Dierbare broeder, allereerst wil ik
mijn excuus
aanbieden voor
het feit dat ik mij tot u richt zonder dat u mij iets hebt gevraagd. Ook
wil ik mij verontschuldigen voor het
feit dat ik mij achter een hoge
muur bevind, wat u wellicht niet zult begrijpen. Maar deze hoge
muur mag voor u een probleem zijn,
misschien is hij dat evenzeer
voor mij. Misschien vraagt u mij waarom ik er uit gehoorzaamheid
achter blijf. Misschien bent u niet
langer tevreden met het antwoord
dat ik achter deze muren stilte, bezinning en innerlijke rust vind.
Misschien vraagt u mij welk
recht ik heb op al die rust en vrede, nu
sommige sociologen voorspeld hebben dat onze jongste generatie
het zal beleven dat het een
ongehoorde luxe is om een eigen kamer
te hebben. Ik heb daar geen bevredigend antwoord op. Het is waar,
zoals een islamitisch
spreekwoord zegt: "Een kip legt geen eieren op
het marktplein". Het is ook waar dat toen ik intrad in dit klooster
waar ik nu ben, ik
dit deed uit protest tegen de zinloze verwarring
van een leven met zoveel bedrijvigheid, zoveel drukte, zoveel nutteloos gepraat,
zoveel
oppervlakkige en nodeloze prikkels, dat ik eenvoudig niet meer wist wie ik was. Maar het blijft
een feit dat mijn
vertrek
uit de wereld geen verwijt is aan u die in de wereld bleef. Ik
heb ook niet het recht de wereld louter negatief te verwerpen, omdat
in dat geval mijn vertrek mij niet tot de waarheid en tot God zou
geleid hebben, maar tot een persoonlijke, zij het ongetwijfeld vrome
illusie.
Mag ik wel zeggen dat ik een antwoord heb gevonden op de
vragen die de mensen van onze tijd kwellen? Ik weet niet of ik wel
echt antwoorden gevonden heb. Toen ik pas monnik was, was ik
veel zekerder van deze antwoorden. Maar naarmate ik opklim in
kloosterjaren en verder doordring in de eenzaamheid, word ik er mij
van bewust dat ik pas begonnen ben met het zoeken naar de vragen.
En welke zijn die vragen? Kan de mens de zin van zijn bestaan vatten? Kan de mens
eerlijk zijn leven zin geven door enkel een reeks
theorieën te aanvaarden, die beweren hem te zeggen waarom de
wereld begonnen is en waar die zal eindigen, waarom er kwaad is en
wat er nodig is om goed te leven? Mijn broeder, misschien ben ik in
mijn eenzaamheid voor u een soort ontdekker geworden, iemand die
gebieden doorvorst die u niet kunt bezoeken, behalve dan misschien
in het gezelschap van uw psychiater.
Misschien voel ik me geroepen een verlaten gebied van het
menselijk hart te doorvorsen, waar theorieën niet meer toereikend
zijn en waar men leert dat alleen de ervaring telt. Een dor, rotsachtig
en donker land van de geest, soms verlicht door vreemde vuren waar
de mens bang voor is en bevolkt met spoken die hij, behalve in zijn
nachtmerries, zorgvuldig ontwijkt. En in dit gebied heb ik geleerd
dat men niet echt weet wat hoop is, tenzij men heeft ervaren hoe
dicht hoop bij wanhoop ligt. De taal van de christenheid heeft daarvan al eeuwen
geleden gewaagd in andere, minder naakte bewoordingen. Maar de christelijke taal is zo vaak
gebruikt en ook misbruikt, dat men die zo nu
en dan gaat wantrouwen. U zult niet meer
weten of er achter het woord ‘kruis' nu werkelijk de ervaring staat
van zondevergeving en redding of alleen maar de dreiging van straf.
Als mijn woorden voor u iets betekenen, laat mij u dan verzekeren
dat ik heb ondervonden dat het kruis barmhartigheid betekent en
geen wreedheid, waarheid en geen misleiding; dat de boodschap van
de waarheid en de liefde van Jezus inderdaad de ware blijde boodschap is, maar in onze
tijd wordt die op heel onverwachte plaatsen
verkondigd. En misschien vindt ze in u meer weerklank dan in mij;
misschien is Christus dichter bij u dan bij mij. Dit zeg ik u zonder
schaamte of schuldgevoel, want ik heb geleerd mij erover te verheugen dat Jezus in de
wereld is in mensen die Hem niet kennen, dat
Hij in hen werkzaam is terwijl zij zich ver van Hem wanen. En het
is mij een vreugde u te zeggen dat u moet hopen, zelfs als het u toeschijnt dat u van alle
mensen de laatste is voor wie dit mogelijk is. U
moet hopen, niet omdat u denkt dat u goed kunt zijn, maar omdat
God ons liefheeft, ongeacht onze verdiensten en omdat alles wat
goed is in ons, komt van zijn liefde, niet van onszelf. U moet hopen
omdat Jezus met degenen is die arm zijn en uitgestoten en misschien
veracht juist door degenen die Hem zouden moeten zoeken en het
meest liefdevol voor hen zouden moeten zorgen, omdat zij namelijk
handelen in de naam van God... Niemand op aarde heeft reden om te
wanhopen aan Jezus, want Jezus houdt van de mens, houdt van hem,
zo zondig als hij is en ook wij moeten de mens liefhebben in zijn
zonde.
God is geen ‘probleem' en wij die een beschouwend leven leiden,
wij hebben uit
ervaring geleerd dat men God niet kan kennen
zolang men probeert het ‘godsprobleem' op te lossen. Proberen het
godsprobleem op te lossen is zoiets als proberen zijn eigen ogen te
zien. Men kan zijn eigen ogen echter niet zien omdat men daar juist
mee kijkt. God nu is het licht waardoor wij zien: niet een helder bepaald ‘object' dat
God heet, maar al het andere in Hem, de onzichtbare Ene. God is dus
de ziende en het zien zelf, maar Hij wordt op
aarde niet gezien. In de hemel is Hij de ziende, het zien en de geziene (d.i. degene die
ziet, in wie wij zien en die door ons gezien
wordt). God zoekt zichzelf in ons en de dorheid en het verdriet van
ons hart is het verdriet van God die in ons onbekend blijft, die zich
nog niet in ons herkent, omdat wij niet durven geloven en vertrouwen in de
ongelooflijke waarheid dat Hij kan wonen in ons,
daar wonen uit vrije keuze, uit voorkeur. Maar wij bestaan werkelijk enkel
en alleen hiervoor: de plaats te zijn die Hij zich heeft uitgekozen
voor zijn aanwezigheid, voor zijn verschijnen in de wereld, zijn epifanie. Maar wij
verduisteren en ontluisteren dat alles, omdat wij er
niet in kunnen geloven. Niet dat wij God haten, nee, eerder haten
wij onszelf en wanhopen wij aan onszelf. Als we eens nederig en
waarachtig de werkelijke waarde van onszelf zouden beginnen te
vatten, dan zouden we zien dat deze waarde het teken is van God in
ons bestaan, het merkteken van God ons ingeprent. Gelukkig is de
liefde van onze medemens ons geschonken als middel om ons hier
rekenschap van te geven. Want de liefde van onze broeder of zuster,
vrouw of kind of geliefde is er om met de helderheid van God zelf te
zien dat wij goed zijn. Het is de liefde van mijn beminde, mijn broeder of kind, die God
ontdekt in mij, die God geloofwaardig maakt
voor mijzelf in mij. En het is mijn liefde voor mijn beminde, mijn
kind, mijn broeder, welke mij in staat stelt God te tonen aan hem of
haar in Hem zelf. Liefde is de openbaring van God in onze armzaligheid.
Het beschouwend leven is dus het zoeken naar vrede, niet in een
abstract buitensluiten van alle uiterlijke werkelijkheid, niet in een
onvruchtbare afwijzing door de zintuigen voor de wereld af te sluiten, maar in de
openheid van de liefde. Het begint met de aanvaarding van mijn eigen ik, zo armzalig als ik ben
en misschien de wanhoop nabij, om zo tot de erkenning te komen dat daar waar God is er
geen wanhoop kan zijn en dat God in mij is zelfs als ik wanhoop,
dat niets de liefde van God voor mij kan veranderen, aangezien mijn
bestaan alleen al het teken is dat God mij liefheeft en de tegenwoordigheid van zijn liefde
mij schept en in leven houdt. En het is helemaal niet nodig te
begrijpen hoe dit mogelijk is, noch het te kunnen
verklaren of de problemen op te lossen die het schijnt op te roepen.
Want er is in ons hart en in het diepste van ons wezen een natuurlijke zekerheid, die
gegeven is met ons bestaan zelf: een zekerheid die
zegt dat wij voor zover wij leven geheel en al doordrongen zijn van
de zin en de werkelijkheid van God, zelfs als wij ons helemaal niet
in staat mochten voelen dit te geloven of in filosofische of zelfs
religieuze termen te vatten.
Broeder, de contemplatief is niet iemand die vurige visioenen
heeft van cherubijnen die God op hun denkbeeldige wagen meevoeren, hij is gewoon
iemand die zich met de geest heeft gewaagd in de
woestijn die ligt achter de taal en achter de ideeën, waar men God
ontmoet in de naaktheid van de pure overgave, dat wil zeggen in het
uit handen geven van onze eigen armzaligheid en onvolkomenheid,
zodat onze geest niet langer ligt vastgeklonken aan zichzelf met een
krampachtigheid alsof het denken zelf ons deed bestaan.
De boodschap van hoop die de contemplatief u aanzegt, houdt
dan ook niet in dat u uw weg moet gaan zoeken in de jungle van de
taal en de problemen waardoor God tegenwoordig is omgeven; maar
wel, of u het begrijpt of niet, dat God u bemint, dat hij in u tegenwoordig is, dat hij leeft
in u. Ja, hij woont in u, roept u, redt u en
geeft u licht en inzicht, dingen die onvergelijkbaar zijn met alles wat
u ooit heeft kunnen lezen in boeken of horen in preken. Het enige
wat de contemplatief u te zeggen heeft is nogmaals u te verzekeren
dat, als u in uw eigen stilte durft door te dringen en onbevreesd in de
eenzaamheid van uw eigen hart durft voort te gaan en daarbij het
waagt om deze eenzaamheid te delen met de andere enkeling die
God zoekt door u en met u, dat u dan zeker het licht krijgt en het
vermogen om te begrijpen wat ligt aan gene zijde van woorden en
theorieën, omdat het te dicht bij is om uit te kunnen leggen: het is
namelijk het intieme één-zijn in het diepste van uw
eigen hart, van
Gods Geest met uw eigen verborgen binnenste zelf, zodat u en Hij
samen in waarheid slechts één
Geest zijn. Ik heb u lief in Christus.