D E   A T H O S


Waarom zou er op zekere dag geen Athos kunnen ontstaan in de Westerse kerk en in de Westerse wereld? Een eiland of een berg die uit de zee oprijst, een ‘staat' van contemplatieven die open zou staan voor benedictijnen en kartuizers, cisterciënzers en camaldulenzen, voor cenobieten en kluizenaars, voor kleine en grote groepen van verschillende observanties, die open zouden staan voor elkaar, die op een redelijke wijze met elkaar zouden kunnen samenleven en elkaar steunen en die de mogelijkheid zouden insluiten tot overgang van de ene groep naar de andere. Of is dit een ketterij of een droom? Zijn wij misschien zo ver gekomen dat alle dromen gevaarlijk zijn en verboden? Als het leven geen risico's meer inhoudt en als men niet meer mag dromen, dan is het ook niet langer meer die naam waardig.

Maar al droomt men soms, men moet toch realistisch blijven als men hoopt dat dromen ooit werkelijkheid zouden worden. Het is duidelijk dat het binnen de verschillende contemplatieve ordes, elk met hun eigen structuur, met hun eigen bezorgdheid om gewoontes en gebruiken, met hun eigen interpretatie van de Regel, met hun eigen beslotenheid, al te optimistisch is te verwachten dat ze bereid zouden zijn een soort monastieke ‘republiek' te vormen zoals op de berg Athos. Ze zouden ongetwijfeld samen kunnen leven en goede vrienden zijn. Zo'n echte samenwerking en wederzijdse aanvaarding van elkaars idealen zal echter nooit tot stand komen. Men kan zich afvragen of ze werkelijk een grote homogene gemeenschap zouden kunnen worden, een echte intermonastieke familie. Wat het antwoord op deze vraag ook zal zijn, elke beschouwing hierover is vermoedelijk volkomen nutteloos. Er zou een vereniging van gemeenschappen en individuelen kunnen opgericht worden, die het monastieke leven op hun eigen peil beleven en volgens een verschillend ritme, voor leken-contemplatieven, verenigd in groepen met een kern van een formeel geïnstalleerde monastieke familie - laat ons zeggen rond een gemeenschap van primitieve benedictijnen. Hier zou dan een grote soepelheid moeten heersen en de groeimogelijkheden naar nieuwe oriënteringen zouden veelsoortig moeten zijn. Organisatie zou niet de eerste en de belangrijkste zorg behoren te zijn. We kunnen hierbij vooral het voorbeeld van de eerste monniken voor ogen houden: naar de woestijn trekken (onder toezicht van een bevoegde leider) om dan na te gaan hoe lang en hoe goed we dit leven kunnen leiden - met of zonder gezellen - en dan verder bouwen op de verworven ervaring.



NAAR INDEX