilie. Vader en dochter volgden met een bijzondere belangstelling deze gebeurtenis waarvan toen heel veel werd verwacht, vooral dan in het milieu van kloosters en abdijen, waar het bij de tijd brengen (aggiornamento) van het kloosterleven wereldwijd als een dringende noodzaak werd aangevoeld.

De oude dom Pieter bleef met zijn gewone en intensieve openheid bij alles wat er in de mensenwereld omging volkomen helder van geest. Als tachtigjarige koesterde hij nog de wildste dromen bij het verhoopte vooruitzicht dat vooral het kloosterleven zou kunnen opengetrokken worden en evolueren naar een meer menselijk samenleven in een harmonische christelijke wereld. Toen zijn dochter in 1966 de abdij, waar zij 35 jaar lang als moniale had geleefd, vaarwel zegde om als een gewone vrouw in de wereld te gaan leven, betoonde de bezorgde vader niet alleen veel begrip, maar hij keurde haar handelwijze onverdeeld goed. In zijn grote vaderlijke bezorgdheid en met zijn zakelijke nuchterheid waakte hij er zelfs angstvallig over dat zij een normaal leven zou kunnen leiden in de wereld.

Net als in zijn jeugdwerken, die hij als jonge idealistische socialist schreef, loopt doorheen zijn dagboeken steeds als een rode draad zijn diep medeleven en meevoelen met de altijd maar aangroeiende massa misdeelden, met de armen, met het zogenaamde uitschot van onze maatschappij. In zijn levensavond schreef hij nog:

"Ik herinnerde mij opeens hoe Abbé Pierre, toen hij zijn eerste tocht onder de bruggen van Parijs had gemaakt, en de afschuwelijke miserie en verdierlijking had gezien van de clochards - toen hij weer boven was, dat hij toen in onbedaarlijk snikken ultbarstte. En mijn hart denkt: die vloed van tranen van een mens die kapot gemaakt is door de ellende van de medemens heeft oneindig méér waarde voor God, dan alle uren van beschouwing van een contemplatieve kloosterling. Dit genieten van God, is dit allemaal geen verbeelding? Dat mag niet meer in deze tijd gecultiveerd worden. Of het hart van de contemplatieve kloosterling moet boordevol van de doodsangst en wilde deernis zijn zoals Jezus, zoniet, dan is contemplatie leegte." (Maak alles nieuw, Desclée de Brouwer, Brugge-Utrecht, 1969, blz. 32).

* * *

In innige samenwerking met Anne-Marie van der Meer, bewerkte Albert Helman (pseudoniem voor Lou Lichtveld, 1903-1996) na Pieters dood de hele nog voorhanden zijnde geschreven nalatenschap van de man die heel zijn levensweg had toevertrouwd aan het papier. Deze van huize uit katholieke, maar later zogenaamd 'vrijzinnige' auteur, schreef een belangrijk boek over Pieter van der Meer, waarmee hij - ook al ging hij een heel andere levensweg - levenslang in echte vriendschap was verbonden. De titel van het boek luidt dan ook Vriend Pieter, Het levensavontuur van Pieter van der Meer de Walcheren (Orion, Brugge, 1980). Naar het oordeel van de auteur is dit boek een biografie die de aanzet moet worden voor een echt wetenschappelijk werk over de figuur in kwestie. Wat de omvang betreft werd het een kanjer van een boek, maar waarschijnlijk is het - en tot hiertoe alvast zeker - de enige eerlijke, diepgaande en goed gefundeerde studie over het leven en het werk van deze toch wel bijzondere man, die het monnikenleven zo bewonderde dat hij er zijn huwelijksleven zelfs voor op het spel zette en die uiteindelijk ook als benedictijner monnik stierf.

Sommige mensen, in het bijzonder dan de heer Jan De Ridder die het bestaande archief van pater Pieter beheert en die de man in kwestie ook goed heeft gekend, oordeelt enigszins anders over de werkwijze van de auteur van het boek Vriend Pieter: Albert Helman zou op zijn zachtst gezegd de waarheid geweld hebben aangedaan. Anderen houden het er dan weer bij dat de auteur na de dood van pater Pieter, in een soort samenzwering met dochter Anne Marie, de waarde en de betekenis van het door vader en dochter zo intensief gekoesterde kloosterleven, onrecht zouden hebben aangedaan.

De evaluatie die Albert Helman aan het eind van zijn studie neerschreef over zijn levenslange vriend luidt echter als volgt: "Het oeuvre van Van der Meer de Walcheren is al sinds jaar en dag publiek domein geworden, werd en wordt nog in vele landen gelezen, om vele redenen voorbijgezien, om vele redenen verschillend gewaardeerd. Waarover tot aan zijn dood toe nooit verschil van mening bestaan heeft, was: het boeiende, warme, charismatische karakter van de persoonlijkheid waarmee hij zich op zo open en eenvoudige wijze aan anderen presenteerde. Maar tot de bodem heeft hij zich door niemand laten kennen, behalve misschien door zijn vrouw en zijn dochter Anne-Marie".

Het mag tenslotte wel enigszins verwonderlijk heten dat Pieter van der Meer, die in zijn destijds veel gelezen dagboeken zo'n warme diepmenselijke boodschap heeft gebracht, zowel in de literaire als in de monastieke wereld vooralsnog alleen maar geëerd wordt in een ijzige diepe stilte.

* * *

Volgt nog een typerend verhaal dat Pieter van der Meer aan het eind van zijn leven optekende. Hij opende zijn laatste publicatie Maak alles nieuw met een eigenwijze door hem bedachte versie van de parabel van de Barmhartige Samaritaan. En dat ging dan zo:

Ik heb een nieuwe exegese voor de Barmhartige Samaritaan - een parabel door Jezus uitgesproken over de liefde voor de mensen. De mens - het kan Jezus geweest zijn - ligt halfdood langs de weg.

De priester heeft geen tijd, hij haast zich naar een bijeenkomst van theologen waar uiterst belangrijke kwesties als de werkelijke tegenwoordigheid in de Eucharistie, de hel, het celibaat en het mysterie van de Drie-eenheid zullen besproken worden. Hij kan zich niet met een verongelukte zwerver (hoogst waarschijnlijk wel een misdadiger) bemoeien. De priester gaat dus naar belangrijke bezigheden.

De leviet heeft ook geen tijd want hij is zelfs vijf minuten te laat voor zijn verplicht half uur meditatie. En als hij dit verzuimt voelt hij zich onbehaaglijk.

Dan komt de heiden, de uitgestotene, de communist, en die gaat zonder enige aarzeling rechtstreeks, vanzelfsprekend, vol menselijke deernis naar de bloedende mens. En helpt hem.

En nu is er een vierde, die niet ten tonele verschijnt: dat is een mens die thuis blijft en niet langs de weg loopt. De vierde die thuis blijft is een contemplatieve kloosterling. Deze exegese is historisch. Ik kan en durf geen commentaar te geven.

Constant Broos


NAAR INDEX