In Prades, in het zuiden van Frankrijk aan de
voet van de Pyreneeën, zag Thomas Merton het levenslicht op 31
januari 1915. Zijn ouders die beiden kunstenaars waren en die in die
zin "verheven waren boven het niveau van de wereld zonder er
nochtans van bevrijd te zijn", waren geen oppervlakkige mensen.
Als hij over hen spreekt, zegt hij dat voor hen "geluk niet
alleen een kwestie van natuurlijke gaven was". (Al de hier geciteerde teksten komen uit
Louteringsberg)
Zijn vader, Owen Merton, afkomstig uit Nieuw
Zeeland, was na zijn schildersopleiding in Londen naar Frankrijk
getrokken. Daar was hij niet alleen verliefd geworden op het Franse
landschap, hij had in Parijs de Amerikaanse Ruth Jenkins leren
kennen, een vrouw "met een groot verlangen naar
volmaaktheid". Op 7 april 1914 werd hun huwelijk bezegeld te
Londen, waarna het jonge paar zich ging vestigen in Prades.
In Frankrijk waar toen de oorlog woedde, begon de
eerste etappe van Mertons lange zwerftocht, toen de familie eind
juli 1916 in Bordeaux inscheepte met bestemming New York. De
grootouders langs moederskant in de Verenigde Staten waren bezorgd
om hun kinderen en ze verlangden ook hun eerste kleinkind te zien.
Toen het jonge gezin zich op Long Island gevestigd had, werd daar in
november 1918 een tweede zoontje John Paul geboren. Over zijn
moeder, die in 1921 stierf ten gevolge van maagkanker, schreef
Merton: "Ze wilde dat ik onafhankelijk zou zijn en niet met de
kudde zou meelopen. Ik moest oorspronkelijk zijn, ik moest een
vastomlijnd karakter hebben en eigen idealen. Ik mocht geen
confectieartikel worden naar de gewone burgerlijke snit, naar het
gemiddeld model van jan-en-alleman".
Ze wilde ook dat haar kinderen opgroeiden zonder
enige formele godsdienstige vorming. Op dit punt moesten ze later
hun eigen weg zoeken meende ze. Toen moeder erg ziek werd en lang in
het hospitaal verbleef, verhuisden de kinderen naar de grootouders.
De kleine Tom mocht zijn moeder niet bezoeken maar ze bezorgde wel
een briefje aan de zesjarige knaap, waarin ze hem meedeelde dat hij
haar nooit meer zou zien en dat ze spoedig zou sterven. Later als
volwassen monnik noteerde hij daarbij: "De dood was onder zulke
omstandigheden alleen maar iets lelijks en als er geen enkele
diepere zin aan kon worden gehecht, waarom zou men dan de geest van
een kind met de aanblik ervan belasten?"
Zijn vader had andere opvattingen over godsdienst
en hij had op dat vlak ook merkelijk meer invloed op zijn zoon. In
Mertons autobiografie is het beeld van zijn vader veel warmer, wat
natuurlijk niet zo verwonderlijk is. Jaren lang zal hij met zijn
vader optrekken, terwijl hij zijn moeder slechts kende tot aan zijn
zesde levensjaar. Owen Merton, die vooral financieel erg
onafhankelijk wilde zijn van zijn schoonvader Samuel Jenkins en die
toch verplicht was beroep op hem te doen daar hij alleen de zorg
voor zijn twee kinderen niet aankon, moet vooral in de eerste jaren
na de dood van zijn vrouw wel heel wat problemen gekend hebben. De
verkoop van zijn schilderijen had hem in feite nog nooit voldoende
inkomsten bezorgd om normaal te kunnen leven. Bij al zijn reizen
tussen 1922 en 1925 had hij de Amerikaanse schrijfster Evelyn Scott
leren kennen voor wie hij meer dan alleen maar vriendschap opvatte.
Tom moet erg vijandig gestaan hebben tegenover haar, maar na enkele
tijd liep deze relatie op niets uit. Op 25 augustus 1925 trokken
vader en zoon naar Frankrijk met de bedoeling zich daar te vestigen.
In het zuiden van het land, in het dal van de Aveyron, vonden ze
Sint Antonin. Vanuit dit middeleeuws vervallen stadje werd Tom
geplaatst op het Lycée Ingres te Montauban. Toen alles erop wees dat
de jongere John Paul zich bij hen zou kunnen voegen zodat de familie
weer volledig zou zijn, maakte vader plannen om naar Engeland over
te steken. De beide zwervers gingen in Ealing ten zuiden van Londen
wonen. Er werden schikkingen getroffen opdat Tom zijn studies zou
kunnen voortzetten, eerst in Ripley Court en daarna in Oakham.
Er kwam weinig of geen verbetering in de financiële
toestand van vader Merton, maar in juni 1930 had de bemiddelde
grootvader van moederskant een regeling uitgedokterd, waardoor de
beide kinderen ongehinderd verder zouden kunnen studeren. In
diezelfde tijd nam Tom zijn intrek bij zijn peter en voogd Tom
Bennett, een Londense chirurg met een Franse vrouw, "waar hij
tamelijk nauwkeurige waardenbepalingen leerde, doch volgens volkomen
mondaine en cosmopolitische normen". In die zomer werd vader
opgenomen in het Londense Middlesex hospitaal waaraan Tom Bennett
verbonden was. De uit Amerika overgekomen grootouders bezochten Owen
Merton regelmatig samen met de kinderen. Na verscheidene heelkundige
ingrepen overleed vader op 18 januari 1931. Hoe de verweesde Merton
het leven toen zag, kan hij best zelf verwoorden: "Na de dood van
mijn vader bleef ik een paar maanden neerslachtig. Maar dat sleet
tenslotte af. En toen dat gebeurd was, had ik niets meer dat mij
ervan weerhield, te doen wat ik wilde. Ik verbeelde mij dat ik vrij
was. En het zou vijf tot zes jaar duren vooraleer ik ontdekte, in
wat voor een verschrikkelijke gevangenis ik was geraakt".
Zijn reis naar Rome in 1933 waar hij "een
pelmgrim werd zonder er enig vermoeden van te hebben", is zeker
een heel belangrijke gebeurtenis in zijn jong leven geweest. Wat hij
in verband met zijn bezoek aan de Santa Sabinakerk schrijft, is
waard herlezen te worden: "Ik ging naar de Santa Sabina, de kerk
van de Dominicanen. En het was een zeer ingrijpende gebeurtenis,
iets dat neerkwam op een capitulatie, een overgave, een bekering,
ook nu nog niet zonder strijd, toen ik welbewust die kerk binnenging
met geen andere bedoeling dan er neer te knielen en tot God te
bidden. Anders knielde ik nooit in die kerken en schonk er nooit
enige formele of officiële aandacht aan wiens huis het was. Maar nu
nam ik wijwater bij de ingang en liep recht naar het altaar waar ik
neerknielde en langzaam met al het geloof dat in mij was, het Onze
Vader bad".
Het schooljaar 1933-34 in Cambridge aan het Clare
College is duidelijk het dieptepunt in de ontwikkeling van de
eigenwijze jonge man, die zich als hoogste levensdoel gesteld had
alles in de wereld te grijpen wat hij kon. De hoogste norm en het
enige doel was te genieten van het leven in een ongeremd streven
naar de ontplooiing van al zijn menselijke capaciteiten. Vast staat
dat er in die tijd iets gebeurd is. Het verhaal van The Seven
Storey Mountain klinkt plots anders en valt hier als het ware
stil. Er is iets dat hem heel diep heeft aangegrepen en waaraan hij
later nog vaak terugdenkt. Er leeft een hardnekkig gerucht dat hij
in die tijd een onwettig kind zou verwekt hebben. Het is zeker dat
hij, na enkele keren in Londen op het matje te zijn geroepen door
zijn voogd Tom Bennett, in november 1934 voor altijd Engeland
verliet en zich ging vestigen in de Verenigde Staten. Aan de
Columbia University ging hij zich volop bezighouden met allerlei
dingen: hij volgde vele colleges, werkte mee aan verschillende
studententijdschriften, deed aan sport en bracht ook nog heel wat
tijd door in de cafe's.
In 1936 en 1937 stierven zijn beide grootouders
kort na elkaar en Merton herinnert zich dat dit voor hem de
aanleiding was om opnieuw te bidden. Maar vanuit de abdij Gethsemani
waar hij zijn autobiografie schreef, kon hij zijn geestesgesteltenis
van toen toch niet anders verwoorden dan als volgt: "Ongeveer een
jaar lang zou de adelaar eten van het ingewand van de zielige
Prometheus, die ik geworden was... Ik was de wereld ingetrokken die
ik had menen te plunderen en te beroven, om alle genoegens, alle
bevrediging die zij kon geven tot de mijne te maken. En ik ontdekte
dat ikzelf beroofd en leeggeplunderd was... Door alles te grijpen,
had ik alles verloren. Ik was bezig dood te bloeden."
Op een dag in 1938 besloot hij een mis bij te wonen
in de Corpus Christikerk in New York. Een tijdje later ging hij de
pastoor van die parochie opzoeken en maakte de afspraak zich te
willen voorbereiden op het doopsel. Voortgaande op wat hijzelf
vertelt over de gebeurtenissen uit die tijd, valt het op dat hij erg
zelfstandig en heel zelfbewust te werk ging. Hij vroeg aan niemand
raad en bracht zijn vrienden slechts op de hoogte toen alles beslist
was. Toch realiseerde hij zich wel dat de weg die hem tot het
doopsel bracht op 18 november 1938, niet zo eenvoudig was.
"Ondanks al mijn studeren en lezen en mijn gesprekken, had ik nog
altijd maar een zeer gebrekkig inzicht in de betekenis van hetgeen
met mij stond te gebeuren. Ik stond op het punt aan wal te gaan aan
de voet van de hoge louteringsberg met zijn zeven terassen en die
berg was veel steiler en moeilijker dan ik mij kon voorstellen; ik
vermoedde in het geheel niet, hoe zwaar het klimmen zou vallen."
Hij meende, zo schreef hij toch in zijn
autobiografie, dat hij na zijn toetreden tot de katholieke kerk
eigenlijk niet deed wat hij had moeten doen, dat hij leefde als een
doorsnee middelmatige christen. Hij stelde vast dat de bekering van
het verstand niet voldoende was. "Wat ik nodig had, was de
eenzaamheid om in de breedte en in de diepte te groeien en eenvoudig
te worden onder Gods ogen, zoals een boom zijn bladeren uitspreidt
in de zon".
Reeds vanaf zijn toetreden tot het christendom
leefde in hem het verlangen om priester te worden. In september 1939
besprak hij met Dan Walsh, zijn professor en levenslange vriend, de
mogelijkheid om franciscaan te worden. Definitieve afspraken werden
gemaakt om bij de franciscanen in te treden in augustus 1940. Toen
hij hen echter even later in alle eerlijkheid meende te moeten
vertellen wat er in zijn vroeger leven allemaal gebeurd was, werd
hij prompt geweigerd. Wel aanvaardde hij een onderwijsopdracht aan
hun Sint-Bonaventuracollege in Olean waar hij toen ook ging wonen.
De rust en de afzondering die hij daar vond stelde hij erg op prijs.
In de Goede Week van 1941 ging hij op retraite bij
de trappisten in de abdij van Gethsemani in Kentucky en nog
datzelfde jaar trad hij daar in. Eigenaardig genoeg werd hij daar in
dat strenge trappistenklooster, nog voor zijn priesterwijding in
1949, een wereldberoemd auteur. Van 1955 tot 1965 oefende hij in die
toen zeer drukbevolkte abdij de niet onbelangrijke functie uit van
novicemeester. Heel wat van zijn leerlingen uit die tijd, die nu nog
leven, hebben na Mertons dood sprekende getuigenissen ten beste
gegeven waarin ze hun grote waardering voor hun leermeester en
confrater uitgesproken hebben.
Zijn blijvend verlangen naar steeds grotere
eenzaamheid bracht hem er in augustus 1965 toe, te gaan leven als
kluizenaar in de wouden van het uitgestrekte domein van de abdij.
Toen hij in 1968 uitgenodigd werd om een toespraak
te houden op een bijeenkomst van Oosterse en Westerse monniken in
Bangkok, overleed hij aldaar op 10 december. Hij werd
geëlectrocuteerd door een slecht functionerende ventilator in de
kamer waar hij logeerde. Zijn lichaam werd overgevlogen naar
Gethsemani waar hij begraven werd op het
kloosterkerkhof.