INLEIDING
Wij, Cisterciënsers van het eerste uur en stichters
van deze kerk, laten
aan onze
opvolgers door dit geschrift weten met welke eerbied voor het
kanonieke recht, op
welk groot gezag en ook dank
zij welke personen en in welke
tijdsomstandigheden hun
klooster en hun levenswijze een aanvang
genomen hebben.
Mocht de bekendmaking van de objectieve waarheid
aangaande deze
gebeurtenis hen tot een volhardende liefde inspireren voor de plaats en voor
de observantie van
de heilige Regel welke wij er met Gods genade, hoe onvolmaakt ook,
hebben begonnen, en hen
ertoe
aansporen voor ons, die de last van de dag en van de hitte
onvermoeibaar hebben getorst,
te bidden.
Mochten zij geen moeite sparen om tot aan hun
dood de harde en
nauwe weg te bewandelen
welke de Regel hun aanwijst, zodat zij, na de last
van hun lichaam te
hebben afgelegd, het geluk der eeuwige
rust genieten. Zo zij het.
1. ONTSTAAN DER ABDIJ VAN CITEAUX
In het jaar der Menswording van de Heer 1098
kwamen Robertus,
zaliger gedachtenis,
eerste abt van de kerk van Molesme in het bisdom
Langres, met enige
broeders van hetzelfde klooster de
eerbiedwaardige Hugo, destijds legaat
van de Apostolische
Stoel en aartsbisschop van de kerk van Lyon,
vinden. Zij beloofden dat zij
hun leven zouden
inrichten onder de bescherming van de heilige Regel van onze
vader
Benedictus en, ten einde
zulks ongehinderd te kunnen doen, verzochten zij hem met niet aflatende
aandrang dat de
legaat hen zou steunen met de kracht van zijn Apostolisch gezag.
Deze vraag met welwillendheid en vreugde
beamend, legde de legaat
de basis van
hun onderneming door een brief met volgende inhoud.
2. BRIEF VAN DE LEGAAT HUGO
Hugo, aartsbisschop van Lyon en legaat van de
Apostolische Stoel,
aan Robertus, abt
van Molesme en de broeders die samen met hem God
verlangen te dienen
volgens de Regel van de
heilige Benedictus.
Alwie zich in de aangroei van onze Moeder de
heilige Kerk verheugt
mag weten dat u
en enige van uw zonen, broeders van het klooster
Molesme, zich te Lyon in
onze aanwezigheid hebt aangemeld
en verklaard u in 't vervolg te zullen
toeleggen op een
nauwkeuriger en volmaakter onderhouding van de regel
van de heilige
Benedictus, die gij daar
in dat klooster tot dan toe met lauwheid en onachtzaamheid had
onderhouden.
Vermits het nu vaststaat dat zulks om vele redenen
op genoemde plaats
onmogelijk kan
ten uitvoer worden gebracht, en met het oog op het welzijn
van beide partijen
namelijk van degenen die weggaan
evenals van degenen die blijven, hebben
wij geoordeeld dat
het goed zal zijn dat u uitwijkt naar een andere
plaats die Gods goedheid u
zal aanwijzen, om
daar op heilzamer wijze en minder gestoord de Heer te
dienen. Daarom
hebben wij aan u, abt
Robertus en aan de broeders Albericus, Odo, Joannes, Stephanus,
Letaldus
en Petrus daar
tegenwoordig en aan allen die u op rechtmatige manier en in
gemeenschappelijk
overleg zult
besluiten tot medegezellen in uw groep op te nemen, destijds de raad
gegeven om dat heilig
"propositum" (1) uit te voeren, en bevelen wij u nu, daarin te volharden.
Wij bekrachtigen dit
met Apostolisch
gezag, ten eeuwigen dage, door inprenting van ons
zegel.
3. VERTREK DER MONNIKEN UIT MOLESME. HUN
AANKOMST
TE
CITEAUX. HET KLOOSTER DAT ZIJ ER BEGONNEN
De genoemde abt en de zijnen gingen dan. voorzien
van de steun van
zulkdanig en zo
hoog gezag, terug naar Molesme, en uit de daar bestaande
gemeenschap van
broeders kozen zij zich
gezellen die naar de beleving van de Regel
verlangden. Zo geraakten
zij, degenen die te Lvon met de
Legaat hadden gesproken en degenen die
uit de gemeenschap
werden genomen, tot het getal van een en
twintig monniken. Dit gezelschap
begaf zich met
vreugde op weg naar de eenzaamheid die Cîteaux genoemd
werd.
Deze plaats, gelegen in het bisdom Chalon, werd in
die tijd nog maar
zelden door
mensen bezocht, wegens het dicht aaneen gegroeide bos en het
struikgewas; alleen
wilde dieren verbleven
er. Daar aangekomen begrepen de godsmannen dat
die plaats des te
meer geschikt zou zijn voor het
religieuze leven dat zij behartigden en
waarvoor zij daarheen
waren gekomen, naarmate ze voor wereldlingen
ongewenst en
ontoegankelijk was. Zij velden
de opeengepakte bomen en struiken en verwijderden ze, en met de
goedkeuring van de
bisschop van Chalon en de instemming van de eigenaar der plaats begonnen
zij er een
klooster
op te trekken.
Herinneren we ons dat die mannen, toen zij nog in
Molesme waren,
onder invloed van
Gods genade herhaaldelijk hadden gesproken over de
overtreding van de
monnikenregel van de heilige vader
Benedietus. Zij bekloegen zich en
betreurden, te moeten
zien dat zij en de overige monniken zich door een
plechtige gelofte
verbonden hadden die
Regel te onderhouden, en dat zij er helemaal naast leefden, derwijze
de
schuld van een meineed
wetens op zich ladend. Daarom ook, zoals we eerder hebben uiteengezet,
kwamen
zij, op
gezag van de Apostolische legaat, naar deze eenzaamheid waar zij hun
geloften konden
nakomen door
het onderhouden van de heilige Regel.
Nu gebeurde het dat Odo, hertog van Burgondië,
getroffen werd door
hun heilige ijver
en dat hij, op schriftelijk verzoek van voornoemde legaat
der heilige Roomse
Kerk, het houten klooster dat zij
hadden begonnen op zijn kosten voltooide,
en hen ter plaatse
gedurende lange tijd voorzag van al het nodige, en
hun uitrusting verbeterde
door overvloedige
schenkingen van landerijen en kudden.
4. HOE DEZE PLAATS TOT ABDIJ VERHEVEN
WERD
Diezelfde tijd ontving de nieuw-aangekomen abt,
volgens order van
voornoemde legaat, uit
de handen van de bisschop van het diocees, mét de
herdersstaf ook de
zielzorg over de monniken. Daarna liet
hij de broeders die met hem waren
mee gekomen, op
die plaats vast verblijf beloven volgens de Regel. Op
deze wijze groeide die
kerk uit en werd zij
op kanonieke wijze en krachtens Apostolisch gezag tot abdij
verheven.
5. DE MONNIKEN VAN MOLESME VALLEN DE PAUS
LASTIG OM DE
TERUGKEER VAN ABT
ROBERTUS TE BEKOMEN
Maar na korte tijd gingen de monniken van
Molesme, met goedvinden
van hun abt de
heer Godefried, die Robertus was opgevolgd, naar de heer
paus Urbanus te
Rome, om te vragen dat de
meermalen genoemde Robertus naar zijn vorige
plaats zou worden
terug gezonden. Bewogen door hun
ongepast aandringen gaf de paus
opdracht aan zijn legaat,
de eerbiedwaardige Hugo, om zo mogelijk deze
abt te doen terugkeren en
de monniken, die de
woestijn lief hadden, in vrede daar te laten blijven.
6. BRIEF VAN DE HEER PAUS VOOR DE TERUGKEER
VAN DE
ABT
Urbanus bisschop, dienaar van de dienaren
Gods, aan onze
eerbiedwaardige broeder
en medebisschop Hugo, vicarius van de
Apostolische Stoel, heil en
Apostolische zegen.
Wij hebben tijdens onze kerkvergadering een zware
klacht vernomen
vanwege de
broeders van Molesme die met zeer veel aandrang de terugkeer
eisten van hun abt.
Zij voerden namelijk
als reden aan, dat in hun abdij het kloosterleven
ontredderd is en dat zij,
omwille van de afwezigheid van die
abt, door de gezagsdragers en andere
personen uit hun
omgeving worden gehaat. Ten lange laatste,
onder dwang van onze
broeders, besloten wij u
door middel van deze brief op te dragen en mee te delen,
dat het ons
aangenaam zou wezen
dat, indien mogelijk, die abt uit de woestijn naar het klooster wordt
terug
gebracht. Mocht u
daar niet in gelukken, wil dan zorgen dat zij die de eenzaamheid lief hebben
met rust gelaten
worden, en dat zij die in het klooster Molesme leven, de reguliere tucht
onderhouden.
Na deze Apostolische brief te hebben gelezen, riep
de legaat bevoegde
en
godvrezende mannen samen, en gaf de hierna volgende bepalingen
betreffende deze zaak.
7. VOLLEDIG RAPPORT BETREFFENDE HET GESCHIL
TUSSEN
MOLESME EN CITEAUX
Hugo, dienaar der kerk van Lyon, aan zijn zeer
geliefde broeder
Robertus, bisschop
van Langres, heil.
Wij hebben het nodig geacht aan uw broederlijkheid
ter kennis te
brengen hetgeen wij in
het colloquium, onlangs te Port d'Ansille gehouden,
aangaande de zaak
van de kerk van Molesme hebben
besloten.
Daar zijn de monniken van Molesme voor ons
verschenen met een
schrijven van u, en
zij hebben de treurige toestand en de teloorgang van hun
abdij, veroorzaakt
door de verwijdering van abt
Robertus, uiteengezet, en met alle macht
gepleit dat hij hun als
vader zou worden terug gegeven. Zij waren
inderdaad van mening dat er
anders geen hoop
bestaat op herstel van vrede en rust in de kerk van Molesme,
noch op het
terugbrengen tot zijn
vorige staat van de ijver voor de monastieke observantie.
Daar verscheen insgelijks in onze aanwezigheid
broeder Godefried, die
u tot abt van die
kerk hebt aangesteld. Hij verklaarde gaarne bereid te zijn
om zijn plaats af te
staan aan Robertus als aan
zijn vader, indien het ons mocht believen hem
naar de kerk van
Molesme terug te doen gaan.
Na uw verzoek en dat van de Molesmensers zelf te
hebben gehoord, na
herhaalde
lezing van de brief die de heer paus betreffende deze
aangelegenheid tot ons richtte
en waarin hij alles aan
onze beschikking en aan ons oordeel overlaat,
eindelijk ingaand op de
raad van vele godvrezende personen
zowel bisschoppen als anderen die zich
daar bij ons
bevonden, hebben wij uw verzoek ingewilligd.
Wij hebben namelijk
besloten hem terug te
geven aan de kerk van Molesme, onder beding dat hij, vooraleer
daar terug
te keren, zich naar
Chalon zal begeven om de herdersstaf met de zielzorg over de abdij terug in
handen te geven
van onze broeder de bisschop van Chalon, aan wie hij, volgens de gewoonte
der overige
abten,
zich door belofte verbonden had. Van zijn kant zal hij de monniken van het
Nieuwklooster die
voor hem als voor hun abt professie hadden afgelegd en hem
gehoorzaamheid hadden beloofd,
van hun
professie en hun plicht tot gehoorzaamheid vrij maken en ontslaan,
en dan kan hij zelf
door de bisschop worden
ontslagen van de gelofte die hij aan hem en aan de
kerk van Chalon
deed.
Wij hebben ook aan alle monniken
van het Nieuwklooster die hem waren
gevolgd de vrijheid verleend om samen met hem, wanneer hij het
Nieuwklooster verlaat, terug
te keren naar Molesme. Nadien zal geen van beide kloosters zich het recht
aanmatigen
om een
lid van het andere klooster over te halen of te aanvaarden, tenzij dit gebeurt
volgens de
voorschriften van de heilige Regel inzake het aanvaarden van monniken uit
een gekende abdij.
Nadat hij zal gedaan hebben wat hierboven
beschreven staat, geven wij
hem over
aan uw welwillendheid, opdat u hem opnieuw als abt van
Molesme zou aanstellen, zo
nochthans dat, mocht hij
later deze kerk met zijn gewone soepelheid
verlaten, er bij leven van
abt Godefried geen andere in zijn plaats
zal worden aangesteld zonder
instemming van mijzelf,
van u en van diezelfde Godefried.
Dat alles willen en bekrachtigen wij met ons
Apostolisch gezag.
Wat betreft de kapel (2) van
hoger genoemde abt Robertus en de andere
voorwerpen die hij bij
't verlaten van de kerk van Molesme had
mede genomen, toen hij zich naar
de bisschop van
Chalon en naar het Nieuwklooster begaf, bepalen wij dat
alles aan de
broeders van het
Nieuwklooster blijft, met uitzondering van een brevier dat zij tot aan het
feest van
sint Jan de
Doper zullen behouden om het te copiëren, en zulks met instemming van de
Molesmensers.
Waren bij deze beslissing aanwezig de bisschoppen
Norgaud van
Autun, Walter van
Chalon, Bernardus van Mâcon, Pontius van Belley; de
abten Petrus van
Tournus, Jarento van Dijon, Jocerannus
van Ainay, alsmede Petrus,
kamerheer van de paus en
meerdere verdienstelijke en goed-aangeschreven
personen.
Abt Robertus aanvaardde al deze schikkingen en
voegde er zich naar.
Hij ontsloeg
die van Cîteaux van de gehoorzaamheid welke zij hem, hetzij
op die plaats, hetzij
te Molesme hadden
beloofd. De heer Walter, bisschop van Chalon ontsloeg
de abt van de
zielzorg over die kerk. Dan is hij
vandaar gegaan, vergezeld door enkele
monniken die er niet
van hielden in de woestijn te blijven.
Ziedaar op grond van welke redenen de twee
abdijen, dank zij een
Apostolische
beschikking, de vrede en de hoogste libertas verwierven.
Bij zijn terugkeer nam de abt de volgende brief voor
zijn bisschop met
zich mee, als een
schild tot bescherming.
8. AANBEVELING VAN ABT ROBERTUS
Aan onze zeer geliefde broeder in het
bisschopsambt Robertus
bisschop van Langres,
Walter bisschop van Chalon, heil.
Het weze u bekend dat broeder Robertus, aan wie
wij de welbekende
abdij die in ons
bisdom gelegen is en Nieuwklooster wordt geheten, hadden
toevertrouwd,
overeenkomstig een
beslissing van de heer aartsbisschop Hugo door ons
werd ontslagen van de
verbintenis welke hij aanging
met de kerk van Chalon, en van de
gehoorzaamheid die hij aan
ons beloofde. Op zijn beurt heeft hij de monniken
die besloten hebben in
gemeld
Nieuwklooster te blijven, ontslagen van de gehoorzaamheid die zij hem
hadden beloofd en van
hun verbintenis, en hen vrijgesteld.
Wil dus van nu af aan niet vrezen hem te
aanvaarden en met eer te
bejegenen.
9. VERKIEZING VAN ALBERICUS, EERSTE ABT DER
KERK VAN
CITEAUX
Zodoende was de kerk van Cîteaux verweesd van
haar herder. Zij
vergaderde en,
handelend volgens de Regel, koos zij tot haar abt een der
broeders die
Albericus heette, een geleerd man,
zeer bedreven in goddelijke en
menselijke wetenschappen,
minnaar van de Regel en van zijn broeders. Hij
was ook lange tijd prior in
de kerk van
Molesme en daarna op deze plaats. Hij had ook volhardend en hard
gewerkt
opdat de broeders
vanuit Molesme naar deze plaats zouden kunnen uitwijken, en om die reden
had hij veel
beledigingen, gevangenis en stokslagen te verduren gehad.
10. OVER HET ROMEINS PRIVILEGE
Nadat de gemelde Albericus de herderlijke zorg, zij
het met veel
tegenstribbelen, op zich
had genomen, begon hij als man met
bewonderenswaardige
voorzichtigheid, na te denken wat al stormen
van wederwaardigheden het
hem toevertrouwde
huis konden treffen en hinderen.
Om dit te vermijden zond hij, na de raad zijner
broeders gehoord te
hebben, twee
monniken, Joannes en Ilbodus naar Rome met de opdracht
om aan de heer paus
Pascalis te vragen dat zijn
kerk de Apostolische bescherming zou mogen
genieten teneinde
rustig en veilig, en voor altijd vrij van alle
druk vanwege kerkelijke en
burgerlijke personen, te
kunnen bestaan.
Deze broeders gingen dus heen en weer naar Rome,
zich sterk
voelende door gezegelde
brieven van voormelde aartsbisschop Hugo, van
de kardinalen
Joannes en Benedictus, en van bisschop Walter
van Chalon. Dit geschiedde
voordat dezelfde
paus Pascalis, als gevangene van de keizer, zijn misstap beging.
Zij brachten het pauselijk privilege mee dat geheel
volgens de wensen
van de abt en
zijn gezellen was gesteld.
Het leek ons passend om ook deze
aanbevelingsbrieven samen met het
Apostolisch
privilege in dit werkje te bewaren, opdat degenen die na ons
komen zich
rekenschap kunnen geven welke
zwaarwichtige redenen en gezag ten
grondslag liggen aan de
stichting van hun kerk.
11. BRIEF VAN DE KARDINALEN JOANNES EN
BENEDICTUS
Aan onze heer en vader paus Pascalis die steeds
en overal hoogst
geprezen
zij, Joannes en Benedictus, in alles onderworpen.
Gezien het tot uw bevoegdheid behoort te zorgen
voor alle kerken en
de hand te reiken
aan allen die er met rechtmatige verlangens om
verzoeken, en daar de
christelijke godsdienst door uw
rechtvaardige hulp geschraagd en tot bloei
gebracht moet
worden, daarom smeken wij met alle aandrang uwe
heiligheid dat zij een
vaderlijk oor zou
lenen aan de dragers van deze brief die, met ons goedvinden, door enige
monniken, hun
broeders, tot uw vaderlijkheid worden gezonden.
Hun vraag is namelijk dat het gebod hetwelk hun de
rust en de
stabiliteit van hun
levenswijze verzekerde, door uw voorganger onze heer
paus Urbanus zaliger
gedachtenis gegeven en dat
nader moest worden bepaald door de
toenmalige legaat, de
aartsbisschop van Lyon, en andere
medebisschoppen en abten, ten gerieve
van henzelf en van
de abdij Molesme vanwaar zij ter wille van hun
kloosterleven waren
uitgeweken, dat dit gebod
krachtens een gezaghebbend privilege van u, ten eeuwigen dage
zou
gehandhaafd blijven.
Wijzelf konden zien met eigen ogen, en wij getuigen het, dat zij een
waarachtig
monnikenleven
leiden.
12. BRIEF VAN HUG0 VAN LYON
Aan zijn allereerbiedwaardigste vader en heer
paus Pascalis, Hugo
dienaar der kerk van
Lyon, volkomen onderwerping.
De broeders, dragers van deze brief, zijn op hun
weg naar uw
vaderlijke hoogwaardigheid,
ten onzent langs gekomen. 't Is omdat zij
metterwoon in onze
provincie, namelijk in het diocees Chalon
gevestigd zijn, dat zij van onze
geringheid vroegen
om bij uwe hoogwaardigheid door middel van een brief te
worden
aanbevolen.
Het weze u bekend dat zij afkomstig zijn van een
plaats die het
Nieuwklooster wordt
geheten, waarheen zij, samen met hun abt zijn komen
wonen na de kerk
van Molesme te hebben verlaten, zich
voornemend een strenger en heiliger
leven te leiden
volgens de Regel van de heilige Benedictus, die zij
beloofd hadden te zullen
onderhouden. Zij
hebben zekere gebruiken afgelegd die in voege zijn in sommige
kloostergemeenten, die van
mening zijn dat hun zwakheid niet in staat is een zwaarder gewicht te
torsen. Als
gevolg
daarvan worden zij onophoudelijk tegengewerkt en verontrust door de
broeders van Molesme
en
andere monniken uit hun omgeving, die zich minderwaardig voelen en
die het misprijzen
vrezen van wereldlingen,
die zouden te weten komen dat dergelijke
zonderlinge en
nieuwgezinde monniken in hun buurt wonen.
Daarom smeken wij uw innig geliefde vaderlijke
goedheid, nederig en
vol vertrouwen, dat u
deze broeders, die na de Heer, op u al hun hoop
hebben gevestigd en om
deze reden hun toevlucht nemen tot
het gezag van uw Apostolisch ambt,
zult willen ontvangen
met uw gewone goedgunstigheid, en dat u, ten
einde henzelf en hun
woonplaats van die
vijandigheid en onrust te bevrijden, hen zult willen voorzien van
een
gezaghebbend privilege,
als armen van Christus, die rijkdom en invloed ontberen om zich tegen hun
bestrijders te
verdedigen, maar die alleen vertrouwen op Gods goedheid en op de
uwe.
13. BRIEF VAN DE BISSCHOP VAN
CHALON
Aan de eerbiedwaardige vader paus Pascalis,
Walter, bisschop van
Chalon, heil en
verschuldigde onderdanigheid.
Evenals uwe heiligheid vurig verlangt dat de
gelovigen vooruitgaan in
de ware dienst van
God, zo ook zou het niet passen dat zij de verkwikking
van uw
bescherming en de aansporing van uw
vertroosting moesten missen.
Daarom vragen en smeken
wij u, dat u wilt goedkeuren hetgeen gebeurd is
met de broeders die uit
verlangen naar een
strenger leven, volgens de raad van heilige mannen, de kerk van
Molesme
verlieten, en die
Gods goedheid in ons bisdom deed belanden, en uit wier midden de dragers
van deze brief
werden gezonden die voor u staan; het gebeurde immers volgens voorschrift
van uw
voorganger en volgens de geschreven bepaling van de aartsbisschop van
Lyon, toen legaat van
de Apostolische
Stoel, en van medebisschoppen en abten waarbij ook wij
aanwezig waren en
met wie wij samen die zaak
hebben beslecht.
Ook, dat u zich gewaardigen moogt, door een
privilege en met uw
gezag te bekrachtigen
dat die plaats altijd als een vrije abdij zal blijven
bestaan, met behoud
nochtans van de kanonieke eerbied
tegenover onze persoon en die van onze
opvolgers.
De abt die wij ter plaatse hebben aangesteld en de
overige broeders
vragen met hart
en ziel van uw goedheid deze bekrachtiging, tot vrijwaring
van hun rust.
14. ROMEINS PRIVILEGE
Bisschop Pascalis, dienaar van de dienaren
Gods, aan de
eerbiedwaardige Albericus,
abt van het Nieuwklooster in het diocees
Chalon, en aan zijn
wettige opvolgers, ten eeuwigen dage.
Een verlangen dat klaarblijkelijk de dienst van God
en het heil van de
zielen beoogt
komt van God, en moet zonder uitstel worden ingewilligd.
Daarom, o zonen, mij
is de Heer zo dierbaar, zien wij
geen enkel bezwaar om uw smeekbede te
verhoren, want ons
vaderhart is blij gestemd om reden van uw ijver
voor Gods dienst.
Wij bepalen dus dat de plaats die gij ter wille van de
monastieke rust
hebt uitgekozen om
er te wonen, veilig en vrij zal zijn tegen aanvechtingen
van om 't even wie,
en wij bekrachtigen dat uw abdij er
ten eeuwigen dage zal blijven genieten
van de bijzondere
bescherming van de Apostolische Stoel
(zolang gij zelf en uw opvolgers
zult volharden in de
observantie van regeltucht en soberheid die gij er heden
naleeft) (3), met
behoud van de
kanonieke onderdanigheid aan de kerk van Chalon.
Te dien einde verbieden wij aan eenieder, uit kracht
van deze
geschreven bepaling,
enige wijziging aan te brengen aan uw tegenwoordige
levenswijze; ook,
de monniken van uw klooster dat
men ‘het nieuwe' noemt, elders te
aanvaarden zonder de
door de regel voorziene aanbeveling; eindelijk, uw
gemeenschap door enige
list of geweld te
verontrusten. De oplossing van het conflict dat tussen u en de
monniken van
het klooster van
Molesme bestaan heeft, bewerkt door toedoen van onze broeder de
bisschop
van Lyon in zijn
hoedanigheid van Apostolisch legaat samen met enige bisschoppen zijner
kerkprovincie
en met
andere godvrezende mannen, handelend volgens een bevel van onze
voorganger Urbanus II,
Apostolischer gedachtenis, die oplossing bekrachtigen wij als zijnde
redelijk.
Gij dan, zonen, ons in Christus zeer geliefd en
dierbaar, gedenkt dat
een deel van u de
brede weg van het leven in de wereld, het andere deel de
minder strenge
verplichtingen van een nogal vrij
klooster heeft vaarwel gezegd. Om u
steeds meer waardig te
maken van zulke genade, legt u er op toe om
in uw harten de vrees en de
liefde tot God
levendig te houden, zo zult gij des te doelmatiger streven om met
heel uw
ziel en met al uw
krachten aan God te behagen, naarmate gij vollediger vrij zijt van wereldse
drukte en
genot.
Voorwaar, indien een aartsbisschop of bisschop,
keizer of koning, prins
of hertog, graaf of
burggraaf, een rechter, of gelijk welke geestelijke of
wereldlijke persoon,
met voorkennis van deze onze
geschreven bepaling hiertegen ingaat, en
indien hij na twee- of
driemaal te zijn gewaarschuwd, zijn schuld niet
door passende
genoegdoening zal hebben
hersteld, dan zal hij uit zijn gezag en waardigheid zijn vervallen, en
weet hij
dat hij wegens zijn
bedreven onrecht Gods oordeel niet zal ontlopen; hij wordt uitgesloten van
het allerheiligste
lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus en zal de rechtvaardige
wraak van het
laatste
oordeel ondergaan.
Op allen evenwel die tegenover dezelfde plaats naar
recht zullen
handelen moge de vrede
rusten van onze Heer Jezus Christus, waardoor zij
in dit leven reeds
de vruchten van hun goede daden mogen
genieten en bij de opperste
Rechter het loon van de
eeuwige vrede vinden. Amen.
(Ik, Pascalis, bisschop van de Katholieke Kerk, heb
dit ondertekend.)
(Gegeven in Troia
door de hand van Joannes, kardinaal-diaken van de
heilige Roomse Kerk,
op de XIV-de der Kalenden van mei,
in het jaar 1100, het tweede van het
pausschap van de
heer Pascalis II. (4)
BEPALINGEN VAN DE MONNIKEN VAN CITEAUX DIE
VAN
MOLESME
KWAMEN
(5)
Als dan, hun verbintenis indachtig, bepaald en de
voormelde abt en zijn
broeders eenparig,
dat zij op die plaats alles zouden richten op de
onderhouding van de regel
van de heilige Benedictus, die zij er
wilden beleven.
Zij verwierpen dus alles wat tegen de regel indruist,
namelijk de wijde
kovels en de pelsen, ondergoed, kappen en broeken, bedgordijnen,
bedspreien en karpetten, en
allerhande gerechten aan tafel zoals vetspijzen en al het overige dat niet met
de zuiverheid van
de regel
overeen te brengen was. Zo gingen zij voort met de rechtlijnigheid
van de regel door
te trekken doorheen
heel hun leven, tot zij zowel in de liturgische als in de
andere observanties
adekwaat gelijkvormig waren aan
de regelvoorschriften. Op die wijze
ontdeden zij zich van de
oude mens, verheugd als zij waren zich met
de nieuwe te hebben bekleed.
Daar zij noch in de regel noch in het leven van de
heilige Benedictus
lazen dat deze
leraar kerken en altaren met rechten op offeranden en op
begrafenissen bezat,
ook geen tienden aannam
van andere mensen, over geen ovens, molens,
landgoederen noch
serven beschikte, dat geen vrouwen
zijn klooster mochten betreden, en ook
niemand tenzij zijn
eigen zuster er begraven werd, daarom deden zij
afstand van dat alles,
zeggende: Waar de
heilige vader Benedictus leert dat de monnik zich moet
onthouden van
wereldse handelingen,
daar getuigt hij klaar en duidelijk dat genoemde dingen niet thuis horen in
de handen of harten
van monniken, die de letterlijke betekenis van hun naam moeten waar
maken door ze te
vluchten.
Betreffende de tienden zegden zij dat de heilige
vaders spreekbuizen
waren van de
heilige Geest en dat het een heiligschennis zou zijn hun
voorschriften met voeten
te treden: welnu, zij verdeelden
die in vier delen, waarvan een voor de
bisschop, een voor de
priester, het derde voor de gasten die zich in
hun kerken aanboden, voor
weduwen en wezen
en voor armen die anders niets hadden om van te leven, het
vierde voor het
onderhoud van hun
kerkgebouwen. Vermits in die berekening de monnik die eigen gronden
bezat, waarvan hij
door eigen werk en door het kweken van kudden en vee kon leven, niet
vermeld wordt,
daarom weigerden zij, deze op onrechtmatige wijze zich toe te eigenen; ze
behoren immers
rechtens aan
anderen toe.
Maar zie, nu begonnen de nieuwe soldaten van
Christus die de
rijkdommen van deze
wereld hadden misprezen, arm met de arme Christus,
onder elkaar te
beraadslagen door welke methode, met
welke kunstgreep of praktijk zij
zouden voorzien in
hun eigen levensonderhoud en in dat van de gasten die
zouden komen en
die zij, rijk of arm,
krachtens de regel als Christus zelf moesten ontvangen. En toen bepaalden
zij, mits toelating
van de bisschop, leken-conversen te aanvaarden die (als
onderscheidingsteken) de baard lieten
groeien. Zij zouden hen in leven en dood zoals zichzelf bejegenen, met
uitzondering van het
monnikschap. Ook
zouden zij betaalde werklieden aannemen, omdat zij
inzagen dat het hun
zonder deze onmogelijk zou zijn,
dag en nacht de voorschriften van de regel
na te komen.
Zij besloten eveneens, gronden te accepteren die ver
van de bewoonde
huizen verwijderd
lagen, wijngaarden en weiden, bossen, en waters ten
gerieve van de molens
doch deze enkel voor eigen gebruik,
en ten gerieve van de visvangst; ook
paarden, kudden, en
meerdere dingen die voor hun levensonderhoud
konden dienstig zijn. Zij
bepaalden nog, dat,
wanneer zij ergens uithoven voor de landbouw zouden oprichten,
voormelde conversen deze
huizen zouden beheren en niet de monniken, omdat de monniken volgens
de regel binnen hun
eigen kloosteromheining moeten wonen.
Eveneens omdat zij wisten dat de heilige Benedictus
zijn kloosters
bouwde op
verafgelegen plaatsen buiten de drukte van de mensen, en niet in
steden of in de
nabijheid van kastelen en
landgoederen, daarom namen zij zich voor,
hetzelfde te betrachten
met hun stichtingen. En zij bevestigden dat
zij zouden te werk gaan zoals
hij, waar hij de in
gereedheid gebrachte kloosters voorzag van twaalf monniken,
met een abt
als vader.
15. HUN DROEFHEID
Eén zaak veroorzaakte de man Gods, de voormelde
abt, en de zijnen
een weinig droefheid.
namelijk dat in die tijd zelden iemand erheen ging
om hen na te volgen.
Want de heilige mannen verlangden
om de schat van goederen, met ‘s
hemels hulp door hen
ontdekt, tot heil van velen aan navolgers toe te
vertrouwen; doch bijna allen
die hun ongewone
en bijna ongehoorde strengheid van leven zagen of ervan
vernamen,
haastten zich eerder om
zich met geest en lichaam van hen te verwijderen dan om hen naderbij te
komen, en bleven
twijfelen aan hun volharding. Gods barmhartigheid echter die de zijnen
deze geestelijke
krijgsschool tot vooruitgang van velen had ingegeven, bleef niet in gebreke
om ze op
uitmuntende wijze te
doen aangroeien en te vervolmaken, zoals het vervolg
zal aantonen.
16. DOOD VAN DE EERSTE ABT EN AANSTELLING VAN
DE TWEEDE.
HUN WETGEVING. HUN
BLIJDSCHAP
Toen de dienaar Gods Albericus gedurende negen en
een half jaar,
door het beleven van
de regeltucht, in Christus' leerschool met gelukkig
gevolg was geoefend,
ging hij tot de Heer, roemvol om zijn
geloof en zijn deugden, en hierom
verdienend in het
eeuwig leven door God te worden beloond.
Een zekere broeder met name Stefanus, een
Engelsman, die samen met
hem en de
overigen uit Molesme daarheen gekomen was, een minnaar van
de regel en van die
plaats, volgde hem op.
In Stefanus' tijd kwamen de broeders en hun abt
overeen om te
verbieden, dat de
hertog van die streek, of gelijk welke prins, nog ooit in die
kerk hun hof
zouden houden, zoals zij voordien
op feestdagen plachten te doen.
Vervolgens, dat in het huis
Gods waar zij nacht en dag God vol toewijding
wilden dienen, niets meer
zou te zien zijn dat
de schijn kon wekken ijdel of overtollig te zijn, niets ook dat de
armoede
zou aanvreten, de
bewaarster van de deugden, die zij vrijwillig op zich hadden genomen.
Zij bepaalden daarom dat zij geen gouden noch
zilveren kruisbeelden
zouden
behouden, doch enkel houten, beschilderd, ook geen kandelaars
tenzij één uit ijzer,
geen wierookvaten tenzij
van koper of van ijzer, kazuifels enkel uit
bombazijn en stof of uit
lijnwaad en zonder versiersels, goud, noch
zilver, alben en amikten enkel
uit lijnwaad en
eveneens zonder versiersels, goud, noch zilver. Ja, alle versiersels
en ook
koorkappen,
dalmatieken en tunieken werden volledig afgeschaft. Maar de kelken
mochten uit
zilver
vervaardigd zijn, niet uit goud, zo mogelijk verguld; hetzelfde voor de
fistula (6) die uit zilver
en zo
mogelijk verguld moest zijn. Zij behielden alleen wollen stolen en
manipels, zonder goud-
of zilverbelegging. Zij
schreven duidelijk voor dat de altaardwalen uit
lijnwaad moesten zijn
gemaakt, zonder beschildering, de
wijnampullen zonder goud noch zilver.
In die dagen groeide deze kerk ook aan in gronden,
wijngaarden,
weiden en uithoven, zonder
daarbij in de dienst van God te verflauwen.
't Was ook die tijd dat God deze plaats bezocht en
zijn overvloedige
barmhartigheid toonde
aan de broeders die Hem erom baden, die Hem hun
nood klaagden,
Hem met tranen smeekten, dag en nacht
lange en diepe zuchten slaakten, de
deur van de
wanhoop nabij omdat zij dreigden geen opvolgers te zullen
hebben. De
genadige God zond
immers tot die kerk een menigte geleerde en adellijke geestelijken, ook
leken die in de wereld
aanzien genoten waaronder eveneens edellieden, allen tegelijk, zodat zij met
dertig ineens
in
het noviciaat traden om hun verdere leven te vervolmaken in de
blijmoedige, goede doch harde
strijd tegen
hun eigen kwade neigingen en tegen de aanvechtingen van de
boze geesten.
Van hun voorbeeld ging bezieling uit naar oud en
jong. Mannen van
elke leeftijd en
uit verschillende streken, ziende dat in hen mogelijk bleek te
zijn hetgeen zij tot
dan toe inzake regelobservantie
als iets onmogelijks hadden gevreesd,
snelden naar hen toe, om
hun hovaardige nek te plooien onder het zoete
juk van Christus. Zij
streefden vlijtig naar de
beleving van de harde en bittere regelvoorschriften, en waren zo
de inzet
van een wonderlijke
vreugde en van het heropleven der gemoederen in die kerk.
17. DE ABDIJEN
Naderhand richtten zij abdijen op in verschillende
bisdommen. Zo mild
en machtig was de
zegen van de Heer, dat hun getal zodanig aangroeide dat
men bevond dat,
binnen acht jaar, twaalf kloosters
werden gesticht, hetzij rechtstreeks vanuit
het klooster
Cîteaux, hetzij gesproten uit die welke vanuit Cîteaux waren
gesticht.