EEN  MONNIK  GETUIGT

"De diepste indruk die hij op zijn medebroeders naliet
was die van een echte broeder..."


    JOHN EUDES BAMBERGER trad in bij de trappisten in de abdij van Gethsemani in 1950. Daar leefde hij vele jaren samen met Thomas Merton. Na zijn professie en zijn priesterwijding studeerde hij psychiatrie in Washington en theologie in Rome. In 1971 werd hij tot abt verkozen in de Genesee abdij nabij Rochester (NY), een stichting van Gethsemani. Hij heeft enkele rake en indringende getuigenissen ten beste gegeven over zijn geliefde confrater.



Enkele uren voor zijn dood in Bangkok verstrekte Thomas Merton zelf zijn ultiem autobiografisch commentaar. Het is opmerkelijk dat dit gebeurde in de vorm van volgende identiteitsverklaring: "Ik ben een monnik en dat zal ik blijven tot aan mijn dood. Niets zal me daarvan weerhouden".

Dit was niet zomaar een toevallige verklaring en het was ook niet de enige in haar soort. Tijdens zijn reis naar Azië heeft hij herhaaldelijk zijn standpunt in verband met zijn monastieke roeping duidelijk gemaakt. Enkele weken na zijn afreis schreef hij naar broeder Patrick Hart in Gethsemani: "Maak mijn beste groeten over aan heel de ploeg daar en ik hoop dat er niet te veel dolle geruchten de ronde zullen doen. Blijf aan iedereen zeggen dat ik een monnik van Gethsemani ben en dat ik van plan ben dat te blijven".

Hij was erg gevoelig op dit punt en niet zonder reden. Vele jaren lang werd hij beurtelings gekweld en geammuseerd door hardnekkige wilde verhalen... dat hij het klooster en zelfs de orde verlaten had. Hij wist dat tijdens deze reis weer zulke verhalen de ronde zouden doen en dat de bedoeling van zijn pelgrimstocht naar het Oosten waarschijnlijk verkeerd zou geïnterpreteerd worden.

Zoals te voorspellen was, hadden sommige journalisten al gesproken over ‘zijn terugkeer naar de wereld', bijna op dezelfde wijze als betrof het zijn vroegere blijde intrede in het klooster. Toch was Merton in feite één van de meest stabiele monniken uit de geschiedenis. Behoudens de laatste jaren van zijn leven, toen hij vaak geneesheren moest raadplegen in de stad, verbleef hij zo goed als altijd in het klooster. Toen hij in 1956 een reis maakte, was het om naar een ander klooster te gaan en dit gebeurde in gezelschap van zijn abt en van mijzelf. Tijdens zijn laatste levensjaar bezocht hij enkele kloosters in de Verenigde Staten. Dit alles kan moeilijk doorgaan voor een bewogen reisleven.

Toch werd hij steeds achtervolgd door verhalen over zijn zogenaamde verloren roeping en zijn vertrek uit de gemeenschap van Gethsemani. Toen hij in 1963 een nieuwe inleiding schreef ter gelegenheid van de Japanse uitgave van zijn autobiografie, gaf hij een beslissende verklaring ten beste: "Veel geruchten deden de ronde over mij sinds ik naar het klooster kwam. Men vertelde dat ik het klooster had verlaten, dat ik terug in New York woonde, dat ik in Europa verbleef, of in Zuid-Amerika of Azië, dat ik kluizenaar geworden was, dat ik gehuwd was, dat ik aan de drank was, dat ik dood was..."

In dezelfde tekst ging hij nog maar eens over tot een formele bevestiging van zijn monastieke stabiliteit: "Ik heb er nooit ook maar één ogenblik aan gedacht om de definitieve beslissingen die ik in mijn leven nam te wijzigen: om christen te zijn, om monnik en priester te zijn. Als er iets is dat uiteindelijk onherroepelijk is, dan is het wel de beslissing om de moderne geseculariseerde maatschappij te verlaten, een beslissing die ik meermaals heb herhaald". En verder in dezelfde tekst beweerde hij met nog meer klem: "Ik ben nog altijd in het klooster en ben van plan daar te blijven. Ik heb nooit enige twijfel gekend in verband met mijn kloosterroeping. Als ik ooit verlangde naar verandering, dan was het om een eenzamer leven te kunnen leiden op een meer monastieke wijze".

Blijkbaar konden veel mensen niet geloven dat Merton het lang in het klooster zou volhouden. Niemand had toen ook kunnen voorspellen dat hij het 27 jaar zou uithouden in dezelfde monastieke gemeenschap van heel gewone mensen.

Want hij was - zoals ook Jean Leclercq hem eens beschreef - erg impulsief, geestdriftig en uitbundig. Eigenlijk was hij niet de geschikte man om in zo'n kloostergemeenschap te leven, waar hij voortdurend af te rekenen had met een overste, wat trouwens duidelijk niet zijn sterkste kant bleek te zijn. In de omgang met hem was er als het ware altijd iets verrassends, iets dat je voortdurend deed denken: Wat zal hij nu weer gaan doen? Hij was erg gemoedelijk en tevens ondernemend in de omgang en zijn brede cultuur bracht hem als vanzelf in contact met een grote internationale vriendenkring. Bardstown, in die tijd een onbekende uithoek in de Verenigde Staten, zag een stroom van bezoekers passeren uit alle hoeken van de wereld: allemaal mensen die naar Gethsemani kwamen om hem te ontmoeten. Onder zijn vrienden telde hij Vietnamese boeddhisten, hindoe monniken, Japanse Zen meesters, soefi mystiekers, professoren van de universiteit van Jeruzalem, Franse filosofen, Europese kunstenaars en dichters, Arabische geleerden, Mexicaanse sociologen en nog veel meer.

Ondanks zijn diep en blijvend verlangen naar eenzaamheid, was pater Louis (dat was zijn kloosternaam) erg vriendelijk in de omgang, maar soms had hij behoefte aan mensen rondom zich. Om echt zichzelf te kunnen zijn moest hij van tijd tot tijd met mensen kunnen praten over allerlei dingen, of gewoon met hen samen zijn. Niettegenstaande dat innig verlangen naar eenzaamheid en stilte, heb ik steeds gedacht dat - moest hij ooit voor een uiteindelijke keuze gesteld worden - zijn sociaal instinct waarschijnlijk de bovenhand zou gehaald hebben.

Als hij geleefd heeft en gestorven is als monnik van Gethsemani, dan was dit niet de vrucht van zijn natuurlijke begaafdheden. De monniken hebben het kloosterleven nooit beschouwd als iets dat alleen maar geschikt is voor mensen met een welbepaald temperament. De monastieke roeping is in wezen een kwestie van genade. Ze overstijgt het psychologische, sociale en culturele peil van het leven, al is de concrete verwezenlijking van zo'n leven daar diep mee verbonden. Roeping staat voor een persoonlijke oproep, en het levendig relaas dat Merton zelf gaf over het ontluiken van zijn eigen roeping tot het kloosterleven, laat er geen twijfel over bestaan dat hij die ervaarde als een oproep. Het beieren van de klokken van Gethsemani heeft hem inderdaad letterlijk op een erg kritisch moment in zijn leven overtuigd van zijn roeping tot monnik.

Alhoewel het soms pijnlijk was vast te stellen dat sommige mensen niet meer vertrouwen in hem stelden, toch verweet hij hen die al die geruchten rondstrooiden niets. Hij realiseerde zich maar al te goed dat hij slechts een gewone arme monnik was. Deze diepe zelfkennis bepaalde de eigen wijze en de intensiteit waarmee hij zijn roeping beleefde, die hij niet anders zag dan als een vrije gave van God, als een pure genade, als een persoonlijke wending van God naar hem toe in eindeloze liefde. "Ik geloof dat mijn leven getekend is met het grote merkteken - het teken van Jona - dat het doopsel, de monastieke professie en de priesterwijding in mijn bestaan hebben gebrand, omdat ik ontdek dat ik zoals Jona op reis ben naar mijn bestemming in de buik van een paradox."

Het mag paradoxaal klinken, maar door zijn roeping maakte hij kennis met Gods genade en het werd meer dan gewoon maar een levensstaat... het werd zijn leven, zijn identiteit, ook al bleek dat leven even complex als zijn eigen karakter. "Ik heb u steeds overschaduwd Jona met mijn genade... Hebt gij mij wel gezien Jona, mijn kind? Genade op genade op genade..."

In zijn autobiografie beschreef hij wat Gethsemani voor hem betekende. Hij deed dit in het hoofdstuk onder de titel De zoete smaak van de vrijheid. In zijn jonge jaren als monnik betekende het klooster voor hem vrijheid. En niettegenstaande zijn vroegste indrukken grondige veranderingen ondergingen, toch bleef voor hem het essentiële geldig: "Het klooster is een school, een school waar wij van God leren hoe we gelukkig kunnen zijn. Ons geluk bestaat in het deelhebben aan het geluk van God, de volmaaktheid van zijn onbeperkte vrijheid, de volmaaktheid van zijn liefde".

In zijn dagboek The Sign of Jonas schrijft hij vaak over de communauteit die in Gethsemani leefde en over de impact ervan op zijn leven. Zo noteerde hij op 20 maart 1947: "Ik weet niet wat ik verwachtte na mijn professie, maar ik bleef erbij dat ik gedaan had wat ik behoorde te doen..."

De diepste indruk die hij op zijn medebroeders naliet was die van een echte broeder. Hij was in onze communauteit zeker de meest geliefde onder de broeders. Hij was hartelijk in de omgang, openhartig en altijd vol enthousiasme, hij maakte gemakkelijk contact met mensen. Velen van ons ontdekten als jonge monnik dat hij tegelijk een echte vriend en een geestelijke vader was. Achter zijn kritische houding en zijn onafhankelijkheidszin was hij vervuld van een diepe menselijke genegenheid. Hij was erg gevoelig voor alles wat het contemplatieve kloosterleven betrof. Alhoewel hij voortdurend de nadruk legde op eenzaamheid, stilte en meditatie, deed hij dit toch op een zeer menselijke wijze met heel veel aandacht voor de eisen van het leven.

Niettegenstaande zijn bestendige klachten over de drukte waar hij als schrijver vaak mee af te rekenen had, was hij daar toch duidelijk ook blij om. Zijn conferenties waren vooraf altijd grondig voorbereid en ze getuigden steeds van zijn enthousiasme voor het onderwerp. Hij verstond op schitterende wijze de kunst om discussies te leiden en met veel doorzicht wist hij in alle omstandigheden de teugels in handen te houden. Vooral om deze conferenties, die hij gedurende achttien jaar regelmatig hield, werd hij bijzonder geapprecieerd.

Meermaals verklaarde hij dat het klooster en de monastieke gemeenschap van grote betekenis waren voor hem. Enkele van zijn beste gedichten waren trouwens duidelijk geïnspireerd door het leven in zijn abdij Gethsemani. De Firewatch - de epiloog uit The Sign of Jonas - een lang gedicht in proza, is in feite niets anders dan een schitterende meditatie over het leven in zijn abdij. Jacques Maritain bestempelde dit verhaal ooit als een van de beste dingen uit de moderne literatuur. Het klooster als een thuis en de monniken als zijn broeders betekenden echt iets voor deze man, die tijdens zijn vroeger leven nooit een echte thuis had gekend, zoals hij ooit aan één van ons vertelde.

Toch is dit alles maar één kant van de medaille. Er is nog iets anders dat veel belangrijker is in verband met zijn roeping. En dienaangaande was hij heel duidelijk: "Mijn klooster is niet mijn huis. Het is geen plaats waar ik gevestigd ben op aarde. Het is niet de omgeving waarin ik mezelf bewust ervaar als een individu, maar het is eerder een plaats waarin ik kan verdwijnen voor de wereld als een belangrijk iemand om overal te zijn, verborgen in medelijden. Om overal te zijn moet ik niemand zijn".

In de prachtige poëtische passage aan het slot van zijn autobiografie behandelde hij trouwens hetzelfde thema. Maar hier wordt het uitgesproken in andere zeer betekenisvolle woorden. Deze formulering steunt op een groeiende belangstelling voor het mysterie dat hem uiteindelijk naar het Oosten zal brengen: het probleem van het transcendente zelf, de niemand die verder gegaan is dan het individuele zelf, in diep medeleven en zuivere liefde en nederigheid en die innig verbonden is met het al. Dit mysterie van de zelftranscendentie beleefde hij als het centrale punt tijdens zijn laatste levensjaren.

John Eudes BAMBERGER, ocso


NAAR INDEX