BEEKSALA, BEEKSALA !
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 46, november 2005,
blz. 24-26]
Met het voordragen van ‘Beeksala’, een gedicht dat Gezelle in 1881 schreef en aan De Bo opdroeg
(VD T115, p.633), besloot Karel Platteau op
onnavolgbare wijze die wonderlijke bijeenkomst van de Guido Gezellekring in Waregem (24 sept. jl.).
De in dat gedicht veelvuldig herhaalde roep van de Vlaamse waterkersventer in Wallonië: beeksala, beeksala!
bleef mij nog dagen daarna als
Gezellemuziek in de oren klinken. In een dagdroom kwam er toen een waterkersplukster op mij toe. Ik
herinnerde mij haar al eerder, in Roborst,
een deelgemeente van Zwalm, ontmoet te hebben. Zij poseerde daar toen - in brons gegoten met een
bevallige, ja, enigszins sensuele houding en
een bondtje (busseltje) beeksala (waterkers) in de hand, middenin een rechthoekig waterbekken.
Het viel mij niet moeilijk mijn Hilde, die pas tot het bestuur van de Guido Gezellekring was toegetreden, tot een
uitstapje naar Roborst over
te halen.
Zonder al te veel zoeken arriveerden wij in de Borstekouter. Even toelichten: Borstekouter is de naam van de
hoofdstraat die dwars door het
pittoreske dorpje Roborst loopt. Op het dorpsplein met grote herfstgetooide linden parkeerden wij de
wagen, voor de merkwaardige vroeggotische
Sint-Denijskerk met haar achthoekige, peervormig bekroonde toren tegen een azuurblauwe hemel.
Te midden van dit schilderachtige pleintje ontmoette ik opnieuw de bronzen waterkersplukster.
Op het lage, bakstenen muurtje van het ondiepe
waterbekken stonden enkele opschriften die ondermeer vermeldden dat dit beeld op 5 augustus 2000
werd ingehuldigd en dat het een creatie is
van Jacques Van Den Abeele. Een ander opschrift luidt:
Wie de waterkers eert, de ziekte weert.
Mijn moeder, die van Nederlandse afkomst was, sprak over ‘tuinkers’ en over ‘waterkers’. Op de keper
beschouwd heb ik in feite heel mijn leven - en
met veel smaak - ‘tuinkers’ gegeten en was ‘waterkers’ mij vrijwel onbekend gebleven.
Ik sloeg er mijn Grote Winkler Prins op na en vond onder ‘waterkers’: soorten der geslachten
Nasturtium en Rorippa, z. Cruciferae. Toen ik dit
laatste woord opzocht, kreeg ik ruim vier bladzijden, verdeeld over acht kolommen, voorgeschoteld...
“Aan alles zijn grenzen”, dacht ik bij mezelf en dit ging mijn grenzen vér te boven. Ik was immers niet
als wetenschapper in de wereld gekomen,
maar als kunstenaar. Daarom liet ik mij liever door de kracht van de intuïtie leiden,
en mijn intuïtie zei dat Gezelles beeksalaventer, ‘de man uit
Vlanderlan‘ (str. 1), uit Roborst kwam:
Met stok in d’ hand,
uit Vlanderland,
zoo kome ik, en de walen,
beeksala,
die beeksala betalen,
zij krijgen voor; parli, parla,
twee soun, twee bondtjes beeksala,
beeksala, beeksala! (str.3)
Immers, Roborst ligt op amper 15 km van de taalgrens, dus van het land der Walen!
Bovendien, en dat had ik in een toeristische folder
Vlaamse Ardennen, Regio met profiel (2002) gelezen: Geneeskrachtige waterkers in
Roborst, Hundelgem en Velzeke.
De in terrasbouw aangelegde waterkersgrachten zijn een bijzondere en unieke bezienswaardigheid
en lekkernij. Biologisch, en in het welig,
kraaknette, opborrelende bronwater groeit er de waterkers van maart tot eind november.
Waterkers - liefst zo vers mogelijk eten - is een
pittige doorsmaker met een heilzame invloed op gal, lever en nieren en aangewezen
voor jicht- en reumalijders. In de plaatselijke horeca
komt waterkers met een waaier aan mogelijkheden op je bord of in je glas terecht.
En Gezelle, van zijn kant, zei het zo in zijn gedicht:
Van mage en bloed
die krank is moet
om, pille en pot gelaten,
beeksala,
om beeksala, zal ‘t baten:
zij drijft al d' oude dampen uit,
en kocht ge maar nen halven kluit
beeksala, beeksala! (str.4)
Ondertussen was het middag geworden en dat werd door de kerkklok bijzonder luidruchtig
aangekondigd. Vlakbij het dorpsplein ontdekten wij
moeiteloos ‘Het Culinair Hof, brasserie-restaurant’ om in ideale omstandigheden
een hapje te eten en onze dorst te laven. De afrekening bij de
kassa bleek ons achteraf iets minder ideaal... Toch was het ons opgevallen dat de
menukaart waterkers vermeldde, maar tot onze spijt enkel in
combinatie met bloederig beestenvlees.
Bij de erg vriendelijke, rondbuikige waard informeerden wij naar mogelijke beken met
sala in de omgeving. Prompt toonde hij ons een folder waarin alles en nog wat over
de kweek, maar vooral over de wonderlijke geneeskracht van waterkers werd uiteengezet.
Hij verwees ons naar hét adres: “Voorbij de kerk”, zo zei hij, “zie je rechts een spie huizen,
daar klop je op de deur en zeg maar dat ik jullie gestuurd heb.”
Wij liepen over de Borstekouter, terug voorbij het beeld van de waterkersplukster
en daalden steil naast de kerk af tot bij de aangeduide spie.
Tegen de zijgevel, in de doodlopende straat, stond ruggelings, met één voet tegen de
blinde muur geleund, een Vlaamse reus. Hij stond daar achteloos tegen een minuscuul
gsm-toestelletje te praten. De man beëindigde zijn monoloog nog voor wij op de enige deur
konden aankloppen en vroeg wat wij wensten.
Toen ik hem vertelde over Waregem, Guido Gezelle en diens gedicht over
beeksala bleef hij even sprakeloos, terwijl ik bewonderend opkeek naar zijn brede borst, zijn gebalde
biceps en in zijn donkere, levendig fonkelende ogen verdwaalde. In een poging zich te verplaatsen in de
tijd van Gezelle had hij het over de “environ”, waarbij ik opmerkte dat hij hoorbaar dicht bij de taalgrens
woonde. Daarop vroeg hij spontaan of ik een germanist was, waarop ik hem onmiddellijk geruststelde.
Toch vond hij dat ik iets met taal van doen had, wat mij dan weer vleide. Hij opende de deur en vroeg
ons - hoewel hij die dag gesloten was - om binnen te komen.
Onze gesprekspartner ontpopte zich vlug tot een vlotte ondernemer en zakenman, die
niet verlegen zat ons - om zuiver menslievende redenen - met goede raadgevingen te overladen.
Als een gedegen psycholoog informeerde hij vrijwel onmiddellijk naar onze lichamelijke kwalen:
“Migraine, mevrouw, dat komt van de lever. Al na één week waterkerssapkuur zult u zich beter voelen.”
“Ha, u bent jichtlijder, mijnheer! Beeksala, beeksala!”
Met zachte stem en weinig gebaren opende de man voor ons een nieuwe wereld. Een wereld bevrijd van
alle lichamelijke ellende. Hij voelde zich - en zijn zaak - duidelijk gesterkt door de gedachte dat hij
geschiedenis schreef en een bladzijde omsloeg in de martelgang van de mensheid. Dit onder de leuze:
gezond de eeuwigheid in! Tussendoor kregen wij - op humoristische wijze - de goede raad het deurtje
van onze magnetronoven voorgoed te sluiten, want het zou wetenschappelijk vaststaan dat bij dergelijke
kookmethode de voedingswaarde aanzienlijk afneemt. Waterkerssap mag trouwens nooit verwarmd
worden, zo las ik later in zijn folder. En in het kader van de kankerpreventie raadde hij ons ten
stelligste af om onze dochters ‘de pil’ te laten slikken… enzovoort...
Toen ik hem over de eigenlijke waterkerskweek om uitleg vroeg, vertelde hij dat waterkers het best
gedijt in bronwater. Hij was eigenaar van vier bronnen. Eén daarvan bleek onlangs te veel nitraten te bevatten,
waarop hij onmiddellijk de kweekbeek met een bulldozer had laten dichtleggen. De bron zelf had hij wel
in eigendom gehouden om eventuele misbruiken te voorkomen, zo vertelde hij ons.
Ja, natuurlijk verkocht hij waterkerssap, in poedervorm, maar eveneens diepgevroren. Om zijn producten
ook voor de kleine man betaalbaar te houden, wees hij alle voorstellen van de farmaceutische industrie
resoluut af. Hij wilde, koste wat het kost, alles in eigen handen houden. Ik kocht van hem (voor slechts 10 Euro)
een mooi verzorgde brochure Gezond met waterkers, door prof em. dr. ir. Jozef Poppe, voordracht
artsenvereniging te Leuven 21 januari 2005. Vermits er op de omslag duidelijk en in vetjes te lezen
stond: Deze literatuurstudie is uitsluitend bestemd voor de
lezingdeelnemers en is niet opgesteld als publicatie. (overname van deze unieke tekst en figuren is
streng verboden), rest mij niets anders dan achter gesloten deuren er stiekem in te bladeren en er
hier geen woord over los te laten. Wetenschap blijft voor de wetenschappers, zoals zakendoen
altijd voor zakenlui is voorbehouden. Laten wij het maar bij poëzie en in het bijzonder bij die van
Guido Gezelle houden!
Toen ik bij het afscheid van onze beeksalakweker, -kenner en -verkoper vertelde dat mijn lieve
vrouw na zeven jaar en evenzoveel kankers overleden was, verklaarde hij dat er élke week wel vijftig
hopeloze kankerpatiënten bij hem over de vloer komen... Daarop toonde hij mij demonstratief een
bepotelde kleurenfoto van een vrouw uit het dorp, “een terminale kankerpatiënte”, preciseerde hij. Hij had
haar, toen ze helemaal was opgegeven, in het ziekenhuis met zijn waterkerssapkuur behandeld. Zij leeft nu nog
gezond en wel!
Zo gaat dat in Roborst!
Daarop zag ik als in een profetisch visioen Roborst als de hoofdstad van een heilstaat, ja, van het lang
verwachte Messiaanse Rijk. Uit ontelbare bronnen borrelde kristalhelder, natriumvrij water. Het hele land was
dooraderd met evenzoveel beken, boordevol sala, beeksala, beeksala! In mijn jongelingsjaren heb ik van
dichtbij meegemaakt hoe te Lourdes - op wonderbaarljke wijze - vergroeide ruggenwervels tijdens slechts
één week grotwaterkuur weer normaal werden. Een mirakel dat weliswaar niet door de kerkelijke autoriteiten
erkend werd. Die zijn streng!
Had ik Roborst en zijn zegenrijke waterkerssapcultuur maar eerder leren kennen... Mijn Ria had nu - dankzij
beeksala gezond en wel aan mijn zij in de Zwalmstreek rondgezworven...!
Besluit: als ik nu als Vlaamse venter-vertegenwoordiger voor deze zaak over de taalgrens zou
trekken, dan zou ik rond het middaguur - net zoals Gezelles waterkersventer - de bedenking
maken:
‘k Ben uitverkocht,
‘t is noene errocht,
‘k gevoel ‘t aan mijn geweten (maag):
beeksala,
maar beeksala, om te eten. ..
al met mijn moegekraaiden hals,
kardoefels (aardappelen) doen meer deugd mij als
beeksala, beeksala! (str.5)
J.M Legrand
KERKHOFBLOMMEN IN 2008:
HEEFT DAT NOG ZIN ?
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 54, augustus 2008,
blz. 9-10]
De begrafenis van een jongen uit Staden, Edward Van den Bussche, gaf aanleiding tot
een literair kunstwerk, dat nu al 150 jaar geciteerd wordt. Dit kunstwerk verleende het woord aan een mysterieuze
samenhang en verscheen in een uniek mengsel van literaire vormgeving.
Gezelle, de jonge priester-leraar, kreeg n.a.v. deze begrafenis een sterke vonk van
inspiratie en werkte die snel uit, eerst in een gedichtje voor het doodsprentje en daarna in een ontroerende
toespraak, die hij bij het open graf zou houden. Gezelle wilde die dag op twee vlakken ‘les’ geven aan zijn 40
leerlingen, namelijk op religieus vlak én op literair vlak.
Toen hij in het kleinseminarie teruggekeerd was, gunde hij zich geen rust. Hij wou een
uitgebreid, literair verslag van al zijn ervaringen, overwegingen en gevoelens op papier zetten, dat verder zou
reiken dan een minutieuze weergave. Gedichten, vertalingen van Latijnse liederen, poëtische beschouwingen
over het ritueel van de begrafenis en een redevoering zouden daartoe bijdragen.
En toen hij dit unieke relaas af had, zocht hij snel een drukker in Roeselare en er
verscheen een boekje van 31 bladzijden.
Zijn leerlingen lazen het en zij stonden verbaasd hoe Gezelle zo diep aangrijpend en zo mooi geschreven
had over het verloop en de sfeer van die droevige voormiddag.
Maar ook hoe hij nu diep inging op de zin van het leven en de zin van het sterven. Bovendien raakte hij ook het
harde probleem van het lijden aan, in het personage van de zieke vader. Door middel van de mythische
beeldentaal (paarden, lucht, vogels, zon, bomen, stro) gaf hij zijn makkelijk toegankelijk verhaal een universele
dimensie. Het is allemaal concreet voorstelbaar in een West-Vlaamse context, en toch overstijgt het dit ! Door
de universaliteit van de algemeen menselijke problematiek en door die volgehouden sterk poëtisch-epische stijl.
Geen wonder was dit het meest populaire werk van Gezelle, het heeft ook vandaag nog niets
van zijn kracht verloren. De mens blijft geconfronteerd met lijden, met dood en met de eeuwige vraag naar het
waarom van zijn bestaan.
Het kunstwerk Kerkhofblommen schetst een mogelijk antwoord op deze diepe vragen, in een eigen literaire
schepping. Via de ontroering die het bij ons veroorzaakt, ervaren wij troost en verrijking.
Karel Platteau
150 JAAR NA KERKHOFBLOMMEN
Verslag van de Guido Gezelledag te Staden en Houthulst
(10 mei 2008)
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 54, augustus 2008,
blz. 2-3]
Een stralende dag, die 1Ode mei. Veel auto’s met fans van Guido Gezelle begeven
zich op weg naar het middelpunt in het West-Vlaamse land: Staden. Fans uit Vlaanderen en Nederland: een grote
groep van ruim veertig Gezelleminnaars, waarvan elf uit Nederland. Tegen 10.30 u. waren ze allen bijeen in het
SWOK te Staden. Hartelijke begroetingen onder het genot van smakelijke koffie en heerlijke koekjes.
Voorzitter Jos Verheyen opende de dag.
Het is een herdenkingsdag. 150 jaar geleden, op 3 mei stierf te Staden in zijn ouderlijke boerderij Gezelles
18-jarige leerling Eduard van den Bussche. De begrafenis was op 8 mei. Gezelle trok er naartoe met een 40-tal
leerlingen van zijn poësisklas te Roeselare. Terug van de begrafenis schreef de dichter in twee dagen zijn
Kerkhofblommen.
De voorzitter gaf eerst het woord aan de burgemeester van Staden, mevrouw Josiane Lowie.
Ze was blij verrast dat Karel Platteau en Francine Destoop deze dag hadden georganiseerd. Ze had dan ook graag
alle medewerking toegezegd omdat dit keer niet Roeselare, maar Staden het middelpunt was. De burgemeester
beschreef ons Staden als een plaats waar je niet omheen kunt, ook niet op cultureel gebied. Daarom was ook
schepen van Cultuur Dejonckheere aanwezig.
Het werd ondertussen kwart voor elf. Met twee huifkarren trokken we nu naar de hoeve waar
destijds de familie Van den Bussche woonde. Een groepje van de onzen legden de tocht te voet af. Na twee
kilometer waren we bij de hoeve. De huidige bewoners ontvingen ons hartelijk. Op het grote grasveld voor het huis
was plaats voor velen, tafels en stoelen stonden onder de bomen. Er werden drankjes gepresenteerd. Karel
Platteau en Francine Destoop spraken over “Kerkhofblommen na 150 jaar: een blijvend meesterwerk.”
Leerlingen van de Gemeentelijke Academie declameerden en zongen teksten van Gezelle. Heel charmant. Daarna
een aperitief met hapjes, aangeboden door het Gemeentebestuur. Francine had bloemen meegebracht voor de
burgemeester, de bewoners van de hoeve en de schepen van Cultuur.
En nu ging het weer terug naar het SWOK, vanwaar we te voet naar de Gouden Hoorn
vertrokken voor het feestmenu. Tussen het diner lichtte secretaris-penningmeester Bertrand Denys ons in over de
begroting.
Het was een heerlijk samenzijn.
Tegen drie uur vertrokken we naar Houthulst. Dat was voor de auto waarin enkele Tilburgers
zaten geen eenvoudige tocht, maar toch kwamen we als eersten aan bij de kasteelvrouwe. Met zijn vieren hebben
we wel het een en ander gemist, want wat de burgemeester van Houthulst, Joris Hindryckx ondertussen aan een
andere groep verteld had, is ons ontgaan. Hij is wel meegekomen naar het kasteel: een flinke jonge man in korte
broek en poloshirt.
De tijd tussen onze aankomst op het kasteel en de aankomst van de grote groep hebben we zeer aangenaam
doorgebracht in de kamer bij de kasteelvrouwe, die ons het een en ander vertelde over haar leven en haar grote
hobby: het inbinden van boeken. Toen hebben we allen samen het mooie interieur van het kasteel mogen bekijken.
Er stond daar ook een drumstel, dat ondergetekende niet kon nalaten even te beroeren.
Na afscheid van de kasteelvrouwe te hebben genomen werden we door een sympathieke
gids nog door Houthulst geleid, die ons vertelde over de oorlogsdaden van de Duitsers onder WO I in
Houthulst. De gids bracht ons ten slotte naar het café “De Trimard”, waar we buiten op het terras de dag met een
drankje afsloten, na nog gezellig te hebben nagepraat over een wel zeer geslaagde zonnige dag vol afwisseling.
Het was tijd geworden om terug te keren naar waar we vandaan kwamen.
Een groot DANK JE WEL aan de organisatoren en allen te Staden en Houthulst die tot dat succes hebben
bijgedragen is hier wel op zijn plaats.
“Ja! Daar zijn blijde dagen nog in ‘t leven...” (GGG 38)
Br.Wiro Zijlstra o.s.b., Breda
"DICHTEN EN BIDDEN, NA DEN RECHTEN EISCH..."
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 50, maart 2007, blz. 18-21]
De titel van deze bijdrage gaat terug op de aankondiging die Guido Gezelle bij de eerste
uitgave van de Kleengedichtjes schreef. En die luidde als volgt:
Het woord ‘Kleengedichtjes’ zal u doen peizen op het Kleengebeedtje, waarmede
eertijds - eilaas nu niet meer - alle leering aanvang nam; mochten hier en daar een van deze mijne Kleengedichtjes
een goed gedacht in uw geheugen, of een goed gebed uit uw herte streelen, 't ware al vele om te antwoorden op
uwe billijke vrage: Cui bono? Waartoe dient dat?
Het zou misschien ook kunnen helpen goedmaken dat dichten en bidden, na den
rechten eisch, al dikwijls deur malkander loopt.
Gezellianen, die vertrouwd zijn met onze dichter die nooit om een vers verlegen zat, weten
dat poëzie en gebed voor hem "als uit eene aangeroerde snaar van 's zelfs uit de ziel sprongen".
Gefascineerd door het goddelijke dat mysterie is, leefde de priester-dichter als het ware voortdurend in de ban van
het numineuze. Pater Benoit Standaert osb, aarzelde zelfs niet om het speciale nummer van Heiliging dat hij
in 1993 aan de dichter wijdde (43ste jg, nr.1), de titel mee te geven "Gezelle Mysticus", wat in de oren van
sommige Gezellekenners wellicht een beetje gewaagd lijkt.
"Gezelle heeft gezaaid wat onsterfelijk is en waarvan de invloed blijven zal", zoo schreef
Alois Walgrave in zijn Gezellebiografie. Omdat ik sinds mijn jeugd ervaar dat er in deze verklaring zeker een grond
van waarheid schuilt, liet ik bij het opnieuw lezen van enkele van Gezelles gedichten mijn gedachten de vrije loop in
de hierna volgende korte overdenking.
Piet Thomas vroeg zich in zijn boek Bidden met Guido Gezelle (Tielt, 1985, blz. 10)
af of de moderne lezer, levend met de erg veranderde opvattingen inzake vroomheid en religieuze beleving, zich
nog enigszins kan identificeren met de biddende Gezelle. En ik durf hier mijn persoonlijke bedenking nog aan
toevoegen: is het wel echt noodzakelijk dat men om te bidden gedichten moet lezen, of zelfs woorden moet
uitspreken? Misschien zullen sommige lezers zich ook goed kunnen vinden in bet adagium van Henriette Roland
Holst - van der Schalk:
Gebeden zijn gedachten
gedrenkt met innigheid,
gevormd in zuivere zachte
ootmoedigheid.
( Uit: Verworvenheden, 1927)
Bij Gezelle zijn er wellicht veel teksten te vinden die ook als "gebeden" gekwalificeerd
zouden kunnen worden als men ze toetst aan de definitie van H. Roland-Holst.
Wij mensen kunnen volgens de dichter zelf alleen maar stamelen "o Leert mij, armen
dwaas, hoe dat ik bidden moet!" (GGG 36). Want
“Daar huivert, on-
weerstaanbaar, iets
in ’s menschen merg en midden,
dat hemelwaards
de ziele haalt,
dat knielen doet en bidden!” (T 7).
Of zoals hij in het gedicht "Adoro Te" (R 3) zegt: "Mij al te kleen / bekenne ik, om iets meer
als enkel schaduw / van uw groot licht te zien..." De dichter zelf grijpt steeds terug naar zijn "Schat ongevalschter
gebeden" en "dan buige en bidde ik, en weene... / dan grijpe ik den ouden brevier!" (R 44)
Wat er ook van zij, Gezelle was heel zijn leven lang een zeer gewetensvol priester, die
volkomen in de geest van zijn tijd kan beschouwd worden als een bezielde en gezagsgetrouwe medewerker van
zijn bisschop. Tot in zijn laatste levensjaren toe betoonde hij een stipte gehoorzaamheid aan het diocesane gezag
en cijferde hij zichzelf volkomen weg. Voor alles beschouwde hij zich levenslang als priester Gods, die als zwakke
mens steeds kon rekenen op God. Hij was altijd vol aandacht voor allen en voor alles wat leeft en beweegt in de hele
schepping en hij bad vaak ongeveer als volgt:
Onendig wezen, God,
drievoudig, één, almachtig,
wat zijt gij dicht bij mij,
schoon ik u zie noch hoor!
Gij zijt mijne arme ziel,
gij zijt het al indachtig,
den hoogsten hemelbol
en 't minste mierenspoor. (GGG D14)
"Dus ben ik het werk uwer handen" schreef hij in alle nederigheid in het gedicht "De
waterspegel" (D 23, vers 80).
Dat de dichter zijn priesterschap ook steeds erg bewust beleefde, staat buiten kijf. Dit blijkt
trouwens ten overvloede uit heel zijn leven en ook uit zijn omvangrijk poëtisch oeuvre. Bij het dichten blijkt vaak zijn
menselijke drang naar verinnerlijking, zijn neiging tot contemplatie. Hij leeft in het besef dat deze wereld voorbijgaat
en dat de mens het blijvende en het eeuwige zoekt. Daarin zou men inderdaad misschien wel een mystieke trek
kunnen onderscheiden, het zoeken naar een aanvaardbaar besef van God met wie geen identificatie mogelijk is.
Hij blijft immers de eeuwige, de onbereikbare eerste beweger. Nergens kan er echter bij Gezelle sprake zijn van
iets dat enige gelijkenis zou vertonen met een of andere vorm van mystieke extase, al kan het zijn dat de lezer
hier en daar soms wel onder de indruk komt van zijn diepe vroomheid, die de weg afbakent waarlangs hij Gods
wereld wil verstaan, of daar toch minstens iets van wil ervaren.
Maar we doen er goed aan te bedenken dat Gezelle een dichter is "uit een voltooid verleden
tijd", zoals J.J.M. Westenbroek schrijft, en dat een objectieve interpretatie van teksten van een dichter uit de 19de
eeuw bijna onmogelijk geworden is. (Gezellekroniek 8, b1z. 10-11)
Al dikwijls heb ik in het oeuvre van Gezelle gezocht naar de psalmen. Hij die zo aan zijn
brevier hield en trouw het getijdengebed bad... daar moesten volgens mij toch reminiscenties van terug te vinden
zijn in zijn talrijke religieuze gedichten. Maar tot nog toe bracht alleen de lectuur van het goed gedocumenteerde
boek dat Jan Persyn in 1975 over Juliaan Claerhout publiceerde (Juliaan Claerhout 1859-1929, Gemiste kans of
menselijk tekort?), me op een spoor. Zo realiseerde ik me dat Gezelle ooit psalm 128 vertaalde op zijn eigen
dichterlijke wijze (T 179, 1-12). Toevallig ontdekte ik dus wat ik al lang zocht: Gezelle en de psalmen.
Claerhout was in 1883 nog priester-student, maar hij was ook al sinds een hele tijd
een ijverige medewerker van de Kortrijkse kapelaan, de meester-dichter die - zoals bekend - te allen tijde bereid
gevonden werd om bepaalde mensen te plezieren met een gelegenheidsgedicht. Zo vroeg Juliaan Claerhout
hem in 1883 ook om een vers ter gelegenheid van het gouden priesterjubileum dat Karel Nisse, pastoor van zijn
parochie te Desselgem, vierde op 11 december 1883. De aanhef van het gedicht ging als volgt:
Gelukkig zijn die al, die God den Heere vreezen,
die zijne wegen gaan, gelukkig zijn die al! ,
Uw handwerk zal u voën, `k zal uwe welvaart meerzen,
en al hetgeen gij doet u voorspoed brengen zal.
Uw' bruid, een wijngaardrank gelijk, vol zware bezen,
zal 't huis waarin gij woont versieren, te allen kant;
uw' kinderen zullen als oliventelgen wezen,
rondom uw tafelberd, als eene kroon geplant.
Aanschouwt, zoo zult gij, zoon des menschen, zijn gezegend,
die Gods bevelen met Godvrezendheid vervult:
God zegene u, aanschouwt, uit Sion afgeregend,
't geluk.Ieruzalems, zoo lang gij leven zult!
In de oude Canisiusvertaling klinken deze verzen uit psalm 128 als volgt:
Gelukkig hij, die Jahweh vreest,
En zijn wegen bewandelt.
Want van uw arbeid zult ge eten, Voorspoedig en gelukkig zijn!
Uw vrouw zal zijn een vruchtbare wingerd Binnen uw huis;
Uw zonen als ranken van de olijf
Rondom uw dis.
Zie, zo wordt de man gezegend,
Die Jahweh vreest;
Zo zal Jahweh uit Sion
U zegen bereiden!
Dan moogt ge Jerusalems heil aanschouwen.
Er kan ook nog verwezen worden naar Kerkhofblommen, waar Gezelle een
prachtige parafrase gaf van psalm 130 "De profundis".
De profundis! klonk de bede,
De profundis! zuchtte `t huis,
`t huis, en al die knielden mede,
in godvruchtig stemgedruisch.
Uit de diepten roepe ik, Heere,
hoort, ik bidde u, naar mijn'stem!
wilt uw oor te mijwaard keeren,
die om bijstand biddend bem!
Sloegt gij al mijn zonden gade,
Heer, wie `n zou met ondergaan?
Neen, bij u daar is genade,
Heere, uw spreken houdt mij staan!
Staande blijve ik op uw spreken
en ik hope in u, o Heer!
van het vroegste morgenbreken,
tot des avonds wederkeer.
Want bij u is medelijden,
is verzachten des gekwels,
grooter als het wederstrijden,
als de boosheid Israëls.
Heere, dat hij ruste in vrede,
zei de priester, ende wij:
Dat hem, in alle eeuwigheden,
`t hemelsch licht geschonken zij!
De profundis! zong de bede,
De profundis! zuchtte `t huis,
zuchtten al die knielden mede,
met verstervend stem... geruisch.
(Kerkhofblommen, 175-202)
Constant Broos
GEZELLE, DE MODERNE
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 52, december 2007, blz. 11-15]
Woord vooraf
Op 2 juni 2007 heb ik te Mechelen voor leden van de Gezellekring een uiteenzetting
gehouden in de vorm van een PP-presentatie. Het onderwerp van dit betoog gaat over Gezelle, de
moderne. Daarin wil ik aantonen, dat de oude Gezelle in gedichten over natuur en bovennatuur de moderne
literatuur aankondigt. In wat volgt worden de twee delen van dat exposé uitgewerkt. Net als in de lezing zelf
worden beide voorafgegaan door een globale inleiding, waarin de poëtische kenmerken van oud en nieuw, van
traditioneel en modern bij Gezelle in een notendop aangegeven zijn. Dat gebeurt dan aan de hand van het
gedicht ’t Avondt, dat de lezer net als de andere behandelde gedichten, bijvoorbeeld, in ideale
omstandigheden aan kan treffen in Guido Gezelle, Volledig Dichtwerk, de onvolprezen, door J.Boets e.a.
verzorgde Jubileumuitgave 1899-1999 (dundrukeditie). Voor hun identificatie gebruik ik dan ook zijn
gegevens.
Een transfiguratie
De literatuuraspecten stijl en stroming worden hierna besproken in het gedicht
’t Avondt (R. 198, 1895?). Eerst komen de stijlkenmerken ter sprake. In de amper zes verzen van dit
gedicht werkt de lezer mee aan de transfiguratie van een natuurgebeuren. Het scheppingsproces, door de
dichter op gang gebracht, blijft bestendig in de lezersverbeelding aanwezig: hij ziet hoe de dag er actief in de
nacht overgaat. Gezelle realiseert de genesis van het allesomvattende natuurfenomeen zo, dat de geladenheid
ervan de omvang van de tekstgegevens op een verbluffende wijze overstijgt. Een uitvergroting als deze komt op
zich al modern over. Door een trefzeker, doorzichtig gebruik van klassieke stijlmiddelen wordt dat uitdeinende
tijdsmoment gestuwd. Zo klinkt aldoor herhaling, letterlijk of als synoniem, in de verzen 1, 2-3 en 5. Rijm-, staf- en
binnenrijm echoën twee- of drieledig uit de hele omvang van het gedichtje. Kortom, al die symmetrische
stijlmiddelen brengen de met elkaar verbonden onderdelen van deze natuurevocatie muzikaal naar het finale
orgelpunt van v. 6. Daarin krijgt Gezelles magistraal geleide creatie van zes verzen zijn definitief beslag. De
incarnatie van een kosmisch natuurtafereel is dan voltooid: gaaf en af. En dit nachtelijke moment van eindeloze
harmonie brengt de poëziegevoelige lezer dan ook in een als absoluut ervaren bestaansrust.
Vervolgens, in ’t Avondt verwerkt Gezelle vertrouwde en vernieuwende literaire
stromingen. Vooreerst ontleent hij de klassieke stijlmiddelen, in de vorige alinea toegelicht, aan het
classicisme. Over het hele gedicht hangt, ten tweede, een romantische avondstemming met wat
Weltschmerz ("treurig"). Ten derde, de beschrijving van deze nachtscène doet hij realistisch. Wat
hierbij opvalt, is de suggestie van actie, beweging, mutatie in het oproepen van dit geheimzinnige nachtgebeuren.
Dat blijkt uit het volgende: "avonden" is een werkwoord, de zon is aan het zinken, de geuren verspreiden zich, de
stilte stijgt op, gelijk met het vallen van de avond en de nacht dooft de dag. Dan is er het sensitivisme van
het "geurig reukwerk" naar betekenis en binnenrijm. Sensitivisme ook in beeld en stafrijm van het laatste vers: de
sterke geur van de dagkeers associeer je wat graag met wierook of met het parfum van lindebloesems. En
eindelijk begint de sprekende rijkdom van het symbolisme met de stafrijmen uit v. 1-2: trage en treurig zinkt de
zonne nederwaard. Maar het laatste vers zet hierbij toch de kroon op het werk. In het tot ritueel gepromoveerde
symbool van het haast priesterlijke uitnijpen gaat de buitenwaartse blik van de waarnemer definitief naar de
binnenwaartse over. Deze regel formuleert dan ook de kernidee in de vorm van een contrastrijke (dag - nacht),
maar nu vanzelfsprekend geworden metafoor vol nachtelijke symboliek: Novalis
(Hymnen an die Nacht) en Verlaine (Chanson d' automne) in één vers!
NATUUR
Wolkenwarrel en appelkleurig feest
Titel en thema van Jam sol recedit (R. 184, 05-05-1897), het eerste gedicht van dit
eerste deel, heeft Gezelle van een hymne uit zijn brevier. In dit vers wordt een zonsondergang op een
impressionistische manier beschreven. De dichter zorgt meteen voor zintuiglijke stemmingskunst door het
opwekken van plastische ritmiek en picturale dynamiek in de eerste vier verzen. Het westerlicht is een wolkenspel,
de westerlucht een appelkleurig feest. Dan wordt de zinkende zon verpersoonlijkt aan het werk gezet: ze zorgt voor
kleur- en lichteffecten (v. 5-8). Die hele natuurbeschrijving zit, ten derde, weelderig in het contrast van
morgenstorm en avondrust gevat. Ze culmineert in een apotheose vol beeldspraak: de vergelijking van de
slotverzen (v. 9-12) en de definitieve verpersoonlijking van de laatste regel. Dit taaltafereel wordt de lezer
dwingend gepresenteerd met de nodige vertragingsmanoeuvres die hem tot intensief lezen verplichten. Ze
bestaan uit een arsenaal aan inversies, tussenliggende bepalingen en werkwoordconstructies. Kortom, een
impressionistisch licht- en kleurenfestijn in een kenschetsende Gezelletaal.
Dageraad bij hoognoen
De Dageraad (VD7J33 - Kortrijk, 8/9-03-1898), het tweede gedicht van dit kapittel,
is een breed uitgesponnen paradox: een dageraad bij hoognoen (Zie verder: A. Koestler, Darkness at
Noon!). Weer leidt de dichter de "poetieke gedachte" (A. Rodenbach) doelgericht naar het slotakkoord van het
laatste vers: de dageraad die dat eigenlijk niet is! De uitleg van die paradox zit gevat in vaste, symmetrische
wendingen (v. 2-3, 5-6, 7-8, 16-17, 19-20, 25-26). Toch maakt Gezelle het de lezer erg moeilijk met de vele
tussenzinnen, die de definitieve verklaring telkens weer uitstellen (v. 8, 10-11, 16, 19-20, 22-24, 26-30). Vooral in
de laatste strofe is dat het geval. Zo krijgt dit gedicht iets moeilijks en meanderachtigs. De lezer is dan ook weer
genoodzaakt bepaalde versregels telkens weer opnieuw te lezen. Het cryptische van de moderne poëzie is in
aantocht!
Nog op drie andere manieren is Gezelle hier modern. In de eerste plaats komt hij, nagenoeg
honderd jaar na Goethe, met een wetenschappelijke verklaring van het verschijnsel kleuren voor de dag: "een
dichtje op mijn ondervinden van 't gene men [...] couleurs complementaires heet". Zoveel jaren na de
Duitse dichter wordt dus ook Gezelle geboeid door de werking van het licht en de rol ervan in het ontstaan van de
kleuren. Ook modern is, ten tweede, de registratie van de vertekende waarneming. De ik-figuur ziet niet wat hij
ziet: het waargenomen licht van de zon zet alle kleuren op zijn kop en het creëert op die manier een ander
landschap voor de dichter. Zodat er zich ook een ander tijdstip van de dag voor zijn ogen ontrolt: 't is dageraad bij
hoognoen! Meer in detail blijkt het wit van die ene wolk niet meer te evenaren. Integendeel, zo wit is het felle, pralend
stralen van het zonnelicht op die ene wolkenrand, dat dit wit witter wordt dan 't witte wit van verse koemelk,
witgewassen schapenwol en verse sneeuw. En zo superlatief hyperbolisch klinkt Gezelles gévers, dat het zonnewit
van de wolk er a.h.w. "witter wast" dan wat moderne (wit)wasprodukten vermogen! En 't allerzwartste kolenzwart van
de brevierpagina's wordt door de "dolende" ogen van de dichter vermiljoen en hun rode letters slaan groen uit. Het
water van Leie en van bijrivieren en de haar omringende bomen worden door hetzelfde zonnelicht in een
reuzentafereel als dat van Claus' Koeien in de Leie herschapen. Die buitenwaartse blik op licht en kleur
heeft, ten derde, Gezelles binnenwaartse blik geactiveerd. Dankzij zijn "oogen die willen dolen". Al wordt dat
dwalen buiten de context van bet gedicht wetenschappelijk verklaard: wetenschappelijker nog dan Goethe
vroeger in staat was te doen. Wat een machtige definitie voor de ogen van de expressionistisch bezig zijnde
dichter of schilder: het gaat om "oogen die willen dolen", die door een haast erotische zinnenervaring zo hyperactief
geprikkeld zijn, dat ze op een dwaalspoor zijn gebracht en de dichter verplichten die dwaling te vertalen in een
verkleurde, ja herkleurde versie van bet expressionistisch ervaren landschap, dat van hoognoen in een dageraad
terecht gekomen is. Want wat is het resultaat van die binnenwaarts geworden ruimtebeleving? Het is een weliswaar
vertekende, maar "waardere werkelijkheid" (Van Gogh). Het verschijnsel middag is tot dageraad omgetoverd. Laat
een 19de-eeuwse, academisch geschoolde, traditionele kunstschilder nit die tijd De Dageraad naar de
letter naschilderen, wedden dat het een schilderij op zijn Claus zal worden en dus een modern schilderij
tussen im- en expressionisme... luminisme dus. En dat tegen de schildersvoorkeuren en -gewoonten van de
aan het werk gezette zondagsschilder in!
BOVENNATUUR
Eenvoudige diepzinnigheid
Het vroeger bekende kinderlied O liefste Jesu zoet (VDSG14 - 1897), op tekst van
Gezelle, is in de eerste persoon vanuit het perspectief van een (eerste communie-)kind geschreven. Weer
brengt Gezelle de poëtische gedachte trefzeker op haar plaats. Het biddende verlangen naar hartenruil met Jezus
loopt op de hartenwens van het kind uit: zijn ziel verenigd te voelen met die van Jezus zelf. Maar deze uitleg staat
eigenlijk al haaks op wat dit lied op de rand van het sentimentele vertolkt. Want de eenvoudige verwoording van
zoveel diepzinnigheid doet onwillekeurig denken aan latere, "zakelijke" dichters als Elsschot, Minne, Slauerhoff en
Nijhoff. Bovendien stoot de lectuur enkele keren op een modern klinkende beeldspraak, die de lezer in zijn diepste
existentiële zielennood ontroert. Dat is devotionele poëzie van de beste soort, want pure poëzie die De
Wolken en Novalis, beide van Nijhoff, evenaart in het alternerende spel van beeld en tegenbeeld. Totdat
zich het tweede in het eerste verliest. Kan een dichter mystiek verlangen naar eenwording zo simpel zeggen in de
ultieme suggestie van de gelijktijdig en eenstemmig geworden hartenklop? Natuurlijk! Daarom kreeg dit lied dan
ook geen plaats in druk en herdruk van Zingt.Iubilate!
Oceanic Sense
Het begrip oceanic sense komt van Freud. In zijn Beschouwingen over Cultuur.
Het onbehagen in de Cultuur heeft hij het over "de toekomst van een illusie". Met die begoocheling bedoelt hij
de godsdienst. In dat verband verwijst hij naar een brief van Romain Rolland, een Nobelprijswinnaar voor literatuur.
Het blijkt dat deze laatste het met Freud erover eens is dat "godsdienst een illusie" is, maar hij betreurt het, dat de
beroemde psychiater de bron van godsdienstigheid niet naar waarde schat. En die bron is "het bijzondere gevoel,
de opmerkelijke gewaarwording van de `eeuwigheid', van iets dat onbegrensd, onbeperkt, a.h.w. `oceanisch' is". lets
onpeilbaar diep en eindeloos wijd als de oceaan dus.
In wat volgt wordt oceanic sense behandeld, zoals het in Darkness at Noon van
Arthur Koestler en In speculo (VD7J6-16-04-1897) van Gezelle in zijn door Freud omschreven betekenis
terug is te vinden. Eerst komt Darkness at Noon aan de beurt. Aan deze beroemde roman schreef Koestler
van oktober 1938 tot april 1940. Het boek is gesteund op de beruchte zuiveringsprocessen uit de tijd van Stalin, de
beruchte dictator van de Sovjet-Unie, en gaat over Roebasjow, na de eerstgenoemde de nummer twee van de
communistische partijleiders. Ook Roebasjow wordt uiteindelijk aangehouden, gehoord, ter dood veroordeeld en
terechtgesteld. Aan bet eind doet deze roman denken aan de kruisdood van Christus, zoals die, onder meer, door
Matteus beschreven wordt en er "[v]anaf het zesde uur [...] een duisternis [viel] over het hele land, tot aan het
negende uur toe" (27,45). Is het voor Roebasjow ook "nacht op de middag"? Want ook hij gaat gefusilleerd worden,
hoewel hij weliswaar de verwezenlijking van het staatsprogramma volgens de partijlijn heeft nagestreefd, maar uit
gewetensnood toch schuld bekent, omdat hij meent hoe dan ook de Sovjetstaat naar de geest verraden te hebben.
In de isoleercel heeft hij tijd voor een "zuiverend" gewetensonderzoek, waarin hij de
concrete situatie van zijn politiek optreden overziet. Hij stelt vast dat hij aan de bevrijdende klassenstrijd naar
behoren heeft meegewerkt. Toch knaagt het aan zijn geweten, dat het blinde nastreven van de communistische
partijdoelen in de loop der jaren zoveel onmenselijk lijden veroorzaakt heeft. Was het niet heilzamer geweest de
puur naar de partijvoorschriften gevoerde strijd voor de ontvoogding van de arbeidersklasse op een menselijker
manier aan te pakken? Hij zit dan ook, net voor zijn terechtstelling, te tobben over bet verschil tussen zinvol en
zinloos lijden, ook in de gevoerde klassenstrijd. Dat muizeneren leidt hem naar de term oceanisch gevoel, naar de
man die hem formuleerde (Freud!) en naar de diepere uitwerking ervan. (*)
"Soms kon hij onverwacht antwoord geven op een wijsje, of zelfs de herinnering aan
een melodie, of van de gevouwen handen van de Pieta, of van bepaalde scenes uit zijn jeugd. Alsof een stemvork
aangeraakt werd, waren er dan antwoord gevende trillingen, en wanneer dit eens begon, werd een toestand
geschapen, die de mystici `extase' en de heiligen `contemplatie' noemden; de grootste en eenvoudigste van de
moderne psychologen had deze toestand als een feit erkend en het oceanische gevoel genoemd. En inderdaad, je
persoonlijkheid loste op als een korrel zout in de zee; maar terzelfder tijd scheen de eindeloze zee vervat te zijn in
de korrel zout. De korrel kon niet langer gelokaliseerd worden binnen tijd en ruimte. Het was een toestand, waarin
het denken zijn richting verloor en in een kring begon te gaan als een kompasnaald bij de magnetische pool; totdat
het ten slotte losraakte van zijn as en vrij in de ruimte zwierf, zoals een lichtbundel in de nacht; en totdat het scheen
dat alle gedachten en alle gevoelens, zelfs pijn en vreugde zelf, slechts spectrale lijnen waren in het prisma van
het geweten". [A. Koestler, Nacht op de middag (vert. Koos Schuur), Brussel, 1973, pp. 227-28]
Uit Gezelles bundel Laatste Verzen (1901) komt "In Speculo". Ook in dit
aangrijpende hoogtepunt van Gezelles gave dichtwerk weerklinkt Freuds merkwaardige gewaarwording van de
eeuwigheid. De ik-figuur wordt overvallen door een eeuwwendegevoel (1897!), een bestaansangst bij bet besef,
dat de eeuw die voor de deur staat allerlei dreiging in zich bergt. Die overtuiging gaat gepaard met een onblusbaar
"zielgezucht" naar "eene eeuwigheid", dat al zweemt naar oceanic sense:
Daar komt toch eens,
ten oosten uit, een dagen,
een dageraad,
eene eeuwigheid, die niet
meer weg en kan
noch weder, noch vertragen
het zielgezucht,
dat zoekt en niet en ziet.
De bovenstaande eeuwigheidshunker - "bron van religie" - wordt in de laatste strofe
bevredigd door het troostvolle oceanische gevoel, waardoor de ik-figuur aangestoken wordt en dat er op een
onnavolgbare wijze verwoord is:
Mijne ooge zal
eens vol U zien, en varen zoo 't druppelken
in zee, dat is versmoord:
zij zal U zien,
verafgrond in de baren
der ziende zee,
die bedde en heeft noch boord.
* In zijn boek Janus - A summing up (1978 - in 1981 vertaald verschenen
als De Menselijke Tweespalt) vertelt Koestler eigen gevangeniservaringen, "die [hem] het 'oceanische
gevoel' van mystici dicht leken te benaderen". Hij noemde deze belevenissen 'de uren bij het venster' en
kenschetste ze als 'het credo van een agnosticus' [iemand die meent dat God niet te kennen is]. Dat alles maakte
hij mee in een Spaanse cel tijdens de Burgeroorlog, toen hij door de Nationalisten was opgepakt op verdenking
van spionage en hij de terechtstelling riskeerde. Al in 1953 had hij die 'mystieke' momenten van geestelijke
verrukking en oceanic sense uitvoeriger beschreven in The Invisible Writing.
Jef Van Meensel
GEZELLEBEDEVAARTEN NAAR HET KLEIN SEMINARIE
[Uit : RIJMTIJD, ledenblad van de guido gezellekring, nr 53, maart 2008, blz. 14-15]
In het archief van het Klein Seminarie van Roeselare bevindt zich een boek dat op de
binnenbladzijde het opschrift “Jaarboek van het Klein Seminarie" draagt. Het boek werd bijgehouden door
superior Leo Devroe, die tussen 1894 en 1908 het vermaarde instituut leidde. Sinds 1895 noteerde hij er kort
de belangrijkste gebeurtenissen die zich in de loop van een schooljaar voordeden. In het boek zit ook een klein
naamkaartje (9,4 x 4 cm.) van de Nederlandse J. Aleida Nijland. Op 13 augustus 1903 bracht zij een bezoek
aan de school.
Aleida Nijland (1870-1950) was lerares en schrijfster. Zij woonde in Amsterdam en
promoveerde in 1896 met haar proefschrift Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift. In 1904 gaf
zij Guido Gezelle. Gedichten. Bloemlezing uit. Het was wellicht als voorbereiding op dit werk dat zij in
Roeselare te gast was. Op haar achtergelaten naamkaartje schreef zij: “13 oogst 1903, kwam Dr. J. Aleida
Nijland op Gezellebedevaart, het Klein Seminarie bezoeken, om de plaatsen te zien waar Gezelle geleefd
en gedicht heeft".
Een jaar na de Gezelle-uitgave gaf zij een bloemlezing met werk van Albrecht
Rodenbach uit en in 1906 volgde een bloemlezing van Jacques Perk. Later publiceerde zij nog over Jacobus
Bellamy en Joost van den Vondel.
Gezellebedevaarten bestaan overigens nog altijd. Geregeld zie je de ‘bedevaarders' voor
de poort van de dreef van het Klein Seminarie halt houden. Het zijn vaak wat oudere mensen, met een boekje of
een brochure van de toeristische dienst in de hand, die eerst doorheen het hek het standbeeld van Gezelle
bekijken, zich dan vermannen en, zij het wat aarzelend, in de sporen van de grote dichter de dreef binnenstappen.
De allerstoutsten wagen zich zelfs tot in de gebouwen. Het is natuurlijk veiliger vooraf een afspraak te maken, want
op vakantiedagen bevinden zich sommige Gezellianen voor een hermetisch gesloten complex.
In de loop van 2007 kreeg ik in het Klein Seminarie, waar ik lesgeef en mij ontferm over het
uitgebreide schoolarchief, het bezoek van een Gezellezoeker uit Parijs. Broeder Valere Joseph is een jonge
benedictijn, die momenteel verblijft in de priorij van Herchies in de provincie Henegouwen. De priorij is een
gerestaureerde middeleeuwse kasteelhoeve, gelegen naast een schitterend natuurdomein, waar elke lente de
nachtegaal en zelfs de blauwborst zingen: een op en top gezelliaans decor dus. Broeder Valere kwam met
Gezelles werk in contact via een Vlaamse priester die zich als gevangenisaalmoezenier in Bergen nuttig maakt en
een halve eeuw geleden op de schoolbanken zat in het Roeselaarse Klein Seminarie. Twee jaar geleden begon
de broeder met de hulp van zijn oudere confrater Nederlands te leren met de bedoeling de gedichten van Gezelle
in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen.
Met broeder Valere wandelde ik door de oude collegegebouwen. Ik toonde hem de oude
bibliotheek en enkele geschriften van of over Guido Gezelle. “Een gedicht van Gezelle lezen is voor mij hetzelfde
als bidden", bekende de broeder in vlot Nederlands. “Toch is veel van zijn poëzie voor mij moeilijk te begrijpen. Ik
zal nog veel moeten studeren om hem volledig te vatten."
Ook de leerlingen van het Klein Seminarie zelf zijn hun voorganger niet vergeten. In 2006
maakte een groep laatstejaars zelfs een Gezellefilm met als titel Het Gezelle Geheim. De film werd toen
aangekondigd als “een historische thriller met een kwinkslag en een Roeselaarse invulling". Gezelle wordt
aangeklaagd wegens plagiaat, net op het moment dat zijn eigen manuscripten spoorloos verdwijnen. Er begint
een spannende strijd tussen de Gezellevrienden en hun tegenstanders, maar alles loopt goed af. De leerlingen
wisten zelfs voldoende sponsorgeld bijeen te krijgen om hun film op dvd uit te geven. Het ontbrak de
initiatiefnemers, die zelf instonden voor script, techniek, opnames, regie, spelers… niet aan ideeën en
enthousiasme, maar het minpunt situeert zich precies bij datgene wat Gezelle zo nauw aan het hart lag:
de taal. De dialogen zijn niet altijd even goed verstaanbaar en gebeuren vaak in een tussentaal, in
een ‘verkavelingsvlaams' dat we ook dagelijks op het televisiescherm moeten aanhoren. Voor de
liefliebbers: Het Gezelle Geheim is nog steeds te koop op het schoolsecretariaat.
Johan Strobbe
|