Naar een kloosterspiritualiteit buiten de kloostermuren?

Bij twee recente studiedagen

Luc Meeusen

____________________________________________________

Tijdens de voorbije maanden vonden in de Lage Landen twee bijeenkomsten plaats over een onderwerp dat vele lezers van dit blad zal interesseren. Zowel de dag rond ‘Kloosterspiritualiteit en -pastoraat’ in Nijmegen als de kennismakingsdag voor ‘cisterciënzer leken’ in Berkel-Enschot waren gewijd aan de vraag hoe men zich als man of vrouw, levend in de maatschappij van vandaag, kan laten inspireren door het charisma en de spiritualiteit die ons in de oude kloosterorden worden overgeleverd.

Kloosterspiritualiteit en -pastoraat

In hun zoektocht naar oriëntatie in hun leven en naar een eigentijdse invulling van geloven ontdekken leken (1) in toenemende mate de traditie van religieuze orden als iets dat hen daarbij kan inspireren. De studiedag ‘Kloosterspiritualiteit en -pastoraat’ in Augustijns Centrum De Boskapel in Nijmegen, zaterdag 13 oktober j.l., wilde een bezinning bieden op de vraag wat de waarde kan zijn van de spiritualiteit van de diverse kloosterorden voor de hedendaagse gelovige, welke mogelijkheden er voor hem of haar zijn om zich te verdiepen in en/of aan te sluiten bij de spiritualiteit van een bepaalde orde en wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van een ‘kloosterpastoraat’ binnen de plaatselijke kerkgemeenschappen.

In een eerste conferentie schetste Peter Nissen, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de theologische faculteit van de K.U. Nijmegen, de geschiedenis van het kloosterleven in Nederland. Hij wees daarbij op de rol die zelfs de meest besloten kloosters speelden in de geloofsbeleving van niet-kloosterlingen en op het feit dat er rond verschillende eeuwenoude kloostertradities altijd al verbanden bestonden van leken (oblaten, Derde Orde) die zich met de spiritualiteit van een orde verbonden wisten. Nieuw is dat momenteel verschillende orden die hun ledenaantal zien krimpen, op zoek zijn naar nieuwe vormen van verbondenheid met mannen en vrouwen waarin zij datgene wat de orde steeds bewogen heeft, willen doorgeven naar de toekomst.

R. Th. M. van Dijk, karmeliet en wetenschappelijk medewerker aan het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen, behandelde de vraag welke betekenis kloostergemeenschappen, abdijen en centra van spiritualiteit - waarvan sommige de laatste jaren zeer veel publiek trekken - hebben ten aanzien van het parochiële basispastoraat. Spreker zag zowel kansen als grenzen; dat laatste met name omdat sommige bisschoppen (mannen)kloosters nog te veel zien als reservaten van priesters die zij graag zouden inzetten in de onderbemande zielzorg. In de lijn van de post-Vaticaanse herbronning belijden de religieuzen echter steeds nadrukkelijker hun trouw aan het eigen charisma en beleven daarin hun eigenlijke zending voor Kerk en wereld.

In haar referaat ‘Kerk: gemeenschap in Christus onderweg’ stelde Zr. Hildegard Schoffelmeer, priorin van de Emmaüspriorij in Maarssen, de vraag wat mensen naar de kloosterkerken trekt en wat kloosterlingen zèlf als inspirerend ervaren. Zij behandelde die vragen aan de hand van zes karakteristieken van het kloosterleven - profetie, mystiek, spiritualiteit, gastvrijheid, mondiale betrokkenheid en mens-nabijheid - en aan de hand van de kerkvisie van Augustinus en het kerkmodel zoals dat beleefd wordt in een gemeenschap van augustinessen-kanunnikessen.

Wanneer leken hun plaats binnen het religieuze leven gaan innemen, leidt dat onvermijdelijk, aldus Jan van Hooydonk, hoofdredacteur van het opinieblad De Bazuin en zelf als leek verbonden met de orde van de dominicanen, tot een transformatie van dat religieuze leven. Hoe kijken kloosterlingen en leken dan naar elkaar en wat zou deze ontwikkeling kunnen betekenen voor de opbouw van plaatselijke geloofsgemeenschappen ?

Het ochtendprogramma werd besloten door Mgr. R. Ph. Bär. Als benedictijn en tegelijk oud-bisschop van Rotterdam spreekt hij zowel vanuit de kloosterwereld als vanuit het diocesaan beleid. In zijn ‘Visie op geloven in 2010’ tastte hij af hoe religieuzen en leken elkaar kunnen aanvullen in het samen kerk-zijn en welke weg wij moeten bewandelen om de wrijving die dat wellicht zal geven zo gering mogelijk te maken.

Na de middag kon iedere deelnemer dan in twee beurten nader kennismaken met telkens één kloostertraditie, voorgesteld door iemand die als kloosterling vanuit die spiritualiteit leeft én door iemand die als ‘leek’ met diezelfde traditie verbonden is. Vertegenwoordigd waren: augustijnen, benedictijnen, clarissen, minderbroeders-kapucijnen, karmelieten en norbertijnen.

In zijn slotlezing ‘Verlangen bidt altijd’ (Augustinus) mediteerde pater J. Bodaar, prior-provinciaal van de Nederlandse Provincie van de augustijnen, over de vraag waar het nu eigenlijk om gaat in het religieuze leven. De kern van religiositeit ligt, aldus p. Bodaar, in de contemplatie: een kijken met alle zintuigen en zo de dingen bij je toelaten. Dat roept verlangen op en onrust: het gaat immers om een kijken naar wat is én naar wat er nog niet is. In de contemplatie stoten we op "met de hemel in tegenspraak zijnde realiteiten" en zodoende leidt zij tot een verlangen naar het Rijk Gods en tot een zendingsopdracht: "Bidden verlangt altijd." Dat is de kern van religieus leven, van wie dan ook: in kloosterverband, in gezinsverband of anderszins. De roeping tot het kloosterleven dan is de roeping om die contemplatie, zoals hiervoor omschreven, in gemeenschap te beleven. (2)

"Voor hen die van het leven houden..."

"... en ernaar verlangen gelukkige dagen mee te maken." Met dit citaat uit de Regel van Benedictus opende de folder die uitnodigde voor een "kennismakingsdag", zaterdag 3 november j.l., in de abdij Koningsoord bij Berkel-Enschot. Op die dag wilde men onderzoeken of de tijd rijp is om ook in het Nederlandse taalgebied te starten met een groep mannen en vrouwen die het cisterciënzer charisma vorm willen geven in hun dagelijks leven in beroep en werk, gezin, familie en kerk. Stan Broos en ondergetekende trokken op die vroege zaterdagmorgen naar Berkel-Enschot, niet zonder enige twijfel of wij daar wel veel andere geestesgenoten zouden aantreffen...

Wat dat laatste betreft, werden onze verwachtingen meer dan overtroffen: een dertigtal belangstellenden hadden zich aangemeld. Ook de kloosterkeuken had zich een extra inspanning getroost, want eigenlijk was men maar op 24 gasten ingesteld. Die gastvrijheid en het feit dat, naast abdis Benedict Thissen, nog enkele zusters en ook hun rector de hele dag meemaakten, getuigden alvast van de sympathie die de gemeenschap van Berkel-Enschot dit initiatief toedraagt.

Na de verwelkoming door zr. Benedict gaf Addi Buijs, drijvende kracht achter dit initiatief, een inleidende lezing. Zij wees erop dat het laatste decennium wereldwijd groepen zijn ontstaan van geassocieerde leden die in hun eigen persoonlijk en maatschappelijk leven vorm proberen te geven aan het cisterciënzer charisma. Een belangrijk punt in dat leven is het zoeken naar evenwicht: tussen werktijd en privé-tijd, tussen gebed en studie, tussen maatschappelijke betrokkenheid en familiaal leven. Cisterciënzer leven is een leven van ‘vrij worden’. Vervolgens ging Addi meer concreet in op de wijze waarop die spiritualiteit wordt beleefd in de ‘Grange Saint Bernard de Clairvaux’, de Franse groep die aanleunt bij de abdij van Cîteaux en waarmee zijzelf verbonden is. Het leven van die groep steunt op vijf pijlers: gebed, lectio divina, vereenvoudiging van leven, arbeid en zusterlijk en broederlijk samenleven.

Vereenvoudiging van leven is een invulling van de anachorese die monniken en monialen beleven. Wij kunnen ons niet terugtrekken uit de sociale verbanden waarin wij in ons persoonlijk en beroepsleven geëngageerd zijn, maar wij kunnen ook ‘afstand nemen’ van de maatschappij door ervoor te zorgen dat we er niet in meegesleurd worden. Afstand nemen van de drang naar steeds meer en van een maatschappij die gericht is op de overwinning van de sterksten. In de spiritualiteit van Sint-Benedictus daarentegen heeft het zwakke evenveel waarde als het sterke: "In Zijn liefde heeft God het zo beschikt," schrijft Aelred van Rievaulx, "dat ieder van ons de ander nodig heeft; en wat wij niet in onszelf hebben, dat bezitten wij in elkaar." Ook het zusterlijk en broederlijk samenleven is minder evident voor leden van een groep die verspreid leven. Daarom is het zaak dan men met elkaar contact onderhoudt en dat ieder zijn of haar verantwoordelijkheid neemt in wat hij of zij aan de groep kan bijdragen. Door de wijze waarop geassocieerde leden met elkaar en met andere mensen in hun leefwereld omgaan, is het cisterciënzer charisma, aldus Addi Buijs, in staat om de maatschappij een andere uitstraling te geven.

Zr. Benedict ging daarna in op enkele karakteristieken van de Regel van Benedictus. Die Regel is een verzameling van spirituele teksten en praktische aanwijzingen die erop gericht zijn om het leven in gemeenschap te organiseren, een leven dat uit Christus voortkomt en naar Christus voert. Daarbij is die Regel ruim van opzet: een soort skelet waar omheen het leven veelvormig gestalte krijgt. De verantwoordelijkheid wordt gelegd bij de zoekende mens zelf en ook de functie van de abt wordt steeds gerelateerd aan Christus. Uiteindelijk gaat het erom dat de Verrezene werkt doorheen de christengemeenschap en doorheen ieder van ons.

Na sext, middagmaal en noon gaf Addi de deelnemers een initiatie in lectio divina: een herhaald en luisterend lezen van het verhaal van de tollenaar Zacheüs, de evangelietekst van de volgende zondag. Op het eind van de middag werd er, eerst in kleine groepen en daarna in plenum, nagedacht over de vraag hoe het met dit initiatief nu verder kan. Allerlei formules en suggesties werden daarbij genoemd, zowel omtrent de inhoud als omtrent de concrete vormgeving. Er werd afgesproken dat aan alle deelnemers een enquête zou gestuurd worden en dat er over enkele maanden een tweede bijeenkomst zou plaatsvinden.

Wijzelf waren aangenaam getroffen door de grote belangstelling voor deze dag, door de open geest waarin gezocht en van gedachten gewisseld werd en door de sympathie vanwege abdis en gemeenschap van Berkel-Enschot, die getuigde van een oprechte wil om, zonder betutteling, dit initiatief alle kansen te geven en het ook spiritueel en materieel te ondersteunen.

Enkele vragen

Initiatieven als die hierboven beschreven werden, zijn intrigerend en roepen tegelijk een aantal vragen op. Enkele van die vragen wil ik hier noemen, zonder er op deze plaats verder op in te gaan. Wat motiveert mensen precies om inspiratie en aansluiting te zoeken bij kloostertradities ? Waarom zoeken ze het in religieuze gemeenschappen en niet in hun eigen parochies ? Hoe staan de religieuzen daar zelf tegenover ? Is het b.v. ondenkbaar dat sommigen onder hen wat wrevel voelen tegenover leken die zich wel willen laven aan de bronnen van de religieuze tradities, maar tegelijk ook alle gemakken willen behouden van een leven in de hedendaagse maatschappij en de stap niet helemaal willen zetten, met alle moeilijkheden die het leven als kloosterling in gemeenschap met zich meebrengt ? Men kan deze wrevel onterecht vinden en menen dat er daarbij nog te zeer wordt uitgegaan van het oude dualisme klooster-tegenover-wereld. Maar m.i. mag men er niet omheen dat dergelijke gevoelens kunnen leven. Ten slotte: in hoever wordt in deze ontwikkelingen kloosterspiritualiteit toch weer het referentiepunt voor alle christelijk leven en wordt daardoor verhinderd dat er een echte, stevige spiritualiteit van de grond komt voor het leven als christen in de hedendaagse maatschappij ? Of reikt het religieuze leven in gemeenschap toch enkele waardevolle en inspirerende elementen aan die je als christen in de maatschappij van vandaag nog moeilijk op je eentje kan vinden en beleven en die ook door de parochies van vandaag niet meer worden geboden ?

Cistercienzer spiritualiteit in de wereld ?

Voor het beleven van met name een cisterciënzer spiritualiteit buiten het kloosterlijke kader, stellen er zich mijns inziens enkele specifieke vragen. Om te beginnen heeft de Orde van Cîteaux tot nog toe nooit een vorm van lekenparticipatie of derde orde gekend. De cisterciënzers hadden wel al spoedig lekenbroeders, maar die leefden op het kloosterdomein en maakten, zij het in een eigen statuut, deel uit van de monastieke gemeenschap. Dit feitelijke gegeven hoeft echter nog geen principiële belemmering te vormen: ook van monialen wilden de pioniers van Cîteaux aanvankelijk niet weten en toch zijn er die gekomen.

Er is mijns inziens echter een meer intrinsieke reden waarom men vragen kan stellen bij de mogelijkheid van een cisterciënzer leven buiten de kloostermuren. Hoe men het ook draait of keert, de cisterciënzer spiritualiteit is wezenlijk een monastieke spiritualiteit. Benedictus - en het is toch naar diens Regel dat de Vaders van Cîteaux wilden terugkeren - heeft zeer uitdrukkelijk een regel willen schrijven voor mensen die een monastiek leven willen leiden in gemeenschap: afgescheiden van de wereld en binnen de kloostermuren permanent samenlevend "onder een regel en een abt". Het wezen nu van het monachisme - en daarin onderscheidt het zich precies van andere vormen van religieus en christelijk leven - is de anachorese: het feit dat de monnik (4) zich terugtrekt uit de gewone familiale, sociale en maatschappelijke verbanden om in de eenzaamheid van de (al dan niet fysische) woestijn te zoeken naar het/de Absolute. Het fenomeen is trouwens, zoals voldoende bekend is, niet typisch christelijk, maar komt voor in vele religieuze tradities, buiten en lang vóór het christendom. De oorsprong en de blijvende kern van het monastieke leven lijkt mij aldus het kluizenaarschap (Antonius). Als zulke kluizenaars later gingen samenleven in gemeenschap (Pachomius) was dat, kan men met enige overdrijving stellen, ingegeven door de ervaring dat het nu eenmaal gemakkelijker is om samen een huishouden te beredderen dan wanneer ieder zijn eigen potje moet koken. Voor Benedictus is de gemeenschap weliswaar meer dan een louter praktisch hulp bij de eenzame spirituele tocht maar is zij ook de ‘werkplaats’ waar de monnik zijn zoeken naar God realiseert: de liefde tot de medebroeder wordt een toetssteen voor de waarachtigheid van wie beweert God te zoeken. In Cîteaux wordt dat accent nog sterker beklemtoond: de ‘schola dominici servitii’ (de ‘school voor de dienst van de Heer’) wordt er een ‘schola caritatis’: het klooster als een leerschool waar de broeder of zuster leert samenleven en liefhebben. Maar desalniettemin blijft het karakteristieke element van het benedictijnse of cisterciënzer leven de anachorese: het liefdevol samenleven in gemeenschap wordt er nooit een doel op zich zoals dat wel het geval is bij Augustinus. Daarom ook lijkt mij die vaak geciteerde ‘ideale’ eerste christengemeenschap uit Handelingen eerder het model voor een augustijnse dan voor een benedictijnse of cisterciënzer gemeenschap (ook al is het niet ondenkbaar dat iemand iets van dat ideaal eerder gerealiseerd ziet in die ene trappistenabdij dan in een andere augustijnengemeenschap). Daarom ook noemt men benedictijnen, cisterciënzers en trappisten monniken, augustijnen en norbertijnen niet.

Terug naar de vraag nu. Is de idee van een cisterciënzer leven in de wereld, in de maatschappij, geen contradictio in terminis ? Hoe kan je die anachorese beleven binnen de gewone familiale, sociale en maatschappelijke verbanden van beroep en werk, gezin familie en kerk ? Men kan ze vertalen als: afstand nemen van een maatschappij van consumptiedrift en prestatiedrang, maar is dat niet het ‘in de wereld maar niet van de wereld’ dat eigenlijk voor iedere christen geldt ? Op grond waarvan kunnen we dan van een typische cisterciënzer spiritualiteit spreken ? Kan men een in oorsprong en in wezen monastieke spiritualiteit beleven in een niet-monastieke levenscontext ? Omgekeerd roept dit de vraag op welke betekenis men geeft aan die heel specifieke vorm van afstand nemen van de maatschappij die monniken en monialen beleven.

"Van allen gescheiden, met allen verbonden"

Als men de opmerkingen her en der over monniken en monialen beluistert, dan lijken nogal wat mensen te menen dat een geremdheid in het sociale contact en een onvermogen om zijn plaats te vinden in het gewone maatschappelijke leven de motieven zijn die mensen doen kiezen voor een teruggetrokken leven achter de kloostermuren. Wellicht valt niet uit te sluiten dat in individuele gevallen die factoren soms meespelen. Maar als iemand dan in het monastieke leven zijn evenwicht vindt en openbloeit, so what ? De monastieke traditie heeft altijd al gesteld dat zij er niet is voor volmaakte mensen, maar een weg is van heling en genezing.

Omgekeerd is het ook niet denkbeeldig dat er, zowel op het niveau van de individuele monnik of moniale als op dat van de monastieke gemeenschap, hier en daar nog een zelfgenoegzaamheid leeft waarbij men er, Vaticanum II ten spijt, van uitgaat een meer volmaakte vorm van christelijk leven te beleven waar ‘leken’ zich best regelmatig komen ‘voeden’. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat een dergelijk dualistisch denken en de ermee gepaard gaande negatieve houding tegenover ‘de wereld’ en tegenover datgene waarvoor mensen in die wereld zich interesseren, hier en daar toch nog steeds leeft en ook in het officiële kerkelijke spreken nog vaak doorklinkt. Ongetwijfeld leven er bij heel wat mensen van vandaag scheefgetrokken voorstellingen over wat er zich achter de kloostermuren afspeelt en men mag dan ook terecht reageren als media die stereotiepe beeldvorming in de hand werken. Heerst er echter ook binnen de kloostermuren niet nog vaak een clichématig denken over het leven van de mensen ‘buiten’, een denken en spreken dat geen recht doet aan al die mensen die, dag in dag uit, eerlijk zoekend en tastend, vaak worstelend, hun weg zoeken doorheen het leven in de hedendaagse samenleving, in een levenssituatie die hun niet de steun biedt van een voorspelbare dagorde en een poortbroeder die storende invloeden buiten de deur houdt ? Hier speelt een algemene psychologische wet: men gaat over het andere en de andere(n) des te meer in stereotypen, d.w.z. in verstarde en niet aan de realiteit beantwoordende beelden denken naarmate men met dat andere of die andere(n) minder in contact komt. In dat opzicht kan Benedictus’ voorschrift over de gastvrijheid mijns inziens een betekenis krijgen die veel verder en veel dieper reikt dan de aansporing om wie aan de kloosterpoort aanklopt warm te onthalen. Aan de monnik die naar het klooster is gekomen om God te zoeken - het enige motief waarom de Regel een kandidaat wil toelaten - zegt Benedictus: die Christus komt je nu precies tegemoet van buiten de kloostermuren, die Werkelijkheid toont zich bij uitstek in wat ‘van buiten’ komt en wat het eigen patroon waarover je controle hebt, doorbreekt. Net zoals ouders met die Werkelijkheid geconfronteerd worden in hun lastige pubers en leraars in kritische, ongeïnteresseerde of anderszins moeilijke leerlingen. De dialogische structuur, niet alleen de dialoog binnen de gemeenschap maar ook die met de wereld buiten het klooster, lijkt m.a.w. door Benedictus in het monastieke leven zelf te worden ingebouwd, niet als een toevallige bijkomstigheid, maar als een wezenlijk element in de weg van God zoeken en Christusontmoeting.

De anachorese die monniken en monialen beleven is trouwens altijd relatief geweest. In hun economische bedrijvigheid zijn kloosters, of zij dat nu willen of niet, verbonden met het economische en dus het maatschappelijke leven: in de afname van grondstoffen, het beroep doen op werknemers en de afzet van hun producten op de markt. Zeker in vergrijzende gemeenschappen is het ideaal van het volledig zelfbedruipende klooster al lang geen realiteit meer. Onmiskenbaar is die verbinding met ‘de wereld’ het geval in het toenemende gebruik dat men maakt van allerlei technologische hulpmiddelen die in die wereld werden ontwikkeld: computer, fax, e-mail..., technologieën die nochtans bij uitstek gericht zijn op toenemende versnelling, onbegrensde communicatie en voortdurende bereikbaarheid, streefdoelen die minstens op gespannen voet staan met de monastieke waarden. Op een nog fundamenteler niveau ben je als monnik hoe dan ook met alle vezels van je lijf verbonden met de wereld, de fysische wereld en de wereld van de mensen. Niet alleen omdat iedere monnik zijn wortels heeft binnen de ‘gewone’ maatschappij en in een gezin, maar ook omdat je als monnik onontkoombaar met die wereld verbonden blijft, al is het maar omdat je als levend wezen deel uitmaakt van het grote ecosysteem aarde: de lucht die jij inademt, is dezelfde lucht die de mensen van buiten de kloostermuren inademen en als de hitte van de zomer de monniken hun kovels doet achterwege laten, is dat door dezelfde brandende zon die het werk van bouwvakkers zo lastig maakt. Je kan er niet eigenmachtig voor kiezen om van die werkelijkheid geen deel uit te maken.

Dat alles kunnen banale opmerkingen lijken. Het gaat echter hierom: ook als monnik blijf je in alles mens en het is er - zoals ook Thomas Merton dat steeds sterker is gaan beseffen - voor de monnik in de eerste plaats om te doen mens te worden. In evangelisch perspectief is trouwens het enige criterium om een levensvorm te toetsen de vraag of en in hoever die levensvorm de liefde bevordert. Alle andere praktijken en observanties die mensen menen op zich te moeten nemen, zijn daaraan ondergeschikt. In de geschiedenis van het religieuze leven is men dat toch wel vaak uit het oog verloren en wellicht vormt precies dat een van de oorzaken van de huidige crisis. De nieuwe bewegingen van ‘leken’ die zich zoeken te verbinden met kloosterlijke tradities, kunnen dan misschien ook een kans zijn om die intermenselijke verbondenheid, die solidariteit in het mens-zijn tussen mannen en vrouwen binnen en buiten de kloostermuren, opnieuw sterker te beseffen en te beleven. Naar het oude woord van Evagrius ga je trouwens in de authentieke afstandname van ‘de wereld’ precies die solidariteit steeds dieper aanvoelen: "van allen gescheiden, met allen verbonden".

* * *

Wat zoeken mensen en gelovigen van vandaag in de spiritualiteit van kloostertradities ? Misschien vinden zij in een aantal religieuze gemeenschappen een samenleven in gemeenschap zoals zij dat - niet noodzakelijk door de schuld van pastores of kerkleiders maar door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen - in hun eigen plaatselijke kerkgemeenschap niet meer ervaren. Misschien stoten zij in de grotere kerk toch op veel veroordeling en gemoraliseer en vinden zij bij monniken en monialen, een luisterend oor dat niet oordeelt. Wellicht juist omdat dezen hun niet zozeer uitleggen wat zij moeten geloven of voorhouden hoe zij moeten leven, maar mensen zijn die op de eerste plaats met zichzelf, met het Evangelie en met hun eigen spirituele traditie hebben geworsteld en in de confrontatie met hun eigen zwakheid en levenspijn mild zijn geworden naar de zwakke en zoekende medemens toe. En misschien hebben religieuze gemeenschappen elementen van kerk-zijn bewaard die in de grote hiërarchische kerk verloren zijn gegaan: gelijkwaardigheid van alle leden, vormen van dialoog en inspraak, een samengaan van reflectie en levenspraktijk... (5)

Bij alle sympathie voor het zoeken naar wederzijdse inspiratie en dialoog tussen kloosterlingen en ‘leken’, lijkt het mij tegelijk toch ook belangrijk dat er respect blijft voor het onderscheid tussen de verschillende levensvormen. Het lijkt me niet goed en niet vruchtbaar als het streven naar participatie en associatie van ‘leken’ zou ingegeven zijn door de typisch moderne neiging tot Gleichschaltung die alle onderscheiden wil uitvagen. Hoewel veelal onbegrijpelijk voor buitenstaanders, zullen er waarschijnlijk altijd mensen zijn die het als hun roeping ervaren om zich terug te trekken uit het gewone maatschappelijke leven om in de stilte van de woestijn een Stem te horen die in de drukte en het lawaai van de hedendaagse maatschappij onhoorbaar is geworden.


Aantekeningen

  1. Om niet elke keer mijn toevlucht te moeten nemen tot een meer omslachtige omschrijving en niettegenstaande enig voorbehoud wegens zijn negatieve connotaties, gebruik ik in dit artikel toch maar de term ‘leken’ wanneer ik de mannen en vrouwen bedoel die als christen noch tot de diocesane clerus, noch tot een kloostergemeenschap behoren. Terloops weze opgemerkt dat, kerkrechtelijk gezien, ook religieuzen leken zijn. Door de toenemende clericalisering van het religieuze leven is dit besef in de loop der tijden op de achtergrond geraakt.
  2. Publicatie van de teksten van deze studiedag werd in het vooruitzicht gesteld. Adres: Augustijns Centrum De Boskapel, Graafseweg 276, 6532 ZV Nijmegen (Nederland).
  3. Intussen vond die tweede bijeenkomst plaats op zaterdag 16 februari j.l.
  4. Voor het gemak zal ik soms eenvoudig spreken over ‘monniken’, maar het spreekt vanzelf dat daarbij telkens ook de monialen bedoeld zijn.
  5. Zie het artikel ‘Monastieke ecclesiologie’ van Ernest Skublics in Contactblad Mertonvrienden, 2000/1, blz. 15-29.


Gepubliceerd in Contactblad Mertonvrienden, jg. 16, 2002, nr. 1, blz. 43-54.

NAAR INDEX