Wanneer men echt wil begrijpen wat de heilige Bernardus voor onze
tijd kan betekenen,
dan moet men goed letten op de vooruitgang die er is gemaakt bij de bestudering van zijn
leven. Het staat inmiddels vast dat sinds 1953 (1) de kennis over zijn persoonlijkheid in twee
richtingen is uitgebreid: die van zijn eigen geschiedenis en die van de oorsprong van de
cisterciënzerorde waartoe hij behoorde. Bij veel beweringen die voor zeker werden
aangenomen, worden tegenwoordig weer vraagtekens gezet en bij menige gebeurtenis waaraan
men groot gewicht toekende, wordt nu meer voorbehoud gemaakt. Zo riep bijvoorbeeld alleen
al de naam Bernardus een andere naam op, die van Abélard, wat aan de kruistochten
herinnerde, die worden beschouwd als een schandvlek in de geschiedenis van de Kerk. Maar
over de omstandigheden van zijn verhouding tot Abélard en tot de tweede kruistocht
lijkt
momenteel behoorlijke verwarring te bestaan.
Een zo rijke persoonlijkheid als die van de heilige Bernardus kan niet meer het onderwerp van
een oppervlakkige beschouwing zijn. Daarom willen we eerst een korte levensbeschrijving
geven.
Zijn 'Heiligenlegende' werd, zonder dat hij het wist, tien jaar voor zijn
dood opgeschreven.
Sindsdien is zij steeds met de historische waarheid vermengd gebleven. Nu lijkt het ogenblik
gekomen om, zo duidelijk mogelijk, de historische Bernardus los te weken van de
legendarische die al te zeer door de iconografie is verspreid. Men bewijst noch Bernardus,
noch de Kerk die hij liefhad een dienst door voortdurend geruchten te verspreiden waarvan
men weet dat ze niet overeenkomen met de werkelijkheid.
Wat weten we van de jeugd van de heilige Bernardus? Hij heeft daar zelf nooit over gesproken.
Nooit heeft hij herinneringen opgehaald aan zijn leven vóór hij monnik werd. We kennen drie
getuigen uit die tijd, maar die zijn tendentieus.
Jammer is het ook dat Bernardus nooit iets heeft gezegd over zijn
studiejaren, terwijl
anderen dat graag deden, zoals b.v. zijn tijdgenoot Guibertus van Nogent, een andere monnik.
Het is jammer dat hij ons nooit in vertrouwen iets over zijn moeder heeft verteld, zoals b.v.
Petrus Venerabilis, een andere tijdgenoot. Het lijkt erop dat hij alles van zijn vroegere leven wil
vergeten.
Bernardus denkt niet aan het monastieke leven vóór hij twintig jaar is.
Tegen 1112, hij is
dan eenentwintig, denkt hij er ernstig aan om monnik te worden. In de tijd tussen zijn studie in
Saint-Vorles en die datum, leefde hij op het kasteel samen met zijn broers, zijn zus en vrolijke
kameraden. Reisde hij? Op die vraag moeten we het antwoord schuldig blijven. Over deze
levensperiode zwijgt hij volledig, net zoals over de daaraan voorafgaande. De stichtelijke
avonturen waarin hij zou zijn verwikkeld geweest, zeggen dus zo goed als niets over hem.
Het volgende verhaal is echter niet helemaal onwaarschijnlijk. Op reis
met enkele
metgezellen, ging Bernardus een kasteel binnen om daar te overnachten. De kasteelvrouwe
drong zich op onbeschaamde wijze aan hem op. Haar bedoelingen vermoedend schijnt hij
geroepen te hebben: "Help! Dieven, dieven!" Toen zijn kameraden hem de volgende dag
ondervroegen over de zogenaamde roof antwoordde hij: "Het ging om mijn reinheid, en de
kasteelvrouwe was daarin geïnteresseerd." Zou een dergelijk antwoord waar zijn, dan wijst het
niet op een duistere verdringing, maar op evenwichtigheid en innerlijke vrijheid. Bernardus
levert hier al het bewijs van de humor die hij op volwassen leeftijd in zijn werk laat zien.
Vanaf zijn achttiende tot zijn tweeëntwintigste of drieëntwintigste maakte hij deel uit van een
groep jonge, lanterfantende edellieden, die zich alleen maar bezighielden met jagen, zich te
mengen in de ruzies tussen verschillende kastelen, mee te doen aan toernooien of zich te
amuseren met gedichten en verhalen.
Tussen deze vrolijke makkers echter neemt hij blijkbaar geen genoegen
met oppervlakkige
kennis. Hij lijkt wel te worden verscheurd tussen datgene wat de zijnen van hem verlangen en
een roeping die van elders komt. Bernardus roept zijn broers en enkele bekenden bijeen en
deze luisteren naar zijn woorden waarmee hij hun het monnikenleven beschrijft waarvan hij
droomt en waarvoor hij hen enthousiast wil maken. Al snel stelt hij een duidelijk programma
op.
Dit voorbereidings-noviciaat schijnt ongeveer zes maanden geduurd te
hebben. Andere
jeugdigen, verwanten en vrienden sluiten zich bij hem aan. Ofschoon hij niet de oudste is in de
familie, is Bernardus onbetwist de meest invloedrijke, een echte leider. Maar waarheen zou hij
zich wenden om de monnikspij aan te trekken? Hij laat zijn keus vallen op 'Cîteaux', het
'Nieuwe Klooster' genaamd, dat sinds vijftien jaar bestaat in de buurt van Dijon. Van de twee
of drie jaren die hij dan in Cîteaux verblijft weten we niets. Zijn noviciaatsjaar en het
daaropvolgende jaar gaan in stilzwijgen en verborgenheid teloor. Zijn sterke persoonlijkheid
moet wedijveren met de dagelijkse eisen van het monnikenleven en de ontmoeting met God. Zij
moet wedijveren met zijn houding tegenover de groep die hij met zich mee in het klooster heeft
gebracht en tegenover de gemeenschap die hem heeft opgenomen. In juni 1115 wordt
Bernardus, onder abt Stefanus Harding, een Engelsman, naar Clairvaux gestuurd. Nadat hij
eenmaal tot zijn levenswijze heeft besloten, probeert hij deze zijn leven lang te verwerkelijken.
Het monnikenwezen bestond aanvankelijk uit eenzaamheid en
kluizenaarsbestaan, dat wil
zeggen: scheiding van de wereld om God te vinden in het gebed. Zoals ieder ideaal, werd ook
dit nooit volledig nageleefd. In de loop van een geschiedenis van bijna acht eeuwen, hadden de
monastieke instellingen zich aangepast aan de economische en politieke kaders van de
desbetreffende maatschappij. Over het algemeen leidde dat niet tot verval. Velen streefden
ernaar God te zoeken en te vinden en zich te heiligen. Maar het contact met de omgeving werd
steeds hechter. De binding met de regionale economie vormde een contrast met het
oorspronkelijke, bijna fantastische begrip van volmaaktheid. Tot dit ideaal wilde Bernardus
echter de hele monnikenorde terug voeren, te beginnen met de familie waartoe hij behoorde.
Aan het begin van zijn onderneming van totale hervorming staat de wens van een sociale
onthechting, een afstand nemen van de maatschappij, en wel op de eerste plaats op economisch
gebied, zoals het in het monnikenwezen gebruikelijk was.
Dat was ook de zin van de strenge liturgische hervorming die
Bernardus ondernam. Zijn
tijdgenoten werden zich dat weldra bewust. Zo kon een schrijver, Willem van Malmesbury,
beweren dat deze hervorming voor menigeen een onaangename vernieuwing inhield. Bernardus
voegde haar in in de cisterciënzerwetgeving en rechtvaardigde haar in een apologie waarin hij
blijk geeft van zijn scherpzinnigheid. Er bestaat wat onduidelijkheid wat betreft de uitleg van
deze apologie. Zij schijnt een kritiek te zijn op alles wat, volgens Bernardus, niet tot het
zuivere monnikenwezen behoort en daarbij maakt het niet uit of het om het oorspronkelijke
Cîteaux gaat of om Cluny.
In zijn levensbeschrijving zijn vier opeenvolgende stappen te
onderscheiden, waarin zijn
invloed zich vanuit een middelpunt - Clairvaux - steeds verder uitbreidt. Allereerst tot 1130, in
de richting van de religieuze en burgerlijke maatschappij van Frankrijk. Dan, van 1130 tot
1138, in de richting van Rome. Daarna, van 1139 tot 1148, de hele Kerk omvattend. Tot zijn
dood in het jaar 1153 vindt hij nog genoeg tijd om het Goddelijk Mysterie zo diepgaand te
overdenken dat hij er zijn mooiste bladzijden over schrijft.
Aanvankelijk speelde hij zijn rol vooral op het monastieke vlak, daarna
ook op het
kerkelijke en politieke, zonder ooit het intellectuele te verwaarlozen, tot hij de top van de
mystieke theologie bereikte. Men volgt Bernardus als het ware in zijn houding ten opzichte van
de monniken, van de maatschappij, van de Kerk en van God.
In de eerste periode van 1115 tot 1125 is hij vooral bezig met zijn
ordebroeders, daarna is
hij te zien in de straten van Frankrijk. In deze tijd heeft hij een zwakke gezondheid. In bijna
veertig van zijn brieven maakt hij daarvan melding, en het gaat daarbij niet om een literair
thema. Deze periode loopt van 1118 tot 1123. Bernardus geeft zelf toe dat hij te zwaar belast
is; hij slaapt niet genoeg, hij is een man die het lijden uit eigen ervaring kent.
Het is zijn eerste zorg als jonge abt om zijn klooster een solide
materiële basis te
verschaffen. De eerste tien jaren waren moeilijk. Men moest bouwen op de plek waar men zich
nu eenmaal bevond, in een kleine dalkom. Tegelijkertijd moest een landbouwbedrijf worden
opgezet dat voldoende levensonderhoud verschafte. Dit vereiste het verwerven en bewerken
van landerijen. De schenkingen blijven niet uit, zowel van de kant van de grondbezitters als van
de kant van de boeren. Gelukkig werd Bernardus, die vaak ziek of afwezig was, daadkrachtig
gesteund door twee van zijn broers. 1125 was een jaar van dure hongersnood en een nieuwe
opleving. Clairvaux zorgde op een behendige manier voor de noden van de boeren die
slachtoffer waren van een slechte oogst. Deze vrijgevigheid bezorgde het klooster nieuwe
sympathie.
Bernardus begon in de omgeving te reizen en bij iedere terugkeer
bracht hij jongeren mee,
edellieden of studenten, die hij had overgehaald. Sinds 1115 kon men van de 'grote buit van
Châlons' spreken, zodat er ieder jaar gerekend kon worden op twee nieuwe stichtingen.
Zeer vroeg verspreidde zich zijn invloed door zijn correspondentie. Het
aantal van de
brieven die hij heeft geschreven zal wel nooit bekend worden. Tot nu toe zijn er 550 gevonden.
Aanvankelijk werden zij voor Frankrijk geschreven, vervolgens voor Engeland en alle landen
tussen Zweden en Portugal, Ierland en Sicilië. In 1124 en het daaropvolgende jaar schrijft
Bernardus aan de aartsbisschop van Keulen, in 1126 aan een Romeinse curiekardinaal. Uit de
briefwisseling blijkt dat men vanaf deze tijd aandacht schenkt aan de geschriften van de jonge
abt van Clairvaux en dat zijn vaardigheid in het schrijven van brieven bekend wordt. Van zijn
twee beroemdste omzendbrieven is de ene, in het jaar 1120, gericht aan de kartuizers en die
gaat over de liefde tot God. De andere, die aan Bernardus' neef Robert lijkt gericht, is in
werkelijkheid een manifest dat voor de openbaarheid is bedoeld. Het gaat hierbij om een jonge
monnik die in 1119 van Clairvaux naar Cluny verhuisde.
Er is ook een aantal brieven, tussen eind 1124 en begin 1125, die
geschreven zijn vanwege
een grote pijn die Bernardus als monnik in het diepst van zijn ziel ervaart. Arnoldus, de eerste
abt van Morimond, een klooster dat op dezelfde dag als Clairvaux vanuit Cîteaux was gesticht,
had het besluit genomen om als monnik in het Heilig Land te gaan leven en hij was van plan
enkele jonge ordebroeders met zich mee te nemen.
Rond 1130 is Bernardus veertig jaar oud en sinds vijftien jaar abt. Hij is
al bij menige
religieuze aangelegenheid betrokken geweest. In Frankrijk heeft hij aan een concilie
deelgenomen. Hij is dus geen onbekende meer.
Maar nieuwe omstandigheden zullen zijn invloed nog vergroten en hem naar Rome voeren, het
centrum van de westerse christenheid. In de nacht van 13 op 14 februari 1130, terwijl
Honorius II op zijn sterfbed lag of direct daarna, koos een minderheid van kardinalen een
nieuwe paus met de naam Innocentius II, ongetwijfeld om een andere keuze uit hun college
voor te zijn. Toen de volgende middag de overige kardinalen hoorden van de vacant geworden
en inmiddels weer bezette apostolische stoel, kwamen zij tot een nieuwe keuze ten gunste van
een telg uit de familie Pierleoni, die de naam Anacletus II aannam. Zoals het in dergelijke
omstandigheden in Rome wel vaker voorkwam, was bij elk van beide kiesprocedures wel een
onregelmatigheid te constateren. Welke van de beide groepen was volgens de kerkrechtelijke
traditie de zogenaamde 'pars sanior', de partij met het beste oordeel? Temidden van
deze juridische problemen gold, zoals ook in eerdere gevallen, een verdienstelijk leven als een
doorslaggevend teken. Nu stonden de aanhangers van Innocentius echter bekend als tamelijk
strenge, naar verbetering strevende prelaten, terwijl de vertegenwoordigers van Anacletus, die
tot de Romeinse adel behoorden, eerder een overdreven belang hechtten aan het pauselijk
bestuursapparaat. Zij waren minder bekommerd om geestelijke vooruitgang dan om politiek.
In ieder geval was er nu een schisma en dat zou duren tot de dood van
Anacletus in 1138.
Onlangs is beweerd dat het feit dat de Pierleoni's afstammen van een uit het jodendom
bekeerde familie, van doorslaggevende betekenis was voor de gezindheid van zijn
tegenstanders. Deze zorg om een 'joodse paus' te vermijden is in de geschriften van Bernardus
zeker niet overheersend.
Enkele christelijke vorsten waren voor Anacletus, de monastieke ordes
echter voor
Innocentius. Het volk van Rome verzette zich tegen de laatstgenoemde, zodat hij in Frankrijk
zijn heenkomen moest zoeken. De koning van Frankrijk, Lodewijk VI, was een aanhanger van
Anacletus. Hij riep de bisschoppen en abten uit zijn rijk bijeen in Etampes om hun raad in te
winnen. Hij had onenigheid met Bernardus gehad, maar kon hem niet verhinderen te
verschijnen. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Bernardus hier niet heeft gesproken. De
belangrijkste invloed kwam van de benedictijnen: Petrus Venerabilis, Suger en Matthias van
Albano, de cluniasenzer kardinaal-legaat. Het concilie koos voor Innocentius. Er kan worden
vastgesteld dat Bernardus in deze geest als schrijver direct heel actief wordt. Vanaf dit tijdstip
schrijft en reist hij zeer vastberaden ten dienste van deze zaak en zal hij streven naar de
goedkeuring van de hele Kerk.
De reclamecampagne ten gunste van de beperking van het geweld
wordt gefundeerd in het
boek dat hij aan de tempeliers richt: 'Lof van de nieuwe militie'.
De tempeliers vormden aanvankelijk, tegen ± 1118, een groep
boetelingen die men
tegenwoordig als een geestelijke beweging zou bestempelen. In de zeer gevaarlijke situatie
waarin de christenen zich bevinden die in de Latijnse nederzettingen in het Oosten wonen of
daarnaar op weg zijn, zijn een defensief leger en een politiemacht noodzakelijk. Er is dus de
verleiding om gewelddadig op te treden. Het geweten kan slechts rein blijven wanneer zo min
mogelijk geweld wordt gebruikt en als het dan gebruikt moet worden, dat het dan uit liefde
gebeurt. Bernardus houdt de tempeliers zonder meer het uitzicht voor ogen van een
ontmoeting met Christus, want ook zij zetten hun leven op het spel. Of men nu zelf doodgaat
of de dood veroorzaakt, dat is het moment waarop iedereen wordt berecht in overeenstemming
met zijn liefde.
Bernardus is zich er heel goed van bewust dat er van hem een soort
betovering uitgaat
naar de adellijke hofdames. Maar hij is ook heel goed in staat om tegenover hen veeleisend te
zijn wanneer het erom gaat hen te stimuleren tot het beoefenen van de naastenliefde.
Ook het episcopaat is een sociale klasse — en niet de geringste —
waarop Bernardus
invloed heeft. De abt van Clairvaux zegt de kerkvorsten de waarheid recht in hun gezicht, zoals
hij dat ook doet bij de andere groten der aarde.
Bernardus is op het hoogtepunt gekomen van zijn invloed in Frankrijk
en in de Kerk. In
zijn eigen huis is hij soms niet onomstreden. Men bewondert hem, maar hij heeft ook zijn
temperament. Dat geldt ook voor zijn monniken, waarvan een aantal zijn broers en verwanten
zijn. En in dit familienetwerk lopen de gemoederen wel eens hoog op, maar dat wordt ook
weer snel vergeten.
Anderzijds groeit het aantal monniken steeds. De gebouwen zijn te
klein geworden. In de
gemeenschap is men van mening dat er opnieuw moet worden gebouwd aan de ingang van het
dal, op een ander terrein dat men heeft verworven. De prior, Geoffroy de la Roche-Vanneau,
heeft dit plan vanaf 1133 opgevat. Twee monniken die voorheen architect waren, Geoffroy
d'Avigny en Achard, en nog enkele medebroeders denken positief over het plan. Wanneer
Bernardus in 1135 op doorreis is in Clairvaux, bespreekt men het met hem. De economische
toestand van het klooster staat een nieuwbouw toe. Maar Guy, een broer van Bernardus, heeft
een andere mening op grond van de eenvoud. Want het gaat niet alleen om het bouwen. De
watertoevoer en andere behoeften zijn volgens hem te duur. Bernardus, met zijn liefde voor de
armoede, deelt zijn mening. Dat is het psychologisch klimaat in Clairvaux. Geen wettelijke
bepaling verplicht Bernardus ertoe om zich te voegen naar de meningen van de
kloostergemeenschap of van een raad. Het initiatief voor een raadpleging gaat in dit geval niet
van hem uit. Het waren zijn ondergeschikten die een probleem naar voren brachten dat hij niet
deelde en die een oplossing voorstelden die hem niet beviel. Toch onderwierp hij zich tenslotte
zonder dwang aan hen, hij die het orakel van de Kerk geworden was.
Latere schermutselingen 1139 - 1148
Enkele opzienbarende gebeurtenissen waarbij Bernardus betrokken is,
vinden op het einde
van zijn leven plaats. Elk is voorwerp van naarstig onderzoek; daarom kan ik hier niet op alle
details ingaan.
Ten tijde van Bernardus, en voor het eerst in de kerkgeschiedenis, vertakken zich religieuze
instituten binnen een algemene structuur die vasthoudt aan monastieke oerelementen. Vele
oude kloosters trachten zich te verenigen in een vrije, juridische band, maar met aanvaarding
van dezelfde gebruiken en dezelfde leefregels en zij vormen dan nieuwe ordes, in de ruime zin
van het woord. Ook ontstaan er nieuwe monastieke stichtingen, zoals de cisterciënzerorde.
Wat Cluny betreft, moet men onderscheid maken tussen de relaties van
Bernardus tot het
instituut en zijn geestelijk programma enerzijds en tot zijn toenmalige abt, Petrus Venerabilis,
anderzijds. Beide abten publiceren soms geschriften in de vorm van brieven, die echter in
werkelijkheid openbare bekendmakingen zijn. Ik heb al vermeld onder welke omstandigheden
Bernardus zijn brief aan Robertus en zijn apologie heeft geschreven. Pas veel later antwoordde
Petrus Venerabilis daarop in zijn 28e brief, tegen 1130, en in zijn 111e rond 1144: twee
prachtige documenten ter verdediging en verduidelijking van de cluniasenzerspiritualiteit.
Enkele wat meer persoonlijk gekleurde brieven wisselen de twee abten vanaf 1137 met elkaar
uit. Men heeft zich afgevraagd of zij vrienden of tegenstanders zijn geweest. Maar beiden
konden niet afwisselend de ene dan weer de andere houding aannemen. Men is inmiddels van
mening dat zij elkaar hoogachtten en liefhadden.
Over de samenwerking tussen kloosters geeft ons een pas ontdekte
brief van Bernardus
rijkelijk opheldering. Hij is aan de benedictijnse abt Adon van Saint-Oyen in de Jura gestuurd,
enige tijd voor 1147. Nadat Bernardus aan de geadresseerde zijn groeten heeft overgebracht,
met de plechtige betuiging van christelijke naastenliefde, verzekert hij hem dat Clairvaux,
volgens afspraak, zich ook in de toekomst zal bekommeren om de bezittingen van Saint-Oyen,
die in de buurt liggen. Hij voegt daaraan toe dat er in de priorij van Ferté-sur-Aube, die
onder
Saint-Oyen valt, te weinig monniken zijn die volwassen genoeg zijn om het kloosterleven vol te
houden. Bernardus verklaart zich bereid tot een uitwisseling van personen.
Vanaf 1141 leeft hij in conflict met de Engelse benedictijnen vanwege
de bezetting van de
bisschopszetel van York door een cisterciënzermonnik, Henry Murdach. Zoals hij al eerder in
het geval 'Langres' heeft gedaan, schrijft hij vijftien brieven om publiekelijke steun te verwerven
voor zijn kandidaat, tegen de benedictijn William Fitzerbert die in 1143 in York was gekozen.
Bernardus hielp mee aan diens afzetting in 1147, maar in 1153, na de dood van Murdach,
besteeg hij opnieuw de bisschopszetel en werd uiteindelijk heilig verklaard. Bernardus pakt de
zaak gepassioneerd en partijdig aan, terwijl hij niet goed over de feiten is ingelicht. Hij heeft
steeds de uitbreiding voor ogen van het monastieke leven op de wijze van Clairvaux, of het nu
om bisschopsbenoemingen gaat of om kloosterstichtingen.
Bernardus hecht er nooit grote waarde aan om deel te nemen aan
wetenschappelijke
twistgesprekken over het geloof. Je bent geneigd te zeggen dat hij theologie schrijft zonder het
te weten, alleen maar om te tonen hoe men tot God komt. Sinds hij abt is, is hij zeker door
Willem van Champeaux en daarna door Willem van Saint-Thierry op de hoogte gebracht van
de opwinding die ontstaat door de handelwijze en de ideeën van Pierre Abélard in de
scholen
van Reims, Parijs en elders. Men moet tot 1140 wachten om getuige te kunnen zijn van een
confrontatie tussen deze twee grote geesten. Een oplettende toeschouwer, J. Verger, kon
daarover zeggen:
"Vanuit een puur biografisch standpunt is deze gebeurtenis van nogal
ondergeschikt belang
in het leven van de heilige Bernardus, en het lijkt wellicht alleen maar belangrijk in het leven
van Abélard, omdat deze daarna nog maar krap twee jaar heeft geleefd. In ons boek
wijden we
enkele bladzijden aan dit voorval."
Na lang aarzelen gaat Bernardus de confrontatie aan en stuurt zijn brief
187 aan de
'bisschoppen die naar Sens worden bijeengeroepen' en verzoekt hen bijeen te komen. Op 25
mei arriveert hij en woont de feestelijke 'uitstalling' van de relieken van de kathedraal bij, wat
eigenlijk de gelegenheid bood voor deze bijeenkomst. Na zijn preek voor het volk, gaat men
naar de 'openbare bisschoppenbijeenkomst', tijdens welke de dwalingen van Abélard
worden veroordeeld. De volgende dag vindt het openbare debat plaats. Abélard
beroept zich op de paus. De veroordeling van zijn leerstellingen is afgekondigd, maar het
oordeel over zijn persoon is aan de paus voorbehouden.
Direct na deze bijeenkomst, in de laatste dagen van de maand mei,
stellen Bernardus en
zijn kanselarij brieven op aan de paus en aan Romeinse prelaten (189-193, 330, 333-338) en hij
geeft Nicolaas van Clairvaux de opdracht enkele daarvan naar Rome te brengen.
Op dezelfde dag schrijft Abélard zijn Confessio fidei
universis, een
'Geloofsbelijdenis gericht aan allen', en een andere aan 'Héloïse'.
Daarna reist
hij naar Rome, en maakt op 9 of 10 juni een tussenstop in Cluny, waar hij door Petrus
Venerabilis wordt ontvangen. Deze looft zijn voornemen zich tot de paus te wenden, maar wil
vooral tot een verzoening met Bernardus komen.
Voor de tiende juli zoekt Rainard, abt van Cîteaux, Abélard op
en beiden gaan
naar Clairvaux, waar een vreedzaam gesprek plaatsvindt tussen de twee vijanden van gisteren.
Kort daarop verbetert Abélard enkele formuleringen van zijn laatste theologisch werk
volgens de wensen van Bernardus. Op de dringende smeekbede van Petrus Venerabilis ziet hij
af van zijn reis naar Rome en besluit in Cluny in te treden.
Maar waarover ging het nu eigenlijk? Het is nog te vroeg om het, bij
de huidige stand van
de onderzoekingen die nog voortduren, met zekerheid te weten. Er zijn meerdere pogingen tot
een verklaring geweest. Volgens sommigen ging het in dit conflict hoofdzakelijk over
kerkelijke en zelfs politieke instellingen, omdat verschillende leerlingen van Abélard,
waaronder leden van de Romeinse curie, met oude tegenstanders van Innocentius in verbinding
stonden, ten tijde van het schisma van Anacletus.
Het leidt geen twijfel dat Abélard, door zijn manier van
formuleren, velen
verbaasde. "Het is vreemd en verschilt van wat wij hebben onderhouden", zo gaf Bernardus te
kennen, die de tekst echter alleen maar kende in de verkorte vorm die Willem van
Saint-Thierry voor hem had vervaardigd. Maar Abélard was geneigd zich met hem te
meten in een tweekamp voor een breed publiek, voor prelaten, grote wereldlijke personaliteiten
— o.a. de koning van Frankrijk —, universiteitsdocenten en studenten. Door af te zeggen bleef
Bernardus trouw aan zijn vroegere handelwijze: hij had steeds dergelijke discussies tussen
deskundigen gemeden. Maar weer schoof men hem naar voren, want men had zijn persoonlijk
prestige en zijn pen nodig.
Laat in zijn leven werd Bernardus ook nog gevraagd stelling te nemen
tegen een
verschijnsel dat al geruime tijd in de Kerk en de maatschappij aanleiding gaf tot bezorgdheid en
dat ook nog lange tijd daarna zou doen. Het gaat om geestesstromingen die in de publicaties
op verschillende manieren worden aangeduid, maar die door historici samengevat worden
onder de verzamelnaam 'katharenbeweging'. Kenmerkend voor deze stromingen was dat zij op
moreel, sociaal, economisch en politiek gebied bepaalde eisen stelden. Zij vonden zowel
aanhangers bij het volk als in de kringen van de adel. Soms kwam het tot gewelddadigheden.
Bernardus gaat op tweeërlei manieren te werk: op
wetenschappelijk niveau en op
het
politieke. Hij pakt zijn wandelstok en gaat naar die streken van Frankrijk, en vooral in het
zuiden, waar de toestand problematisch is. Zijn activiteit duurt twee maanden in het jaar 1145.
Hij begint in Bordeaux en eindigt in Albi, waarbij hij Poitiers, Périgueux, Sarlat, Tulle,
Cahors,
Toulouse en andere minder belangrijke steden doorkruist. Hij blijft ervan overtuigd dat de
ketters niet met wapengeweld tot het geloof terug te brengen zijn, maar met overtuigende
argumenten.
Zijn hele leven lang heeft Bernardus zich zorgen gemaakt om het
probleem, of liever het
geheim van het jodendom. In zijn uitleg bij het Hooglied komt hij dicht bij de exegese
van rabbijn Rashi en zijn school, en tegelijkertijd distantieert hij zich ervan. Bernardus ziet de
volledige verwezenlijking van deze allegorie in de vereniging van Christus met de hele Kerk en
met ieder lid van die Kerk afzonderlijk. Hij richt de brieven 363 en 365 tegen een zekere
Radulphus, een cisterciënzer van Franse afkomst, die in het Rijnland een kruistocht tegen de
joden onderneemt. Diens geschriften lijken hem gebrekkig en hij onderneemt een reis door het
hele Rijnland om een einde te maken aan deze jodenhaat. De joodse overlevering heeft zijn
verdienste in dezen erkend. In de tweede helft van de twaalfde eeuw heeft een
geschiedschrijver uit Bonn, rabbi Ephraïm, zoon van Jacob, in zijn 'Herinneringen' een
aangrijpend eerbetoon gewijd aan de heilige Bernardus. In de zestiende eeuw zal Jozef
La-Cohen rabbi Ephraïm navolgen in zijn 'Tranendal' en verklaren dat de dankbaarheid van het
joodse volk jegens de abt van Clairvaux nog steeds zeer levendig is.
De details van de tweede kruistocht zijn de kenner van de geschiedenis
precies bekend,
maar er bestaat geen echte duidelijkheid in hoeverre Bernardus daarin was verwikkeld.
Lodewijk VII had de gelofte gedaan om als pelgrim naar Jeruzalem te gaan. Het duurde
geruime tijd tot het voornemen van de Franse koning uitgroeide tot een kruistocht van de hele
christenheid, die in naam van de cisterciënzerpaus Eugenius III werd gevoerd. In het door
Franken beheerste Syrië werd de stad Edessa door Iman Zengi ingenomen. (2) Op de eerste
december [1145] wendde de paus zich tot de adel van Frankrijk en Italië. Geheel onafhankelijk
daarvan riep Lodewijk VII met Kerstmis een nationale vergadering bijeen in Bourges.
Bernardus is niet uitgenodigd en verschijnt ook niet. De edellieden zijn weinig enthousiast.
Maar op 1 maart 1146 komt er een bevel van de paus aan Bernardus om mensen op te roepen
de wapens op te nemen. Hij gehoorzaamt.
Op 27 maart is Bernardus in Trier en in mei vertrekt keizer Koenraad
III met zijn leger uit
Bamberg. Op 12 juni vertrekt Lodewijk VII als pelgrim. Op 30 november is Bernardus weer in
Trier. Op het einde van dat jaar 1147 en in het begin van het daaropvolgende vertrekken veel
ridders uit de gebieden waarin de oproep van Bernardus is gehoord.
Maar vanaf 19 maart brengt het lot zware verliezen in het Heilig Land.
De uiteindelijke
ineenstorting volgt in juli in Damascus.
Hoe had Bernardus zich, op zijn levensavond, in zo'n avontuur laten
strikken? Er was een
verordening van de paus voor nodig, die Bernardus opvatte als een bevel van God. — "Te
jubente, immo Deo — Omdat u beveelt, is het God die door u beveelt." IJverig zoals
altijd, probeert hij het ideaal van de vroegere kruistocht overeind te houden, waarbij het begrip
van Gods eer, van de dienst aan de naaste doorslaggevend was geweest. Een onlangs
verschenen studie verklaart dat 'het kruis opnemen' en het 'dragen' voor bepaalde tijdgenoten
van Bernardus een daad van liefde kon zijn, naar het woord van de Heer: "Als iemand zijn
kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn" (Lc 14,27). — "Geen groter liefde
kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Joh 15,13).
Rustige levensavond en vreugdevol einde
We weten meer van Bernardus' ouderdom dan van zijn jeugd. De
geschriften van zijn
laatste jaren leveren ons een groot aantal vertrouwelijke mededelingen die ons inzage geven in
zijn geestelijke ontwikkeling.
De toespelingen op zijn slechte gezondheid komen in zijn
correspondentie, zo niet
preciezer, dan toch vaker en nadrukkelijker voor. Hij blijft echter bezig, hij schrijft en reist. In
1150 wordt hij zestig. Dat vormt voor hem geen belemmering om, in de twee jaren die hem
nog resten, meerdere streken van Frankrijk te bezoeken en zich in het voorjaar van 1153, dus
kort voor zijn dood, naar Lotharingen te begeven. Hij heeft nog de tijd om zijn geestelijk
testament — 'De Consideratione' — te voltooien. Teleurstellingen, verdriet en zorgen
blijven hem niet bespaard. Enkele van zijn brieven hebben geen succes. Een aantal stichtingen
die hij gewenst of zelfs verwezenlijkt had, lopen op een mislukking uit. In 1148 sterven zijn
vriend Willem van Saint-Thierry, Humbert, sedert bijna dertig jaar monnik in Clairvaux, voor
wie Bernardus een opmerkelijke lijkrede hield, en, op doorreis in Clairvaux, de Ierse
aartsbisschop Malachias O'Morgair, die in zijn land het leven van de orde volgens het ideaal
van Bernardus had gestimuleerd. Deze laatste vond de tijd en de kracht om ter ere van hem een
biografische legende, een liturgisch officie en twee preken te schrijven.
Op een concilie in Reims in het jaar 1148, waaraan Eugenius III
deelnam, brandmerkte
Bernardus enige trinitarische formules die de bisschop van Poitiers, Gilbert de la
Porrée,
gebruikte.
Bernardus doorleeft in zijn werk 'De Consideratione' al deze binnenkerkelijke
gebeurtenissen in het licht van zijn persoonlijke geestelijke ervaringen, die van de paus tot wie
hij zich wendt, en van de gelovigen tot wie hij zich richt. In een aangrijpend crescendo, en
vooral op de laatste bladzijden, noemt hij steeds nadrukkelijker de vereniging met de drie
goddelijke personen en het geheim van de Godmens.
De laatste brief van Bernardus heeft dezelfde toon, dus niet die van een
doodsklok. Hierin
zijn alle eigenschappen te vinden van zijn manier van schrijven en zijn diepe gedachten, maar
ook het goede humeur van zijn beste momenten, vanaf zijn woordspeling 'in caritate et non
in voluptate' tot aan de lichte spot over een brief die wel werd verwacht, maar die nooit
aankwam: "Ik zou je liever hebben geantwoord dan geschreven." Zelfs wanneer hij beschrijft
dat hij zich niet goed voelt, doet hij dat humoristisch: "Wanneer mij nog een vreugde zou
overblijven, dan is het die, niets te eten." Hij schept er genoegen in om zijn maag een zekere
persoonlijkheid toe te dichten: "Zij verlangt ernaar door een beetje vocht te worden
opgelucht... Dit beetje dat zij wil accepteren, verteert zij niet zonder grote pijn, maar zij is
bang voor nog veel grotere pijnen wanneer zij leeg zou blijven." Het gebrek aan slaap, het
opzwellen van zijn benen en voeten tekenen de zwakte van zijn gestel. Maar zijn geest is
levendig en snel. "Ik ben gek om het te zeggen", voegt hij met humor toe wanneer hij de
heilige Paulus aanhaalt die spreekt over de 'innerlijke mens'.
Dat alles duidt op een einde dat voor de deur staat. Een geestige
toespeling op de
achilleshiel en op de wonde van de slang die Eva voorzegd wordt (Gen 3,15) wijst heel tactvol
op een laatste mogelijke aanval van de duivel. "Omdat zijn kop door de Moederkerk vertrapt
werd, achtervolgt hij meedogenloos haar hiel." "Door haar gebed", zegt Bernardus aan
Arnaldus, "is mijn hiel, die ontbloot is van elke verdienste, beschermd. Op die manier weet de
slang die op mij loert niet waar zij kan bijten. Ik heb deze brief zelf geschreven, ondanks mijn
ziekte, opdat je aan het bekende handschrift mijn liefde herkent".
Trouw in de vriendschap, nederigheid, onoverwinnelijk vertrouwen,
vreugde en zelfs
humor: dat is de heilige Bernardus zoals hij zijn leven lang is geweest, zoals hij zal zijn in zijn
dood waarvan hij weet dat die heel dichtbij is. In de literatuurgeschiedenis zijn erg weinig
voorbeelden van auteurs die als het ware vooruitlopen op hun dood. Hij maakt zich er een
voorstelling van, hij houdt een generale repetitie, zou je bijna zeggen, hij drukt uit wat hij
ervaart in zijn geest en in zijn organisme op de momenten die onmiddellijk voorafgaan aan de
dood. Nadat hij getuige is geweest van het overlijden van anderen, is hij getuige van zijn eigen
sterven. Niet zonder pijn, maar in een vreugdevol geloof, gaat Bernardus op 20 augustus 1153
de gelukzaligheid binnen. Hij bevredigt eindelijk zijn onmetelijke en door hem vaak genoemde
drang God te zien.
Al heel gauw, in 1174, dus na 21 jaar, wordt hij heilig verklaard door
paus Alexander III.
Al tijdens zijn leven werd hij als een heilige beschouwd. Daarom was de herinnering aan hem
omfloerst door een legende.
De echte, historische Bernardus is echter niet minder groot dan de legendarische.
Aantekeningen
Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk onder de
titel Das Leben des heiligen
Bernhard, in: M. SABBE, M. LAMBERIGTS en F. GISTELINCK (Ed.), Bernardus
en de
Cisterciënzerfamilie in België 1090-1990 (Leuven, 1990). Ze werd overgenomen met
toestemming van de Bibliotheek van de Faculteit der Godgeleerdheid en uit het Duits vertaald
door Willy Eurlings.
1. In 1953 werd de 800ste verjaardag herdacht van het overlijden van
Sint-Bernardus. Bij
die gelegenheid publiceerde paus Pius XII de encycliek Doctor Mellifluus. Thomas
Merton vertaalde deze encycliek in het Engels en publiceerde die vertaling, voorafgegaan van
een uitgebreide inleiding, onder de titel The Last of the Fathers (1954).
2. De Seldjoekse prins Imad-al-Din Zengi had in 1137 de toenmalige
koning van
Jeruzalem, Fulco van Anjou, al in een hinderlaag gelokt. Op kerstavond 1144 nam hij Edessa in
en rekende genadeloos af met het garnizoen. Dit bracht een schok teweeg in Europa en
hierdoor laaide de jihad tegen de Franken in de Arabische wereld weer
op.