Pasen 1968
Nu ik dit schrijf ligt hier een flink pak sneeuw, maar de zon schijnt, de vogels zingen en
Pasen is in aantocht. En de post stapelt zich maar verder op. Steeds meer verzoeken
komen hier aan om ergens te gaan spreken (maar die moeten allemaal geweigerd worden).
Steeds maar meer brieven die ik niet meer persoonlijk kan beantwoorden!
Er worden tegenwoordig nogal wat vragen gesteld over de betekenis van het religieuze
leven. Sommige theologen hebben zelfs openlijk verklaard dat het kloosterleven niet
‘christelijk' zou zijn en dat het dit zelfs niet kan zijn. Dat is duidelijke taal
voor mensen die hun leven die richting hebben gegeven en die oprecht hun leven ‘aan
God hebben toegewijd' in kloosters en in conventen, en die aanzienlijke offers hebben
gebracht omdat ze oprecht meenden dat dit een ernstig engagement was. Het zal hen
wel in verwarring brengen als ze moeten vernemen dat ze niet alleen hun beste krachten
verspild hebben, maar dat ze zelfs oneerlijk en onchristelijk zijn geweest. Volgens
mij wordt deze argumentatie zelf onchristelijk als men het zo ver drijft. Mensen gewoonweg
veroordelen en excommuniceren zonder rekening te houden met de
fundamentele eerlijke trouw die ze betoond hebben in een veeleisende situatie, dat lijkt
helemaal niet op christelijke liefde. Veel in die kritiek op het religieuze leven wijst niet
alleen op een begrijpelijk ongeduld in verband met de verouderd aandoende levenswijze, maar
het geeft ook blijk van een niet te rechtvaardigen verachting voor menselijke
wezens die te goeder trouw voor deze levenswijze hebben gekozen.
Ik heb zelf openlijk verklaard dat de middeleeuwse stijl van het monastieke leven
voorbij is. Anderzijds, toen ik twintig jaar geleden De Wateren van Siloë schreef, was
ik me terdege bewust van zekere fundamentele waarden in dat middeleeuwse kloosterwezen.
Deze waarden waren echt, zelfs al was het niet bepaald dat wat we moesten
vernieuwen in de kerk van de twintigste eeuw. Het is belangrijk die waarden niet te
verwerpen, zelfs al is het zo dat wij op zoek zijn naar iets anders. Het zou echt een
verarming betekenen als we totaal ongevoelig zouden worden voor de reële vitaliteit en
creativiteit van het twaalfde-eeuwse kloosterwezen. Toch doet men bij bepaalde
kritieken van vandaag de indruk op dat het hele verleden moet verworpen worden
onder al zijn aspecten. Het zou totaal zonder betekenis geweest zijn, of nog erger, het
was gnostisch, manichees, jansenistisch of aangetast door nog een andere ketterij. Als
de redenering doorgetrokken wordt in al zijn logische consequenties dan zullen we
moeten toegeven dat de kerk al zeventienhonderd jaar geleden ophield christelijk te
zijn.
Ik zou volkomen oneerlijk zijn als ik zou beweren dat - toen ik voor het eerst naar
Gethsemani kwam - deze plaats voor mij niet ‘een teken van Christus' was. Dat was
het inderdaad, niettegenstaande alle gebreken die ik er geleidelijk aan ontdekte. Toen
wij tien of twintig jaar geleden in het klooster traden, werden wij zeker ontmoedigd
door de scheefgetrokken en onmenselijke dingen waarmee wij geconfronteerd werden.
Toch waren wij niet helemaal blind of dom. We wisten dat we aan iets begonnen dat
zwaar was, misschien zelfs onredelijk zwaar. Maar we wisten eveneens dat dit niet
veel betekende in vergelijking met dat andere wat voor ons van doorslaggevende
betekenis was. We geloofden dat we echt door God geroepen waren om dit te doen,
om ons over te geven aan Hem in dit speciale leven, om daar in te treden en zijn
Woord en zijn belofte te aanvaarden, namelijk dat dit een van de vormen was om een
echt toegewijd christen te zijn, om zijn kruis op te nemen en te leven als een leerling
van Christus. Het is waar dat ons absurde dingen werden voorgehouden, die slechts
een dwaze en kunstmatige vormelijkheid in stand hielden en die gewoonten waren, die
nu, als we daarop terugkijken, totaal onmogelijk schijnen. Hoe konden wij ooit zulke
gruwelijke nonsens slikken?
Ik geef zelfs toe dat het klimaat van de katholieke spiritualiteit, misschien vooral in
de contemplatieve kloosters, besmet was met een theologie die in zekere zin pathologisch was,
in zekere zin misschien ketters. Het kloosterleven had zeker bewezen voor
velen ongezond te zijn, zowel op fysiek als op mentaal gebied. We dragen diepe
wonden die ons zullen beletten dit ooit te vergeten. Tot zover kunnen wij allen ten
volle instemmen met de kritiek. Er was inderdaad iets echt onchristelijks in de wijze
waarop het kloosterleven soms geïnterpreteerd en ‘opgelegd' werd. Wij allen hebben
dingen zien gebeuren die ons nu nog doen huiveren. Nog zijn we daar niet helemaal
mee klaar.
Toch hebben wij, en ik spreek hier voor mezelf en voor de anderen die zoals ik
gebleven zijn, niettegenstaande het feit dat we goede redenen hadden om het niet te
doen, wij hebben herhaaldelijk onze aanvankelijke keuze hernieuwd.
Ook al zagen we de ene illusie na de andere in rook opgaan en al gingen we ons
intenser bezighouden met de vraag naar de betekenis van ons leven en onze roeping,
toch verkozen we te blijven omdat we bleven geloven dat God dit van ons vroeg. We
hebben eenvoudigweg geen enkel ander alternatief gezien dat ons beter toescheen. Wel
geef ik toe dat ik op de dag van heden zou aarzelen om nog een boek te schrijven om
de kloosterroeping aan te prijzen, en dat ik heel voorzichtig zou zijn om iemand aan te
zetten om in een klooster te treden. In onze tijd staat niet het monastieke leven op het
spel, maar wel God en het evangelie zoals duidelijk wordt uit deze woorden van Sint-Paulus
uit de paasliturgie: "Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat
boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet
op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in
God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen
in heerlijkheid" (Kol. 3, 1-4). Volgens de critici waarover ik hoger sprak zou Sint-Paulus dus
het gnosticisme aanhangen, of een manicheeër of jansenist zijn!
Moge Pasen u vrede en kracht brengen. Onze wereld heeft nood aan vrede die er
maar niet komt.
Wij hebben een voorgevoel dat er moeilijke tijden op komst zijn voor
iedereen: sommige problemen zijn zo enorm en zo ingewikkeld
dat er geen menselijke
oplossing voor lijkt te bestaan. Maar de vrede van God ‘die alle begrip te boven gaat '
kan de grondslag
worden voor onverwachte oplossingen. Laat ons steeds in die vrede
leven of laat ons daar toch naar verlangen en naar streven.