K L E E N G E D I C H T J E S
W
at verruwprachtig hoortooneel,
wat zielverrukkend zingestreel...
(KL II 18)
EERSTE XXXIII
Met 't kruis in top - I/1
Hooger als mijn oogen dragen - I/2
De sterke vrouw - I/3
Blank papier - I/4
Jesu, wijs en wondermachtig - I/5
Ware 'k een bietje - I/6
Als de ziele luistert - I/7
Het bietje maakt den heuning - I/8
Zinge wie dat lust te zingen - I/9
De maaier zingt een zomerliedtje - I/10
Gewekt het stramme dichterbloed - I/11
Wereld - I/12
Weêrom - I/13
Vlugger als de wind die vliegt - I/14
Een vrouw genaakte uw kleed - I/15
Heere, God van hemelrijken - I/16
O vrije Vlaamsche poesis - I/17
God, hoe kan de mensch toch boos zijn - I/18
De goe gedachten - I/19
Gelukkig die gods woord - I/20
Hoe schoon de morgendauw - I/21
Janneke, mijn manneke - I/22
Ik jeune mij daarin - I/23
'k Zat bij nen boom te lezen - I/24
Hebt compassie! - I/25
De Vlaming - I/26
Ach hoe dikmaals was 't mijn lot niet - I/27
'n Spreekt van harpe of snaargeluid - I/28
Niet waar, de dichter, 't arme mensch - I/291>
Ne keer dat ik achter de baan - I/30
o Mocht ik - I/31
Daar liep een dichtje in mijn gebed - I/32
Verloren - I/33
ANDERE XXXIII
Ware wijngaard - II/1
Alles zweeg... - II/2
'k Gebruik uw giften niet - II/3
Gaat van mij - o bittere woorden - II/4
Gelijk het brood van terruwen - II/5
Heer, mijn hert is boos en schuldig - II/6
't Zij wie het huis ook bouwt - II/7
Brandt los, mijn hert - II/8
Morgen - II/9
Weet gij waar de wind geboren... - II/10
Ziel, die God mij schonk - II/11
Ach, hoe dikwijls ben ik toch gegaan - II/12
Luidt op... - II/13
't Was in de blijde mei - II/14
Hoe zoet is 't tusschen broederen twee - II/15
Heil u, moeder - II/16
Vele menschen zijn in nood - II/17
De vlaamsche tale is wonder zoet - II/18
Van Gent tot Geeraartsbergen - II/19
De snee lag op de daken - II/20
Men zei: De liefde is sterk - II/21
't Regent - II/22
Gij zegt dat 't Vlaamsch te niet zal gaan - II/23
Wie kander kooren zien - II/24
Tokt op eene ijdele ton - II/25
Gij, priester, zijt het zout der aarde - II/26
Waar is 't gelukkig oord - II/27
't Is de Mandel - II/28
't Groeit een blomken in de weiden - II/29
Trede ik nog in 't mul der aarde - II/30
Deze eerde dronk eens bloed - II/31
'k Hoore tuitend' hoornen - II/32
Vaartwel - II/33
LAATSTE XXXIII
Klaar bloed en louter wonden - III/1
't Pardoent - III/2
'k Lag ter aarden - III/3
Hoort de winden buischen - III/4
De wind die uit het kooren waait - III/5
Eén koorengraan - III/6
o Mensch wat zijt gij groot en kleen - III/7
Zoekt genuchten - III/8
Die verschgeroerde grond - III/9
Egelentieren roosken - III/10
Hoe lief is 't - III/11
Hoe stille is 't - III/12
Aanschouwt hoe dat ze lacht - III/13
Overal en allenthenen - III/14
Caecilia weledele maagd - III/15
Men zei: Gij sterft - III/16
Slaapt kindtje slaapt - III/17
Hoe rookt en rijdt het rad - III/18
Heildiedig komt ge - III/19
Doet dit te mijne indachtigheid - III/20
Niet ooit en hebbe ik - III/21
'k Heb reken jaren - III/22
Vereerd met uw goed nieuws - III/23
Of ik mijn herte mocht - III/24
Album - III/25
Ach, mijn bietje - III/26
Timpe tompe terelinck - III/27
Zonder tik of tinte - III/28
Houdt dat wel in uw gemik - III/29
Heer Professor - III/30
't Is nacht - III/31
Ach wilt mij gehulpen - III/32
Die drie-en-dertig jaar - III/33
NAAR INDEX