MEDITATIO PAUPERIS IN SOLITUDINE


      Als slot van de epiloog op zijn autobiografie schreef Merton deze bedenkingen neer. Er werd al vaak verwezen naar deze mysterieuze woorden die hij meer dan twintig jaar voor zijn dood neerschreef en die eigenlijk erg profetisch klinken.


Ik begin te begrijpen.Want Gij hebt mij niet hierheen geroepen, opdat ik een etiket zou dragen waardoor ik mijzelf zou kunnen herkennen en mijzelf in een of andere categorie zou kunnen rangschikken. Gij wilt niet dat ik zal denken over wat ik ben, maar over wat Gij zijt. Of liever: Gij wilt zelfs niet dat ik over wat dan ook veel zal denken, want Gij zoudt mij boven het peil van de gedachten willen uitheffen. En als ik voortdurend tracht uit te maken wat ik ben en waar ik ben en waarom, hoe zou dat werk dan kunnen geschieden? Ik vat dat alles niet dramatisch op. Ik zeg niet: Gij hebt alles van mij gevraagd en ik heb van alles afstand gedaan. Want ik wens niet langer iets, wat dan ook, te zien dat afstand tussen U en mij schept. En als ik blijf staan en mijzelf beschouw en U, alsof er iets tussen ons was overgegaan van mij naar U, dan zal ik onvermijdelijk een kloof tussen ons zien en denken aan de afstand die tussen ons ligt. Mijn God, door die kloof en die afstand sterf ik.

Dat is de enige reden waarom ik eenzaamheid verlang: verloren te zijn voor alle geschapen dingen, van ze af te sterven en te versterven aan het weten van die dingen, want ze herinneren mij aan de afstand tussen U en mij. Ze zeggen mij iets over U: dat Gij ver van hen zijt, al zijt Gij ook in hen. Gij hebt ze geschapen en uw tegenwoordigheid doet hen voortbestaan, en zij verbergen U voor mij. Maar ik zou eenzaam willen leven, weg van hen. O beata solitudo.

Want ik wist dat ik alleen door de geschapen dingen te verlaten tot U zou kunnen komen, en daarom ben ik zo ongelukkig geweest, toen Gij mij scheen te veroordelen om in die dingen te blijven. Nu is mijn verdriet over en mijn vreugde gaat beginnen, de vreugde die zich verheugt te midden van de diepste smarten. Want ik begin te begrijpen. Gij hebt mij onderricht en Gij hebt mij vertroost, en ik ben weer begonnen te hopen en te leren. Ik hoor hoe Gij tot mij spreekt:

Ik zal je geven, wat je verlangt. Ik zal je de eenzaamheid binnenleiden. Ik zal je leiden langs de weg die je onmogelijk kunt begrijpen, omdat ik wil dat het de snelste weg zal zijn.

Daarom zullen alle dingen om je heen tegen je gewapend worden, om je te verloochenen, om je te kwetsen, je pijn te doen, en je aldus tot eenzaamheid te brengen.

Omdat ze zo vijandig zijn, zul je spoedig alleen worden gelaten. Ze zullen je uitwerpen, je in de steek laten, je afwijzen en je zult eenzaam zijn.

Alles waardoor je wordt aangeraakt, zal je branden en je zult van pijn je hand terugtrekken, tot je jezelf van alle dingen zult hebben teruggetrokken. Dan zul je geheel alleen zijn.

Alles wat verlangd kan worden, zal je verzengen en met een brandijzer verschroeien en je zult het van pijn ontvluchten om alleen te zijn. Alle geschapen vreugde zal slechts als pijn tot je komen en je zult aan alle vreugde sterven om alleen te blijven. Alle goede dingen die andere mensen beminnen, begeren en zoeken, zullen tot je komen, maar slechts als moordenaars, om je af te snijden van de wereld en haar beslommeringen.

Je zult geprezen worden en het zal zijn, alsof je op de brandstapel stond. Je zult bemind worden, en het zal je hart vermoorden en je de woestijn in drijven.

Je zult gaven hebben en ze zullen je breken met hun last. Je zult vreugden smaken in het gebed en ze zullen je tegenstaan en je wil zal ze ontvluchten.

En als je een beetje geprezen bent en een beetje bemind, dan zal ik je al je gaven en al je liefde en alle lofprijzingen ontnemen en je zult volkomen vergeten en verlaten zijn en je zult niets zijn, een dood ding, een verworpen ding. En die dag zul je beginnen de eenzaamheid te bezitten waarnaar je zo lang hebt verlangd. En je eenzaamheid zal onschatbare vruchten dragen in de zielen van mensen die je nooit op aarde zult zien.

Vraag niet wanneer dat zal zijn, of waar het zal zijn, of hoe het geschieden zal, op een berg of in een gevangenis, in een woestijn of in een concentratiekamp, in een ziekenhuis of in Gethsemani. Het doet er niet toe. Vraag het mij daarom niet. Ik zal het je niet zeggen. Je zult het niet weten voor je er middenin bent.

Maar je zult de ware eenzaamheid van mijn angsten en mijn armoede smaken en ik zal je leiden naar de hoge plaatsen van mijn vreugde en je zult in mij sterven en alles vinden in mijn barmhartigheid, die jou tot dat doel heeft geschapen en je gebracht heeft van Prades naar Bermuda, naar Sint Antonin, naar Oakham, naar Cambridge, naar Rome, naar New York, naar Columbia, naar Corpus Christi, naar Sint Bonaventura, naar de Cisterciënzer abdij van de arme mensen die in Gethsemani zwoegen:

Opdat je de broeder van God moogt worden en de Christus van de verbrande mensen moogt leren kennen.


NAAR INDEX