P A A S B R I E F   1 9 6 8


Toen Thomas Merton in de laatste jaren van zijn leven zoveel brieven ontving, dat hij ze onmogelijk nog kon beantwoorden, begon hij zijn zogenaamde Circular Letters te schrijven: gestencilde brieven die hij aan vele correspondenten tegelijk kon sturen. Deze werden gepubliceerd in " The Road to Joy. The Letters of Thomas Merton to New and Old Friends".

Bij Thomas Merton was het, zo merkte pater Charles Dumont eens op, zoals bij Sint-Bernardus, die van zichzelf zei dat hij was "als de jachthonden, die een spoor volgen en die voortdurend van spoor veranderen". Dat rusteloze zoeken was bij Merton ook een worsteling met de vraag naar de plaats van de monnik in de hedendaagse wereld en een zoeken naar vernieuwing van het monastieke leven. Wie ooit heeft gelezen wat hij daarover schreef en hoe hij zich de laatste jaren van zijn leven radicaal distantieerde van zijn vroegere enthousiaste beschrijvingen van het kloosterleven, die heeft zich ongetwijfeld wel eens afgevraagd waarom Merton dan bleef waar hij was en waarom hij niet - zoals zovelen van zijn tijdgenoten - gewoon is uitgetreden. Soms wordt beweerd dat Merton dat ook zou gedaan hebben of daar alleszins mee bezig was. De overvloedige biografische gegevens waarover wij beschikken, spreken dat echter tegen. Enkele maanden voor zijn onverwachte dood gaf hij op deze vragen zelfs een duidelijk antwoord.





Eigen foto




Pasen 1968

Nu ik dit schrijf ligt hier een flink pak sneeuw, maar de zon schijnt, de vogels zingen en Pasen is in aantocht. En de post stapelt zich maar verder op. Steeds meer verzoeken komen hier aan om ergens te gaan spreken (maar die moeten allemaal geweigerd worden). Steeds maar meer brieven die ik niet meer persoonlijk kan beantwoorden!

Er worden tegenwoordig nogal wat vragen gesteld over de betekenis van het religieuze leven. Sommige theologen hebben zelfs openlijk verklaard dat het kloosterleven niet ‘christelijk' zou zijn en dat het dit zelfs niet kan zijn. Dat is duidelijke taal voor mensen die hun leven die richting hebben gegeven en die oprecht hun leven ‘aan God hebben toegewijd' in kloosters en in conventen, en die aanzienlijke offers hebben gebracht omdat ze oprecht meenden dat dit een ernstig engagement was. Het zal hen wel in verwarring brengen als ze moeten vernemen dat ze niet alleen hun beste krachten verspild hebben, maar dat ze zelfs oneerlijk en onchristelijk zijn geweest. Volgens mij wordt deze argumentatie zelf onchristelijk als men het zo ver drijft. Mensen gewoonweg veroordelen en excommuniceren zonder rekening te houden met de fundamentele eerlijke trouw die ze betoond hebben in een veeleisende situatie, dat lijkt helemaal niet op christelijke liefde. Veel in die kritiek op het religieuze leven wijst niet alleen op een begrijpelijk ongeduld in verband met de verouderd aandoende levenswijze, maar het geeft ook blijk van een niet te rechtvaardigen verachting voor menselijke wezens die te goeder trouw voor deze levenswijze hebben gekozen.

Ik heb zelf openlijk verklaard dat de middeleeuwse stijl van het monastieke leven voorbij is. Anderzijds, toen ik twintig jaar geleden De Wateren van Siloë schreef, was ik me terdege bewust van zekere fundamentele waarden in dat middeleeuwse kloosterwezen. Deze waarden waren echt, zelfs al was het niet bepaald dat wat we moesten vernieuwen in de kerk van de twintigste eeuw. Het is belangrijk die waarden niet te verwerpen, zelfs al is het zo dat wij op zoek zijn naar iets anders. Het zou echt een verarming betekenen als we totaal ongevoelig zouden worden voor de reële vitaliteit en creativiteit van het twaalfde-eeuwse kloosterwezen. Toch doet men bij bepaalde kritieken van vandaag de indruk op dat het hele verleden moet verworpen worden onder al zijn aspecten. Het zou totaal zonder betekenis geweest zijn, of nog erger, het was gnostisch, manichees, jansenistisch of aangetast door nog een andere ketterij. Als de redenering doorgetrokken wordt in al zijn logische consequenties dan zullen we moeten toegeven dat de kerk al zeventienhonderd jaar geleden ophield christelijk te zijn.

Ik zou volkomen oneerlijk zijn als ik zou beweren dat - toen ik voor het eerst naar Gethsemani kwam - deze plaats voor mij niet ‘een teken van Christus' was. Dat was het inderdaad, niettegenstaande alle gebreken die ik er geleidelijk aan ontdekte. Toen wij tien of twintig jaar geleden in het klooster traden, werden wij zeker ontmoedigd door de scheefgetrokken en onmenselijke dingen waarmee wij geconfronteerd werden. Toch waren wij niet helemaal blind of dom. We wisten dat we aan iets begonnen dat zwaar was, misschien zelfs onredelijk zwaar. Maar we wisten eveneens dat dit niet veel betekende in vergelijking met dat andere wat voor ons van doorslaggevende betekenis was. We geloofden dat we echt door God geroepen waren om dit te doen, om ons over te geven aan Hem in dit speciale leven, om daar in te treden en zijn Woord en zijn belofte te aanvaarden, namelijk dat dit een van de vormen was om een echt toegewijd christen te zijn, om zijn kruis op te nemen en te leven als een leerling van Christus. Het is waar dat ons absurde dingen werden voorgehouden, die slechts een dwaze en kunstmatige vormelijkheid in stand hielden en die gewoonten waren, die nu, als we daarop terugkijken, totaal onmogelijk schijnen. Hoe konden wij ooit zulke gruwelijke nonsens slikken?

Ik geef zelfs toe dat het klimaat van de katholieke spiritualiteit, misschien vooral in de contemplatieve kloosters, besmet was met een theologie die in zekere zin pathologisch was, in zekere zin misschien ketters. Het kloosterleven had zeker bewezen voor velen ongezond te zijn, zowel op fysiek als op mentaal gebied. We dragen diepe wonden die ons zullen beletten dit ooit te vergeten. Tot zover kunnen wij allen ten volle instemmen met de kritiek. Er was inderdaad iets echt onchristelijks in de wijze waarop het kloosterleven soms geïnterpreteerd en ‘opgelegd' werd. Wij allen hebben dingen zien gebeuren die ons nu nog doen huiveren. Nog zijn we daar niet helemaal mee klaar.

Toch hebben wij, en ik spreek hier voor mezelf en voor de anderen die zoals ik gebleven zijn, niettegenstaande het feit dat we goede redenen hadden om het niet te doen, wij hebben herhaaldelijk onze aanvankelijke keuze hernieuwd.

Ook al zagen we de ene illusie na de andere in rook opgaan en al gingen we ons intenser bezighouden met de vraag naar de betekenis van ons leven en onze roeping, toch verkozen we te blijven omdat we bleven geloven dat God dit van ons vroeg. We hebben eenvoudigweg geen enkel ander alternatief gezien dat ons beter toescheen. Wel geef ik toe dat ik op de dag van heden zou aarzelen om nog een boek te schrijven om de kloosterroeping aan te prijzen, en dat ik heel voorzichtig zou zijn om iemand aan te zetten om in een klooster te treden. In onze tijd staat niet het monastieke leven op het spel, maar wel God en het evangelie zoals duidelijk wordt uit deze woorden van Sint-Paulus uit de paasliturgie: "Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Kol. 3, 1-4). Volgens de critici waarover ik hoger sprak zou Sint-Paulus dus het gnosticisme aanhangen, of een manicheeër of jansenist zijn!

Moge Pasen u vrede en kracht brengen. Onze wereld heeft nood aan vrede die er maar niet komt. Wij hebben een voorgevoel dat er moeilijke tijden op komst zijn voor iedereen: sommige problemen zijn zo enorm en zo ingewikkeld dat er geen menselijke oplossing voor lijkt te bestaan. Maar de vrede van God ‘die alle begrip te boven gaat ' kan de grondslag worden voor onverwachte oplossingen. Laat ons steeds in die vrede leven of laat ons daar toch naar verlangen en naar streven.

Thomas MERTON


NAAR INDEX