Enkele uren voor zijn dood in Bangkok verstrekte Thomas Merton zelf zijn ultiem autobiografisch commentaar.
Het is opmerkelijk dat dit gebeurde in de vorm van volgende identiteitsverklaring: "Ik ben een monnik en dat zal ik blijven tot aan mijn dood. Niets zal me daarvan weerhouden".
Dit was niet zomaar een toevallige verklaring en het was ook niet de enige in haar soort.
Tijdens zijn reis naar Azië heeft hij herhaaldelijk zijn standpunt in verband met zijn monastieke
roeping duidelijk gemaakt. Enkele weken na zijn afreis schreef hij naar broeder Patrick Hart in
Gethsemani: "Maak mijn beste groeten over aan heel de ploeg daar en ik hoop dat er niet
te veel dolle geruchten de ronde zullen doen. Blijf aan iedereen zeggen dat ik een monnik van
Gethsemani ben en dat ik van plan ben dat te blijven".
Hij was erg gevoelig op dit punt en niet zonder reden. Vele jaren lang
werd hij beurtelings
gekweld en geammuseerd door hardnekkige wilde verhalen... dat hij het klooster en zelfs de
orde verlaten had. Hij wist dat tijdens deze reis weer zulke verhalen de ronde zouden
doen en dat de bedoeling van zijn pelgrimstocht naar het Oosten waarschijnlijk verkeerd zou
geïnterpreteerd worden.
Zoals te voorspellen was, hadden sommige journalisten al gesproken
over ‘zijn terugkeer
naar de wereld', bijna op dezelfde wijze als betrof het zijn vroegere blijde intrede in het
klooster. Toch was
Merton in feite één van de meest stabiele monniken uit de geschiedenis. Behoudens de laatste
jaren van zijn leven, toen hij vaak geneesheren moest raadplegen in de stad, verbleef hij zo
goed als altijd in het klooster. Toen hij in 1956 een reis maakte, was het om naar een ander
klooster te gaan en dit gebeurde in gezelschap van zijn abt en van mijzelf. Tijdens zijn laatste
levensjaar bezocht hij enkele kloosters in de Verenigde Staten. Dit alles kan moeilijk doorgaan
voor een bewogen reisleven.
Toch werd hij steeds achtervolgd door verhalen over zijn zogenaamde
verloren roeping en
zijn vertrek uit de gemeenschap van Gethsemani. Toen hij in 1963 een nieuwe inleiding schreef
ter gelegenheid van de Japanse uitgave van zijn autobiografie,
gaf hij een beslissende verklaring ten beste: "Veel geruchten deden de ronde over mij sinds
ik naar het klooster kwam. Men vertelde dat ik het klooster had verlaten, dat ik terug in New
York woonde, dat ik in Europa verbleef, of in Zuid-Amerika of Azië, dat ik kluizenaar
geworden was, dat ik gehuwd was, dat ik aan de drank was, dat ik dood was..."
In dezelfde tekst ging hij nog maar eens over tot een formele
bevestiging van zijn
monastieke stabiliteit: "Ik heb er nooit ook maar één ogenblik aan gedacht om de definitieve beslissingen die ik in mijn leven nam te wijzigen: om christen te zijn, om monnik en priester te zijn.
Als er iets is dat uiteindelijk onherroepelijk is, dan is het wel de beslissing om de moderne geseculariseerde maatschappij te verlaten, een beslissing die ik meermaals heb herhaald".
En verder in dezelfde tekst beweerde hij met nog meer klem: "Ik ben nog altijd in het klooster en ben van plan daar te blijven. Ik heb nooit enige twijfel gekend in verband met mijn kloosterroeping.
Als ik ooit verlangde naar verandering, dan was het om een eenzamer leven te kunnen leiden op een meer monastieke wijze".
Blijkbaar konden veel mensen niet geloven dat Merton het lang in het klooster zou volhouden. Niemand had toen ook kunnen voorspellen dat hij het 27 jaar zou uithouden in dezelfde monastieke gemeenschap van heel gewone mensen.
Want hij was - zoals ook Jean Leclercq hem eens beschreef - erg
impulsief, geestdriftig en uitbundig. Eigenlijk was hij niet de geschikte man om in zo'n kloostergemeenschap te leven,
waar hij voortdurend af te rekenen had met een overste, wat trouwens duidelijk niet zijn sterkste kant bleek te zijn. In de omgang met hem was er als het ware altijd iets verrassends, iets dat je voortdurend deed denken: Wat zal hij nu weer gaan doen? Hij was erg gemoedelijk en
tevens ondernemend in de omgang en zijn brede cultuur bracht hem als vanzelf in contact met
een grote internationale vriendenkring. Bardstown, in die tijd een onbekende uithoek in de
Verenigde Staten, zag een stroom van bezoekers passeren uit alle hoeken van de wereld:
allemaal mensen die naar Gethsemani kwamen om hem te ontmoeten. Onder zijn vrienden telde
hij Vietnamese boeddhisten, hindoe monniken, Japanse Zen meesters, soefi mystiekers,
professoren van de universiteit van Jeruzalem, Franse filosofen, Europese kunstenaars en dichters,
Arabische geleerden, Mexicaanse sociologen en nog veel meer.
Ondanks zijn diep en blijvend verlangen naar eenzaamheid, was pater
Louis (dat was zijn
kloosternaam) erg vriendelijk
in de omgang, maar soms had hij behoefte aan mensen rondom zich. Om echt zichzelf te
kunnen zijn moest hij van tijd tot tijd met mensen kunnen praten over allerlei dingen, of
gewoon met hen samen zijn. Niettegenstaande dat innig verlangen naar eenzaamheid en stilte,
heb
ik steeds gedacht dat - moest hij ooit voor een uiteindelijke keuze gesteld worden - zijn sociaal
instinct waarschijnlijk de bovenhand zou gehaald hebben.
Als hij geleefd heeft en gestorven is als monnik van Gethsemani, dan
was dit niet de vrucht
van zijn natuurlijke begaafdheden. De monniken hebben het kloosterleven nooit beschouwd als
iets dat alleen maar geschikt is voor mensen met een welbepaald temperament. De monastieke
roeping is in wezen een kwestie van genade. Ze overstijgt het psychologische, sociale en
culturele peil van het leven, al is de concrete verwezenlijking van zo'n leven daar diep mee
verbonden. Roeping staat voor een persoonlijke oproep, en het levendig relaas dat Merton zelf
gaf over het ontluiken van zijn eigen roeping tot het kloosterleven, laat er geen twijfel over
bestaan dat hij die ervaarde als een oproep. Het beieren van de klokken van
Gethsemani heeft hem inderdaad letterlijk op een erg kritisch moment in zijn leven overtuigd
van zijn roeping tot monnik.
Alhoewel het soms pijnlijk was vast te stellen dat sommige mensen niet
meer vertrouwen
in hem stelden, toch verweet hij hen die al die geruchten rondstrooiden niets. Hij realiseerde
zich maar al te goed dat hij slechts een gewone arme monnik was. Deze diepe zelfkennis
bepaalde de eigen wijze en de intensiteit waarmee hij zijn roeping beleefde, die hij niet anders
zag dan als een vrije gave van God, als een pure genade, als een persoonlijke wending van God
naar hem toe in eindeloze liefde. "Ik geloof dat mijn leven getekend is met het grote
merkteken - het teken van Jona - dat het doopsel, de monastieke professie en de
priesterwijding in mijn bestaan hebben gebrand, omdat ik ontdek dat ik zoals Jona op reis ben
naar
mijn bestemming in de buik van een paradox."
Het mag paradoxaal klinken, maar door zijn roeping maakte hij kennis
met Gods genade
en het werd meer dan gewoon maar een levensstaat... het werd zijn leven, zijn identiteit, ook al
bleek dat leven even complex als zijn eigen karakter. "Ik heb u steeds overschaduwd Jona
met mijn genade... Hebt gij mij wel gezien Jona, mijn kind? Genade op genade op
genade..."
In zijn autobiografie beschreef hij wat Gethsemani voor hem
betekende. Hij deed dit in het
hoofdstuk onder de titel De zoete smaak van de vrijheid. In zijn jonge jaren als monnik
betekende het klooster voor hem vrijheid. En niettegenstaande zijn vroegste indrukken
grondige veranderingen ondergingen, toch bleef voor hem het essentiële geldig: "Het
klooster is
een school, een school waar wij van God leren hoe we gelukkig kunnen zijn. Ons geluk
bestaat in het deelhebben aan het geluk van God, de volmaaktheid van zijn onbeperkte
vrijheid, de volmaaktheid van zijn liefde".
In zijn dagboek The Sign of Jonas schrijft hij vaak over de
communauteit die in
Gethsemani leefde en over de impact ervan op zijn leven. Zo noteerde hij op 20 maart 1947:
"Ik weet niet wat ik verwachtte na mijn professie, maar ik bleef erbij dat ik gedaan had
wat ik behoorde te doen..."
De diepste indruk die hij op zijn medebroeders naliet was die van
een echte broeder. Hij
was in onze communauteit zeker de meest geliefde onder de broeders. Hij was hartelijk in de
omgang, openhartig en altijd vol enthousiasme, hij maakte gemakkelijk contact met
mensen. Velen van ons ontdekten als jonge monnik dat hij tegelijk een echte vriend en een
geestelijke vader was. Achter zijn kritische houding en zijn onafhankelijkheidszin was hij
vervuld van een diepe menselijke genegenheid. Hij was erg gevoelig voor alles wat het
contemplatieve kloosterleven betrof. Alhoewel hij voortdurend de nadruk legde op
eenzaamheid, stilte
en meditatie, deed hij dit toch op een zeer menselijke wijze met heel veel aandacht voor de
eisen van het leven.
Niettegenstaande zijn bestendige klachten over de drukte waar hij als
schrijver vaak mee af
te rekenen had, was hij daar toch duidelijk ook blij om. Zijn conferenties waren vooraf altijd
grondig voorbereid en ze getuigden steeds van zijn enthousiasme voor het onderwerp. Hij
verstond op schitterende wijze de kunst om discussies te leiden en met veel doorzicht wist hij
in alle omstandigheden de teugels in handen te houden. Vooral om deze conferenties, die hij
gedurende achttien jaar regelmatig hield, werd hij bijzonder geapprecieerd.
Meermaals verklaarde hij dat het klooster en de monastieke
gemeenschap van grote
betekenis waren voor hem. Enkele van zijn beste gedichten waren trouwens duidelijk
geïnspireerd door het leven in zijn abdij Gethsemani. De Firewatch - de epiloog uit The Sign of Jonas - een lang gedicht in
proza, is in feite niets anders dan een schitterende
meditatie over het leven in zijn abdij. Jacques Maritain bestempelde dit verhaal ooit als een van
de beste dingen uit de moderne literatuur. Het klooster als een thuis en de monniken als zijn
broeders betekenden echt iets voor deze man, die tijdens zijn vroeger leven nooit een echte
thuis had gekend, zoals hij ooit aan één van ons vertelde.
Toch is dit alles maar één kant van de medaille. Er is nog iets anders
dat veel belangrijker
is in verband met zijn roeping. En dienaangaande was hij heel duidelijk: "Mijn klooster is
niet mijn huis. Het is geen plaats waar ik gevestigd ben op aarde. Het is niet de omgeving
waarin ik mezelf bewust ervaar als een individu, maar het is eerder een plaats waarin ik kan
verdwijnen voor de wereld als een belangrijk iemand om overal te zijn, verborgen in
medelijden. Om overal te zijn moet ik niemand zijn".
In de prachtige poëtische passage aan
het slot van zijn
autobiografie behandelde hij trouwens hetzelfde thema. Maar hier wordt het uitgesproken in
andere zeer betekenisvolle woorden. Deze formulering steunt op een groeiende belangstelling
voor het mysterie dat hem
uiteindelijk naar het Oosten zal brengen: het probleem van het transcendente zelf, de niemand
die verder gegaan is dan het individuele zelf, in diep medeleven en zuivere liefde en nederigheid
en die innig verbonden is met het al. Dit mysterie van de zelftranscendentie beleefde hij als het
centrale punt tijdens zijn laatste levensjaren.