Goede broeder, terwijl ik de slaap niet vatten kan
zijn
mijn ogen als bloemen op je graf.
Als ik mijn brood niet
eten kan,
is mijn vasten als een treuren
op de plek waar
jij omkwam.
Als ik in de hitte voor mijn droge keel geen water
vind,
zal aan mijn dorst een bron ontspringen
voor jou,
jij arme zwerveling.
Begraven in dat desolaat gebied
lig je verloren in de
dood,
in dat woeste zeelandschap
dat je geest totaal
ontworteld heeft.
Kom en vind een rustplaats in mijn zwoegen,
leg je hoofd
op mijn verdriet.
Neem mijn leven en mijn bloed
om voor
jezelf een beter oord te zoeken...
Of liever nog mijn adem,
neem mijn dood,
om zo wellicht meer zielerust te
vinden.
Als alle mannen in de oorlog gesneuveld
en alle vaandels
zijn vergaan tot stof,
zal jouw kruis en ook het
mijne
nog steeds de dood van Christus
beduiden voor ons
twee.
Want in jouw zeegraf is Christus gestorven,
Hij weent in
de verwoeste vroege lente.
Als losgeld zullen Zijn tranen
druppelen
in jouw slappe dode hand
om je vrij te kopen
voor je eigen land.
Hij zwijgt, maar Zijn tranen zullen zingen
als klokken
boven het vreemde graf.
Luister toch en kom: ze roepen je
naar
huis.