Dom Korneel
Vermeiren, abt van de Abdij Koningshoeven bij Tilburg,
hield onderstaande lezing op 12 december 1998 tijdens de
gedenkdag
ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van het overlijden van
Thomas Merton. In dit
eeuwfeestjaar van de Orde van Cîteaux stond
deze gedenkdag in het teken van 'Thomas Merton,
cisterciënzer'. Deze
lezing werd opgenomen in Een Vreemdeling in de
School
van de Liefde,
waarnaar verwezen wordt in de aantekeningen bij deze tekst.
INLEIDING
Achter de titel
van deze lezing staat niet gewoon een punt, niet een
uitroepteken, maar een vraagteken. Dat
wil zeggen dat het over iets nieuws gaat, over iets anders dan wij
gewend zijn en dat dus de
vraag oproept hoe wij daar tegenover moeten staan.
Ik wil u vooral enige informatie geven over dit verschijnsel, informatie
die misschien
aanleiding geeft tot een gedachtenwisseling. Mijn informatie zal niet volledig zijn omdat het een
nieuw
verschijnsel betreft dat dagelijks groeit en ontwikkelt en waarvan nog nooit een
volledige inventaris
gemaakt is.
Volgens Thomas Merton is het delen van de vruchten van de
contemplatie de hoogste
roeping van de mens:
"Als wij God in de contemplatie ervaren, dan ervaren wij Hem niet
voor onszelf alleen
maar ook voor anderen. (...) De
hoogste roeping in het Rijk Gods is: de vruchten van de
contemplatie met anderen delen en hen brengen tot de Godservaring, die wordt geschonken
aan hen die Hem volmaakt liefhebben." (1)
Merton ziet hier heel realistisch ook de gevaren van in. Toch
weerhoudt hem dat niet om,
vooral tegen het eind van zijn leven, te pleiten voor een dialoog tussen contemplatieven binnen
en buiten de kloosters.
Hij laat dan allen die dat willen meedrinken aan de bron van de
'Wateren van Siloë'.
Voor Merton hield dit, in zijn artikel over
De toekomst van het
monastieke leven
vooral een dialoog in met "de intellectueel zonder bezit, die niet geinteresseerd is in het
establisment maar zich daar vrij in beweegt. Sprekend vanuit de ervaring die ik bij het beleven
van mijn roeping heb opgedaan, zie ik dat het althans
voor sommigen van ons, hetzij als
afzonderlijke monniken hetzij als communiteiten, belangrijk en ook heel natuurlijk is, zich te
identificeren met
de intellectueel die geen belang heeft bij het systeem en die er in feite kritisch
tegenover staat. (...) Het monnikenleven zal in de toekomst, vooral in de
komende twee
generaties, van belang zijn voor zover de kloosters zich openstellen voor dialoog en
uitwisseling met de intellectuele gemeenschap
zoals we die beschreven hebben. Maar wil deze
dialoog zinvol zijn, dan moet de intellectuele gemeenschap een monastieke werkelijkheid
vinden in de kloosters, d.w.z. mensen met diepte en eenvoud die zich de monastieke waarden
hebben eigen gemaakt door ze te beleven, en daarbij
openheid te tonen voor de sociale
werkelijkheid van de twintigste eeuw." (2)
Het ging Merton niet om een nutteloos en
oppervlakkig tijdverdrijf
zonder zin of richting,
een escape voor de eenzaamheid of een rechtvaardiging van het monastieke leven. Hij zag het
gevaar van eindeloze gesprekken en van de illusie dat we daardoor de wereld zouden kunnen
verbeteren. Het ging hem om het delen van de
vruchten van de contemplatie:
"Wanneer onze kloosters werkelijk centra zullen zijn van diep
doorleefd monastiek
leven, dan zullen de meest vitale mensen uit de wereld daarbuiten spontaan naar ons toe komen
om ons stilzwijgen te delen en om hun eigen
vruchtbare inzichten met ons te bespreken."
Dit alles vraagt van de monnik "een heel bijzonder charisma om de authentieke monastieke
diepte en ervaring te verenigen met openheid voor de levende intellectuele en culturele
krachten van onze tijd". (3)
De recente geschiedenis van de cisterciënzerfamilie van de strikte
observantie, de
trappisten, laat zien dat er sinds de jaren '80,
in Amerika, in Europa vooral in Frankrijk, en in
Afrika, groepen ontstaan van leken die zich georganiseerd hebben rond een trappisten- of
trappistinnenabdij om te delen in het cisterciënzercharisma. In deze lezing wil ik, tegen de
achtergrond van de gedachten van Merton over het
delen van de vruchten van de contemplatie,
stilstaan bij de geschiedenis van deze recente ontwikkeling. Ook bij de vragen die deze
ontwikkeling oproept, zoals onder andere: wat is het cisterciënzercharisma? Hoe geven de
huidige groepen binnen de cisterciënzerfamilie hier
vorm aan? Is dit alles toe te juichen of zijn
er ook vraagtekens te zetten? Ik doe dat in drie delen:
1. een historisch
overzicht;
2. de huidige ontwikkeling;
3. het cisterciënzercharisma als christelijk charisma.
1. EEN HISTORISCH OVERZICHT
Op 1 januari 1995 schreef Dom Bernardo Olivera, de Generaal Abt van
de
trappisten, een brief aan de abten en abdissen van de Orde onder de
titel Reflecties over de uitdaging van
charismatische verenigingen. (4)
In deze brief ging Dom Bernardo nader in op een relatief nieuw
verschijnsel voor onze
Orde: "Op verschillende plaatsen waar onze Orde vandaag de dag bestaat, zien we
personen of groepen die op een of andere manier ons charisma willen delen." (5) Hij
plaatst dit verschijnsel in de brede context van de werking van de Heilige Geest die aan het
werk is op dit moment in de geschiedenis van de Kerk. Sinds Vaticanum II maakt de Kerk een
moeizame verandering door van een vooral clericale naar een meer laïcale kerkgemeenschap.
Daarin behoort iedere gedoopte tot 'het
hogepriestelijk geslacht, tot de heilige natie' en zijn
'
alle gedoopten levende stenen voor de opbouw van de geestelijke tempel' (1 Petr.2,5.9).
In de kerk van vòòr Vaticanum II was er
een strikte scheiding tussen
de diverse
levensstaten in de Kerk. Men had een hiërarchische driedeling van clerus, religieuzen en leken.
In dit
piramide-model hadden de leken niet veel te betekenen. Zeker niet vòòr de tijd dat sterke
nadruk werd gelegd op de 'Katholieke Actie' en het zgn. 'lekenapostolaat' vanaf de jaren '20 en
'30 van deze eeuw, uitlopend op de
belangrijke encycliek Mystici Corporis van Pius
XII. De Kerk verscheen toch vooral als een instituut waarvan de sacramenten
bediend en
beheerd werden door de clerus en waarbij de leken als het ware de gebruikers of de 'klanten'
waren.
Vaticanum II nam afstand van dit piramide-kerkmodel en definieerde
de kerk als 'het volk
van God onderweg'. De nadruk lag niet langer op een hiërarchische opdeling maar op de
onderlinge complementariteit van de diverse
geledingen van het volk Gods. Het wijst op de
voorrang van wat gemeenschappelijk is in de Kerk op het vlak van waardigheid en zending
boven elk onderscheid van ambt of levensstaat, rang of stand, kaste of clan: 'Gij hebt maar één
Meester, en gij zijt allen broeders' (Mt. 23,8). Een
direct gevolg van deze veranderde
kerkopvatting was dat de strikte onderverdeling van clerus, religieuzen en leken met het
nieuwe kerkelijk wetboek van 1983 voorgoed verdween. Sindsdien spreekt men nog alleen van
clerus en leken als de twee levensstaten
binnen het volk van God, die elkaar aanvullen in de
verscheidenheid van elkaars gaven.
In hetzelfde kerkelijk
wetboek schrijft canon 303 voor dat leken,
oftewel
'christengelovigen' (christifideles) het leven en de spiritualiteit van de religieuze
instituten
kunnen delen. In het postsynodale schrijven Vita consecrata, over het religieuze
leven, becommentarieert Paus Johannes Paulus II deze
canon voor de contemplatieve instituten
als volgt:
"Bij de instituten van monniken en van beschouwend leven liggen
de betrekkingen met
de leken allereerst op het geestelijk plan. (...) Vaak vanwege nieuwe omstandigheden zijn veel
instituten tegenwoordig tot
de overtuiging gekomen dat hun charisma door leken gedeeld kan
worden. Dezen worden daarom uitgenodigd om intensiever te delen in de
spiritualiteit en de
zending van deze instituten." (6)
Ook de trappistenorde ontkomt - gelukkig - niet aan deze werking van
de Geest in de
Kerk. Kennelijk zijn er leken buiten de kloosters die vragen om te mogen delen in het
specifieke cisterciënzercharisma. Het staat als
een paal boven water dat men in ieder charisma
kan delen. Zowel het monastieke als het contemplatieve en zelfs het cisterciënzercharisma is
geen alleenrecht voor wie dan ook binnen of buiten het Godsvolk. De vraag is echter of dit een
nieuwe ontwikkeling is. Kijken we naar negen
eeuwen cisterciënzergeschiedenis dan ontdekken
we een voortdurende wisselwerking tussen de monniken en monialen enerzijds en de leken
anderzijds.
* Al vroeg in de geschiedenis van Cîteaux vroegen vrouwen om
opname in de Orde. De
eerste monniken van Cîteaux stonden daar erg weigerachtig tegenover en wilden geen
vrouwelijke tak omdat zij
meenden dat de harde levenswijze niet voor vrouwen bedoeld was.
Zij wilden ook niet de pastorale zorg voor deze vrouwen op zich nemen. Op
aandringen van
deze vrouwen uit het begin van de elfde eeuw - als een illustratie van de parabel van de lastige
en vasthoudende
weduwe uit het evangelie (Lc.18) - opende de Orde tenslotte haar deuren en
nam deze vrouwelijke leken op in haar gelederen. Eerst nog op
een zekere afstand, maar al
spoedig als leden van een en dezelfde orde:
" Voor monialen richtte rond 1125 de
Heilige Stephanus het
klooster Tart op. Als
eigen dochter van Cîteaux werd het toevertrouwd aan de pastorale zorg van haar
abt."
(Constituties O.C.S.O. 1990, Inleiding nr.1).
* Een tweede groep leken die deelden in de cisterciënzerleefwijze
waren de lekenbroeders.
Het Exordium Parvum vermeldt: "Zij besloten, met toestemming van hun bisschop,
om lekenbroeders op te
nemen, die hun baard lieten staan en die zij, bij leven en sterven,
behandelden als zichzelf met de uitzondering dat zij niet de status van
monnik kregen."
(EP 15,10) Dankzij dit instituut van de lekenbroeders kon de Orde van Cîteaux, die niet van de
wereld wilde zijn, toch een flinke
vinger krijgen in de pap van de economische bedrijvigheid
van de wereld.
* Een derde groep leken die onder invloed van
Bernardus van
Clairvaux de spiritualiteit
van Cîteaux in de wereld beleefden, waren de zgn. militaire Orden. Het ging om militairen en
ridders die, veelal als gevolg en in de context van de kruistochten, hun leven aan God en de
naasten wilden toewijden door het beschermen van
de christelijke bedevaartplaatsen in
Palestina en van de pelgrims onderweg naar het Heilig Land en tijdens hun verblijf aldaar. Voor
hen schreef Bernardus in 1135 een militaire kloosterregel in zijn 'Lof van de nieuwe
krijgsdienst', om hen in te leiden in een nieuwe, aangepaste
monastieke leefwijze. Zij
combineerden hun wereldlijk en militair ideaal met de spiritualiteit van Cîteaux, de
zachtmoedigheid van de monnik met
de dapperheid van de ridder.
* Naast deze drie grote groepen zijn er in de loop van de geschiedenis
ook allerlei
kleinere
initiatieven geweest. Zo bestond er rond het cisterciënzerinnenklooster van Port-Royal een
groep vrome mannen die hun diensten
maar ook hun leven aanboden aan God en de
plaatselijke gemeenschap. Zij vormden de groep van de 'Solitaires ou les Messieurs de
Port-Royal'. Een van de bekendsten uit deze kring was Blaise Pascal.
* Ook de beroemde en beruchte Dom
Augustinus de Lestrange kende
een Derde Orde,
waarin jongens en meisjes in de orde werden opgenomen en er onderwijs genoten van de
paters en zusters. Na de verschrikkelijke Odysee door een groot deel van Europa is deze derde
orde binnen de trappistenwereld langzaam
verdwenen.
Daarmee is het huidige verschijnsel van de opkomst van
lekenassociaties voor de
trappisten inderdaad relatief
nieuw. Het trappistenleven van de negentiende eeuw was erg in
zichzelf gekeerd. Zij waren diep overtuigd van de zondigheid van de wereld en
zagen het
klooster als een soort veilige haven in de boze wereldzee. Men moet hier echter wel opmerken
dat al deze leken in de loop van de
geschiedenis, ofwel van het toneel van de Orde verdwenen
zijn, ofwel langzamerhand opgenomen en ingelijfd werden in de juridische structuur van de
Orde. Zo verloren de vrouwen, de lekenbroeders en de ridders hun specifiek laïcaal karakter en
werden zij religieuzen, monniken en monialen in de
strikte kerkjuridische zin van het
woord.
2. DE HUIDGE ONTWIKKELING
Na deze korte gang door de
geschiedenis stoten wij al op de vraag wat het
nu precies was
dat aantrekkingskracht uitoefende op christenen in de wereld. Leende de spiritualiteit van
Cîteaux zich voor een beleving te
midden van het 'gewone' leven van vaders en moeders, van
mensen met een maatschappelijke, politieke en soms militaire verantwoordelijkheid ?
Ik wil deze vragen beantwoorden aan de hand van de invulling die de
vier Amerikaanse lekenassociaties aan hun opdracht
geven. Eerst een
korte kennismaking. (7)
(1) Rond de abdij van Genesee zijn in 1992
de
Genesee Lay Associates ontstaan. Zij omschrijven
zich als mannen en vrouwen "die zich
verbinden om in hun hele leven God te zoeken binnen
de benedictijnse cisterciënzertraditie". (8)
Zij worden gesteund
vanuit de abdij van Genesee en staan onder de
supervisie van de abt
van deze abdij. Een monnik van de abdij, door de abt aangesteld, is belast met
de taak van
geestelijke begeleider. Hij leidt en helpt deze leken in de verdieping van hun geestelijk leven.
Lectio,
meditatio en oratio vormen de basis van
waaruit zij hun
gebedsleven willen verdiepen. Er bestaat een raad van drie leden die
de geestelijke begeleider
adviseren en onder zijn leiding pastorale en administratieve taken verrichten. De begeleiding
van nieuwe leden gebeurt
door leden van de groep die zich reeds verbonden hebben. Het
noviciaat duurt één jaar. Na de goedkeuring van de geestelijke begeleider en zijn
raad stelt de
novice een akte van 'commitment' op voor een tijdsduur van één jaar, telkens voor één
jaar te vernieuwen. Hij/zij belooft "een
leven te leiden gekenmerkt door geloof, hoop en
liefde, doorheen het leven van iedere dag en verdiept door de gewone gebedspraktijken".
(9) Men
komt eens in de maand bij elkaar in de abdij voor een recollectiedag en jaarlijks voor
een retraite.
(2) Rond de abdij van
Gethsemani zijn in de tweede helft van de
tachtiger jaren de
Cistercian Lay Contemplatives ontstaan. Zij zien zichzelf als gewone
christelijke
mannen en vrouwen die een associatie met elkaar zijn aangegaan om "elkaar te steunen in
het leven van een contemplatieve
spiritualiteit die gebaseerd is op de benedictijnse
cisterciënzertraditie". (10) Men heeft binnen deze groep een 'plan of life'
aangenomen
dat dient als een gids om monastieke disciplines, zoals gebed, werk, stilte, studie,
eenzaamheid, eenvoud en dienstbaarheid, te integreren in het leven
van iedere dag. Deze groep
ontmoet elkaar regelmatig en komt ook samen voor een jaarlijkse retraite. Het zou interessant
zijn na te gaan in welke
mate deze Cistercian Lay Contemplatives zich laten inspireren
door de figuur en de geschriften van Thomas Merton.
(3) De Associates of Iowa
Cistercians zijn
geassocieerd met de trappistenabdij van New
Melleray in Iowa en met de trappistinnenabdij
van Mississipi. Daar komt men sinds 1995 bij elkaar en enkele monniken en monialen van de
beide abdijen spelen er een actieve rol in. Gezien haar recente start heeft deze beweging nog
geen vast gestructureerd en uitgebalanceerd
leefplan.
(4) Tenslotte zijn er de
Associate Oblates of Our Lady of the Holy Spirit
Monastery. Zij zijn in 1987 begonnen met vijf personen onder leiding van twee
monniken van Holy Spirit. Na twee jaar en een half hebben
de leden van deze kleine groep van
het begin op 25 maart 1990 hun beloften uitgesproken tegenover de abt van het klooster in de
abdijkerk. Deze groep staat enkel open voor katholieke christenen. Zij worden tot het noviciaat
toegelaten door middel van een aantal
gesprekken met de verantwoordelijke monniken van het
klooster. De begeleiding in het noviciaat gebeurt door één of twee oblaten. Na twee jaar
legt
men dan de oblatenprofessie af. In 1997 telde men twintig geprofeste oblaten en zes novicen.
Zelf verwoorden zij hun doelstellingen als
volgt:
"Wij, de Associate Oblates of Our Lady of the Holy Spirit,
vormen een
gemeenschap van katholieken, levend in
de wereld en strevend naar verbetering van leven als
ons vrije antwoord op de liefde van God. De oblaten beloven om te leven in een geest van
contemplatief gebed en offer in gehoorzaamheid aan Gods universele oproep tot heiligheid. Wij
aanvaarden de Regel van Benedictus als een gids in
ons leven binnen de door ons gekozen
roepingen." (11)
Deze oblaten van Holy Spirit hebben de meest uitgewerkte
statuten. Zij
zien als het doel
van hun associatie hun persoonlijke heiliging, het gebed voor de spirituele en materiële noden
van priesters en
religieuzen en het bevorderen van de groei van het contemplatieve gebed
onder de gelovigen. Hun leefstijl bestaat uit het vieren van de
eucharistie, het bidden van een of
meer getijden, het bidden van de rozenkrans, op zijn minst twintig minuten aan lectio
divina en meditatie
besteden en de dag eindigen met het bidden van het Salve
Regina, ten minste maandelijks het sacrament van boete en verzoening
ontvangen. Als
specifiek cisterciënzer element zien zij het als hun opdracht "hun gevoeligheid voor stilte en
eenzaamheid als noodzakelijk voor
een leven van inwendig gebed te ontwikkelen" (12).
Als men de verschillende programma's van deze bewegingen
doorneemt dan valt op dat zij
allemaal stellen dat "een monastieke uitdrukking van het cisterciënzer-charisma niet
noodzakelijk de enige
uitdrukking ervan is in de huidige wereld" (13). In een antwoord op
de brief van Dom Bernardo schrijven zij dat zij
een Christus-gecentreerde en
contemplatieve aanwezigheid in de wereld willen opbouwen en
handhaven. De middelen daartoe zijn getijdengebed, lectio divina, stilte en
eenzaamheid beleven en leven vanuit de regel van Benedictus. (14)
Moet men niet eerlijk bekennen dat deze doelstelling
ook door
Benedictijnse oblaten
gevolgd kan worden? Het enige cisterciënzer element in de doelstellingen van deze bewegingen
is de aandacht voor
stilte en eenzaamheid. De oblaten van Holy Spirit merken dit terecht op:
"Als geassocieerde oblaten, die de Regel van
Benedictus volgen,
sluiten wij ons aan bij
vele generaties van mensen die buiten de kloosters leefden en die verbonden waren met
monniken en monialen van de benedictijnse of cisterciënzer traditie. We hebben veel gemeen
met ieder van die oblaten van de
Regel van Sint-Benedictus. Ons charisma als geassocieerde
oblaten van een cisterciënzer klooster roept ons op om een grotere gevoeligheid te
ontwikkelen
voor stilte en eenzaamheid als voorwaarde voor het inwendig gebed." Is dit het specifieke
van het cisterciënzer-charisma?
3. HET CISTERCIENZERCHARISMA ALS
CHRISTELIJK CHARISMA
Wat bedoelen we met een charisma? Bij
ons doopsel en vormsel hebben wij allen de
Heilige Geest ontvangen die ons doet delen in het kindschap Gods. 'Aan de één wordt door de
Geest een woord van wijsheid gegeven; aan een
ander een woord van kennis, krachtens
dezelfde Geest; aan een derde door dezelfde Geest het geloof en aan weer anderen schenkt
diezelfde Geest
de gaven om ziekten te genezen, de kracht om wonderen te doen, de gave van
de profetie, de onderscheiding van de geesten, het vermogen om in talen te spreken of de
betekenis ervan uit te leggen.' (1 Kor. 12,8-11) Al deze gaven van de Geest, de charisma's,
worden ons gegeven 'tot welzijn van allen' (1 Kor. 12,7), tot opbouw van het lichaam van
Christus, de Kerk.
Ook het cisterciënzercharisma is aan ons gegeven 'tot welzijn van
allen'. In Vita
consecrata schrijft Paus Johannes-Paulus daarover:
"De leer over de Kerk als gemeenschap heeft ons in de afgelopen jaren beter doen
begrijpen dat de verschillende geledingen hun
krachten in een geest van samenwerking en uitwisseling van gaven kunnen en moeten bundelen
om doeltreffender te kunnen deelnemen aan de zending van de Kerk. Dit draagt bij tot een
juister en vollediger beeld van de Kerk, en vooral kan door het samenspel van de
verschillende gaven krachtiger gereageerd worden op de grote uitdagingen van onze tijd."
(15)
Vita consecrata wil deze samenwerking en uitwisseling van
gaven tussen
religieuzen en leken sterk bevorderen vanwege twee redenen:
"Ten eerste kan er een vruchtbare spiritualiteit uitgaan over de grenzen van het religieuze
insitituut heen. Nieuwe krachten kunnen er zo voor
zorgen dat kenmerkende activiteiten van het instituut in de kerk worden voortgezet. Dat geldt
op de eerste plaats voor alle vormen van 'actief' kloosterleven die op deze wijze hun eigen
specifieke activiteiten zien voortgezet. Ten tweede kan men zo samen, religieuzen en leken,
werken aan het herscheppen van de wereld naar Gods hart, naar de geest van de
zaligsprekingen, daarvan leven en getuigen. Voorwaarde voor dit alles is wel dat de religieuzen
moeten bedenken dat zij allereerst ervaren leiders en begeleiders van het geestelijk leven
moeten zijn. In dit perspectief moeten zij 'de kostbare gave: de geest' koesteren." (16)
Dit stelt hoge eisen aan de religieuze instituten
en gemeenschappen. Absoluut noodzakelijk is een sterke identiteit van de plaatselijke
gemeenschap. Zij moet een door allen gedeelde en gedragen gemeenschappelijke visie hebben
op de eigen zending en roeping binnen de grote Kerk.
Dit brengt ons terug bij de vraag naar het cisterciënzercharisma. Is het
mogelijk om een
definitie te geven van dit charisma? Of geldt hiervoor dat de Geest waait waar Hij wil?
* Dom Bernardo zegt in zijn brief van januari 1995: "Het
cisterciënzercharisma wortelt
in die monastieke traditie van evangelisch leven die in de Regula Monasteriorum van
Sint-Benedictus van Nursia haar uitdrukking vindt" (CST 1). "De stichters van Cîteaux
gaven aan deze traditie een eigen vorm en de kloosters van de Strikte Observantie hebben
bepaalde aspecten daarvan krachtig verdedigd" (CST 1). (17)
Het gaat hier om de verwoording van het charisma dat binnen de
traditie van Cîteaux eigen
is aan de zgn. 'strikte observantie'. Ik laat hier gemakshalve de 'gewone' observantie van de H.
Orde van Cîteaux buiten beschouwing. Dit eigene van de 'strikte observantie' vraagt nadere
omschrij-ving. Ik doe dat aan de hand van enkele teksten uit onze Constituties. Ons eigen
'trappisten'-charisma wordt daarin als volgt omschreven:
"De cisterciënzermonniken en monialen zoeken God en volgen
Christus door te leven
onder een Regel en een abt of abdis in een bestendige gemeenschap, school van broederlijke
liefde" (schola caritatis). (CST 3)
"Heel de ordening van het klooster is erop gericht de monniken en
de monialen innig
met Christus te verenigen, want alleen als de monnik met heel de drang van zijn hart op de
Heer Jezus betrokken is, kunnen de eigen gaven van de cisterciënzerroeping in hem of haar tot
bloei komen." (CST3.5)
"De leefwijze is (...) een leven van algehele toewijding aan God.
Haar vorm is
broederlijke eenheid, eenzaamheid en stilte, gebed en werk en een bepaalde
levensdiscipline." (CST 7)
* De actieve tak van de cisterciënzerfamilie, bv. de Bernardinnen van
Oudenaarde,
omschrijven hun cisterciënzercharisma als volgt:
"De liefde voor het Mensgeworden Woord in de liturgie en in de dagelijkse lezing van de
Schrift kenmerken ons leven. Het mysterie van de Menswording, dat centraal staat in de
geloofservaring van Bernardus van Clairvaux, is bron van inspiratie en oriëntatie voor ons
persoonlijk leven, voor ons leven in gemeenschap en voor onze apostolische inzet. De
groeiende menswording van onszelf, van allen met wie en bij wie wij werken en uiteindelijk van
heel onze wereld: het is een opdracht die ons vanuit de rijke cisterciënzertraditie wordt
aangereikt en die vraagt om een eigen invulling in Vlaanderen, Rwanda, Burkina Faso en
Tsjaad. Doch over de grenzen heen ervaren wij de 'schola caritatis' als een blijvende
uitnodiging voor ons gemeenschapsleven, voor ons samenleven met internationale
verscheidenheid en voor de beleving van onze solidariteit met kansarmen bij ons, met armen en
ontheemden in Afrika."
* Bij de voorstelling van de vier Amerikaanse
lekenbewegingen hebben we al gezien dat zij het cisterciënzercharisma beleven als aandacht
voor een contemplatief leven vanuit het evangelie en de Regel van Benedictus met bijzondere
aandacht voor stilte en eenzaamheid. Heel hun leven in de maatschappij willen zij beleven
vanuit Christus als het centrum. De vormen van deze bewegingen zijn werk, gebed, lezing en
leven in een spirituele gemeenschap (schola caritatis) met een communiteit en met
elkaar. Dit laatste uit zich dan in hun regelmatige bijeenkomsten.
Als men dus vraagt naar het specifieke cisterciënzer-charisma
in de Kerk van vandaag dan moet men dit vinden in de bovenstaande tradities, namelijk die van
La Trappe en de trappisten, die van de Zusters Bernardinnen en in die van de moderne
lekenbewegingen, vooral rond de Amerikaanse kloosters. In alledrie de tradities legt men de
nadruk op Christus als centrum van het leven, binnen een gemeenschap van onderlinge liefde
en aan de hand van bepaalde hulpmiddelen als gebed, werk en lezing, stilte en gemeenschap.
(18)
Om elkaar te steunen en te
bemoedigen in het beleven van dit cisterciënzercharisma zijn vertegenwoordigers van heel de
cisterciënzerfamilie, monniken en monialen en niet-monniken, in maart van dit jaar als
voorbereiding van de viering in Cîteaux van het 9e eeuwfeest, bij elkaar gekomen in Cîteaux, in
de zgn. 'synaxis van de cisterciënzerfamilie'. In de boodschap van deze synaxis aan alle leden
van de cisterciënzerfamilie schrijven zij:
"De communio die wij nastreven is niet een kwestie van
een juridische eenheid
of uniformiteit in observanties. Ze vloeit
voort uit de gemeenschappelijke waardering voor de gave van een cisterciënzerroeping, vanuit
een diep respect voor de integriteit van de verschillende uitdrukkingswijzen van het
cisterciënzercharisma, en vanuit het verlangen om te groeien in onderlinge liefde en
vriendschap. Het is een eenheid die steeds vanuit de genade wordt ontvangen en die
opgebouwd wordt in nederigheid en waarheid." (19)
Het is goed om hier ook de vraag te
stellen in hoever men door aansluiting bij onze cisterciënzer-/trappistenkloosters en door
participatie aan het leven van onze communiteiten nu juist het specifieke van Cîteaux zoekt, òf
dat christenen op zoek zijn naar een christelijke gebedsgemeenschap waar zij opgenomen
worden in de school van gebed. Bisschop Ad van Luyn van Rotterdam wijst in zijn toespraak
bij gelegenheid van een studiedag over stadsmonachisme, in maart van dit jaar in Utrecht, op
dit verschijnsel. Hij zegt: "Het kan voor vele christenen een steuntje in de rug zijn, te weten
dat je op afstand bij een gemeenschap hoort waar mensen wonen, werken en bidden met wie je
je geestelijk verwant voelt." (20)
BESLUIT
Uit de praktijk van het leven is het mijns
inziens duidelijk dat het mogelijk is om het
cisterciënzercharisma ook buiten de
kloostermuren te beleven. Hoe moet men daar nu tegen
aankijken?
Is dit inderdaad een gelukkige ontwikkeling? Of
ontneemt het toch iets
aan de eigen glans
van Cîteaux? Wat betekent dat voor de communiteiten van monniken en monialen? Kunnen zij
dat een plaats geven en daarbij zichzelf blijven? Welke criteria gebruikt men om te
onderscheiden wat het werk van de Geest is in deze
ontwikkeling? Wat kunnen wij, monniken
en leken, leren van andere ervaringen in dezelfde zin, bijvoorbeeld van het oblaten-instituut bij
de benedictijnse kloosters en van de nieuwe vormen van participatie van leken aan het leven
van actievere vormen van religieus leven, zoals de
Abdij van Berne in Heeswijk, van de
Redemptoristen, van de Zusters van Amersfoort en van andere actieve congregaties in
Nederland en
Vlaanderen? Welke ervaring is er de laatste dertig jaar opgedaan in de
Gemeenschap De Hooge Berkt in Bergeijk, waarin vanaf het begin
monniken een eigen plaats
innamen? Welke rol spelen de gastenhuizen van de abdijen in deze ontwikkelingen? Hoe
verhouden zich deze
groepen van leken rond abdijen tot het 'gewone' kerkelijke leven van hun
omgeving? Voor een verdere studie zijn dit belangrijke vragen.
In een kort artikel Naar een 'seculiere' cisterciënzerorde? gaat
Julie A. Ferraro in op
een aantal opwerpingen m.b.t. dit
onderwerp:
"Voor sommige sceptici zal deze openheid - die schijnbaar verder
gaat dan Benedictus'
gastenontvangst [zoals
beschreven in hoofdstuk 67,4 van de Regel] het op een
akkoordje gooien met de spiritualiteit van de plaatselijke gemeenschap door invloeden van
buiten binnen te halen. Anderen kunnen deze 'infiltratie' zien als een poging het monastieke
leven in zijn huidige vorm af te breken. Het verminderen
van religieuze roepingen kan in elk
geval, wanneer een jonge man of vrouw zou kiezen voor het klooster, de vraag doen rijzen of
het niet
mogelijk zou zijn van alle geestelijke voordelen van de communiteit te genieten met
behoud van de relatieve vrijheid van de christen in de
maatschappij." (21)
Op de eerste opwerping: dat de leken een ongewenste invloed binnen
het klooster zouden
brengen, wil ik antwoorden met een verwijzing naar het artikel van Thomas Merton Is the
world a problem?: "De wereld kan geen
probleem zijn voor degene die inziet dat
uiteindelijk Christus, de wereld, zijn broeder en zijn eigen diepste innerlijke grond één zijn
gemaakt in de genade en de verlossende liefde." (22)
En in De toekomst van het monastieke leven schrijft hij:
"Hoe onwerelds
monniken ook zouden willen zijn, zij zijn
altijd en onvermijdelijk, in de mate van hun
institutionalisering, ingepast in een of andere sociale structuur en ze worden vereenzelvigd met
andere groepen binnen die structuur." (23)
Christenen die aansluiting zoeken bij onze kloosters zijn op de eerste
plaats broeders en
zusters in het
gemeenschappelijke geloof. Zij kunnen moeilijk als bedreiging ervaren worden,
mits ieder zijn eigen plaats en roeping weet.
Op de tweede opwerping: dat de opkomst en de groei van de
lekenbewegingen ten koste
zou gaan van
monastieke roepingen, het volgende. Volgens Merton kan het monastieke leven
ook buiten de kloosters geleefd worden. Hij schrijft daarover: "Een
zekere mate van
innerlijke eenzaamheid en vrede is nochtans nodig voor deze intieme vereniging met God. (...)
Het belangrijkste is niet of
men in een klooster leeft of in de wereld, maar wel of men al dan
niet leeft als een ware leerling van Christus en in de staat of in het werk
waartoe men door
Christus geroepen werd." (24) Het is belangrijk te blijven zien dat het hier altijd gaat om
onderscheiden
roepingen.
Tot slot wil ik toch enkele kanttekeningen plaatsen bij het ontstaan van
deze
lekenbewegingen en in het bijzonder bij de
vermelde Amerikaanse. De bekoring voor mensen
die geraakt worden door de monastieke leefwijze is dat zij zich in hun eigen omgeving
gaan
gedragen als monniken / monialen. Zoals de Amerikaanse bewegingen zich presenteren, ontkom
je niet helemaal aan die indruk. In hoever
speelt de romantische fascinatie die uitgaat van een
groep mannen en vrouwen in weidse witte gewaden en die leven in middeleeuws
aandoende
gebouwen een rol? Naar mijn mening moeten deze 'participanten' zich veel meer presenteren
als leken en niet als 'halve' monniken
en monialen. Er is zeker een eerlijke geraaktheid door de
monastieke cisterciënzer leefwijze, maar bij gebrek aan wat langere ervaring heeft
men nog
geen uitgebalanceerde verwoording van het eigen charisma zoals de Bernardinnen van
Oudenaarde dat bijvoorbeeld wel hebben.
Een ander vraagteken zet ik bij de band tussen de monastieke kloosters
en deze
lekenbewegingen. Als het echt
lekenbewegingen zijn dan moet men ook alle ruimte en vrijheid
van bestuur en organisatie aan de leken overlaten. In sommige bewegingen zoekt
men tastend
naar een evenwicht. Andere staan heel strak onder leiding van een monnik/moniale. Als zo'n
groep 'cisterciënzer leken' zich
niet zelfstandig genoeg kan ontplooien, bestaat het gevaar dat
men hen gaat beschouwen als onderdelen van het instituut. Vita
Consecrata wijst op
dit gevaar van vervaging van verantwoordelijkheden en op de noodzaak van duidelijke
structuren (nr. 56). De geschiedenis
toont ons hoe moeilijk het is om elkaars eigen gaven te
respecteren als die in één ongelede structuur bij elkaar worden geplaatst. Deze
lekenbewegingen horen heel terecht tot de cisterciënzer familie maar niet tot een Orde of
congregatie. Moge dit zo blijven én voor deze
cisterciënzer-leken-beweging én voor het
cisterciënzer-monnikenleven.
Laten wij, in grote openheid voor de werking van de Heilige Geest en
in respect voor
ieders eigen roeping, onze
broeders en zusters in het geloof laten putten aan de rijke bron van
Cîteaux die na 900 jaar nog steeds overstroomt van de 'stille wateren van
Siloë'.
Abdij Koningshoeven, 12 december 1998
AANTEKENINGEN
1. Thomas Merton, Zaadkorrels van contemplatie,
Antwerpen, Unistad, 1988, blz. 187-188.
2. Id., De toekomst van het monastieke leven,
(zie: Een Vreemdeling in de School van de Liefde).
3. Ibid.
4. De originele tekst verscheen onder de titel
Reflections on the Challenge of 'Charismatic Associations',
in: Cistercian Studies Quarterly, 32, 1997, 2, blz. 223-232.
5. Bernardo Olivera, Reflections, blz. 223.
6. Johannes-Paulus II, Vita consecrata, nr. 54.
7. De keuze voor deze Amerikaanse lekenbewegingen heeft te
maken met de vele documentatie die hierover bestaat. In Frankrijk
bestaat er ook een groep rond de abdij van Cîteaux en in Nigeria is
er een grote groep rond het klooster Awhum en de zalige Cyprian Tansi.
8. Cistercian Studies Quarterly, 32, 1997, blz. 240.
9. Ibid., blz. 240-241.
10. Ibid., blz. 241.
11. Ibid., blz. 24
12. Ibid., blz. 243.
13. Letter to Dom Bernardo Olivera, July 11, 1996, in:
Cistercian Studies Quarterly, 32, 1997, blz. 233.
14. Ibid..
15. Vita consecrata, nr. 54.
16. Vgl. voor heel deze paragraaf: Vita consecrata, nrs.
54-55.
17. Bernardo Olivera, art.cit., blz. 3.
18. Cîteaux 900. Persmap, Berkel-Enschot,
Werkgroep 'Cîteaux 900', 1998, blz. 7.
19. Brief van 21 maart 1998 (o.m. gepubliceerd op Internet).
20. Benedictijns Tijdschrift, 1998/2, blz. 111.
21. Julie A. Ferraro, Toward a Cistercian 'Secular' Order?,
in: Cistercian Studies Quarterly 32, 1997, 3, 363-366, blz. 365.
22. Thomas Merton, Is the World a Problem?, in:
Id., Contemplation in a World of Action, London, Unwin
Paperbacks, 1980, 143-156, blz. 156.
23. Id., De toekomst van het monastieke leven, nr. 6
(tekst opgenomen in dit boek).
24. Id., Monnik zijn vandaag, paragrafen 5 en 6
(tekst opgenomen in dit boek).
|