A  LIFE  FREE  FROM  CARE 


Deze tekst is de transscriptie van een op cassette opgenomen conferentie,
die Thomas Merton hield in het noviciaat van Gethsemani op 20 augustus 1965,
de dag waarop hij zich definitief in zijn kluis ging vestigen.


Juist de helft van mijn kloosterleven heb ik doorgebracht in het noviciaat: ik was er twee jaar als novice en tien jaar als novicenmeester, dus twaalf van de vierentwintig jaar. De andere helft van de tijd leefde ik samen met de studenten: ik was zelf student en later begeleider van de studenten. Eigenlijk heb ik dus nooit promotie gemaakt! Toch is het een mooie tijd geweest waarin ik altijd Gods genade mocht ervaren. Hoe je het ook bekijkt, novicemeester zijn in een klooster is de beste baan die er bestaat. Laat je door niemand wijsmaken dat het een moeilijk leven is. Het is een erg bemoedigend en goed bestaan, want ofwel komt de assistent-novicenmeester je ter hulp of soms zelfs de heilige Geest, er is altijd wel iemand die je bijstaat bij je werk. Ondertussen leer je zelf ook heel wat. Het is prachtig als je altijd kunt leren: ook als leraar kun je enorm veel bijleren en ik stel dit meer op prijs dan ik kan zeggen. Ik maak soms nogal veel drukte over de conferenties die ik moet geven en het is ook niet altijd even gemakkelijk. Toch is het een grote genade je steeds weer voor te bereiden om telkens weer nieuwe dingen te vertellen. De grote uitdaging daarbij is dat je tot jezelf zegt: "Al die mensen kijken naar mij en in hen leeft voortdurend de vraag: Zou die kerel zelf wel doen wat hij ons voorhoudt? Wat bedoelt die man eigenlijk met al zijn verhalen?" Het vergt ook heel wat onderzoek. Je moet altijd bij de pinken zijn. Je moet je ervoor hoeden nooit iets te zeggen waar je niet echt achter staat. Dat vergt aandacht en oefening. Maar ik ben er dankbaar om.

Ik ben echter niet van plan een lofrede af te steken over het leven in de eenzaamheid, wel wil ik proberen te zeggen wat het is, wat ik ga doen en waartoe het allemaal dient?

Allereerst is het zeker niet zo dat iedereen in het klooster nu maar moet besluiten om kluizenaar te worden en dat kluizenaar worden nu ineens het beste is wat je kan doen, alhoewel ik meen dat het goed is om als kluizenaar te leven. Ik zou er niet naar verlangen als ik niet dacht dat het iets goeds was. Maar hoe moet je het dan bekijken? Momenteel lijkt er een oprechte sfeer van welwillendheid te heersen en ik heb de indruk dat men zegt: "Wel, die goede Louis doet het toch maar!" Er leeft een zeker gevoel van hoop dat, als je maar lang genoeg aan de arm van vader abt trekt, dat je dan toch krijgt wat je vraagt. Maar laat me voor alle duidelijkheid zeggen - officieel en vertrouwelijk - dat ik dit niet bereikt heb door aan vader abts arm te schudden; men kan die man niet aan zijn arm trekken want dan wordt hij knorrig. Ik zal niet zeggen dat ik het nooit geprobeerd heb, maar het haalt niets uit. En wat ik uiteindelijk kreeg - die kluis en de toelating om er te overnachten en om er tenslotte voor goed te gaan leven - dat kwam allemaal volkomen onverwachts en op het ogenblik dat ik er het minst aan dacht, alhoewel je het natuurlijk kon zien aankomen.

In de loop van het laatste jaar heb ik dikwijls nagedacht over de eerste retraite die ik hier in Gethsemani doorbracht in de Goede Week van 1941. Ik was toen vol van het leven in dit klooster en op een dag trok ik er op uit voor een wandeling. Toch maakte de erg gesloten atmosfeer van deze plaats me ziek, en terwijl ik me alsmaar afvroeg of dit wel de juiste plek was om naar toe te komen, was mijn antwoord meestal "neen". Ik maakte toen een wandeling achter het klooster en hield stil vlak voor de schapenstal. Ik stond juist op de plek waar je oversteekt om naar de kluis te gaan en zei: "Ik kan het hier niet uithouden, dat is onmogelijk". Ik bekeek de gebouwen en zei: "Deze plaats komt niet in aanmerking. Hoe zou ik hier kunnen leven? Je raakt hier nooit uit de bossen!" Het was alsof ik tot God zei, "Het lijkt me dat jij me ergens in de bossen wil laten wonen, maar dat kan toch niet". Als ik nu op die plek kom hoor ik telkens: "Wat bedoelde je eigenlijk? Is het wellicht toch hier?" Zoiets kan in je leven gebeuren en daarover kun je eens nadenken.

Natuurlijk is dit leven er niet voor mezelf alleen, het is er voor de gemeenschap, voor andere mensen. Zo begrijp je dat alles wat je doet voor de anderen is. De gemeenschap heeft behoefte aan een kluizenaar en - godzijdank - heeft men mij uitgekozen. Ik ben er blij om. We hebben een kluizenaar nodig. Waarom?

Het leven van de wereld in de ongunstige zin van het woord is een leven vol onnodige zorgen, omdat het een leven is dat niet het hoofd kan bieden aan het onvermijdelijke gebeuren van de dood. Het is een leven doordrongen van de dood waar men niet aan kan ontkomen. Daar gaat het in ons leven om en men kan uiteindelijk niet anders dan aanvaarden dat de dood het einde is. En een leven dat niets anders is dan een rechte weg naar het graf met allerlei kleine omwegen om het graf tijdelijk te vergeten terwijl je toch op weg bent naar het graf, is een leven vol zorgen, altijd maar groeiende zorgen, een leven vol frustratie en futiliteiten. Dat is de "wereld" in de ongunstige zin van het woord.

Verondersteld wordt dat het leven van een kluizenaar een leven is waarin alle zorgen aan de kant worden gezet, allereerst omdat het in zekere zin een dood betekent. Het is het accepteren van de dood als iets dat deel uitmaakt van het leven. Tegenover de samenleving en bepaalde vertroostingen die zij biedt is het als sterven, als het afwijzen van een bepaalde ondersteuning en het verwerpen van alle zorgen. Men gaat niet zomaar de eenzaamheid in om bepaalde deugden te beoefenen. Als het dat zou zijn, zou ik waarschijnlijk nooit kunnen slagen. Men trekt naar de eenzaamheid om al zijn zorgen op de Heer te werpen.

Soms zien wij dat de dingen transparant worden. Ze zijn dan niet langer ondoorzichtig, God blijft niet langer verborgen. We moeten leren beseffen dat het leven in feite eenvoudig is. Wij leven in een wereld die volkomen transparant is, waar God altijd aanwezig is. Dit is niet zomaar een mooi fabeltje, het is werkelijk zo, maar we kunnen het niet altijd zien. Als we onszelf overgeven aan Hem en onszelf vergeten, dan kunnen we het soms zien en dan zien we misschien ook dat God zich overal openbaart, in alles - in mensen en dingen, in de natuur en in de gebeurtenissen... Zo wordt het duidelijk dat Hij overal is, in alle dingen, en zonder Hem kunnen we niet. Zonder God kunnen we niet leven. Dat is gewoon onmogelijk. Het enige probleem is dat we dit niet begrijpen. En toch is het duidelijk dat we leven voor Hem.

Uit: A Life free from Care, Cistercian Studies, 1970, 3, blz. 217-226.



NAAR INDEX