Er zijn bijna twintig jaar verlopen sinds dit
boek geschreven werd. Het schrijven van een
nieuwe inleiding biedt een schrijver de kans om opnieuw na te denken
over het verhaal, zijn
eigen verhaal, en over de wijze waarop hij het heeft verteld.
Als ik dit boek vandaag zou schrijven, zou het waarschijnlijk anders geschreven worden.
Maar
het werd geschreven toen ik nog heel jong was en het blijft zoals het is. Het verhaal
hoort mij niet langer toe en ik
heb niet het recht het op een andere wijze te vertellen of om me
in te beelden dat het met verstandigere ogen had
moeten bekeken worden. In zijn huidige vorm
die zal blijven, hoort het aan velen toe. De auteur kan niet langer
alleen aanspraak maken op
zijn verhaal.
Maar als het verhaal blijft zoals het is, is de schrijver dan misschien veranderd? Ik heb er
zeker nooit ook maar één ogenblik aan gedacht, de definitieve beslissingen die ik in mijn leven
nam te wijzigen: om
christen te zijn, om monnik en om priester te zijn. Als er iets is dat niet te
herroepen valt, dan is het de beslissing
om de wereld te verzaken, een beslissing die ik vaak
herhaald en bevestigd heb. Alhoewel de houding en de
opvatting die deze beslissing
schraagden, vermoedelijk op vele punten veranderd zijn. Want toen ik dit boek
schreef, was ik
er
vooral van overtuigd dat ik me in alle duidelijkheid en totaal vrij terugtrok uit de wereld van
mijn tijd. De breuk en de scheiding waren voor mij van het grootste belang.
Vandaar de soms ietwat negatieve toon op vele plaatsen in dit boek. Ik meen dat ik
sindsdien geleerd heb terug naar de wereld te kijken met meer medeleven, en ik beschouw de
mensen in de wereld
niet als vreemden ten overstaan van mezelf, niet als bijzondere of afgedwaalde wezens, maar als geïdentificeerd
met mezelf. Door te breken met "hun wereld" heb ik
zeker niet gebroken met hen. Door me te bevrijden van hun
illusies en hun vooroordelen, heb
ik mezelf geïdentificeerd, vooral met hun strijd en met hun blind verlangen naar
geluk. Doch
juist omdat ik me geïdentificeerd heb met hen, moet ik volstrekt weigeren om hun desillusies
tot de mijne te maken. Ik moet hun ideologie betreffende de materie, de macht, de rijkdom en
het activisme
verwerpen. Ik verwerp die, omdat ik inzie dat dit de bron en de uitdrukking is
van de geestelijke hel die in vlammen
uitgebarsten is in twee totale oorlogen vol vreselijke
gruwel, de hel van geestelijke leegheid en onmenselijke haat
die uitliep op misdaden als
Auschwitz en Hiroshima. Dit moet ik ten stelligste afwijzen met heel mijn wezen. Alle
normale
mensen zullen dit afwijzen. Doch de vraag is: hoe kan men de gevolgen van iets verwerpen als
men steeds maar de oorzaken blijft koesteren?
Mijn bekering tot het christelijk geloof, of juister gezegd, mijn bekering tot Christus, is iets
dat ik steeds beschouwd heb als een radicale bevrijding van de desillusies en obsessies van de
moderne
mens en zijn maatschappij. Ik heb steeds geloofd en ik blijf daarbij, dat het geloof de
enige reële bescherming
biedt tegen de vernietiging van de vrijheid en van het intellect in de
zinloze slavernij van de massa-maatschappij. Het
geloof alleen kan de mens innerlijk open
stellen voor de vrijheid van de kinderen Gods en hem behoeden voor het
verlies van zijn
integriteit, hem behoeden voor de verleiding van de totalitaristische leugen. De reden daarvoor
is,
dat zijn denken steeds gebaseerd is op een of ander fundamenteel geloof. Als iemands
geloof steunt op slogans
of doctrines die hem aangesmeerd zijn door politieke of economische
ideologieën, dan zal hij afstand doen van
zijn diepste waarheid voor een uitwendige dwang. Als
zijn geloof een onzekerheid is en een aanvaarden van een
uiterlijke dwang, dan gaat hij verder
met geloven in de mogelijkheid van een rationeel geluk, dat bereikt kan worden
op die wijze.
Een mens moet in iets geloven en datgene waarin hij gelooft, dat wordt zijn god. Stoffelijke of
menselijke dingen dienen als zijn god, betekent slaaf zijn van iets dat vergaat en dus slaaf zijn
van de dood, van
smart, van leugen en ellende. De enige echte vrijheid is de dienst van datgene
wat verder gaat dan alle begrenzing,
verder dan elke definitie, verder dan elke menselijke
waarde: dat is het Al, en daarom is dit geen begrensd of
individueel wezen. Dit Al is geen ding,
want als het een afzonderlijk wezen was, gescheiden van de andere dingen,
dan zou het niet het
Al zijn.
Dit is precies de vrijheid die ik altijd gezocht heb: de vrijheid om onderworpen te zijn aan
geen ding en daarom te leven in het Al, door het Al, voor het Al, door Hem die het Al is. In
christelijke taal betekent
dit leven "in Christus" en door "de Geest van Christus", want de
Geest is als de wind, waaiend waar hij wil en hij is
de Geest van waarheid. "De waarheid zal u
vrijmaken". Maar als de waarheid mij vrij kan maken, dan moet ik afzien
van mezelf en niet de
schijn aannemen van een zelf dat een object of een ding is. Ik moet ook "niets" zijn. En als ik
niets ben, ben ik in het Al en Christus leeft in mij. Doch Hij die leeft in mij is in al dezen die
leven rondom mij. Hij die
leeft in de chaotische wereld van de mensen is verborgen onder hen,
onkenbaar en onherkenbaar omdat Hij niets is.
Zo is in de woelingen van onze wereld, met zijn
misdaden, zijn leugens en zijn enorm geweld, Hij die lijdt in allen, het
Alles dat niet meer lijden
kan. En toch is Hij het die in ons lijdt, opdat we zouden kunnen leven in Hem.
Vele geruchten deden de ronde over mij sinds ik naar het klooster kwam. Ze vertelden dat
ik het klooster verlaten had, dat ik weer in New York woonde, dat ik in Europa was, zelfs in
Zuid-Amerika of Azië, dat
ik kluizenaar geworden was, dat ik gehuwd was, dat ik aan de
drank was, dat ik dood was. Ik ben nog steeds in het
klooster en ben van plan daar te blijven.
Nooit heb ik enige twijfel gekend betreffende mijn monastieke roeping. Als
ik ooit enige
verandering gewenst heb, dan was het een verlangen naar meer eenzaamheid, naar een meer
monastiek leven. En juist daarom zou men kunnen zeggen dat ik in zekere zin overal ben. Mijn
klooster is niet mijn
thuis. Het is geen plaats waar ik vast gevestigd ben op aarde. Het is niet de
omgeving waarin ik mij ervaar als een
individu, maar eerder een plaats waarin ik verdwijn voor
de wereld om overal te zijn, verborgen in diep medeleven.
Om overal te zijn moet ik niemand
zijn.
Het klooster is geen vluchtplaats voor de wereld. Integendeel, terwijl ik in het klooster
ben, neem ik echt deel aan de strijd en het lijden van de wereld. Om een leven te leiden dat niet
aanmatigend is,
moet men het standpunt van de nederigheid en de vrede innemen. Iedereen kan
zo door zijn persoonlijke
beslissing aan zijn hele leven een persoonlijke oriëntatie geven. Het is
mijn bedoeling om mijn hele leven te maken
tot een protest tegen alle misdaden en
onrechtvaardigheden van oorlog en politieke tirannie die het menselijk ras
en de wereld
trachten te vernietigen. Door mijn kloosterleven en mijn geloften zeg ik neen tegen alle
concentratiekampen en luchtbombardementen, tegen alle politieke krachtmetingen, gerechtelijke
moorden,
rassendiscriminatie, economische uitbuiting en het hele socio-economische bestel dat
voor niets anders schijnt
ontworpen te zijn dan voor de totale vernietiging, ondanks alle mooie
woorden ten gunste van de vrede. Ik maak de
monastieke stilte tot een protest tegen de
leugens van de politici, van de propagandamakers en agitators, en als
ik spreek dan is het om te
ontkennen dat mijn geloof en mijn kerk ooit ernstig op één lijn kunnen gezet worden met
deze
krachten van onrecht en vernietiging. Het is nochtans waar dat het geloof dat ik beleid, ook
ingeroepen werd door velen die geloven in de oorlog, in rassendiscriminatie,
zelfrechtvaardiging en leugenachtige
vormen van tirannie. Mijn leven moet dan ook een protest
zijn tegen
dezen en misschien meest van al tegen hen.
Als er een "probleem" bestaat voor de christenheid van vandaag, dan is het dit: de
vereenzelviging van het christendom met bepaalde vormen van cultuur en maatschappij,
bepaalde politieke en
sociale structuren die al vijftienhonderd jaar Europa en het Westen
beheerst hebben. De eerste monniken waren
mensen die reeds in de vierde eeuw begonnen te
protesteren tegen deze vereenzelviging, die ze zagen als een
leugen en een slavernij.
Vijftienhonderd jaar christendom hebben niettegenstaande bepaalde verwezenlijkingen, niet
ondubbelzinnig roem gebracht voor het christendom. De tijd is nu gekomen om een oordeel
over deze
geschiedenis uit te spreken. Daarover kan ik me verheugen, wetend dat het voor het
christelijk geloof een bevrijding
zal zijn van de slavernij en van de verdrukking in de structuren
van de seculiere wereld.
Daarom denk ik ook dat bepaalde tekenen van christelijk "optimisme" moeten bekeken
worden met het nodige voorbehoud, voor zover ze niet voldoende blijk geven van de echte
eschatologische
betekenis van de christelijke levensbeschouwing, en slechts aandacht hebben
voor de naïeve verwachtingen van
louter tijdelijke verwezenlijkingen, zoals kerken op de maan.
Als ik neen zeg tegen al deze geseculariseerde krachten, dan zeg ik ja tegen alles wat
goed
is in de wereld en in de mens. Ik zeg ja tegen al het mooie in de natuur, en opdat dit het ja zou
zijn van de
vrijheid en niet van de onderwerping, moet ik weigeren iets te bezitten als mijn
eigendom in de wereld. Ik zeg ja
tegen alle mannen en vrouwen die mijn broeders en zusters
zijn in de wereld, maar opdat dit ja een toestemmen
van vrijheid zou zijn en geen
onderwerping, moet ik zo leven dat geen van hen mij zal toebehoren, en dat ik niet zal
toebehoren aan
een van hen. Het is omdat ik verlang meer dan een vriend te zijn voor hen, dat ik voor allen een
vreemdeling word.
Daarom geachte lezer, wil ik niet als een schrijver tot u spreken, niet als een verteller, niet
als een filosoof en ook niet alleen als een vriend: ik wil in zekere zin tot u trachten te spreken
als uw eigen zelf. Wie
zal zeggen wat dit betekent? Ikzelf weet het niet. Doch als ge wilt
luisteren, zullen er dingen gezegd worden
die wellicht niet geschreven staan in dit boek. En dit
is
niet aan mij toe te schrijven, maar aan de Ene die leeft en
spreekt in ons beiden.