Met het voordragen van ‘Beeksala’, een gedicht dat Gezelle in 1881 schreef en aan De Bo opdroeg
(VD T115, p.633), besloot Karel Platteau op
onnavolgbare wijze die wonderlijke bijeenkomst van de Guido Gezellekring in Waregem (24 sept. jl.).
De in dat gedicht veelvuldig herhaalde roep van de Vlaamse waterkersventer in Wallonië: beeksala, beeksala!
bleef mij nog dagen daarna als
Gezellemuziek in de oren klinken. In een dagdroom kwam er toen een waterkersplukster op mij toe. Ik
herinnerde mij haar al eerder, in Roborst,
een deelgemeente van Zwalm, ontmoet te hebben. Zij poseerde daar toen - in brons gegoten met een
bevallige, ja, enigszins sensuele houding en
een bondtje (busseltje) beeksala (waterkers) in de hand, middenin een rechthoekig waterbekken.
Het viel mij niet moeilijk mijn Hilde, die pas tot het bestuur van de Guido Gezellekring was toegetreden, tot een
uitstapje naar Roborst over
te halen.
Zonder al te veel zoeken arriveerden wij in de Borstekouter. Even toelichten: Borstekouter is de naam van de
hoofdstraat die dwars door het
pittoreske dorpje Roborst loopt. Op het dorpsplein met grote herfstgetooide linden parkeerden wij de
wagen, voor de merkwaardige vroeggotische
Sint-Denijskerk met haar achthoekige, peervormig bekroonde toren tegen een azuurblauwe hemel.
Te midden van dit schilderachtige pleintje ontmoette ik opnieuw de bronzen waterkersplukster.
Op het lage, bakstenen muurtje van het ondiepe
waterbekken stonden enkele opschriften die ondermeer vermeldden dat dit beeld op 5 augustus 2000
werd ingehuldigd en dat het een creatie is
van Jacques Van Den Abeele. Een ander opschrift luidt:
Mijn moeder, die van Nederlandse afkomst was, sprak over ‘tuinkers’ en over ‘waterkers’. Op de keper
beschouwd heb ik in feite heel mijn leven - en
met veel smaak - ‘tuinkers’ gegeten en was ‘waterkers’ mij vrijwel onbekend gebleven.
Ik sloeg er mijn Grote Winkler Prins op na en vond onder ‘waterkers’: soorten der geslachten
Nasturtium en Rorippa, z. Cruciferae. Toen ik dit
laatste woord opzocht, kreeg ik ruim vier bladzijden, verdeeld over acht kolommen, voorgeschoteld...
“Aan alles zijn grenzen”, dacht ik bij mezelf en dit ging mijn grenzen vér te boven. Ik was immers niet
als wetenschapper in de wereld gekomen,
maar als kunstenaar. Daarom liet ik mij liever door de kracht van de intuïtie leiden,
en mijn intuïtie zei dat Gezelles beeksalaventer, ‘de man uit
Vlanderlan‘ (str. 1), uit Roborst kwam:
Met stok in d’ hand,
uit Vlanderland,
zoo kome ik, en de walen,
beeksala,
die beeksala betalen,
zij krijgen voor; parli, parla,
twee soun, twee bondtjes beeksala,
beeksala, beeksala! (str.3)
Immers, Roborst ligt op amper 15 km van de taalgrens, dus van het land der Walen!
Bovendien, en dat had ik in een toeristische folder
Vlaamse Ardennen, Regio met profiel (2002) gelezen:
Geneeskrachtige waterkers in
Roborst, Hundelgem en Velzeke.
De in terrasbouw aangelegde waterkersgrachten zijn een bijzondere en unieke bezienswaardigheid
en lekkernij. Biologisch, en in het welig,
kraaknette, opborrelende bronwater groeit er de waterkers van maart tot eind november.
Waterkers - liefst zo vers mogelijk eten - is een
pittige doorsmaker met een heilzame invloed op gal, lever en nieren en aangewezen
voor jicht- en reumalijders. In de plaatselijke horeca
komt waterkers met een waaier aan mogelijkheden op je bord of in je glas terecht.
En Gezelle, van zijn kant, zei het zo in zijn gedicht:
Van mage en bloed
die krank is moet
om, pille en pot gelaten,
beeksala,
om beeksala, zal ‘t baten:
zij drijft al d' oude dampen uit,
en kocht ge maar nen halven kluit
beeksala, beeksala! (str.4)
Ondertussen was het middag geworden en dat werd door de kerkklok bijzonder luidruchtig
aangekondigd. Vlakbij het dorpsplein ontdekten wij
moeiteloos ‘Het Culinair Hof, brasserie-restaurant’ om in ideale omstandigheden
een hapje te eten en onze dorst te laven. De afrekening bij de
kassa bleek ons achteraf iets minder ideaal... Toch was het ons opgevallen dat de
menukaart waterkers vermeldde, maar tot onze spijt enkel in
combinatie met bloederig beestenvlees.
Bij de erg vriendelijke, rondbuikige waard informeerden wij naar mogelijke beken met
sala in de omgeving. Prompt toonde hij ons een folder waarin alles en nog wat over
de kweek, maar vooral over de wonderlijke geneeskracht van waterkers werd uiteengezet.
Hij verwees ons naar hét adres: “Voorbij de kerk”, zo zei hij, “zie je rechts een spie huizen,
daar klop je op de deur en zeg maar dat ik jullie gestuurd heb.”
Wij liepen over de Borstekouter, terug voorbij het beeld van de waterkersplukster
en daalden steil naast de kerk af tot bij de aangeduide spie.
Tegen de zijgevel, in de doodlopende straat, stond ruggelings, met één voet tegen de
blinde muur geleund, een Vlaamse reus. Hij stond daar achteloos tegen een minuscuul
gsm-toestelletje te praten. De man beëindigde zijn monoloog nog voor wij op de enige deur
konden aankloppen en vroeg wat wij wensten.
Toen ik hem vertelde over Waregem, Guido Gezelle en diens gedicht over
beeksala bleef hij even sprakeloos, terwijl ik bewonderend opkeek naar zijn brede borst, zijn gebalde
biceps en in zijn donkere, levendig fonkelende ogen verdwaalde. In een poging zich te verplaatsen in de
tijd van Gezelle had hij het over de “environ”, waarbij ik opmerkte dat hij hoorbaar dicht bij de taalgrens
woonde. Daarop vroeg hij spontaan of ik een germanist was, waarop ik hem onmiddellijk geruststelde.
Toch vond hij dat ik iets met taal van doen had, wat mij dan weer vleide. Hij opende de deur en vroeg
ons - hoewel hij die dag gesloten was - om binnen te komen.
Onze gesprekspartner ontpopte zich vlug tot een vlotte ondernemer en zakenman, die
niet verlegen zat ons - om zuiver menslievende redenen - met goede raadgevingen te overladen.
Als een gedegen psycholoog informeerde hij vrijwel onmiddellijk naar onze lichamelijke kwalen:
“Migraine, mevrouw, dat komt van de lever. Al na één week waterkerssapkuur zult u zich beter voelen.”
“Ha, u bent jichtlijder, mijnheer! Beeksala, beeksala!”
Met zachte stem en weinig gebaren opende de man voor ons een nieuwe wereld. Een wereld bevrijd van
alle lichamelijke ellende. Hij voelde zich - en zijn zaak - duidelijk gesterkt door de gedachte dat hij
geschiedenis schreef en een bladzijde omsloeg in de martelgang van de mensheid. Dit onder de leuze:
gezond de eeuwigheid in! Tussendoor kregen wij - op humoristische wijze - de goede raad het deurtje
van onze magnetronoven voorgoed te sluiten, want het zou wetenschappelijk vaststaan dat bij dergelijke
kookmethode de voedingswaarde aanzienlijk afneemt. Waterkerssap mag trouwens nooit verwarmd
worden, zo las ik later in zijn folder. En in het kader van de kankerpreventie raadde hij ons ten
stelligste af om onze dochters ‘de pil’ te laten slikken… enzovoort...
Toen ik hem over de eigenlijke waterkerskweek om uitleg vroeg, vertelde hij dat waterkers het best
gedijt in bronwater. Hij was eigenaar van vier bronnen. Eén daarvan bleek onlangs te veel nitraten te bevatten,
waarop hij onmiddellijk de kweekbeek met een bulldozer had laten dichtleggen. De bron zelf had hij wel
in eigendom gehouden om eventuele misbruiken te voorkomen, zo vertelde hij ons.
Ja, natuurlijk verkocht hij waterkerssap, in poedervorm, maar eveneens diepgevroren. Om zijn producten
ook voor de kleine man betaalbaar te houden, wees hij alle voorstellen van de farmaceutische industrie
resoluut af. Hij wilde, koste wat het kost, alles in eigen handen houden. Ik kocht van hem (voor slechts 10 Euro)
een mooi verzorgde brochure Gezond met waterkers, door prof em. dr. ir. Jozef Poppe, voordracht
artsenvereniging te Leuven 21 januari 2005. Vermits er op de omslag duidelijk en in vetjes te lezen
stond: Deze literatuurstudie is uitsluitend bestemd voor de
lezingdeelnemers en is niet opgesteld als publicatie. (overname van deze unieke tekst en figuren is
streng verboden), rest mij niets anders dan achter gesloten deuren er stiekem in te bladeren en er
hier geen woord over los te laten. Wetenschap blijft voor de wetenschappers, zoals zakendoen
altijd voor zakenlui is voorbehouden. Laten wij het maar bij poëzie en in het bijzonder bij die van
Guido Gezelle houden!
Toen ik bij het afscheid van onze beeksalakweker, -kenner en -verkoper vertelde dat mijn lieve
vrouw na zeven jaar en evenzoveel kankers overleden was, verklaarde hij dat er élke week wel vijftig
hopeloze kankerpatiënten bij hem over de vloer komen... Daarop toonde hij mij demonstratief een
bepotelde kleurenfoto van een vrouw uit het dorp, “een terminale kankerpatiënte”, preciseerde hij. Hij had
haar, toen ze helemaal was opgegeven, in het ziekenhuis met zijn waterkerssapkuur behandeld. Zij leeft nu nog
gezond en wel!
Zo gaat dat in Roborst!
Daarop zag ik als in een profetisch visioen Roborst als de hoofdstad van een heilstaat, ja, van het lang
verwachte Messiaanse Rijk. Uit ontelbare bronnen borrelde kristalhelder, natriumvrij water. Het hele land was
dooraderd met evenzoveel beken, boordevol sala, beeksala, beeksala! In mijn jongelingsjaren heb ik van
dichtbij meegemaakt hoe te Lourdes - op wonderbaarljke wijze - vergroeide ruggenwervels tijdens slechts
één week grotwaterkuur weer normaal werden. Een mirakel dat weliswaar niet door de kerkelijke autoriteiten
erkend werd. Die zijn streng!
Had ik Roborst en zijn zegenrijke waterkerssapcultuur maar eerder leren kennen... Mijn Ria had nu - dankzij
beeksala gezond en wel aan mijn zij in de Zwalmstreek rondgezworven...!
Besluit: als ik nu als Vlaamse venter-vertegenwoordiger voor deze zaak over de taalgrens zou
trekken, dan zou ik rond het middaguur - net zoals Gezelles waterkersventer - de bedenking
maken:
‘k Ben uitverkocht,
‘t is noene errocht,
‘k gevoel ‘t aan mijn geweten (maag):
beeksala,
maar beeksala, om te eten.
..
al met mijn moegekraaiden hals,
kardoefels (aardappelen) doen meer deugd mij als
beeksala, beeksala! (str.5)
J.M Legrand
GEZELLE EN DE ACTUALITEIT
“Ik ben zo links als Gezelle”
Benno Barnard in zak en as ?
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 49, december 2006,
blz. 1-2]
Ter gelegenheid van de recente Antwerpse boekenbeurs hield Benno Barnard op verzoek van het weekblad
Knack een lezing over Guido Gezelle, een onderwerp waarover hij zich in 1999, het honderdste sterfjaar van
de dichter, ook al eens had uitgesproken, en waarin hij zich toen tot grote verontwaardiging van de Vlaamse
intelligentsia een reeks uitlatingen had veroorloofd, die op zijn zachtst gezegd niet door de beugel konden. De
tekst van die recente lezing verscheen op 15 nov. ll. in Knack, pp.84-87. Daar prijkt de vriendelijk glimlachende
kop van Gezelle, een prachtige uitvergroting van de foto die ooit voor de woning “Patersmote” in Marke werd
genomen, boven de titel van de lezing: “Ik ben zo links als Gezelle".
Natuurlijk lezen we nu met arendsogen Barnards nieuwe tekst, waarin hij volgens de door de Knack-redactie
meegegeven inleiding toont dat hij “zich bedacht” heeft en met een “nieuwe mening” op de proppen komt. Maar al
heel snel daagt bij ons het inzicht dat er van een nieuwe mening absoluut geen spraak kan zijn. De tekst heeft
duidelijk een dubbele bodem. In feite komt het op niet veel anders neer dan op een nogal boude herhaling van
de kortzichtige bezwaren en een schaamteloos pleidooi pro domo van de auteur. Daar staat wel: “Met mijn oordeel
over de nationale verzenmaker (mijn cursivering) had ik ongelijk” - meteen voelt men in die “bekentenis”
het grote misprijzen van de man voor Gezelle -, en iets verder lezen we ook: “Maar ik hoopte iets intelligenters
te provoceren dan het schuim op al die monden!” - de negatieve teneur en het superioriteitsgevoel vallen al
direct op -, en nog verder: “Intussen legde mijn botsing met het Vlamingendom (mijn cursivering) een
pijnpunt in het collectieve zenuwstelsel bloot - een historisch geconditioneerd onvermogen om op een
volwassen manier met kritiek om te gaan namelijk... Oef!... En een laatste citaat: “Mogelijk was mijn wrevel over
die gedichten - onbewust - een gevolg van het noodlottige gegeven dat ik niet uit het westen van Vlaanderen
stam “... (en vandaar)... een vage irritatie over de relatieve onbegrijpelijkheid ervan.” (bedoeld is hier natuurlijk
het zgn. West-Vlaams van Gezelle). Het ligt toch voor de hand dat wie zegt dat hij een tekst om taalkundige
redenen niet goed kan begrijpen, geacht mag worden zich van verdere kommentaar over de inhoud ervan
te onthouden.
Zo zouden we nog kunnen doorgaan met het citeren van hatelijkheidjes allerhande uit dat geschrift dat bulkt
van eigendunk.
Wie de gedachtengang van het stuk eens aandachtig probeert te volgen, komt op het einde tot de
onvermijdelijke conclusie dat het niets anders is dan warrige woordenkramerij, waarmee niemand gelukkig kan
zijn. En als er al eens iets staat dat enigszins met de objectieve waarheid zou kunnen stroken, is dit zodanig
geformuleerd dat het de afkeer moet wekken van alwie leest met een gezond verstand en een nuchter
gemoed.
Maar toch zijn we heel blij dat Gezelles mooiste foto nog eens onverwacht onder de ogen is gekomen van een
zeer breed publiek, wat iedereen er nogmaals aan herinnert dat we een dichter hebben die van onschatbare
waarde is voor ons volk en voor onze Nederlandse literatuur.
De Redactie
EEN OPROEP VAN CHRISTINE D’HAEN
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 49, december 2006,
blz. 10]
Als biografe van Guido Gezelle, verplicht mijn geweten mij het volgende te melden.
Op het einde van De wonde in ‘t hert. Een dichtersbiografie (Lannoo, 1987) spreek ik over twee ijzeren
kistjes waarin Gezelles geheimgehouden papieren zitten.
Toen ik de laatste keer E.H. Antoon Viaene zag, de Conservator van het toenmalig Gezelle-museum, zei hij
mij (wij stonden samen voor de Stadsbibliotheek op het van Eyckplein): “Gezelles papieren zitten in twee
kistjes, die staan in de abdij van Steenbrugge”. Ik werkte toen aan het Gezelle-archief. Ik ging naar Steenbrugge,
ontmoette de (Nederlandse) bibliothecaris, die mij verzekerde dat die kistjes daar inderdaad gestaan hadden, maar
door iemand (een pastoor?) afgehaald waren.
Sindsdien heb ik overal geïnformeerd, niemand weet iets (?)
Lori van Biervliet, de welbekende hoofdredactrice, lange tijd, van Biekorf schrijft in een
artikel (Biekorf, december 1999, p. 444) dat A.Viaene alle geheime Gezelle-papieren in twee ijzeren kistjes
deponeerde. Waar zijn die kistjes sedert Viaenes overlijden gebleven?
Nu, 2006, lijkt mij toch de tijd gekomen om, op discrete en voorzichtige wijze, met de nodige eerbied, kennis te
nemen van wat verborgen werd.
We weten allemaal hoe angstig de clerus waakte over het privé-leven van haar leden. En terecht: iemands
persoonlijke geheimen moeten gerespecteerd worden, en alle sensatielust in deze zaken moet geschuwd
worden. Maar we weten ook, dat de maatschappij over-angstig was, en dingen ongeoorloofd vond, die wij
nu doodgewoon vinden.
Een aantal documenten, die vermoedelijk verborgen werden, kan ik wel bedenken:
- de brieven van Louise Gezelle, voor haar overhaaste huwelijk met Camille Lateur (correspondentie in
de archieven plots onderbroken).
- al de brieven van Mrs Smith (geen enkele aanwezig in het Gezelle-archief, terwijl vele brieven van
Mr Smith er zijn)
- alle mededelingen van E.H. Wemaer, die elke dag aan Guido Gezelle voorschreef wat hij in ‘t Jaer
30 moest schrijven (Daarvan is geen letter meer in ‘t archief)
- verdere intiemere brieven van en naar Guido Gezelle op cruciale momenten van zijn leven: 1860, 1865,
1870 bv.
- de “biechtbriefjes” van Gezelle.
Gezien E.H. Viaene duidelijk de bedoeling had, mij inzicht te geven in die documenten, en gezien Gezelle zelf
die papieren niet vernietigde of verborg; gezien het tijd wordt de waarheid (die zeker zeer onschuldig is volgens
mijn kennis van Gezelles wezen) te verkiezen boven malvolente gissingen en roddels; gezien na mijn dood en
de dood van nog enkele Gezelle-kenners, zelfs het bestaan van die kisten vergeten zal worden; gezien die
papieren vergaan, voor de wereld onbestaande zullen worden - roep ik alle mensen, die Gezelle beminnen en
naar waarde schatten (de enige dichter in de Nederlanden in 200 jaar), op om zich tot het uiterste in te spannen
om te weten te komen waar die kistjes zijn. Onmiddellijk daarna moet een comité van bevoegde en beëdigde
geleerden worden samengesteld. Zij zullen de documenten aan de rechtmatige erfgenamen bezorgen, en met
hen samen overleggen hoe ze te behandelen zoals men in wetenschappelijke kring alle kostbaarste documenten
behandelt.
Christine D ‘haen
Brugge, 21.9.06
IN BLIJVENDE HERINNERING
ROBERT LAGRAIN
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 50, maart 2007,
blz. 5-6]
Op het ogenblik dat dit jubileum-mummer verschijnt, ben ik tien jaar voorzitter van onze Guido Gezellekring. Dit
moment wil ik aangrijpen om even te verwijlen bij Robert Lagrain, onze eerste voorzitter, vanaf de stichting
op 17 oktober 1987 tot 15 maart 1997.
In het nummer 30 van april 1999 schreef Eddy Van Made een mooi ‘in memoriam’, met de nadruk op zijn
priester zijn. Ik wil even uitgebreider ingaan op wat hij ook voor onze Gezellekring betekende.
Niemand anders, behalve Gezelle zelf in zijn gedicht “Moederken“, schreef ooit indringender over Gezelles
moeder dan Robert Lagrain. Het feit dat hij geboren
werd in Wingene, het geboortedorp van Monica Devriese, zal daaraan niet vreemd geweest zijn.
In 1946, Robert was nauwelijks achttien jaar, verscheen van hem een klein boekje, getiteld Guido Gezelle en
zijn Wingense moeder Monica Devriese. Het werd gedrukt bij Anseeuw in Wingene (formaat 10,5 x 17 cm, 36 blz.).
Het werkje is een erg zeldzaam ding. Robert heeft, om een reden die ik mij op dit ogenblik niet voor de geest
kan halen, het grootste gedeelte van de beperkte oplage, laten vernietigen.
In de inleiding bestempelt hij het boekje als een vakantiewerkje dat aanvankelijk bedoeld was als een kleine
studie over Monica Devriese. Spoedig bleek echter dat men over haar niet kan spreken zonder Gezelle zelf en
zijn vader er bij te betrekken. Dat deed hij in het tweede gedeelte. Hij eindigde zijn inleiding met te zeggen
“Moge dan, uit een betere kennis der moeder ook een klaarder beeld tot ons komen van den zoon: den groten
priester-dichter: Heer ende Meester Guido Gezelle”.
Hij is daar alsmaar beter in geslaagd: in de eerste Gezelle-Kroniek uit 1963 publiceert hij opnieuw over
Monica Devriese. Toen ik na zijn dood deze eerste Gezelle-Kroniek aantrof in antiquariaat Marechal te
Brugge, met talloze handgeschreven aantekeningen in de tekst en de marge, als voorbereiding op wat later
nog moest komen, was ik erg blij en ontroerd. Blijdschap als verzamelaar en ontroering omdat ik mij weer
dichter voelde bij de man die ik stilaan vriend mocht noemen.
In 1975, eeuwfeest van haar overlijden publiceert hij bij Lannoo het uitgebreide boek De moeder van Guido
Gezelle. Later ben ik dit boek antiquarisch herhaaldelijk tegengekomen. Telkens kon ik niet nalaten het te
kopen. Elk exemplaar heeft steeds een goede bestemming gekregen. Het is een zeer lezenswaardig boek,
waar veel opzoekingswerk aan voorafging. Later zal nog blijken dat zulk speurwerk een van zijn sterke punten is
als auteur. Hij was besmet met het Gezellevirus en niet alleen Wingene maar ook zijn woonplaats Brugge
droeg er toe bij. In het stapeltje brieven van hem dat bij me ligt is het niet moeilijk om zinnen te vinden van
deze aard: “Ik was de laatste tijd veel in archieven van het bisdom en van Sint Anna. Er is altijd iets te vinden en
dat verschaft de zoeker veel genoegen”.
Buiten het door hem genoemde ‘vakantiewerkje’ uit 1946 is zijn eersteling een lijvig homilieënboek uit 1974: Het
is de Heer.
Gezelles Godsdienstlessen in het Engels klooster uit 1983 ligt mij echter het nauwst aan het hart. Ik ken
geen enkel Gezelleboek dat zo rijk geïllustreerd werd en nostalgie opwekt, en daarbij voorbeeldig gedrukt werd
uitgegeven door Marc Van de Wiele.
In 1988 verscheen van hem Richt uw ogen op Jezus, een boek met 40 taferelen uit het leven van Jezus,
geborduurd op koorkappen van de kathedraal uit 1905. Hij droeg het werk op aan bisschop R. Vangheluwe bij
de viering van zijn 25 jaar priesterschap.
Naast talrijke bijdragen in diverse tijdschriften liet hij driemaal een artikeltje met veel zorg afzonderlijk drukken.
In 1987 verscheen Een Brugs gedicht van Guido Gezelle uit het vergeetboek gehaald. Een jaar later
verscheen Twee gescheiden Gezellegedichten weer bijeengebracht. In 1997 publiceerde hij Nog
twee Gezelliana: een identificatie en een zelfstandige publicatie. Hij beschouwde het als een trio al
zeggend: “omne trinum perfectum: alle goede dingen bestaan in drieën”. Guido Gezelle en de Familie
Van Damme verscheen in Gezelliana, jg. XII, afl.3-4 en hij bezorgde er achteraf een uitgebreide
geïllustreerde overdruk van. Hij bracht deze publicaties veelal uit in eigen beheer, en ze waren het resultaat van
actief speuren en van de medewerking van Brugse families waarmee hij, zoals zijn voorbeeld Gezelle,
vertrouwd en bevriend was. Uit zijn kosten geraakte hij hiermee zeker niet, het was ook niet echt zijn zorg. Van
de middelen die hij bezat, deelde hij royaal mee. Ook onze Kring vergat hij financieel niet, dat bleek na zijn
overlijden.
Bij het schrijven van deze woorden komt Robert weer echt nabij zoals in de momenten dat wij samen waren. Op
een bijeenkomst van onze leden ergens in Vlaanderen, bij korte momenten dat mensen zich begaven van de ene
plaats van een gebeuren naar een andere. Hoe hij dan een babbel had met leden hier en daar, die toevallig naast
hem liepen.
Er waren er onder ons voor wie die benadering moeilijker was... Kanunnik Lagrain was echter een minzaam man,
sober, altijd piekfijn verzorgd in zijn kleding, en een aristocraat in de goede zin van het woord. Soms kon hierdoor
een gevoel van afstandelijkheid gewekt worden. Een gesprek met hem overtuigde je van het tegendeel, en het
gaf je het gevoel van telkens opnieuw een bijzonder fijne persoonlijkheid ontmoet te hebben. Eddy Van Made
voegt eraan toe: “een goed priester”. Dat voelde ik aan veel dingen. Opmerkelijk ook was voor mij volgend
voorval: even voordat hij ziek werd, droeg hij me een vrij omvangrijk werk op. Bij het beëindigen hiervan
ontmoette ik hem in Brugge en het was zoals steeds erg hartelijk. Toch vroeg hij me om hem eerst nog even
alleen te laten... tot zijn breviergebed gedaan was. Dit laatste zal wel geen waarborg zijn om een goed priester te
zijn, maar bij hem zag ik daarin één van de vele kenmerken van een diep-gelovig man. Voor onze Kring was hij
een boegbeeld. Hij gaf uitstraling aan onze vereniging. Ruim drie jaar was hij ook voorzitter van het Guido
Gezellegenootschap. In de vergaderingen die hij in onze Kring voorzat, viel steeds zijn zachte welsprekendheid
en kennis van dossiers op.
Ik herinner mij dat, toen wij even napraatten bij de begrafenis van Robert Lagrain, we het jammer vonden dat
zijn voorzitterschap van de Kring niet vermeld stond op het bidprentje... juist omdat wij zo fier waren hem als
voorzitter te hebben gehad. In dit jubileumnummer is hij weer even onder ons.
Jos Verheyen
KERKHOFBLOMMEN IN 2008:
HEEFT DAT NOG ZIN ?
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 54, augustus 2008,
blz. 9-10]
De begrafenis van een jongen uit Staden, Edward Van den Bussche, gaf aanleiding tot
een literair kunstwerk, dat nu al 150 jaar geciteerd wordt. Dit kunstwerk verleende het woord aan een mysterieuze
samenhang en verscheen in een uniek mengsel van literaire vormgeving.
Gezelle, de jonge priester-leraar, kreeg n.a.v. deze begrafenis een sterke vonk van
inspiratie en werkte die snel uit, eerst in een gedichtje voor het doodsprentje en daarna in een ontroerende
toespraak, die hij bij het open graf zou houden. Gezelle wilde die dag op twee vlakken ‘les’ geven aan zijn 40
leerlingen, namelijk op religieus vlak én op literair vlak.
Toen hij in het kleinseminarie teruggekeerd was, gunde hij zich geen rust. Hij wou een
uitgebreid, literair verslag van al zijn ervaringen, overwegingen en gevoelens op papier zetten, dat verder zou
reiken dan een minutieuze weergave. Gedichten, vertalingen van Latijnse liederen, poëtische beschouwingen
over het ritueel van de begrafenis en een redevoering zouden daartoe bijdragen.
En toen hij dit unieke relaas af had, zocht hij snel een drukker in Roeselare en er
verscheen een boekje van 31 bladzijden.
Zijn leerlingen lazen het en zij stonden verbaasd hoe Gezelle zo diep aangrijpend en zo mooi geschreven
had over het verloop en de sfeer van die droevige voormiddag.
Maar ook hoe hij nu diep inging op de zin van het leven en de zin van het sterven. Bovendien raakte hij ook het
harde probleem van het lijden aan, in het personage van de zieke vader. Door middel van de mythische
beeldentaal (paarden, lucht, vogels, zon, bomen, stro) gaf hij zijn makkelijk toegankelijk verhaal een universele
dimensie. Het is allemaal concreet voorstelbaar in een West-Vlaamse context, en toch overstijgt het dit ! Door
de universaliteit van de algemeen menselijke problematiek en door die volgehouden sterk poëtisch-epische stijl.
Geen wonder was dit het meest populaire werk van Gezelle, het heeft ook vandaag nog niets
van zijn kracht verloren. De mens blijft geconfronteerd met lijden, met dood en met de eeuwige vraag naar het
waarom van zijn bestaan.
Het kunstwerk Kerkhofblommen schetst een mogelijk antwoord op deze diepe vragen, in een eigen literaire
schepping. Via de ontroering die het bij ons veroorzaakt, ervaren wij troost en verrijking.
Karel Platteau
150 JAAR NA KERKHOFBLOMMEN
Verslag van de Guido Gezelledag te Staden en Houthulst
(10 mei 2008)
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 54, augustus 2008,
blz. 2-3]
Een stralende dag, die 1Ode mei. Veel auto’s met fans van Guido Gezelle begeven
zich op weg naar het middelpunt in het West-Vlaamse land: Staden. Fans uit Vlaanderen en Nederland: een grote
groep van ruim veertig Gezelleminnaars, waarvan elf uit Nederland. Tegen 10.30 u. waren ze allen bijeen in het
SWOK te Staden. Hartelijke begroetingen onder het genot van smakelijke koffie en heerlijke koekjes.
Voorzitter Jos Verheyen opende de dag.
Het is een herdenkingsdag. 150 jaar geleden, op 3 mei stierf te Staden in zijn ouderlijke boerderij Gezelles
18-jarige leerling Eduard van den Bussche. De begrafenis was op 8 mei. Gezelle trok er naartoe met een 40-tal
leerlingen van zijn poësisklas te Roeselare. Terug van de begrafenis schreef de dichter in twee dagen zijn
Kerkhofblommen.
De voorzitter gaf eerst het woord aan de burgemeester van Staden, mevrouw Josiane Lowie.
Ze was blij verrast dat Karel Platteau en Francine Destoop deze dag hadden georganiseerd. Ze had dan ook graag
alle medewerking toegezegd omdat dit keer niet Roeselare, maar Staden het middelpunt was. De burgemeester
beschreef ons Staden als een plaats waar je niet omheen kunt, ook niet op cultureel gebied. Daarom was ook
schepen van Cultuur Dejonckheere aanwezig.
Het werd ondertussen kwart voor elf. Met twee huifkarren trokken we nu naar de hoeve waar
destijds de familie Van den Bussche woonde. Een groepje van de onzen legden de tocht te voet af. Na twee
kilometer waren we bij de hoeve. De huidige bewoners ontvingen ons hartelijk. Op het grote grasveld voor het huis
was plaats voor velen, tafels en stoelen stonden onder de bomen. Er werden drankjes gepresenteerd. Karel
Platteau en Francine Destoop spraken over “Kerkhofblommen na 150 jaar: een blijvend meesterwerk.”
Leerlingen van de Gemeentelijke Academie declameerden en zongen teksten van Gezelle. Heel charmant. Daarna
een aperitief met hapjes, aangeboden door het Gemeentebestuur. Francine had bloemen meegebracht voor de
burgemeester, de bewoners van de hoeve en de schepen van Cultuur.
En nu ging het weer terug naar het SWOK, vanwaar we te voet naar de Gouden Hoorn
vertrokken voor het feestmenu. Tussen het diner lichtte secretaris-penningmeester Bertrand Denys ons in over de
begroting.
Het was een heerlijk samenzijn.
Tegen drie uur vertrokken we naar Houthulst. Dat was voor de auto waarin enkele Tilburgers
zaten geen eenvoudige tocht, maar toch kwamen we als eersten aan bij de kasteelvrouwe. Met zijn vieren hebben
we wel het een en ander gemist, want wat de burgemeester van Houthulst, Joris Hindryckx ondertussen aan een
andere groep verteld had, is ons ontgaan. Hij is wel meegekomen naar het kasteel: een flinke jonge man in korte
broek en poloshirt.
De tijd tussen onze aankomst op het kasteel en de aankomst van de grote groep hebben we zeer aangenaam
doorgebracht in de kamer bij de kasteelvrouwe, die ons het een en ander vertelde over haar leven en haar grote
hobby: het inbinden van boeken. Toen hebben we allen samen het mooie interieur van het kasteel mogen bekijken.
Er stond daar ook een drumstel, dat ondergetekende niet kon nalaten even te beroeren.
Na afscheid van de kasteelvrouwe te hebben genomen werden we door een sympathieke
gids nog door Houthulst geleid, die ons vertelde over de oorlogsdaden van de Duitsers onder WO I in
Houthulst. De gids bracht ons ten slotte naar het café “De Trimard”, waar we buiten op het terras de dag met een
drankje afsloten, na nog gezellig te hebben nagepraat over een wel zeer geslaagde zonnige dag vol afwisseling.
Het was tijd geworden om terug te keren naar waar we vandaan kwamen.
Een groot DANK JE WEL aan de organisatoren en allen te Staden en Houthulst die tot dat succes hebben
bijgedragen is hier wel op zijn plaats.
“Ja! Daar zijn blijde dagen nog in ‘t leven...” (GGG 38)
Br.Wiro Zijlstra o.s.b., Breda