“Abbé Pierre” was niet zijn echte naam, maar de schuilnaam die hij als verzetsstrijder in het
maquis aannam. Henri Antoine Grouès, zoals hij eigenlijk heette, werd geboren als zoon van een
welgestelde zijdefabrikant uit Lyon. In 1930 werd hij lid van de capucijnenorde. Niet lang daarna verdeelde hij het
geld dat hij van zijn vader had geërfd onder de armen.
Wegens longtuberculose moest hij het strenge kloosterleven na enkele jaren opgeven.
Op 30-jarige leeftijd werd hij lid van de franciscaanse verzetsbeweging tegen de Duitse bezetters. Dankzij de
jonge capucijn vonden vele Joodse mensen een schuiloord of konden ze vluchten naar veiligere oorden.
Van 1945 tot 1951 was hij député in het Franse parlement. In 1949 stichtte hij een woning
voor jongeren en kansarmen in het Parijse Neuilly-Plaisance. Het huis kreeg de naam Emmaüs. Het avontuur van
de Compagnons d’Emmaüs was begonnen.
Toen in de strenge winter van 1953/54 in de arme voorsteden en wijken van Parijs en
onder de bruggen over de Seine meer dan negentig daklozen doodvroren, begon de Abbé Pierre, een
campagne. Via de antennes van de Franse omroep Radio Luxembourg doet hij op 1 februari 1954 de
volgende dramatische oproep: “Goede Vrienden, kom ons te hulp … Deze nacht, rond drie uur, is een vrouw
doodgevroren op het trottoir van de Boulevard Sébastopol. Op haar borst hield ze het bevel geklemd waarmee
men haar eergisteren had uitgewezen… Iedere nacht liggen meer dan tweeduizend mensen in de vrieskou
ineengedoken op straat, zonder dak, zonder brood, meer dan één is bijna naakt … Luister naar mij: in drie uur tijd
werden de twee eerste opvangcentra opgericht: één in een tent aan de voet van het Pantheon, rue de la Montagne
Sainte Geneviève, een ander in Courbevoie. Ze zijn nu al overvol en er moeten er overal komen. Vanavond nog
moeten er in elke stad van Frankrijk, in elke wijk van Parijs pancartes opgehangen worden aan de lantaarnpalen
die de nacht verlichten, aan de deuren van huizen waar dekens, stro, soep te verkrijgen zijn; pancartes waarop
men onder het opschrift “broederlijk hulpcentrum” de volgende eenvoudige woorden kan lezen: “Jij die nood lijdt,
jij, wie je ook bent, kom binnen, rust uit, eet, vat opnieuw moed want hier heeft men je lief…”
De volgende dag blokletterde de pers: “Nationale Opstand van Goedheid”. De oproep
van de Abbé Pierre bracht meer dan een miljard francs en een grote hoeveelheid hulpgoederen op. De staat
ondersteunde zijn spontane actie door ziekenhuizen, politiebureaus en metrostations voor de daklozen open
te stellen.
Vanaf dat moment werd de Abbé Pierre een symbool van hoop en solidariteit en kregen
de armsten een stem. Toch bleef hij trouw en in alle bescheidenheid zijn werk doen in de voorsteden van Parijs.
In 1984 richtte hij samen met Coluche, de Franse komiek , papenvreter en stichter van de “Restos du Coeur” en
nog andere hulporganisaties een “levensmiddelenbank” op in Parijs. Momenteel worden er per dag 5000 à 7000
warme maaltijden verstrekt.
Tot op het einde van zijn leven bleef de monnik zich ondanks zijn hoge leeftijd en zwakke
gezondheid inzetten voor de nieuwe armen, de rechtelozen, de outcasts van de rijke westerse samenleving. Zo
nam hij het in 1996 op voor de Afrikaanse immigranten die een Parijse kerk bezetten uit protest tegen de strenge
immigratiewetten.
In datzelfde jaar kwam hij echter ook in opspraak. Hij nam het op voor zijn vriend Roger
Garaudy (een marxistische filosoof die zich eerst tot het katholiscisme en later tot de Islam bekeerde) die in een
boek de jodenvervolging door de nazi’s ontkend had. De beweging tegen racisme en antisemitisme Licra,
waarvan hij erelid was, schrapte zijn lidmaatschap. Hij bekende het bewuste boek niet gelezen te hebben en spijt
te hebben over zijn ondoordachte uitspraken. Toch was hij erg verbitterd over de verwijten die men hem in de
pers had gemaakt: “Hoe kan iemand die zijn leven gewaagd heeft – toegegeven veel te weinig - om Joodse
mensen te redden nu een antisemiet zijn!”. Hij trekt zich enige tijd in Italië terug en schrijft daar o.a. zijn
indrukwekkende Testament en Mémoires d’un Croyant.
De Abbé Pierre heeft het vaak over de dood gehad. Hij zei naar de dood te verlangen.
“Heel mijn leven heb ik verlangd te sterven want de dood dat is als uit de schaduw treden om in het volle licht
te gaan staan”.
“Fioretti” & “Coups de Gueule”
BRIEF AAN DOM JEAN LECLERCQ
Toen Abt Flavian Burns eindelijk de formele uitnodiging had gekregen waarin aan
Thomas Merton werd gevraagd om deel te nemen aan een bijeenkomst van benedictijner en trappistenabten
en -abdissen in Bangkok, gaf hij hem daarvoor de vereiste toelating. Dom Jean Leclercq, de benedictijn uit
Clervaux (Luxemburg) met wie Merton goed bevriend was, antwoordde kort op de vraag van deze laatste
wat in Bangkok van hem precies zou verwacht worden. Leclercq stelde voor dat Merton een lezing zou
geven over ‘Marxisme en monastieke perspectieven’ en daarbij op een luchtige toon zou eindigen:
“Wij zullen samen de clown uithangen!” Hieronder leest u Mertons antwoord aan Leclercq.
23 juli 1968
Dank voor jouw goede brief over de schikkingen voor Bangkok. Met plezier zal ik de lezing
geven over het marxisme enz… Inderdaad belangrijk! Ik heb mezelf tamelijk goed vertrouwd gemaakt met
Herbert Marcuse, wiens ideeën zoveel invloed hebben gehad op de “studentenrevoltes” van vandaag. Ik
moet toegeven dat ik hem dichter bij het monachisme vind staan dan veel theologen. Zij die de structuren van
de hedendaagse maatschappij onderzoeken, zoeken tenminste bij monikken naar een bepaalde afstand en
naar een kritisch perspectief dat men, helaas, maar zelden aantreft. De roeping van de monnik in de moderne
wereld, vooral de marxistische, is niet overleving maar profetie (“not survival but prophecy”). Wij zijn allemaal te
veel bezig met ons hachje te redden.
Uit: Survival or Prophecy. Letters of Thomas Merton & Jean Leclercq,
Farrar, Straus and Giroux, New York, 2002, blz. 174-175.
Vertaling Luc Meeusen
[Contactblad Mertonvrienden, 21ste Jaargang, no 1, maart 2007, blz. 3]
OP VERKENNING NAAR HET WEZENLIJKE
IN HET MONASTIEKE LEVEN
[Exploring the Essential]
Armand VEILLEUX, ocso
In 2005 sprak Dom Armand Veilleux (van de abdij van Scourmont, beter bekend
als ‘Chimay’) tot de oversten van de monastieke congregaties van de Britse eilanden. Een interessante
basistekst, leek ons, om een jaargang over ‘profetisch monachisme’ in te zetten.
We zagen ons echter verplicht om bepaalde delen uit de tekst weg te laten maar
we vatten ze tussendoor cursief wel samen.
Dom Armand vertrekt vanuit een plan uit de jaren ’60 om een soort definitie
te schrijven van het monastieke (i.c. cisterciënzer) leven. Dat bleek niet haalbaar. Een ‘beschrijving’ al
evenmin. Enkel een verklaring (‘statement’) van 1 blz. bleek zinnig. En daarin ging het natuurlijk vooral om
het wezenlijke van het monastieke leven.
Uiteraard hangt wat wij zullen ontdekken af van wat wij zoeken. Onze monastieke
manier van leven bestaat uit een aantal ‘praktijken‘ die we gewoonlijk ‘observanties’ noemen. Bepaalde
ervan lijken ons vandaag de dag nog altijd van betekenis, andere worden beschouwd als afwijkend van - niet
in harmonie met - onze cultuur van vandaag. Bepaalde ervan hebben we al losgelaten – om daarna vast te
stellen dat nieuwe vormen van monastiek leven ze weer opnemen, soms niet zonder rancune. We
worden er dus toe verleid om even stil te staan en ons af te vragen welke van die observanties essentieel
zijn voor een monastieke levenswijze en welke niet. Ik geloof echter dat dit een misleidende vraag en een
verkeerde aanpak is.
In onze manier van leven is er iets belangrijker dan de observanties. Of, met andere
woorden: wat wezenlijk is voor onze levenswijze is iets dat aan de praktijken of observanties voorafgaat. Met
name: het doel van ons leven, wat Cassianus beschrijft als de vervolmaking van onze
naastenliefde, [‘perfectio caritatis’].
In het monastieke leven, zoals in elke vorm van het christelijk leven, of zelfs elke vorm
van menselijk leven, is er één absoluut gegeven: God. In relatie met dat absolute gegeven is alles, hoe
belangrijk het ook mag zijn, relatief - en zoiets zeggen kan niet beschouwd worden als ‘relativisme’. Onze
diverse vormen van monastiek leven, of zij nu benedictijns, cisterciënzer, kartuizer, camaldolenzer zijn, of
welke dan ook, zijn zo veel manieren om ons christelijk engagement ten volle te beleven. En ons christelijk
leven is een manier om ons menselijk leven te leiden volgens het licht dat ons door het evangelie van Jezus
Christus geschonken wordt. We kunnen geen echte christelijke monniken zijn zonder authentiek christen te zijn
en we kunnen geen christen zijn zonder authentiek en volledig menselijk te zijn. Dat is echt het wezenlijke.
Het mysterie van de Drie-Eenheid, dat we een paar weken geleden vierden, herinnert er
ons aan dat God communio is, koinonia, en dat we, omdat we naar Gods beeld geschapen zijn, omdat God ons
zijn levensadem heeft ingeblazen op de dag van de schepping, geroepen worden om in die communio in te
treden. Als christenen hebben we van Jezus van Nazareth de openbaring van de communio met zijn Vader in
hun gemeenschappelijke Geest van liefde gekregen en de uitnodiging, de oproep, om in die communio in te
treden. “Als iemand van mij houdt, zal hij naar mijn woorden luisteren en mijn vader zal van hem houden. We zullen
komen en we zullen bij hem inwonen." Daar ligt het essentiële: het christelijk leven is een leven van communio. Het
monastieke christelijke leven is een bepaalde manier om die communio te beleven.
Ons monastieke leven is dus in wezen een leven van communio. Dat geldt voor om het
even welke vorm van monastiek leven, ook de eremitische. Maar het geldt in het bijzonder voor de cenobitische
levenswijze, zoals die in de regel van Sint-Benedictus wordt beschreven, de regel ook volgens dewelke wij
allemaal leven. Ik wil nu graag even onze monastieke observanties bekijken in relatie met de verschillende
aspecten van die communio.
Die communio is uiteraard eerst en vooral een communio met God. Als niet, dan heeft
niks anders in onze manier van leven enige betekenis. We worden allen geroepen, zoals elk ander menselijk
wezen, tot die contemplatieve eenheid met God, door een leven van voortdurend – of onophoudelijk gebed. Dat
is het enige echte voorschrift in het Nieuwe Testament over gebed: dat we zonder ophouden zouden bidden. Nooit
vertelt Jezus ons dat we x keer moeten bidden per week of x keer per dag. Hij vertelt ons gewoon dat we de hele
tijd moeten bidden, zonder ophouden. Dat is geen observantie, het is een manier van zijn. Zonder ophouden
bidden of in een contemplatieve eenheid met God leven is steeds aanwezig zijn bij God, in iedere vezel van ons
zijn, aangezien hij ons zonder ophouden schept en in het bestaan houdt. Hij is meer aanwezig dan wij bij onszelf
aanwezig kunnen zijn. Bidden is die communio tot het niveau van bewustzijn brengen, dat
zuchten [eventueel ‘kreunen’, ‘groaning’] van de Geest van God in ons, zoals Paulus het uitdrukt in hoofdstuk
acht aan de Romeinen.
Dat is opnieuw geen observantie. Het is een manier van zijn. Maar om in staat te zijn om die
communio met God ten minste in een bepaalde mate van bewustzijn te beleven, hebben we nood aan verschillende
middelen en onze monastieke manier van leven – voor ons concreet de benedictijnse manier van leven – biedt een
aantal ‘werktuigen’, observanties. Het gebruik van die werktuigen maakt ons de naam van authentieke monniken
waardig – of niet.
Een constante communio met God in een houding van onophoudelijk gebed is onmogelijk
zonder, niet enkel een houding van luisteren naar God, maar ook veelvuldige ogenblikken van expliciet luisteren
naar God doorheen wat we nu lectio divina noemen, het lezen en bemediteren dus van het Woord van God. En in
een cenobitisch leven wordt dat ook beleefd doorheen een veelvuldig collectief beluisteren van het Woord van
God en door gezamenlijk antwoord te geven op dat Woord doorheen de gezamenlijke viering van wat Benedictus
het Opus Dei noemt.
Daarom kunnen we ons de vraag stellen: wat is hier wezenlijk en wat niet ? Een houding
van contemplatieve communio met God doorheen een constant, onophoudelijk gebed behoort tot het essentiële.
Wat de collectieve uitdrukking van die communio betreft in een persoonlijk luisteren naar Gods Woord doorheen
de lectio divina, en door de gezamenlijke viering van de liturgie is wat ik zou noemen een basiskenmerk van het
benedictijnse monastieke leven, zonder hetwelk er geen authentiek benedictijns monastiek leven is. Hoe nu die
dienst gestructureerd en gevierd wordt, of in het Latijn of in de volkstaal, volgens dit of dat schema inzake
verdeling van de psalmen, met zoveel ogenblikken waarop monniken in de kerk elke dag verzamelen, enz.: dat mag
allemaal best wel belangrijk zijn – in verschillende mate. Maar dat is allemaal secundair en zelfs ‘relatief’ in
zijn ‘relatie’, in zijn band met het essentiële. In elke keuze die in dat verband moet worden gemaakt, is de echte
vraag niet of de observantie wezenlijk is omdat geen observantie op zich wezenlijk is. Veeleer is de vraag: helpt
die observantie ons om authentiek het essentiële te beleven, namelijk de communio met God. Daarbij komt de
vraag : in hoeverre is die observantie een basiskenmerk van de benedictijnse manier om het wezenlijke te leven.
Communio met God kan nooit in abstracto beleefd of geleefd worden. Het moet altijd
geïncarneerd worden. Het is de communio met een groep broeders of zusters, met wie we een gemeenschap
vormen. Het is de communie met de kerk, de locale en de universele; het is de communio met de maatschappij
om ons heen, met de hele mensheid en ook met de hele kosmos.
Aangezien onze benedictijnse manier van leven cenobitisch is, behoort de communio met
onze broeders en zusters in een leven volgens een gemeenschappelijke Regel tot het wezenlijke. Om echt,
authentiek, ‘benedictijns’ te worden genoemd, moet het gemeenschappelijke leven op een bepaalde manier
gestructureerd worden. Benedictus drukt dat uit in zijn hoofdstuk over de verschillende soorten monniken, waar hij
beschrijft wat een cenobiet is. Hij zegt dat een cenobiet iemand is die in gemeenschap leeft, volgens een regel en
onder een abt. Die drie elementen – en de juiste orde of het verband tussen hen – is de belangrijkste basisstructuur
van het benedictijnse leven. Hoe dieper je ingaat op de details inzake hoe het dagelijks leven van een gemeenschap
gestructureerd is, hoe meer je verschillende graden van belang moet onderscheiden En die worden in principe
bepaald door een gezamelijke kijk daarop van diegenen die die levenswijze volgen. Uiteindelijk, zo kunnen we
stellen, behoort de manier waarop je een authentiek leven van communio met je broeders of zusters leeft of
beleeft, tot de essentie. Maar het volgen van een gezamenlijke manier van leven is niet op zich essentieel. Die
vormen zijn allemaal relatief en het belang van elk van hen moet worden beoordeeld volgens de graad van
verband, relatie, met het essentiële.
Communio moet, door zijn aard zelf, open zijn voor anderen, zoals ik al zei. De communio
die een groep broeders en zusters verbindt in een monastieke gemeenschap zou niet christelijk zijn indien ze niet
open was voor alle andere gemeenschappen die, door hun koinonia met elkaar, samen de kerk uitmaken.
Communio met de hele kerk behoort tot het wezenlijke. En door ‘kerk’ moeten we niet enkel
de hiërarchie van de katholieke kerk begrijpen, niet zelfs de katholieke kerk als zodanig, maar de grote Koinonia
bestaande uit allen die geloven in Christus. Een oecumenische dimensie van ons monastieke leven behoort ook tot
het wezenlijke. Hoe nu die communio met de diocesane kerk, met de nationale kerk, met de hele katholieke kerk,
concreet zal worden utigedrukt en hoe we aan de oecumenische dialoog zullen deelnemen, behoort allemaal tot het
geheel van beslissingen, die elk van ons dagelijks moet nemen, rekening houdend met een bepaalde traditie van
onze gemeenschap, de noden van de kerk om ons heen, onze eigen mogelijkheden en onze eigen beperkingen.
Geen enkele van die verschillende praktische uitdrukkingsvormen behoort tot het wezenlijke. Hun waarde ligt in de
relatie met wat we als het wezenlijke zien.
Evenmin kunnen we volledig mens zijn en daarom evenmin volledig christen zijn of
authentieke monniken als we niet in communio leven met de mensen om ons heen. Als we niet delen in de zorgen,
de angsten, de verwachtingen en de hoop, de vreugde en de pijn van al onze medemensen. Dat is uiteraard
wezenlijk (human beings). Alle concrete uitdrukkingen van die communio zijn relatief en dienen te worden
beoordeeld volgens de omstandigheden in hun totaliteit. Iets wordt niet essentieel omdat de gemeenschap het
de voorbije 50 of 100 of 500 jaar heeft gedaan. Een oordeel over hoe onze verschillende manieren van
betrokkenheid in de opbouw van de maatschappij nog zinvol zijn, moet constant worden gemaakt en
daarbij moeten we rekening houden met de wisselende toestand van de wereld en evenzeer met die van onze
gemeenschappen.
Vervolgens is er de communio met de hele kosmos, waarvan we een heel klein deeltje
vormen. De zorg om het behoud van onze planeet en onze wereld behoort tot het wezenlijke en een monnik dient
een ecologische gevoeligheid te ontwikkelen, vooral in onze tijd waarin het algemene evenwicht van het ecologisch
systeem bedreigd wordt door onze westerse levenswijze en waarin ook bepaalde radiciale politieke theoretici van
een bepaalde supermacht menen dat hoe sneller we onze planeet vernietigen, hoe sneller we de Apocalyps
dichterbij brengen en de terugkeer van Christus. Natuurlijk betekent dat niet dat we allemaal massaal tegen
vervuiling moeten gaan protesteren en voor biologische landbouw moeten opteren. Het betekent wel dat
het ‘wezenlijk’ is voor elk van ons om in onze concrete, dagelijkse, ‘relatieve’, beslissingen die zorg op te nemen.
* * *
Ik ben er mij van bewust dat mijn aanpak en de betekenis die ik aan het woord “essentieel”
of “wezenlijk” geef, voor velen van u niet volstaat of zelfs ergernis doet ontstaan aangezien het in deze tijd van
vernieuwing en herinschatting van een en ander, onze zorg is te bepalen wat de “wezenlijke” monastieke
observanties zijn, die we koste wat het kost moeten behouden en die die niet wezenlijk zijn, die we kunnen laten
vervallen of wijzigen. Laat ons ten minste beseffen dat we, wanneer we op deze manier spreken, het
adjectief “essentieel” een nogal specifieke betekenis geven.
Natuurlijk zou het ons meer kunnen geruststellen indien we een makkelijke manier konden
vinden om te bepalen welke monastieke observanties essentieel zijn en welke niet. Of indien we gewoon konden
bepalen wat “monastiek” is en wat niet. Sinds de tijd van de zwervende asceten van de tweede eeuw in Palestina
en de tijd van de eremijten van Beneden-Egypte of de Pachominaanse cenobieten in Boven-Egypte tot de
nieuwe monastieke communauteiten van nu of de cisterciënzer hervorming van de twaalfde eeuw, werd de
term “monastiek’” gebruikt voor een zeer breed spectrum van levenswijzen.
Als we concreet willen inschatten wat we totnogtoe in onze lokale gemeenschap hebben
gedaan – in onze congregatie, federatie of orde – om te bepalen wat kost wat kost moet worden behouden en wat
we kunnen laten vallen of wijzigen, dan kunnen we niet om een zorgvuldige en vaak pijnlijke analyse van de
situaties waarin die praktijken en observanties ontstonden en van de betekenis die zij nog hebben of kunnen
hebben – of misschien net niet hebben – in de situatie vandaag.
Wanneer we de geschiedenis van het christelijke monastieke leven bestuderen, beseffen
we onmiddellijk dat elke belangrijke nieuwe stichting of ingrijpende hervorming plaats vond in een tijd van diepe
sociale en culturele veranderingen en bedoeld was als een soort antwoord op die ontwikkelingen. Ik weet dat veel
mensen graag beweren dat het monastieke leven tegen de gangbare cultuur optornt of dat zou moeten. Ik weet
wat zij bedoelen, namelijk dat het monastieke leven ingaat tegen bepaalde aspecten van onze of van om het even
welke cultuur. Het is waar maar dat soort taal, die terug te voeren is op 1968, is ambigu. In werkelijkheid
ontstonden betekenisvolle monastieke bewegingen toen een groep monniken een bijzondere gevoeligheid aan de
dag legden voor de cultuur van hun tijd en in hun eigen manier van leven een antwoord vonden op de uitdagingen
en verzuchtingen van hun tijdgenoten: een antwoord dat niet enkel voor hen geldig was maar evenzeer voor elk
ander.
De echte vraag inzake elk aspect van onze manier van leven is daarom: in welke mate is
dat aspect verbonden met en afhankelijk van een specifieke culturele context en in welke mate heeft het nog een
betekenis vandaag de dag. Zowel vandaag als in het verleden is er plaats voor heel wat zeer uiteenlopende vormen
van monastiek leven. Er is plaats voor een grote communauteit, die zich bezig houdt met opvoeding en opleiding
op hoog niveau, via een universiteit of een grote school die aan het klooster verbonden is en er is plaats voor
een kleine communauteit van 5 of 10 monniken in een arme voorstad of in een geïsoleerde uithoek van het
platteland. Er is plaats voor een gemeenschap die sterk betrokken is in sociale dienstverlening gericht op de
bevolking in de buurt, net zoals er een plaats is voor kleine arme monastieke communauteiten die gewoon de
levensomstandigheden delen van de bevolking in de omgeving.
Monnik zijn is een soort bestaan en impliceert niet per se een activiteit in de maatschappij
of in de kerk. Het sluit ook geen enkele activiteit uit, die het waard is door een mens of een christen gedaan te
worden. We moeten beseffen dat monniken vaak werden geroepen om rollen te spelen die niet noodzakelijkerwijs
voor hen bedoeld waren, op tijdstippen waarop niemand beschikbaar was voor die taken. Sint-Benedictus schreef
zijn Regel op het ogenblik dat het Romeinse Rijk dreigde te bezwijken onder de opeenvolgende invasie van
verschillende groepen ‘barbaren’, die nu de Europese naties vormen. Het proces van het opbouwen van Europa
begon toen en is nog niet afgewerkt.
Dom Armand verwijst naar de rol die
kloosters speelden in verschillende ‘tijdsgewrichten’. Maar hij stelt dat uiteindelijk de enige geldige vraag
luidt: is de vorm van sociaal, cultureel, kerkelijk of pastoraal engagement uit het verleden nog nodig of
gewoonweg zinnig vandaag?
Die vraag is een beetje complexer wanneer we spreken over observanties of praktijken. Maar
zelfs daar ligt de moeilijkheid in het onderscheid dat moet worden gemaakt – maar het is noch eenvoudig noch
makkelijk – tussen wat een fundamenteel [‘constitutief’] element is van het monastieke leven en wat niet.
In overeenstemming met de eerste en belangrijkste betekenis van het
woord monachos – en daarvoor van het Syrische woord ihydaya – heeft de monnik slechts één
doel, slechts één liefde en organiseert hij al de elementen van zijn leven omheen die ene liefde en die ene zorg.
Terecht wordt al lang gesteld dat een ‘gezegende eenvoud’ het belangrijkste basiskenmerk is van de monastieke
levenswijze – en dat impliceert dat monniken van een aantal zaken afstand doen. Bij zoverre dat ze, ten tijde van het
vroege Egyptische monachisme, de apotaktikoi genoemd werden, diegenen dus die afstand hadden
genomen van hun familie en van de wereld om zichzelf volledig aan de Heer te geven.
Dom Armand verwijst hier naar het celibaat
als de belangrijkste basisvorm van afwijzing en de openheid van een ‘monastiek’ statuut voor gehuwden.
Niet evident voor hem vanuit het verleden, maar hij wil niet denigrerend doen over de status
van het huwelijk.
Zoals ik daarnet al zei, verklaart Sint-Benedictus dat een cenobiet – voor wie hij de Regel
schrijft – iemand is, die in een gemeenschap (in monasterio) woont, onder een gemeenschappelijke
regel en onder een abt. Daarom belooft de kandidaat, wanneer hij de toelating krijgt om zich permanent te
engageren in de gemeenschap na een lange en ernstige periode van onderscheiding (cf. RB 58), stabiliteit
(in de gemeenschap), bekering (conversio) of eerder conversatio (leven volgens de Regel dus) en
gehoorzaamheid (aan de Regel en aan de abt die de verantwoordelijkheid heeft om in te staan voor de kwaliteit
van het gemeenschapsleven, volgens de Regel).
Daarom kan iemand geen monnik zijn, of ten minste geen monnik volgens de benedictijnse
traditie zonder te behoren tot een gemeenschap (met alle rechten en verplichtingen die resulteren uit dat
lidmaatschap), zonder zich aan een gemeenschappelijke regel te houden die de regel is van die concrete
gemeenschap en zonder te aanvaarden dat iemand in die gemeenschap de verantwoordelijkheid heeft om Gods
vaderschap uit te oefenen, als vertegenwoordiger van Christus. Die drie elementen behoren tot de monastieke
manier om de de verschillende aspecten van communio te beleven die het wezen uitmaken van het monastieke
leven.
Dom Armand overloopt dan die drie
wezenlijke elementen en stelt vast dat ze vaak totaal anders vormgegeven worden: onder invloed van
historisch-culturele, dan eens lokale, dan weer karakteriële factoren. Maar telkens laat hij opmerken dat
de vorm geen normatief punt is. Wel mag de vorm de gemeenschap niet ondermijnen of leiden tot
verstrooiing.
We moeten voortdurend keuzes maken. Wanneer we op die diverse gebieden keuzes
maken, moeten we beseffen dat de meeste van onze monastieke praktijken en observanties wezenlijk een
symbolische waarde hebben en dat we een grote culturele verschuiving hebben meegemaakt in de laatste halve
eeuw of zo; een soort verschuiving zoals slechts zelden gebeurt in de menselijke geschiedenis en die die
symbolische waarde heeft beïnvloed, resp. aangetast.
Het monastieke leven zoals wij allen [hier verwijst de auteur in eerste instantie naar de
oversten van kloosters in het Verenigd Koninkrijk en Ierland] hebben gekend, ontwikkelde zich in een lange fase
van de geschiedenis die ‘christenheid’ (‘chrétienté’) genoemd werd. Of we het nu graag hebben of niet, of we er
nostalgisch over zijn of niet, die fase van de geschiedenis is voorbij en elke poging om die te restaureren of terug
te brengen, moet op een hopeloze mislukking uitlopen.
Het belangrijkste kenmerk van die periode in de geschiedenis was dat de christelijke waarden
voor iedereen referentiepunten waren – voor hen die naar die waarden leefden zowel als voor hen die er niet naar
leefden. Mannen (en vrouwen) waren toentertijd vermoedelijk niet beter dan ze nu zijn maar voor iedereen, of ze nu
heiligen of zondaars waren, of ze nu leefden naar de christelijke waarden of niet, die waarden waren referentiepunten.
Bijgevolg had bijna alles in het leven van een christen en in het bijzonder in het leven van een monnik symbolische
waarde. De vormen van onze architectuur, de hoogte van onze kerken en vooral van onze torens, het slot van de
zusters, met de sluiers en de tralies, ons monastieke habijt, enz. – dat alles had symbolische waarde en verwees
naar die waarden, zowel voor mensen buiten als binnen. Het herinnerde hen ten minste aan die waarden. Nu is
een symbool enkel een symbool wanneer zijn betekenis spontaan onderkend wordt. Vandaag de dag zijn die
symbolen niet langer symbolen. Ze hebben hun symbolische waarde volledig verloren. Het habijt bijvoorbeeld is
voor mannen en vrouwen van vandaag niet langer een symbool. (Voor de meeste mensen nu is een habijt,
waarin iemand rondloopt, een symbool van iets anders waaraan we bij voorkeur niet denken) Het is gewoon een
middel tot identificatie. Wanneer mensen ons in een monastiek habijt zien, weten ze dat we monniken zijn, hoewel
ze misschien slechts een heel vaag idee hebben – of helemaal geen – van wat een monnik is en ze hebben
misschien al helemaal geen idee van de waarden die we proberen te beleven in onze kloosters. Begrijp me niet
verkeerd. Ik ben niet tegen het dragen van pijen. Er zijn heel zeker wel een flink aantal redenen om een pij te blijven
dragen, zoals er zeker ook heel andere goede redenen zijn om het los te laten. Maar dit moet duidelijk zijn: de
betekenis van het dragen van een habijt is niet langer wat het was in het verleden.
Trouwens, heel weinig traditionele christelijke symbolen, waaronder de liturgische, worden
onderkend als symbolen door de meeste mensen vandaag de dag, ook voor goede christenen. In de meeste
gevallen hebben die riten en gebaren hun symbolische waarde verloren. Mijn persoonlijke overtuiging is dat we niet
moeten proberen nieuwe symbolen uit te vinden in de hoop dat zij de mannen en vrouwen van vandaag (beter) zullen
aanspreken. We moeten eerder proberen om de symbolische waarde van alles
wat we in ons dagelijks leven doen, en van alles rondom ons te herkennen. En dat alles is verbonden met iets
nog veel diepers, cultureel zowel als theologisch. Ik bedoel: de plaats van de ‘religieuze’ dimensie in het menselijk
leven. Dat is vermoedelijk de belangrijke culturele verandering in onze tijd, die niet enkel aan het christenheid raakt
maar aan alle grote religieuze tradities van de wereld – en die wijziging is volgens mij de vrucht van het evangelie,
op het einde van een lange evolutie van de mensheid.
Die heeft te maken met de plaats van de religieuze dimensie of van de religieuze ‘praktijk’ in
het menselijk leven. En de meeste van onze monastieke observanties zijn in feite types van religieuze praktijken.
Alle culturen van het verleden, waaronder het jodendom en de vroege christenheid,
bewoonden een sacrale wereld. Voor die sacrale wereld was de taal van de religieuze rituelen belangrijker dan de
taal van het leven. Het zwaartepunt was de sacrale en rituele activiteit, waardoor menselijke wezens in relatie
konden treden met God. De leer van Jezus was op dat punt zo revolutionair dat het tweeduizend jaar geduurd
heeft voor de betekenis ervan stilaan werd begrepen. Voor Jezus was het zwaartepunt niet de rituele activiteit
maar de kwaliteit van het dagelijkse leven.
In het Westen is het zwaartepunt sinds de tijd van Jezus en zeker als gevolg van zijn leer
en invloed alsmaar verschoven van het gebied van de religieuze en rituele expressie naar het gebied van het
dagelijkse leven. Het nieuwe bewustzijn van de menselijke vrijheid heeft mensen tot een sterker gevoel van
persoonlijke verantwoordelijkheid gebracht. De stenen tempel is steeds minder belangrijk geworden en de
levende tempels steeds meer.
Ons dagelijks leven is de plaats waar we eerst en vooral geroepen zijn om de
boodschap van liefde van het evangelie te beleven. We moeten ons meer en meer bewust worden van het feit
dat ieder menselijk wezen, door het feit zelf van zijn of haar menselijkheid, een tempel is van de Heilige Geest. Van
die tempel is Jezus de hoeksteen.
De moeilijkheden die de kerk vandaag de dag ervaart in onze oude christelijke landen van
West-Europa (en weldra ook van Oost-Europa), zowel als van de VS, zijn vermoedelijk het gevolg van het feit
dat zijn logge, zware institutionele structuur vaak rustte op fundamenten die aangetast zijn geraakt. Naast het
fenomeen van het verlies van een christelijke houding of een christelijk aanvoelen, die onmiskenbaar zijn in onze
tijd, moeten we ook een ander fenomeen onderkennen dat van een heel andere aard is, al lijkt het verwant. En
dat fenomeen is net de geleidelijke verschuiving van het ritueel naar het leven – een verschuiving die door Jezus
zelf werd op gang gebracht. Veel authentieke christenen vandaag de dag zijn zeer aandachtig in het beoefenen
van de evangelische waarden in hun dagelijks leven – in hun gezinsleven zowel als in hun beroepsleven – maar
zijn niet langer geïnteresseerd in wat we ‘religieuze praktijk” noemen, zoals kerkbezoek op zondag.
Ik geloof dat we met die belangrijke culturele en religieuze verschuiving rekening moeten
houden wanneer we [het belang van] onze monastieke praktijken proberen in te schatten. Natuurlijk moeten we niet
proberen te abstract te zijn en weten we allemaal dat er geen “monastieke geest” is zonder dat die geest in het
dagelijkse leven in praktijk wordt gebracht. Maar tegelijkertijd mogen we de monastieke geest of de monastieke
waarden niet te snel identificeren met de observanties, waarin zij in het verleden uitgedrukt en beleefd werden.
Zeker is dat een zaak van inculturatie. De ervaring met een groot aantal monastieke
stichtingen, opgedaan door onze communauteiten in Afrika en Azië, vooral gedurende de laatste vijftig jaar, leren
ons dat inculturatie niet kan gepland worden of ontworpen aan het bureau. Het gebeurt gewoon wanneer de
voorwaarden verwezenlijkt zijn.
Daarom denk ik dat we niet te veel tijd en energie moeten investeren in het vinden van
nieuwe monastieke observanties, die meer aan deze tijd zijn aangepast. Laat ons eerder al onze energie investeren
in onze pogingen om de communio te verdiepen in ons eigen leven zowel als in het leven van elk van onze
communauteiten: de communio met God, met onze broeders, met de kerk, de wereld en de hele kosmos. Laat ons
ook wat afstandelijk blijven waar het gaat om onze traditionele observanties: heel waarschijnlijk zullen spontaan
nieuwe observanties verschijnen, die meer aan onze cultuur van vandaag zijn aangepast. Goede praktijken worden
niet gecreëerd of uitgevonden. Zij worden geboren uit het leven.
Vertaling Jan Glorieux
[Contactblad Mertonvrienden, 21ste Jaargang, nr 1, maart 2007, blz. 16-29]
NIEUWE VORMEN VOOR HET MONASTIEKE LEVEN ?
Armand VEILLEUX, ocso
Een aantal jaren geleden gaf ik in Sant’Anselmo in Rome lezingen over monastieke vorming.
Op een bepaald ogenblik onderzocht ik wat de vroege monniken en de grote monastieke figuren van de
Middeleeuwen daarover schreven of zeiden. Toen ontdekte ik dat in de vroege monastieke periode en in de
Middeleeuwen bijna niet was geschreven over monastieke vorming. Toen besefte ik dat het idee dat we iemand
zouden kunnen opleiden (een vorming geven) voor het monastieke leven een hypermodern idee is, iets dat
vroege monniken zich nooit hadden kunnen voorstellen. Ze konden zich niet voorstellen dat je iemand tot
een monastieke leven kon opleiden. Integendeel, ze gingen ervan uit dat iemand door het monastieke leven
diende te worden gevormd. Het doel van een monnik is, net als dat van elke mens, geleidelijk gevormd of
omgevormd te worden naar het beeld van Christus. En het monastieke leven is een middel – of een verzameling
van middelen – om dat doel te bereiken.
Ik ervoer iets gelijkaardigs toen ik deze voordracht begon voor te bereiden. Ik schreef eerst
de titel boven aan mijn computerscherm: ‘Nieuwe vormen voor [lett. : ‘een nieuwe vorm geven aan] het
monastieke leven. Toen bedacht ik: hoe kunnen we ooit nieuwe vormen vinden voor het monastieke leven
wanneer het net de taak is van het monastieke leven om ons om te vormen ? Maar ik begrijp wat met de titel
bedoeld wordt en ik wil proberen om u een aantal beschouwingen aan te bieden rond dat onderwerp.
Na wat ik gisteren zei [nl. dat monniken eerder aan communie, gemeenschap, zouden
moeten werken met God, met onze broeders, met de wereld, met de kerk, met de kosmos, zodat nieuwe
‘observanties’ voor deze tijd als vanzelf zouden ontstaan], hoef ik eigenlijk niets meer toe te voegen. Want
als ik min of meer gelijk had, dan zou het volstaan om alle inspanningen te leveren om een leven van
gemeenschap (‘communie’) te leiden op de diverse vlakken die ik vermeldde. De rest zou vanzelf volgen. Maar in
de praktijk is het niet zo eenvoudig.
Ik ga nu door over inculturatie, want daar was ik gisteren aan het einde aanbeland.
Wanneer we het hebben over “nieuwe vormen [vinden] voor het monastieke leven”, dan
denken aan wat “aggiornamento” genoemd werd op Vaticanum II, wat ook “inculturatie” of “herevangelisering”
genoemd wordt. Paus Johannes Paulus sprak vaak over inculturatie in de eerste jaren van zijn pontificaat maar
naar het einde toe had hij het vaker over herevangelisering. Eigenlijk betekenen beide woorden zowat hetzelfde.
Als we onze moderne maatschappij moeten herevangeliseren, dan is het niet omdat de eerste evangelisering
niet beklijfd heeft of omdat onze cultuur ontkerstend is (dat is utieraard deels waar) maar gewoon omdat elke
cultuur altijd een proces van evolutie of transformatie doormaakt – een proces dat al eens versneld verloopt - en
omdat de geëvangeliseerde cultuur niet meer bestaat. De cultuur moet telkens weer met de evangelieboodschap
geconfronteerd worden, in elk van zijn nieuwe vormen. Dat is wat herevangelisering betekent en waarover het
gaat in inculturatie.
In een volgend deel toont hij de interactie
aan tussen een cultuur of cultureel element en het evangelie: hoe de monastieke beweging van de
woestijnvaders aansloot bij de ascetische beweging binnen en buiten het jodendom en hoe het evangelie
vanuit de cultuur bevrucht werd en omgekeerd. Hij situeert trouwens alle grote hervormingsbewegingen in
een maatschappelijk scharniermoment: toen kerk en christenen op nieuwe manieren wilden inspelen op
uitdagingen van en specifieke maatschappelijke hervormingen in de tijd.
Nu lijkt het duidelijk dat wij ons opnieuw in een zeer kritiek tijdperk in de geschiedenis
bevinden, bij het begin van het derde millennium. Het is een tijd van transformatie, omvorming, die het sterkst de
westerse wereld raakt maar ook alle andere delen van de planeet, alle culturen en alle religies. Dat alles is toe te
schrijven aan de gevolgen – positief of negatief – van de globalisering. Als we ons even beperken tot de westerse
wereld, dan kunnen we zeker gewagen van een crisis van het monastieke leven (het ‘monasticisme’), waarbij ik het
woord ‘crisis’ niet noodzakelijk negatief duid. Maar die crisis in het monastieke leven is slechts één aspect van de
crisis van de kerk, en de crisis van de kerk is één aspect van de crisis van onze maatschappij. Dat alles betekent
dat het nutteloos en vruchteloos zou zijn om een oplossing voor onze eigen crisis te zoeken zonder rekening te
houden met de bredere context. Er is nood aan een collectieve, globale bereidheid om te luisteren naar de tekenen
van de tijd. Er is nood aan een collectieve analyse van de situatie en aan een collectieve zochtocht naar antwoorden,
hoewel veel verschillende antwoorden mogelijk en verdedigbaar zijn. Nieuwe vormen ontwikkelen voor het
monastieke leven kan enkel één aspect zijn van nieuwe vormen voor de kerk en nieuwe vormen vinden voor de
kerk kan slechts één aspect zijn van nieuwe vormen ontwikkelen voor de maatschappij.
Naar mijn mening was dit een van de belangrijkste doelen van het monastieke leven in het
begin van het derde millennium: het herwinnen van zijn capaciteit om alle aspecten van het leven als christen en als
mens tot eenheid te brengen in één harmonieuze beweging. Zo komt er een antwoord op de tendens tot
differentiatie en diversificatie die van ons leven zo vaak een losse aaneenschakeling heeft gemaakt van
beslommeringen en bekommernissen.
De oorspronkelijke betekenis van het woord monachos en van het Syrische
equivalent ihidaya is niet zozeer een persoon die alleen is, als wel een persoon die slechts één doel, één
liefde, één zorg heeft in zijn of haar leven. Misschien ligt de uitdaging van elke vernieuwing van de vorm van ons
monastiek leven daarin dat we terugkeren aan die eenvoud.
Dat illustreert de auteur met hoe de diverse
monniken (van portier tot gastenpater en abt) omgaan met hun werk of taken. Die taken maken het niet
onmogelijk om authentiek monnik te zijn maar hun leven moet een eenheid zijn, geïntegreerd. Je moet niet
monnik én student zijn maar monnik-student. Je moet 24 uur lang monnik zijn of niet.
Misschien is een van de aspecten waarin ons monastieke leven sterk beïnvloed is door
de cultuur van de wereld, dat ons leven heel vaak ‘gecompartimenteerd’ is geworden, opgedeeld.
Het enige wat die eenheid van ons leven kan in stand houden doorheen alle
dagdagelijkse activiteiten is constant, onophoudelijk gebed – constant contemplatief gebed. De contemplatieve
eenheid met God is het doel van ons leven. Nu is ‘contemplatie’, in zijn bijbelse en patristieke betekenis, niet iets
dat plots even gebeurt, in de vorm van piekervaringen. Het is een houding van het hart, een manier van zijn. Je bent
gedurende vierentwintig uur per dag contemplatief of je bent het niet. Als ik geen contemplatief ben tijdens het
werk en wanneer ik mensen ontmoet of een vergadering bijwoon, dan zal ik niet meer contemplatief zijn wanneer ik
de getijden zing in het koor of in lotushouding voor het Allerheiligste Sacrament zit.
Om die reden heb ik het wat moeilijk met de manier waarop mensen soms spreken over
de monastieke ‘observanties’ als kenmerken van het monastieke leven. Het gevaar bestaat dat mensen stilaan
beginnen te denken dat je een monnik bent wanneer je al die observanties onderhoudt die als ‘essentieel’
beschouwd worden. Je kan heus al die observanties onderhouden en toch een heel ‘verstrooid’ [lett.
uiteengeslagen, nvdv] leven leiden. Terwijl dat net het tegendeel is van de eenheid, van het tot eenheid
brengen, of van de eenvoud die het leven van een monnik zou moeten kenmerken.
Die moderne tendens om ons dagdagelijks leven in een lange serie van ongebonden
beslommeringen op te delen, is zo allesdoordingend dat we er – nochtans met de beste bedoelingen – toe
overgaan om enkele van de fundamenteelste houdingen van het monastieke leven te beschouwen
als “observanties” die op bepaalde specifieke ogenblikken elke dag moeten worden onderhouden.
Lectio divina is een goed voorbeeld. De vroege monniken kenden de praktijk van
het reciteren van bepaalde gebeden op verschillende tijdstippen elke dag, hetzij alleen, alsof zij kluizenaars
waren, hetzij als gemeenschap, alsof zij cenobieten waren. De belangrijkste visie daarachter en de belangrijkste
betekenis van die praktijk was om iets veels belangrijkers op die manier te koesteren en te voeden, met name het
onophoudelijk gebed. Dat is dan weer een constante gemeenschap, ‘communie’, met God. Sinds God tot ons
gesproken heeft, voelden zij aan dat onophoudelijk gebed eerst en vooral een onophoudelijk luisteren naar God
was. Ze luisterden naar wat God hen bleef vertellen: in de stilte van hun hart en doorheen de vele teksten van de
Schrift die zij uit het hoofd geleerd hadden en constant herkauwden [‘ruminatio’], doorheen ook de teksten die
zij hoorden bij de liturgische vieringen, doorheen de woorden van een geestelijke vader en de geschriften van de
ouderen, en ook doorheen alle gebeurtenissen in hun dagdagelijks leven. Lectio divina was geen praktijk. Het was
een houding van het hart.
Die houding raakte grotendeels verloren op het einde van de Middeleeuwen en meer nog in
de post-Reformatietijd in de katholieke kerk. Sindsdien, en vooral in de voorbije vijftig jaar of zo, in het zog van de
bijbelse beweging, herontdekten we het belang van de Schrift in ons monastieke leven en van lectio divina.
Spijtig genoeg begonnen we lectio divina ook als een “praktijk”, of een “observantie” te zien, eerder dan
als een fundamentele houding van het hart. De trouwe monnik maakt elke dag een half uur of een uur of zelfs meer
vrij voor lectio en neemt dan zijn spirituele lectuur op, of zijn studies of andere activiteiten. Hij neemt een zeer open,
ontvankelijke [lett. een ‘gratuite’] houding aan tijdens dat half uur, waarin hij naar God luistert, en geeft zichzelf
tijdens de rest van de dag vaak over aan dezelfde dolle hetze, dezelfde competitiegeest, diezelfde afleiding, alsof
hij niet had gekozen voor een leven van onophoudelijk gebed en constant zoeken naar de aanwezigheid van
God.
Niet enkel is dat allemaal totaal vreemd aan de geest van de monniken van de woestijn
maar die houding staat in een totale contradictie met het wezen van de lectio divina. De essentie van lectio is de
innerlijke houding. Nu is die houding niet iets dat je aanneemt voor een half uur of een uur per dag. Je draagt die
houding de hele dag met je mee of helemaal niet. Het doordrenkt onze hele dag of helemaal niet; anders is de
beoefening ervan een zinloos spelletje.
Die lectio en wat erbij hoort is verschrikkelijk veeleisend. Je moet je immers door God laten
bevragen, je laten uitdagen, vormen, doorheen alle elementen van de dag, doorheen het werk zowel als
doorheen de ontmoetingen met medebroeders, door de harde ascese van een ernstige intellectuele inspanning
zowel als doorheen de viering van de liturgie en de onvermijdelijke spanningen in het gemeenschapsleven. Als
we echter die houding van totale openheid reserveren voor één geprivilegieerde oefening, die op zijn eentje,
spontaan, de rest van onze dag moet doordrenken, dan is dat misschien wel een eenvoudige manier om aan die
eis te ontsnappen.
Voor de woestijnvaders vormden lectuur, meditatie, bidden, analyseren, interpreteren,
onderzoeken, vertaling van de Schrift, allemaal samen een niet te scheiden geheel. Voor Sint-Jeroom was het
bijvoorbeeld ondenkbaar geweest, dat zijn meticuleuze analyse van de Hebreeuwse tekst van de Schrift met het
oog op de ontdekking van alle nuances, geen activiteit was die de naam van lectio divina verdiende.
De auteur legt dan het verband met het
weigeren van de scholastieke methode in de kloosters. Daardoor sloot de zgn. ‘monastieke theologie’ zich in
de elfde / twaalfde eeuw af van de nieuwe gangbare methodes en inzichten. Een ontwikkeling
die hij betreurt.
Wat moet nu gebeuren, in deze tijd ? In elke cultuur zijn er elementen van dood en
zaden van nieuw leven. Een deel van de cultuur sterft uit en een ander ziet het licht. Een aantal mensen geeft er
de voorkeur aan naar de elementen van dood te kijken en onze monastieke geloften aan te bieden als een
remedie tegen die cultuur van dood. Maar ik denk dat het meer overeenkomt met de grote monastieke traditie
om onze cultuur te bekijken vanuit het standpunt van contemplatieven, met de ogen van God, en alle kiemen van
nieuw leven te ontdekken en ze te laten groeien door ze in onze geestelijke zoektocht te integreren. Dat is nog iets
totaal anders dan zich te voegen naar de trends van vandaag en de manier van leven vandaag de dag.
In een zijsprongetje spreekt de auteur zijn
grote hoop én zijn blijvend vertrouwen uit in Vaticanum II én zijn ontgoocheling over het impact van machten
hoog in de kerk en van invloedrijke ‘nieuwe bewegingen’.
Dit is niet het tijdstip of de plaats om te analyseren wat onze gemeenschappen, concregraties
en ordes hebben meegemaakt in de kerk sinds het Concilie. Het zou verkeerd zijn de grote daling van het aantal
roepingen in vele delen van de kerk en de sluiting van zoveel gemeenschappen en zoveel kerkgebonden
instellingen toe te schrijven aan het Concilie en aan de hervormingen die daardoor teweeg werden gebracht.
Het Concilie vroeg vooral naar een spirituele vernieuwing en ik geloof ook dat we, al bij al, zowat al onze
inspanningen in die spirituele vernieuwing investeerden. Maar zo’n spirtuele vernieuwing vergde ook omvormingen
van structuren en die kwam, voor de meesten van hen, te laat. De krisis (in de etymologische en positieve
betekenis van het woord) die zulke omvormingen veroorzaakten leidden tot een grote zuivering.
We hebben dezelfde ervaring doorgemaakt als Job in de bijbel… We beseften dat we
zelfs zonder veel van de zaken die ons onze maatschappelijke identiteit schonken en waarop we fier waren,
bestaan. De meeste van onze gemeenschappen zijn niet langer zo sterk, machtig en invloedrijk als in de voorbije
eeuwen. Maar in hun precaire toestand en hun zwakte blijven zij getuigen van de sequela Christi. Dit is onze
roeping: niets te verkiezen boven de liefde voor Chirstus, Christus te volgen in een maatschappij in totale
omvorming en altijd op zoek naar haar eigen identiteit. Onze gemeenschappen kunnen dat evangelisch getuigenis
afleggen, of ze nu klein of groot zijn. Onze identiteit ligt niet in de diensten die we verleend hebben of nog altijd
verlenen aan de kerk maar in wat we zijn, in spiritueel opzicht.
Die armoede vindt de auteur o.a. terug in het
gebrek aan een vernieuwde theologie van het religieuze leven (net zoals hij er ook een mist van het
huwelijk, het priesterschap, enz.). Zij leidt er trouwens toe, meent hij, dat de eigenheid van het religieuze
leven nauwelijks te beschrijven is. Schoonheid of streven naar voltooiing, of bv. religieus leven, zijn geen
privileges die aan religieuzen voorbehouden zijn.
Misschien moeten we in dit opzicht aandacht besteden aan een aantal lijnen in de evolutie
van de cultuur vandaag de dag. Gisteren vermeldde ik nog de verschuiving die plaatsgevonden heeft in de plaats
van de “religieuze” dimensie in het menselijk leven. En ik zou opnieuw willen benadrukken dat zo’n evolutie de
vrucht is van een christelijke boodschap. Jezus stelde een einde aan de offereconomie van het Oude
Testament en van alle oude godsdiensten. Vanuit dezelfde inspiratie verving hij de religieuze rituelen door zijn
eigen leven en zijn eigen dood, waardoor hij ons uitnodigde om zijn Vader te verheerlijken, niet door rituelen maar
door de kwaliteit van onze liefde. Hij leerde ons alle elementen van ons leven te erkennen en ze een symbolische
waarde te geven, en niet langer aan esoterische, een magisch-symbolische waarde toe te kennen.
Nog een verschuiving is sindsdien aan het gebeuren. Onze vormen van monastiek en
religious leven ontwikkelden zich in een periode van de geschiedenis, toen, in de Romeinse cultuur zowel als in
die van van alle nieuwe naties, enorm belang werd gehecht aan rang en klasse in de maatschappij. Rang en klasse
hadden hetzelfde belang in de kerk. Heldere onderscheiden en scheidingen bestonden tussen clerus en [gewone]
mensen, tussen monniken, kanunniken, vertegenwoordigers van bedelorden en andere religieuzen. Die
onderscheiden verliezen stilaan veel van hun belang.
Die gelijkschakeling heeft misschien een evangelische oorsprong en waarde. De enige
“nieuwe” theologie die door Vaticanum II is ontwikkeld, is die van het ‘Volk van God’. Als we allen samen het volk
van God zijn, en op diverse manieren verschillende charisma’s beleven, dan hebben alle onderscheiden van
vroeger vermoedelijk veel van hun belang verloren.
De eeuwenoude praktijk volgens dewelke gemeenschappen helemaal uit mannen of
vrouwen bestaan, volledige actief of contemplatief zijn, enz... zal vermoedelijk niet de enige vorm van gewijd leven
zijn in de kerk van morgen. Feit is dat de meeste nieuwe religieuze groepen in de kerk geen ‘religieuze
gemeenschappen’ in de traditionele zin zijn, maar ‘spirituele families’, die bestaan uit celibatairen en gehuwde
mensen, uit leken en priesters, waarvan sommigen eerder een contemplatief leven leiden en anderen zeer actief
zijn in de maatschappij en in de kerk. Maar allen zijn verenigd vanuit dezelfde geest en dezelfde spiritualiteit.
Wanneer zij Rome om erkenning vragen, dan erkent de Congregatie voor de Instituten van Voltooiing en de
Seculiere Instituten, het deel van de groep dat religieuze geloften aflegt. De rest beschouwt ze als
geassocieerden, wat gewoonlijk indruist tegen de oorspronkelijke geest van de groep. Natuurlijk heeft Opus Dei
een andere oplossing gevonden door zich te laten goedkeuren als “persoonlijke prelatuur”.
Meer en meer groepen van leken vormen lekengemeenschappen, vastgehecht aan
kloosters. Zij willen niet gewoon een vrome, religieuze aansluiting bij de monastieke gemeenschap maar zoeken
eerlijk hoe zij dezelfde waarden als die de monniken in het klooster beleven, in hun gezins- en beroepsleven
kunnen incarneren. Ze geven een nieuwe vorm of uitdrukking aan het monastieke charisma.
Misschien moeten we in die context kijken naar de “nieuwe gemeenschappen” waarover we
het gisteren hadden. Wanneer we de geschiedenis bestuderen van het monastieke leven (of van het religieuze
leven in het algemeen), dan zien we dat op elk belangrijk moment van culturele of sociale transformatie talrijke
nieuwe groepen ontstaan. De meesten van hen verdwijnen na een paar generaties, maar een aantal verzamelen
de hele geest van de beweging in zich en ontwikkelen zih tot bloeiende nieuwe vormen van monastiek leven. In het
algemeen vinden de meer traditionele vormen, die het kenmerk hebben dat ze alle crises overleven, door die
nieuwe bewegingen vernieuwing en nieuwe vitaliteit.
Ik denk dat we daarom een positieve houding moeten aannemen tegenover al die nieuwe
scheuten en de nieuwe vitaliteit die zij meebrengen van harte moeten begroeten. Maar wij moeten tegenover hen –
als zij dat willen aanvaarden – een rol spelen van getuigen van een lange traditie. We moeten niet besluiten
dat zij DE nieuwe vorm zijn en dat zij de huidige gemeenschappen zullen vervangen. Maar we moeten klaar zijn om
ons te laten uitdagen en zelfs te laten vernieuwen door die nieuwe spiritueIe dynamiek.
Een bijkomende uitdaging voor de kerk van de volgende decennia zal zijn de revitalisering, het
opnieuw levenskracht geven aan locale kerken, na een zeer lange periode van groeiende centralisatie. Dat zal ook
een uitdaging worden voor de monastieke instituten.
We weten dat het monastieke leven niet in één lokale kerk ontstond en zich dan over de rest
van de wereld verspreidde. Eerder moeten we stellen dat het min of meer op hetzelfde tijdstip verscheen in alle
lokale kerken van het Oosten evenzeer als van het Westen, en – nog het belangrijkst - het groeide vanuit de vitalitiet
van de lokale kerken (en niet in reactie op een lauwe kerk, zoals vaak ten onrechte wordt beweerd).
In de Middeleeuwen, vooral ten tijde van Cluny, vonden monniken de term ‘exemptio’ uit, in
een poging zichzelf te bevrijden van de heerschappij van de feodale heren. Zo hingen zij rechtstreeks af van de
bisschop van Rome. Maar gewoonlijk waren de traditonele klooster toch sterk verbonden met de locale kerk, zowel
op diocesaan en nationaal niveau.
Het kan contradictorisch klinken maar ik denk dat een en ander ons kansen biedt. Zo kan
het feit dat we tot een traditie behoren, die al eeuwen lang in communie bleef met de universele kerk, en het feit dat
de meeste van onze congregaties en ordes verspreid zijn over de wereld, terwijl zij tegelijk ingeplant zijn in een
lokale kerk, ons de bijzondere mogelijkheid geven om elke diocesane gemeenschap waarin we leven, te helpen
om steeds meer tot leven te komen, met zijn eigen specifieke identiteit en zijn eigen specifieke religieuze ‘cultuur’.
Het is een publiek geheim dat de geliefde paus Johannes Paulus II zijn grootste
vertrouwen en hoop stelde in de “kerkelijke bewegingen”, zoals Opus Dei, de Legionairs van Christus,
het Neocatechumenaat, enz... die vaak acties en interventies plegen onder of zelfs boven het gezag van de lokale
bisschop. We weten ook dat iemand als kardinaal Martini het, om louter diepe ecclesiologische redenen, moeilijk
had met een dergelijke evolutie en er nooit een geheim van maakte. We zullen nu moeten zien hoe
Benedictus XVI die kwestie aanpakt.
In elk geval, wat ook de houding van de Paus of de Romeinse Curie mag zijn met betrekking
tot die kwestie, wij hebben, als mensen die onszelf totaal aan een leven van communie toegewijd hebben, de
zending, de missie, om alles te doen om de communio met onze lokale kerk te bevorderen en dan ook die
tussen de lokale kerken.
De huidige geopolitieke ontwikkeling van de wereld heeft geleid tot een ontmoeting op
massale schaal van culturen en religies in alle delen van de wereld, maar vooral in onze westerse wereld.
Terrzelfdertijd zijn er krachten (we worden ertoe verleid ze ‘diabolisch’ te noemen) die proberen om
spanningen te doen ontstaan, zelfs oorlogen tussen culturen en religies. Monniken en monialen hebben een heel
bijzondere rol te spelen op dat gebied. Niet enkel omdat we in alle delen van de wereld aanwezig zijn en
daarom in onze ordes en congregaties een wereldwijde ervaring opgebouwd hebben. Ook – en meer nog – omdat
dat wat de kern is van ons leven, namelijk de geestelijke ervaring, ook de kern is van de grote religies van de
wereld. Waar het moeilijk en soms gewoon onmogelijk is om te dialogeren op het niveau van filosofische en
theologische concepten, is het veel eenvoudiger om elkaar op het niveau van de spirituele ervaring te ontmoeten.
Er wordt vandaag de dag veel gepraat over de Europese grondwet. Of de grondwet
geratificeerd wordt of niet, is belangrijk maar blijft van secundair belang. Met of zonder grondwet: Europa ziet
met pijn en zeer geleidelijk aan het licht. Het is een beweging die zo’n 1500 jaar geleden begon en waarin de
monastieke beweging een bijzonder belangrijke rol heeft gespeeld doorheen de eeuwen. Niet voor niets wordt
de heilige Benedictus ‘Vader van Europa’ genoemd of de ‘patroon van Europa’. Of nu de christelijke wortels
van Europa vermeld worden blijft ook secundair (Hans Küng hield recent nog, op zijn gebruikelijke provocerende manier, een voordracht over de moslimwortels
van Europa – en hij heeft zeker een punt). Wat bijzonder belangrijk is, is dat het nieuwe Europa dat nu in de
maak is, zal bezield worden door christelijke waarden en christelijke principes. Of dat gebeurt of niet, zal afhangen
van elke christen maar op een bijzondere manier van de monniken.
Het monastieke leven zal zichzelf nieuwe vormen geven naargelang de manier waarop
monniken en monialen al die uitdagingen en vele anderen zullen beantwoorden.
Vertaling Jan Glorieux
[naar de website van dom A. Veilleux]
HET CONTEMPLATIEVE LEVEN ALS PROFETISCHE ROEPING
Reeds in 1992 hadden we het in ons Contactblad Mertonvrienden al over het toen pas verschenen boek “The Springs of
Contemplation” [ed. by J.M. Richardson, Farrar-Straus-Giroux, 1992]. Daarin verscheen toen de transscriptie van de op cassette geregistreerde
gesprekken van twee retraites voor kloosterzusters die Merton georganiseerd had binnen zijn abdij in december 1967 en mei 1968.
Om de tijd en de sfeer van deze samenkomsten beter te begrijpen lezen we wat zuster Mary Luke Tobin toen scheef in de
inleiding van dat boek. “In die tijd van ongelooflijk snelle veranderingen in de wereld en de post-conciliaire Kerk, meende Merton de contemplatieven te
moeten bijstaan die vaak door onvermurwbare voorschriften, zo bijvoorbeeld inzake reizen of lezen, verhinderd werden een juist inzicht te krijgen
op de belangrijke bewegingen in de Kerk of de wereld. Als een alom erkend leider inzake gebed en contemplatief leven was Merton daarvan op de
hoogte en hij genoot ons vertrouwen. Hij wist dat hij kon optreden als raadsman en katalysator in deze niet te stuiten ontwikkeling. Ik wist ook dat hij
langs andere wegen, door brieven en bezoeken, streefde naar meer menselijkheid en dat dit niet altijd van een leien dakje liep. Vooral door
correspondentie had Merton veel van deze contemplatieve oversten leren kennen en waarderen en zo begreep hij ook wat er omging in hun leven.
Nu kon hij hen persoonlijk ontmoeten en met hen in levende lijve een dialoog aangaan” (blz. II-VIII).
Bij de lectuur van dit boek merken we dat de gespreksleider vooral heel vrij en onbevangen spreekt, waarschijnlijk omdat hij
zich goed voelt binnen deze beperkte kring van gelijkgezinden. Er dreigde toen ook nog niet het gevaar dat alles wat hij zei als leesvoer op de
markt geworpen zou worden.
In dit boek is iemand aan het woord die spreekt vanuit een onvervreemdbare innerlijke zekerheid, die met open blik de toekomst
tegemoet ziet, die weet dat het Rijk Gods komende is en die leeft in de vrijheid van de kinderen Gods. Zijn taal klinkt soms erg profetisch, vooral als
men ziet dat veel hete hangijzers die ons ook vandaag nog bezighouden tijdens deze gesprekken aan de orde komen. Al heeft hij niets van de
nieuwlichter die revolutionaire oplossingen aanreikt, toch spreekt hij klare taal en pleit hij voortdurend voor meer inspraak en openheid in het
leven van de vrouwelijke religieuzen, die hij steeds blijft aanmoedigen om een authentiek christelijk leven te leiden vanuit een diep geloof in de
verrezen Heer.
De hier volgende tekst is een hoofdstuk uit het boek 'The Springs of Contemplation’ (blz. 129 – 142). Wat u te lezen krijgt
zijn dus licht bewerkte transcripties van voordrachten tijdens een retraite. Ook in de vertaling werd Mertons spreektaal - waar enigszins
mogelijk - behouden. In het tweede deel volgen trouwens vragen en antwoorden. De vragen zijn cursief gedrukt. De cursief gedrukte notities tussen
vierkante haken werden door de vertaler toegevoegd als toelichting.
* * *
Ik wil het hebben over het profetisch aspect van onze roeping. Ik breng het zoals het nog nooit iemand heeft gebracht. In
een bepaald opzicht is het een wat vergezocht standpunt, een radicaal en persoonlijk standpunt. Ik volg daarbij een flink aantal mensen die over
het algemeen buiten de kerkstructuren staan en die veel aantrekkingskracht uitoefenen op de jongeren [wij schrijven dan mei ’68].
Al die zogenoemde profetische bewegingen vandaag de dag zijn mislukkingen omdat ze gewoon passen in deze maatschappij
[maar dan] op een andere manier. Het grote probleem waarmee wij nu geconfronteerd worden bestaat erin dat we leven in een maatschappij die
dissidentie ‘accapareert’ [in zichzelf opneemt en dus neutraliseert]. Met andere woorden: mijn stelling achter die visie is dat we in een totalitaire
maatschappij leven. Ze is niet fascistisch in de politieke zin, maar door de manier waarop ze economisch wordt vormgegeven. Ze wordt opgezet
met het oog op winst en op verkoop. In die ‘machinerie’ bestaat geen vrijheid. Je bent vrij om allerlei nieuwe snufjes te kiezen, een nieuw tv-merk,
het merk van je nieuwe auto. Maar je bent niet vrij om geen auto te hebben. Met andere woorden: het leven wordt eigenlijk bepaald voor iedereen.
Zelfs de hippies in al hun verzet leven een voorbestemd soort leven, ook al proberen zij eronderuit te raken. Ze brengen de boot aan het
schommelen, er is een plons, iedereen is op de perfecte manier gechoqueerd en gescandaliseerd, raakt wat opgewonden. Na drie jaar verdwijnt
alles en een nieuwe mode kondigt zich aan. Het betekent allemaal niks.
Als religieuzen vallen wij in dezelfde categorie. We zijn goed voor een bepaalde ruimte in het nieuws, het concilie [Vaticanum II]
krijgt verscheidene kolommen, zusters veranderen een en ander. En het is allemaal voorbij. We worden opgeslokt door een manier van leven waar
alles gereduceerd wordt tot een soort onverschilligheid: alles is om het even. Op pagina 1 een zuster met een nieuw habijt, op pagina 2 een
theaterster – allemaal even ‘nieuwswaardig’. Er is geen enkele aanwijzing voor dat iets meer betekent dan iets anders. Het is enkel een zaak
van hoeveelheid. Iets is zoveel ruimte waard of zoveel tijd op tv. De mensen die betrokken zijn in het maken van tv-programma’s en die ik ken,
vertellen mij dat de technische vaardigheid die ervoor nodig is, op hen het meest indruk maakt. Wat voor de camera staat is om het even. Wat
belangrijk is, is dat het met nieuwe technologie gebeurt, niet wat die technologie eigenlijk in beeld brengt. Dat systeem vraagt om een bepaald soort
profetische reactie.
Wat zullen we ondernemen? Wat kan of moet een profetisch persoon doen? De oude, conservatieve methode van segregatie –
mensen gewoon achter tralies stoppen – helpt helemaal niet. Kijk terug naar de geschiedenis van de profeten in het Oude Testament. Eén van de
essentiële zaken die Abraham meemaakt, is de oproep aan hem: ‘Verlaat jouw volk.’ De profeet moet een bepaald type maatschappij of sociale
structuur verlaten. Om een profeet te zijn moet je je in de handen van God overgeven en van daaruit vertrekken. Mozes en het uitverkoren volk
moesten de Egyptische structuren verlaten. Dat Egypte een immoreel land zou zijn, dat wordt niet gezegd. Het was niet noodzakelijk een slechter
land dan een ander. Maar het volk moest er weg omdat ze er niet vrij waren, omdat iemand anders hen vertelde wat ze moesten doen. Iemand
anders bepaalde hun leven helemaal voor henzelf.
Het woord daarvoor is ‘vervreemding’, een woord dat vaak door Marx en Freud wordt gebruikt. Ook al gebruikten zij die term
toen al, toch geldt dat ook nu: mensen zijn vervreemd, bewust of onbewust. Op een of andere manier vertelt iemand hun wat ze moeten doen, een
ander bepaalt hoe het leven dient geleefd. Als mensen slaven zijn, is het evident dat iemand anders over hun leven kan beslissen zonder enige
vrees voor straf. Maar ook in een loonsysteem wordt het werk van mensen bepaald door iemand anders’ belangen: hun werk moet in iemand
anders’ schema passen. Maar hoe meer mensen betrokken zijn in iets dat door anderen wordt opgezet, hoe minder waarschijnlijk dat zij hun eigen
leven zullen leven.
Onze maatschappij is zo georganiseerd dat mensen daarmee tevreden zijn. In een politiestaat of een dictatuur wil je eruit.
Maar onze maatschappij geeft zoveel beloningen dat je bereid bent er genoegen mee te nemen, als je maar je auto, je tv, je huis, voedsel en drank
en genoeg ander comfort krijgt.
Een probleem ontstaat natuurlijk wanneer we hierover praten: omdat we in de gevaarlijke zone verzeild dreigen te raken van de
oude katholieke aanpak, die de wereld als kwaad zag en die in materiële verlangens enkel onheil zag. Je hoort direct het oude gezaag: de wereld is
des duivels, geef je pleziertjes op, geef je geld weg, geef je eigen wil op. Wanneer je een kritisch standpunt inneemt tegenover de wereld van
vandaag, krijg je het probleem dat de doorsnee-progressieve katholiek onmiddellijk zal opwerpen: ‘Dat is weer die oude sleur.’
Hoe kunnen we de wereld bekritiseren? De wereld is goed. Daaruit volgt de nogal naïeve reactie, in termen als: ‘Begin niet over
vervreemding. We zijn gelukkig. Dit is het echte leven. Het is goed, het is prachtig’. Anderzijds zijn er mensen als Lewis Mumford, Jacques Ellul en
Herbert Marcuse, die stellen dat het vervreemde leven niet goed is, dat het uiteindelijk een slechte zaak is omdat de beloningen die je krijgt, niet
echt zijn. Ze zijn kwantitatief, niet kwalitatief.
Wat gebeurde er met Elia in het Oude Testament? Hij moest helemaal alleen optornen tegen de hele structuur. Op een
bepaald ogenblik zit Jezebel en heel het leger achter hem aan en moet hij vluchten. Hij trekt naar de woestijn, op weg naar de berg Sinaï, en hij
verbergt zich in een grot. Hij lijdt honger en de raven brengen hem voedsel. Hier komen we bij de kern van de profetische, karmelitaanse traditie. Iets
gelijkaardigs gebeurt met Sint-Franciscus. Een radicale breuk met de wereld voert hem ook tot een profetisch en vrij leven, waar hij zijn eigen keuzes
maakte. Dat is de essentie. Johannes de Doper is een ander voorbeeld. Telkens wanneer je een keuze maakt vanuit je diepste centrum, word je
houding niet vooraf bepaald door iemand.
Een centrale kwestie in het profetische leven is dat een persoon de boot aan het schommelen brengt: niet door de slaven te
vertellen dat ze nu vrij moeten zijn, maar door mensen die denken dat zij vrij zijn te vertellen dat ze slaven zijn. Dat is een onaanvaardbare,
ondraaglijke boodschap. Er is niets nieuws aan als je de zwarten vertelt dat ze het moeilijk hebben. Het profetische in dit land bestaat erin dat je de
blanken vertelt dat ze er zelf behoefte aan hebben dat de zwarten vrij zijn zodat zijzelf bevrijd kunnen worden. Weinigen zeggen zoiets. James
Baldwin wel. Velen denken dat een aantal blanken iets proberen te geven en dat de zwarten de blanken een gunst verlenen door het te
aanvaarden. En dat op die manier alles in orde komt. We moeten beseffen dat die soort ‘progressieve’ houding evengoed een val kan zijn als iets
anders.
Als we trouw willen zijn aan onze profetische roeping, dan moeten wij beseffen dat we, of we nu revolutionair denken of niet,
radicaal genoeg moeten zijn om qua visie afstand te nemen van wat in de grond een totalitaire staat is. En we leven erin. Het is niet een
maatschappij in ontwikkeling. Ze is er. We moeten dus aandacht besteden aan bepaalde mensen waarnaar we hoger al even verwezen, ook al
werden zij al eens beschouwd als pessimisten. We moeten ook aandacht besteden aan de profeten in de Schrift, die uit hun volk werden weggeroepen
om op een ander houvast te vinden, waar zij vrij kunnen kiezen voor God, waar zij keuzes kunnen maken die niet vooraf bepaald zijn door de
maatschappij.
We moeten goed beseffen dat het contemplatieve leven zoals het vandaag georganiseerd is, niet enkel niet-profetisch is. Het is
zelfs anti-profetisch. Het is opgezet om elk soort profetische reactie vooraf al onmogelijk te maken. Als iemand hier iets profetisch zou doen, dan
zou het hier tumult veroorzaken. De gemeenschap zou gechoqueerd zijn. We zouden niet weten hoe ermee om te gaan. We proberen te komen tot
een systematische aanpassing, waar iedereen flink wat vrije tijd heeft, een minimum aan werk, en waar niemand achter ons aan zit. Het is leuk
maar het is niet het contemplatieve leven.
Ik denk dat we kunnen opteren voor iets beters. Niet enkel individuen, maar de gemeenschap zelf zou profetisch moeten zijn.
Dat is een ideaal, uiteraard. Maar dat is onze taak: om een profetische gemeenschap te zijn, niet om profetische individuen te ‘produceren’ die
uiteindelijk enkel de oorzaak zouden kunnen zijn van hoofdpijn.
Dan moeten we ons dus niet identificeren met de mensen van onze tijd ?
Ja en nee. Voor hen moeten we een teken van tegenspraak zijn, dat hen herinnert aan de vrijheid die zij hebben opgegeven.
Maar dat houdt in dat wij die vrijheid moeten hebben of inspanningen moeten doen om die te verwerven als we die niet hebben. Ik denk dat we
kunnen leren van mensen in de wereld die daar iets over weten. Ping Ferry is iemand die zicht heeft op de hele seculiere profetische beweging in dit
land, zowel zwart als blank. De zwarte gemeenschap in haar geheel neigt ertoe om profetisch te zijn. Een deel van de zwarte, gedurfde jazz bij
voorbeeld, is echte protestmuziek. Ze is bijna onbegrijpelijk maar als je ernaar luistert, dan vind je er grote diepgang in. Een deel ervan is echt
verontrustend, maakt je ongemakkelijk: angstwekkende geluiden gemaakt met rietjes [op de sax vermoedelijk dus]. Soulmuziek is een uitdrukking
van boosheid en lijden en meer dan dat. Het verschilt totaal van de onschadelijke muzak, die door de blanke maatschappij aanvaard wordt, die je
hoort in de wachtkamer van de tandarts. Ze is totaal het tegendeel ervan.
In ons officiële religieuze leven zijn er structuren, die onze bewustwording hinderen en die gebaren vervangen als een soort
symbolische façade of beeld. Ze zijn als voorschriften of recepten die je uitschrijft: sta op om twee uur ’s morgens, schrijf nooit naar huis, eet nooit
vlees, mis nooit het getijdengebed. Je maakt de lijst op en dan voer je ze uit. Ook al sta je te slapen in het koor, geen probleem. We beloofden het te
doen en we doen het. Daarmee worden we dus geconfronteerd. Die zaken uitvoeren geeft best een gevoel van veiligheid, iets dat we kunnen
voelen, zien, aanraken: een nieuw materialisme. Het stelt gerust. Neem de structuur weg en bepaalde mensen zouden wel eens zichzelf niet
herkennen. Wat betekent dat? Het betekent dat we totaal vervreemde mensen kunnen zijn, dat onze identiteit ten onder is gegaan in een structuur
die ontwikkeld is voor en door iemand anders. Zitten we in die structuren, dan voelen we ons in vrede; als niet, dan bestaan we niet.
Vooraleer we dus profetisch kunnen worden, moeten we authentieke menselijke wezens zijn: mensen die buiten structuren
kunnen bestaan, die hun eigen bestaan kunnen opbouwen, die in zichzelf de middelen hebben om hun identiteit te belijden en hun vrijheid, in welke
situatie zij zich ook bevinden.
Helaas is het mogelijk te veranderen en toch hetzelfde te doen in een andere context. Iedereen kan begrijpen hoe gek het is om
om 2 uur ’s nachts naar de kerk te trekken wanneer je op je laatste benen loopt, maar niet iedereen begrijpt dat om 2 uur nog whisky zitten drinken
met iemand een andere vorm van hetzelfde conformisme is, een andere manier om te doen wat goedgekeurd of geaccepteerd wordt. Het is enkel
een nieuwe regel, een andere structuur.
Mensen die in die progressieve richting meegesleurd worden, kunnen heel cynisch worden.
Mogelijk inderdaad. Ook al is er een stuk vrijheid in onze maatschappij, zij is grotendeels illusoir. Ik herhaal: het is de vrijheid
om jouw product te kiezen, maar niet de vrijheid om zonder te leven. Je moet consument zijn en je identiteit is grotendeels bepaald door jouw keuzes,
die dan weer sterk bepaald worden door publiciteit. Identiteit wordt gecreëerd door advertenties [Of met de woorden van Naomi Klein in ‘No Logo’:
identiteit wordt gecreëerd door merken]. Je kiest je whisky-merk omdat je je thuis voelt in het imago dat door het merk wordt opgehangen. Het is
heel leerzaam advertenties te lezen. We zouden dat kritisch moeten kunnen doen: mensen die daardoor gedomineerd worden, lezen ze niet zo
vaak maar reageren des te meer op een instinctieve manier, op half-automatische piloot. Je kan ze lezen omdat je ze niet au sérieux neemt. Ik
hou misschien van de Peck-and-Peckadvertenties [of die van C&A] omdat ik mij voorhoud dat ik daar het soort vrouw zie dat ik had willen
trouwen.
‘Toffe mensen, die het juiste merk kiezen !’
Dat is de toonaard, inderdaad. En daarvoor vallen zelfs non-conformisten.
Ziet u non-conformisme als de basis van de monastieke roeping? Is het typisch voor echte contemplatieven ?
Zeker weten. Ik geloof dat psychologen dat ontdekt hebben door aangepaste contemplatieven te ondervragen, te
onderzoeken. Zeker. Het woestijnleven was een leven van non-conformisme. Het was een protest. Het is cliché om dat nu te zeggen maar
protestanten als Harnack ooit zeiden dat al. De woestijnmonniken protesteerden tegen de eenheid van kerk en rijk onder Constantijn. Toen de kerk
een gevestigde instelling werd, begonnen mensen de woestijn in te trekken. Ze verklaarden hun wegtrekken als: aangezien er geen martelaarschap
meer is, moeten wij lijden op een andere manier. Maar ze wilden gewoon weg omdat ze vonden dat een en ander niet meer authentiek was. Ze
probeerden zeker van onder de vleugels van bisschoppen te raken, hoewel de propaganda dat niet toegaf. Athanasius raakte betrokken bij de
monniken en zij werden in de structuren meegesleurd om de Arianisten te bevechten. De Egyptische monniken bemoeiden zich heel sterk met
politiek en het werd echt zielig met Origines.
Maar de Syrische monniken hielden zich daarbuiten, zoals vele groepen die weinig te maken hadden met de rest van de kerk.
Natuurlijk geven [kerk]historici dat niet graag toe. De hele voorstelling is ondersteboven gekeerd. Monniken waren de belangrijke verdedigers van
de orthodoxie. We moeten ons hoeden voor leven – maar zonder dat te beseffen – in een maatschappij die in de val is getrapt.
Deze maatschappij maakt kwalitatieve verandering onmogelijk terwijl ze anderzijds kwantitatieve verandering aanzwengelt.
Nieuwe producten, nieuwe gadgets, vind je overal. We kunnen meer én de meest diverse zaken kopen én ze snel vervangen omdat ze zo
snel verouderen [voor zover trouwens de veroudering niet in het product zelf of via ‘mode-tendensen’ wordt georganiseerd]. De mensheid was
nooit zo ‘gestandaardiseerd’ en zo gebonden aan een voorbestemd lot als vandaag.
We spreken over de middeleeuwen alsof dat het tijdperk bij uitstek was van onvrijheid. Maar als je je wat verdiept in de
geschiedenis, zal je snel merken hoezeer mensen echt voor zichzelf konden kiezen. Akkoord: de levensfilosofie was vooraf bepaald. Maar er
was heel veel wat je kon doen. Mensen als de heilige Bernardus bijvoorbeeld waren zeer onafhankelijk en zwierven vrij door de wereld. Soms
krijg je het gevoel dat mensen toen aan één plaats gebonden waren maar dat ze eigenlijk heel mobiel waren.
De maatschappij van vandaag laat verandering toe maar neutraliseert protest en kan ook heel veel ervan absorberen. Daarom
zullen inspanningen voor vrede, hoe sterk zij de boot ook doen varen, geen zier verandering opleveren. Mensen beginnen dat te beseffen en raken
wanhopig want het is een verschrikkelijke toestand. Als je je ervan bewust bent, dan weet je hoe groot onze hulpeloosheid is. Wat onszelf
betreft [monniken, monialen], wij hebben af te rekenen met een dubbele binding: we proberen niet alleen zélf weerstand te bieden aan een
conservatieve structuur maar, zelfs als we eruit raken, dan belanden we in iets anders dat niet echt zo vrij is. We moeten voor onszelf ervaren in
welke mate we echt ons eigen leven kunnen leiden.
Maar dat kan makkelijk een bevoorrechte positie worden. Neem de eenzaamheid bijvoorbeeld. Ik leef heel zeker mijn eigen
leven in dezelfde mate als om het even wie in het land. Maar eenzaamheid is luxe. Slechts wat miljonairs kennen eenzaamheid – en wat zwervers.
Natuurlijk zijn die zwervers helemaal geen miljonairs maar velen van hen kiezen voor eenzaamheid. Het is een drastische keuze, maar een aantal
mensen wil de vrijheid die dat oplevert. Niet dat zij ook niet in een val zitten maar zij hebben toch een bepaalde mobiliteit. Maar ze moeten een
prijs betalen: ze leven tussen vuilnis, vaak in onzekerheid, en hun moreel is vaak aangetast. Stel je eens voor wat het zou betekenen als je moest
leven aan de onderkant van de maatschappij. Mensen als Benedict Joseph Labré kozen voor dat soort leven. Het heeft een monastieke aard
omdat er een vorm van afscheiding is [van de wereld], een manier van zeggen: ‘Ik hoef geen respectabel iemand te zijn. Ik hoef de waarden niet te
aanvaarden waarvan iedereen denkt dat ik dat best wel moet.’
Bepaalde dictaten zijn in de maatschappij ingebouwd: je moet dit doen of je moet dat doen. Als je die dingen doet, ben je
gelukkig. Als niet, dan ben je ongelukkig. Dan ben je een mislukkeling, je bent slecht, je wordt aan de deur gezet. Nooit tevoren is dat zo systematisch
het geval geweest. [Denk aan politiek correct denken] Zwervers zullen opwerpen: “Als je dit doet of dat doet, dan ben je niet gelukkig. Je zegt
gewoon dat je gelukkig bent. Ik wil iets anders doen, zonder dat alles. En ik zal gelukkig zijn.”
Dat is wat wij aan het doen zijn. Er is iets in ons dat ons nooit rust geeft tenzij we net dat doen. Maar dan komt de kerk en die
zegt: ‘Als je dit doet, zal je gelukkig zijn, je zal God welgevallig zijn, je zal een goeie religieus of religieuze zijn, je zal een heilige zijn.’ En iets in ons
zegt: ‘Dat klopt niet. Om gelukkig te zijn en om een heilige te zijn, moet ik mijn geweten volgen. Ik moet de heilige Geest volgen.’ Dat is de wortel van
onze profetische roeping. We moeten die in dat licht zien. Niemand zal ons vertellen wat we moeten doen behalve God, ons geweten, onze broeders
en zusters. Niemand zal onze levens bepalen.
Maar symbolisch protest is niet genoeg. We moeten echt leven. En dat kan best heel wat minder spectaculair zijn dan
protesteren. Misschien merkt niemand wat we doen. Maar wij weten wat we doen.
Ieder van ons moet zijn eigen roeping waarmaken. We moeten onszelf zijn. Misschien moeten we helemaal niet beantwoorden
aan het programma van een of ander klooster of orde maar we moeten wel ons eigen leven leiden. Doen we dat niet, dan hebben we geen betekenis,
voor niemand. Het doel van de voordracht van vandaag is dat we beseffen dat niemand ons leven voor ons kan leiden. Er is geen conservatief of
progressief programma, geen krant of magazine, geen NCR [geen IKON of Braambos of Osservatore Romano], dat ons kan vertellen wat we
moeten doen en hoe we moeten leven.
In een bepaalde zin wéten we wat we moeten doen. Het is vooral doen wat we echt willen. We moeten niet gewoon
onze fantasie volgen. We zijn bereid om te vechten voor ons recht om te doen wat we willen. We komen niet alleen tot die beslissing, we
onderzoeken ze samen met anderen. We helpen elkaar daarin. We leven allemaal in een gemeenschap; dus moet de gemeenschap erin
betrokken zijn. Een samenkomst als deze ondersteunt ons, zonder dat we gelijk moeten beginnen aan een levensonderzoek. Dus: wat we willen
doen is meer dan gewoon iets persoonlijks.
De vraag is dan: wat willen jullie doen in jullie communauteiten? Pas het aan aan wat behoorlijk schappelijk lijkt en doe het.
Dan zullen we niet misleid worden door bedrieglijke beloftes van iemand anders. Kijk wat je kan doen met wat je hebt en wat voor jou mogelijk is.
Veel kan nadien gebeuren. Mijn eigen probleem is te zien hoe ik jullie kan helpen zonder deel uit te maken van een groots opgezet lezingencircuit
of iets dergelijks.
Laat ons daarom samen bidden: In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen. O Heer, geef ons uw licht en
de kracht van uw heilige Geest om onze roeping te volgen zoals u het wil. En schenk ons de genade om de problemen van die roeping te
begrijpen in het licht van uw wil voor onze tijd. Door Christus onze Heer. Amen.
Vertaling Jan Glorieux
[Contactblad Mertonvrienden, 21ste Jaargang, nr 2, juni 2007, blz. 5-15]
CREATIEVE STILTE
Stel je voor... een mens of een groep mensen die afzonderlijk of samen gewoon een uurtje op een rustige plek zitten waar
geen radio of achtergrondmuziek kan gehoord worden. Ze spreken niet. Ze bidden niet luidop. Ze hebben geen boek of papier bij de hand. Ze lezen
noch schrijven. Ze houden zich met niets bezig. Ze treden gewoon in zichzelf, niet om onderzoekend na te denken, te ontleden, te organiseren
of plannen te maken, alleen maar om te ‘zijn’. Ze verlangen helemaal zichzelf te zijn, in stilte. Ze willen zichzelf tot dichte eenheid brengen, zich
herontdekken in de pure enkelvoudigheid van inzicht, gedachte, wil en liefde die uitstijgt boven woorden, boven analyse, zelfs boven bewust
denken. Ze willen bidden, niet met hun lippen maar met hun zwijgend hart, en dieper nog, in de waarachtige grond van hun wezen.
Wat kan de moderne mens ertoe aanzetten zo iets te doen? Wordt hij gedreven door een diep gevoelde menselijke behoefte
aan stilte, aan bezinning, aan innerlijk zoeken? Wil hij weg uit het lawaai en de drukte van het moderne leven, toch minstens voor een korte tijd, om
zijn geest en zijn wil te ontspannen en een zalig en helend gevoel te smaken van innerlijke eenheid, verzoening en gaafheid?
Dit zijn natuurlijk zeer goede motieven. Maar voor een christen zijn er wel diepere motieven dan deze. Een christen kan er
zich van bewust worden dat hij door God uitgenodigd wordt tot perioden van stilte, overdenking, meditatie en ‘luisteren’. We zijn wellicht te praatziek
geworden, te activistisch, in onze opvatting van het christelijk leven. Onze dienst van God en van de kerk moet niet alleen bestaan in spreken en
handelen. Er moeten ook tijden zijn van stilte, om te luisteren, te verwachten. In onze tijd van geweld en onrust is het wellicht van groot belang de
meditatie te herontdekken, het stil éénmakend gebed en het creatief christelijk stilzwijgen.
Stilzwijgen heeft meerdere dimensies. Het kan een regressie zijn, een vlucht, een zichzelf verliezen, maar het kan ook diepere
aanwezigheid zijn, bewust-zijn, eenwording, zelfontdekking. Negatieve stilte verdoezelt en verwart onze identiteit: we verzinken in dagdromen
en duistere angsten. Positieve stilte is persoon-opbouwend en maakt ons bewust wie we zijn, wie we kunnen zijn en ze peilt de kloof tussen beide.
Vandaar dat positieve stilte een weloverwogen keuze inhoudt: ‘de moed om te zijn’, ‘the courage to be’ (P. Tillich). Er is taaie durf nodig om te blijven
groeien in positieve stilte. Wanneer we van aanschijn tot aanschijn komen te staan met onszelf in de eenzame diepte van ons wezen, worden we
geconfronteerd met allerlei vragen over de zin van ons bestaan, de echtheid van onze relaties, de authenticiteit van ons dagelijks leven.
Wanneer we voortdurend ronddraven, altijd druk in beslag genomen door de eisen van onze sociale functie, min of meer
passief meegesleurd in de woordenstroom waarin de mensen van vroeg tot laat ronddobberen, kunnen we misschien ontsnappen aan ons diepste
zelf en aan de vragen die het stelt. We kunnen zo maar genoegen nemen met onze oppervlakkige identiteit, met de sociale figuur die ons
opgedrongen wordt door het reilen en zeilen doorheen het dagelijks leven. Het doet er niet toe hoe oprecht en open we willen zijn in onze relaties
met de anderen, dit sociale zelf blijkt altijd iets kunstmatigs. Het is altijd in zekere mate een masker; het kan niet anders. Zelfs de Amerikaanse zin
voor openhartigheid, huiselijke eenvoud, vriendelijkheid, onopgesmuktheid en humor is meestal slechts een oppervlakkig vernisje. Sommige mensen
zijn van nature zo ingesteld: keep smiling ! Anderen leggen er zich op toe dit spelletje te spelen om te slagen in de maatschappij. Het is ook niet zo
maar een voorwendsel: het legt gewoon beslag op ons.
Gunnen we ons wel de kans om te beseffen dat dit praatziek, glimlachend ongegeneerd persoontje dat we lijken te zijn, toch
niet ons werkelijke zelf is? Gunnen we ons zelf de kans iets diepers te ontdekken? Durven we eigenlijk inzien dat we toch niet zo erg geïnteresseerd
zijn in al dat gepraat en gedoe? Wanneer we eens rustig zijn, niet zo maar voor een paar minuutjes, maar voor een uur of meerdere uren, zouden we
misschien onbehaaglijk bewust worden van de aanwezigheid in ons binnenste van een verstorende vreemdeling: het ‘zelf’ dat tegelijk ‘IK’ en iemand
anders is; het ‘zelf’ dat niet helemaal welkom is in eigen huis, omdat het zo geheel anders is dan het alledaagse beeld dat we opgetrokken hebben
in ons doen en laten, in ontrouw aan onszelf.
Er leeft in ons een zwijgend ‘zelf’ wiens aanwezigheid verstorend werkt precies omdat het
zo stil geworden is: het kan niet uitgezegd worden. Het te articuleren, te verwoorden zou het vermoorden en
vernietigen.
Laat ons eerlijk bekennen dat onze cultuur wel degelijk ingesteld is om ons op allerlei wijzen te helpen ontsnappen aan de stille
eis om dit innerlijk zwijgzaam ‘zelf’ recht in de ogen te kijken. We leven in een sfeer van voortdurende halve aandacht voor het geroezemoes van
stemmen, muziek, verkeer, en voor het diffuus lawaai van al wat er rondom ons gaande is. We worden ondergedompeld in een vloed van drukte en
geraas, een schemerachtige golf waarin ons bewustzijn dreigt op te lossen: we reageren schier automatisch, quasi zonder na te denken, we zijn er
ook maar min of meer bij betrokken. We zijn niet helemaal aanwezig maar ook niet helemaal afwezig, niet geheel ondergedoken, en ook niet geheel
beschikbaar. Men kan niet zeggen dat we er echt bij zijn, we hebben een wrevelig gevoel van vervreemding, en tegelijk een vaag behagen er toch bij
te zijn. We zijn niet in staat te zeggen wat het precies is, en waarschijnlijk wensen we niet eens het te duiden zo we het al zouden kunnen.
We dobberen rond in het wazige lawaai, futloos en onverschillig teren we half-bewust in de geesteloze tingel-tangelsfeer van
adverterende luidsprekers die hopeloos proberen een schijn van werkelijkheid op te houden.
Dit is evenwel niet voldoende om het andere, onwelkome ‘zelf’ in de vergetelhoek sluimerend weg te duwen. De rustverstorende
aanwezigheid van ons diepste zelf boort zich toch af en toe een gaatje naar het klaar bewustzijn. Maar we zijn handig genoeg om dit te bezweren:
een afleidende sterke prikkel, een opkikkerend drankje, een snuifje drug, een trucje, een krachttoertje, een afwerend duwtje om het vervelend gevoel
van vervreemding uit te drijven. Zo duikt het voor een tijdje weer onder en we vergeten weer wie we zijn.
Met dit innerlijk ‘zelf’ komen we slechts in het reine in de stilte. Daarom dus stilte zoeken. In de stilte turen we in de diepere
grond van ons wezen. We herkennen de noodkreet om thuis te zijn bij onszelf, om van daar uit de anderen echt te kunnen ontmoeten, in trouwe
authentieke liefde, zonder het masker van schijnbeminnelijkheid.
Als we niet durven alleen te zijn, als we bang zijn voor de stilte, dan is het wellicht omdat we heimelijk vrezen te falen ons innerlijk
te verzoenen met onszelf. Indien we niet hopen in vrede te kunnen leven met onszelf in onze persoonlijke eenzaamheid en eenheid, zullen we er
nooit toe komen helemaal onszelf te zijn: we zullen blijven doordraven en nooit tot rust komen. De vlucht voor het ‘zelf’ is vlucht voor God zegt de
Zwitserse filosoof Max Picard. Want uiteindelijk is het in de diepte van het bewustzijn dat God spreekt; als we weigeren ons innerlijk open te stellen en
in de diepte te peilen, weigeren we ook de onzichtbare God te ontmoeten die diep in ons aanwezig is. We erkennen impliciet dat we niet wensen dat
God ‘God’ is en dat wij ons echte ‘zelf’ zouden zijn.
Net zoals we naar buiten toe een masker dragen, opgemaakt met woorden en daden die niet echt vertolken wat in ons leeft, zo
hebben ook veel gelovigen te doen met een God die opgemaakt is met woorden, gevoelens, zelfbevestigende slogans, die veeleer de God is van
religieuze en sociale routine dan de God van het authentieke geloof, een afgod, een gekoesterde plaatsvervanger. Zijn functie bestaat erin ons te
beschermen tegen een diepe ontmoeting met ons echte zelf en met de echte God.
Daarom is stilte zo belangrijk voor ons geloofsleven, om God echt te ontmoeten. We kunnen niet zo maar aanhoudend praten,
gebeden opzeggen, troetelwoorden prevelen, ons bezinnen en min of meer devote stemmingsmuziek opzetten. Onze goedbedoelde inwendige
religieuze dialoog is in feite een rookgordijn en een verschansing, een zelfverzekering, een soort zelfrechtvaardiging. In plaats van God werkelijk te
ontmoeten in het naakte geloof waarin we ons diepste wezen voor Hem blootleggen, voeren we een ritueel op om onze angst te sussen.
Het zuivere geloof wordt getest in de stilte waarin we luisteren naar het onverwachte, waarin we ontvankelijk openstaan voor
wat we nog niet kennen en waarin we geleidelijk opgaan naar de dag waarop we op een hoger en dieper niveau met God zullen samenzijn. Vaste
hoop wordt getest in de stilte waarin we wachten op God, in de aanvaarding van een onbetwist geloof. Jesaja herinnert ons aan het woord van
God tot het volk dat Hem steeds afviel om falende politieke en militaire verbonden aan te gaan. "Houdt op allianties aan te gaan: dat zal uw redding
zijn; uw macht ligt in rustig vertrouwen" (Jes. 30, 15); of volgens een andere vertaling: "In bekering en stille berusting ligt uw redding, in rustig vertrouwen
uw kracht". Oudere teksten zeggen: "In stilte en hoop zult ge sterkte vinden". De bedoeling is dat geloof vraagt te verzaken aan onzekere
overeenkomsten en strategieën. Geloof vraagt zuiver innerlijk vertrouwen dat gaafheid, ongeschondenheid, vrede en echte veiligheid verzekert. Hier
vinden we de creatieve kracht en vruchtbaarheid van de stilte. Niet alleen biedt ze ons de kans onszelf beter te verstaan en geeft ze ons een
veiliger en evenwichtiger perspectief op ons eigen leven en onze relaties: stilte maakt ons weer ‘heel’ en gezond. Ze helpt ons om de verspreide
en verspilde krachten van een verbrokkeld bestaan weer samen te brengen. Ze maakt het ons mogelijk ons te concentreren op een doel dat niet
alleen de diepere behoeften van ons wezen reëel omvat, maar ook Gods bedoelingen met ons.
Dit is zeer belangrijk. Wanneer we oppervlakkig ageren, wanneer we altijd aan de buitenkant van ons bestaan leven, nooit
helemaal thuis bij onszelf, altijd verdeeld en naar allerlei richtingen gelokt door tegenstrijdige plannen en projecten, stellen we vast dat we allerlei
dingen doen die we eigenlijk niet wensen te doen, we vertellen wat we niet werkelijk menen, betrachten zaken die we niet nodig hebben, we sloven
ons af voor wat we toch halfbewust als waardeloos beseffen, en zonder zin voor ons leven. "Waarom besteedt gij uw geld aan wat geen brood is en
uw loon aan wat niet verzadigt?" (Jes. 55, 2)
De psycholoog Erich Fromm stelt dat deze innerlijke contradictie, die voortspruit uit het vervreemde, gefrustreerde
levensgevoel, een van de oorzaken is van de agressiviteit in onze maatschappij.
Bijna alle religieuze bewegingen hechten veel belang aan de stille meditatie: hindoeïsme, boeddhisme, quakers... Het katholieke
monnikenwezen heeft altijd het belang onderstreept van de stille overweging van het Woord Gods. Dietrich Bonhöffer, de apostel van het radicaal
en seculier christendom uitte in zijn gevangenschapsbrieven zijn ergernis over het oppervlakkig geklets van de gevangenen. "Iedereen hier tatert
maar onbezonnen door over zijn privé-aangelegenheden, ook als niemand er in geïnteresseerd is, alleen maar om zichzelf te horen praten. Het is
gewoon een fysieke aandrang, maar als je erin slaagt het voor een paar uur stil te leggen, ben je nadien al blij dat je jezelf ook niet hebt laten
gaan". En hij voegde eraan toe dat hij zich erg onprettig voelde om de manier waarop die mensen zichzelf kleineerden, alleen maar om zichzelf te
horen spreken. Ze bekommerden zichzelf er helemaal niet om eens op een zinnige manier hun gemoed te luchten bij een betrouwbare vriend en te
spreken over hun meest intieme belevenissen. Nog ernstiger luidt zijn opmerking dat ook de kerk zich bezondigt aan te veel loos gepraat. Het leek
hem dat de kerk, in haar verweer om zich te handhaven en te doen gelden, haar zelfbehoud als een doel op zich beschouwde: de kerk sprak meer
en meer over en voor zichzelf en steeds minder over en voor het Koninkrijk. Daardoor miste ze de kans om een woord van verzoening te richten tot
de mensheid en heel de wereld. Hij voorzag dat dit de kerk, al de kerken trouwens, zou herleiden tot een nietszeggende, onbeholpen haveloze
gemeenschap waarin traditionele taal fataal machteloos zou worden en zou verstommen. Of we dit nu graag horen of niet, of we het al dan niet
verstaan, we beleven nu een vreemde verwarde tijd van heraanpassing waarin niet alleen de individuele christenen maar ook de kerken zelf zich
best een tijd in de stilte zouden moeten terugtrekken. Er zal natuurlijk veel verzet zijn tegen deze noodgedwongen situatie en velen zullen hun stem
verheffen, niet zozeer om het Rijk Gods te verkondigen, maar veeleer om hun aanwezigheid bekend te maken en te verklaren dat zij en hun
kerken alle aandacht verdienen. Bonhöffer zag wijselijk dat de werkelijke bedoeling van deze periode van relatief stilzwijgen gelegen was in de
verdieping van het gebedsleven en de terugkeer tot de wortels van ons bestaan, om eens te meer, door stilte, gebed en hoop, van God nieuwe
woorden te ontvangen en een nieuwe manier, niet om onze boodschap te vertolken maar de Zijne! "In onze dagen moet de christenheid vooral
bidden en rechtgeaard handelen voor en met de medemens. Het christelijk denken, spreken en organiseren moet herboren worden uit dit bidden en
handelen. We zijn nog niet uit de smeltkroes en iedere poging om het proces te verhaasten kan alleen maar de bekering en de loutering van de
kerk vertragen. Het komt ons niet toe de dag te voorspellen, maar de dag zal komen dat de mensen zullen opgeroepen worden om het woord van
God te uiten met een kracht die de wereld zal veranderen en vernieuwen. Het zal een nieuwe taal zijn die de mensen zal raken en hen zal
overrompelen, door haar kracht... een taal die de vrede van God verkondigt met de mensen en de komst van zijn Rijk. Tot aan die dag zal de
christelijke zaak een stille en verborgen aangelegenheid zijn, maar intussen zullen er mensen zijn die bidden, weldoen en Gods eigen tijd
verwachten".
Vertaling door wijlen Pater Bert BAERT van Creative Silence, uit Thomas Merton, Love and Living,
ed. by N. BURTON STONE en P. HART, Farrar, Straus & Giroux, New York, 1979, blz. 34-39.
[Contactblad Mertonvrienden, 21ste Jaargang, nr 3, september 2007, blz. 22-29]
THOMAS MERTON
Een Brief uit de Koude Oorlog aan John Tracy Ellis
Toen zijn oversten hem verboden om nog langer publiek te schrijven over oorlog en vrede, verzamelde Merton in 1962
een reeks brieven die hij vooral in de jaren 1961-1962 had geschreven en liet die onder de titel Cold War Letters [Brieven uit de Koude Oorlog] in
gestencileerde vorm onder zijn vrienden circuleren. Na de brief aan Etta Gullick, in september, leest u hier Mertons brief aan John Tracy Ellis.
John Tracy Ellis, in 1905 geboren in Seneca, Illinois, was priester en een bekend historicus, die een hele generatie heeft gevormd van
specialisten in de Amerikaanse kerkgeschiedenis. Hij doceerde aan de Catholic University of America (Washington, DC) en de University of
San Francisco. Zijn talrijke artikels en boeken vertelden niet alleen de geschiedenis van de katholieke kerk in de Verenigde Staten, maar
daagden de Kerk ook vaak uit. Hij werd vooral bekend door zijn essay American Catholics and the Intellectual Life uit 1955, waarin hij de
anti-intellectuele "gettomentaliteit” onder Amerikaanse katholieken op de korrel nam. Ellis overleed op 16 oktober 1992.
Met deze bijdrage zetten wij onze traditie verder om in het laatste nummer van de jaargang de vriendschapsbanden te bevestigen – zoals
een brief dat doet – met alle Mertonvrienden over de grenzen van de dood. Dit jaar gedenken wij met name de heer Cyriel De
Smet (+ 24 maart 2007).
* * *
7 december 1961
Een rustige morgen op de vigiliedag van Maria Onbevlekt Ontvangen geeft mij enkele ogenblikken de tijd om jouw
vriendelijke en tot nadenken stemmende brief te beantwoorden die je mij inmiddels al bijna twee maanden geleden geschreven hebt. En eerst wil ik
je bedanken voor al die dingen die je mij zo vriendelijk hebt toegestuurd. Wat aan het informatiebord van de novicen kon aangeplakt worden, werd
daar opgehangen en ze hebben ervan genoten. (...)
Wat mij treft is dat, in een tijd waarin er zich ontzaglijke en heel fundamentele problemen aandienen met mogelijks
verstrekkende gevolgen, sommigen van onze leidinggevende figuren hun tijd kunnen verliezen met en verwarring stichten omtrent zaken die erg
bijkomstig zijn, waardoor zij kostbare energie verspillen die voor constructiever werk kon gebruikt worden. Het is voor de kerk in Amerika absoluut
cruciaal dat zij voldoende bewegingsvrijheid heeft om op een gezonde en productieve manier de heel bijzondere en veelomvattende problemen
van ons land te behartigen. Zoals je weet, is een van de dingen die mij het meest hindert de houding van zoveel Amerikaanse katholieken ten
aanzien van de nucleaire oorlog. Zij maken geen onderscheid tussen een radicaal pacifisme dat zelfs in een “rechtvaardige oorlog” weigert te dienen,
en de christelijke plicht, door de laatste pausen aangestipt, om de misdadige tragedie van de nucleaire vernietiging van stedelijke centra, zelfs om
de beste redenen, te vermijden. Veel populair denken in dit land gaat blijkbaar mee in de secularistische houding dat, aangezien het communisme
slecht is, wij alles kunnen doen wat wij willen om het van de aardbodem te doen verdwijnen en zo te voorkomen dat het terrein verovert en ons
overweldigt. Die vreselijk kortzichtige en volstrekt onchristelijke houding zou wel eens kunnen resulteren in een complete ramp voor de kerk. Om één
reden namelijk: dat het resultaat zou kunnen zijn dat Rusland en de VS zichzelf uitschakelen en de hele wereld in de handen laten van communistisch
China. Het westen van Europa zou dan natuurlijk op de koop toe in rook opgaan. Wat zou er dan van het christendom overblijven? Wat zou de
houding zijn van gewetensvolle niet-christenen ten aanzien van de overlevenden van een instituut dat zou hebben aangezet tot zulke misdaad in
naam van de godsdienst? Het tijdstip lijkt mij uitermate kritiek. Er is mij gevraagd om erover te schrijven voor het kerstnummer van Commonweal
en ik heb dat ook gedaan, misschien openhartig en spitsvondig, en niet iedereen zal er blij mee zijn. Ik hoop dat jullie voor mij een beetje als een
barometer zullen zijn daar in Washington. Als je iets hoort, dan moet ik het weten. Ik hoop dat je het nieuws doorgeeft. Ik bedoel vooral wat reacties
betreft op wat ik over dit onderwerp schrijf. (...)
Tot slot: ik ben bezig met een boekje over vrede voor New Directions [Breakthrough to Peace]. Het zal een allegaartje zijn,
katholiek en niet-katholiek, allemaal vrij stevige kost, die met stelligheid aantoont dat de nucleaire oorlog een tragedie is die dient vermeden te
worden en dat voor alles met alle macht dient aangedrongen te worden op onderhandeling.
De belangrijkste reden waarom ik dit doe, is dat het algemene stilzwijgen van de katholieken, in het bijzonder van de
hiërarchie, met betrekking tot het vraagstuk van de oorlog een groot schandaal is in de ogen van heel ernstige en nadenkende
niet-katholieke mensen. (...)
Uit : The Hidden Ground of Love,
ed. by William H. Shannon, New York, Harcourt Brace Jovanovich, 1985, blz. 174-175
Inleiding en vertaling : Luc Meeusen (met dank aan Jan Glorieux)
[Contactblad Mertonvrienden, 21ste Jaargang, nr 4, december 2007, blz. 3-5]
MIJN ONTMOETING MET THOMAS MERTON (1)
Paul M. PEARSON
Dankzij E.H. Tony Cornish, een schoolkapelaan die af en toe godsdienstlessen gaf aan
het St. Boniface College in Plymouth, maakte ik kennis met Thomas Merton. Die welbepaalde les begon hij met
ons iets van het verhaal van Thomas Merton te vertellen. Ook vertelde hij ons over het boek waarin dat verhaal
gedaan wordt: Elected Silence, zoals de titel luidde in de Engelse uitgave ervan, in de Verenigde Staten beter
gekend als The Seven Storey Mountain. Zelfs ongeveer zestig jaar nadat Robert Giroux, Mertons
Amerikaanse uitgever, het publiceerde, is hij nog steeds ontzet over Evelyn Waugh’s redactie van The Seven
Storey Mountain en zijn durf de titel ervan te wijzigen! (2)
Ik wou het boek waarover de kapelaan had gesproken meteen lezen. Zoveel jaren later kan
ik mij, als ik mijn ogen sluit, nog steeds de afbeelding op het kaft van de paperbackuitgave die hij toen vooraan in
de klas omhoog stak, voor de geest halen. In die tijd was het boek echter al vele jaren niet meer leverbaar en om
de een of andere reden heb ik er nooit aan gedacht de kapelaan te vragen of hij het me wou lenen. In plaats
daarvan ging ik naar het boek op zoek in de plaatselijke bibliotheken en boekhandels. Mijn zoektocht bleef echter
zonder resultaat want het enige van Merton wat toen in Engeland verkrijgbaar was, was het pas verschenen
The Monastic Journey. Zoals veel lezers van de Merton Journal zich wellicht zullen herinneren is er in
Engeland een lange periode van echte schaarste aan materiaal van en over Merton geweest. Ik denk dat daar, in
1980, verandering in kwam na de publicatie van Monica Furlongs biografie Merton: A Biography.
Daar The Monastic Journey het enige boek van Merton was dat ik kon vinden,
besloot ik het te kopen. Terugblikkend is het zeker niet het eerste boek dat ik zou aanbevelen
aan iemand die mij zou vragen met
welk boek hij Merton moet beginnen te lezen. En aan een tiener van veertien of vijftien jaar - de leeftijd die ik toen
moet gehad hebben – al helemaal niet! Enkele citaten uit de blurbtekst op de rug van het boek zullen dat zeker
goed illustreren, denk ik.
Thomas Merton schreef verschillende boeken over het monachisme waaronder
The Waters of Siloe en The Silent Life die bestsellers werden. Hij schreef ook veel kortere essays
en artikels over het monastieke leven, waarin hij de schoonheid ervan en de vereisten ertoe belicht en de nadruk
legt op de fundamenten ervan: de basiswaarden van stilte, eenzaamheid, gebed en zuiverheid van hart.
Sommige ervan schreef hij in opdracht van de Abdij van Gethsemani, andere circuleerden in monastieke publicaties
en nog andere werden nooit eerder gepubliceerd. Een selectie uit deze opstellen, alle geschreven tijdens het
laatste decennium van Mertons leven, worden nu voor het eerst in boekvorm gepubliceerd. Ze zijn de spiegel van
zijn gerijpte gedachten over het leven in gemeenschap en het leven in eenzaamheid … De eerste drie stukken
beschrijven iets van het mysterie van de monastieke roeping en doen sterke uitspraken over de fundamentele
waarheid van de monastieke manier van leven. Het middenstuk is een gedetailleerde verhandeling over enkele
monastieke thema’s en het boek besluit met een erg ontroerende monografie die het eremitische leven bezingt. (3)
“Een erg ontroerende monografie die het eremitische leven bezingt …” , niet bepaald lectuur
voor een doorsnee tiener. Maar ik las The Monastic Journey en hoewel ik er, terugblikkend, wellicht niet
veel van begreep, zaaide het in mij een zaadje van verlangen, precies zoals The Seven Storey Mountain dat
had gedaan voor een hele generatie lezers in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.
Ik wilde meer lezen en zo begon mijn “liefdesgeschiedenis” met Merton. Het is moeilijk
heel precies te verwoorden wat Merton zo aantrekkelijk maakte en nog steeds maakt. In het begin was er wellicht
een ietwat romantische visie op het monachisme en er was een noviciaat in een Benedictijnerklooster nodig om
dat oppervlakkige dunne laagje te doorbreken.
In de groei en ontwikkeling van mijn persoonlijke spiritualiteit is Merton vaak één van de
katalysators geweest. Daar ik opgroeide in een traditioneel katholiek gezin spraken Mertons vroege geschriften
mij, gezien die achtergrond, erg aan. Maar de voortgezette lectuur van zijn werken opende voor mij een ruimere,
diepere, wereldomvattende spiritualiteit. Mijn belangstelling voor de oecumene en de interreligieuze dialoog
ontwikkelde zich “hand in hand” met de lectuur van Mertons werk. Dat geldt evenzeer voor mijn bewustwording
van en betrokkenheid in sociale kwesties.
Ik kan niet met zekerheid stellen dat die veranderingen het resultaat waren van het lezen van
zijn boeken. Het zou kunnen dat mijn geestelijk leven hoe dan ook in die richting zou zijn geëvolueerd, maar
Merton was zeker een tochtgenoot doorheen al die veranderingen en ook nu nog blijft hij mijn gezel.
Als ik zou proberen de vinger te leggen op de kern van die aantrekking zou ik wellicht
moeten wijzen op een aantal factoren die echter alle vooral uitdrukkingen zijn van Mertons zoekende geest en de
kern daarvan is zijn zoektocht naar God. In zijn Regel stelt Benedictus heel duidelijk dat men tijdens het noviciaat
vooral moet focussen op het onderzoek of de nieuweling werkelijk God zoekt (4) of niet. Het was dit zoeken dat
Merton geheel in beslag nam.
Mertons roeping God te zoeken, zijn “liefde voor het leren en het verlangen naar God” (5)
leidden hem naar het contemplatieve en uiteindelijk naar het eremitische leven. In de kloosterbibliotheek van
Gethsemani ging hij graven naar de schatten van de fundamentele werken van de Woestijnvaders, de Kerkvaders
van Oost en West, de grote mystici van de Kerk, die daar opgeborgen lagen. Dankzij zijn kennis van verschillende
talen was Merton één van de enigen die deze teksten in hun originele taal kon lezen. Vele daarvan, waaronder
sommige werken van St. Bernardus, één van de stichters van de cisterciënzer orde, waren immers nog niet in
het Engels vertaald.
Van die bronnen maakte Merton gretig gebruik in de conferenties die hij in de abdij hield
als Meester van de Scholastici (1951–1955) en als novicemeester (1955–1965) en in andere lezingen voor de
gemeenschap vanaf het einde van de jaren veertig tot aan zijn dood in 1968. Ze vormden ook de basis voor heel
wat van zijn boeken. Doorheen het studeren en schrijven keerde Merton terug naar de grote bronnen van de
christelijke traditie. Merton ging niet alleen graven naar die bronnen maar herinterpreteerde ze ook voor de moderne
wereld en maakte ze op een toegankelijke en wervende manier beschikbaar voor een lezerspubliek dat daartoe
voorheen nooit toegang had.
Vóór Vaticanum II was spiritualiteit, zeker binnen de katholieke kerk, vooral het domein
van monniken, monialen en priesters. De modale katholiek ging op zondag ter kerke (voor het horen van een
Latijnse mis), bad de rozenkrans en had thuis een ongelezen familiebijbel in de kast liggen. Veel van wat ons thans
doodnormaal lijkt was in die tijd ondenkbaar voor katholieken - lekenpastoraal, gehuwde diakens, geestelijke
begeleiding, retraites, gebedsgroepen, Centering Prayer, meditatie – de lijst is eindeloos. De regel was dat de
studie van de theologie alleen weggelegd was voor hen die zich op de priesterwijding
voorbereidden. (Zelfs vrouwelijke religieuzen genoten weinig of geen opleiding in de theologie in tegenstelling
tot hun opleiding in de “devotie”). De snel in aantal toenemende universiteiten die academische graden in de
theologie en in het bijzonder op maat geknipte leergangen voor katholieke leken aanbieden, is een zeer recent
fenomeen en zou ondenkbaar geweest zijn in de tijd voorafgaand aan Vaticanum II.
Hoe was Merton betrokken in de totstandkoming van die omwenteling?
Met de publicatie van The Seven Storey Mountain op 6 oktober 1948 verwierf
Merton de status van bestsellerauteur en de internationale erkenning die hij vóór zijn intrede in de abdij zo
geambieerd had. Het boek verscheen op een werkelijk uniek moment in de geschiedenis. Rekruten keerden
net in groten getale terug van de slagvelden in Europa en het Verre Oosten; de mensen werden voor het eerst
geconfronteerd met het gebruik van nucleaire wapens in Hiroshima en Nagasaki en de verschrikkelijke gevolgen
ervan voor de lokale bevolking; de informatie over Duitsland en de gruwel van het nazisme – in het bijzonder in
verband met de concentratiekampen en de Shoa - stroomde binnen; een veranderende wereldgeografie met
ingrijpende wijzigingen in het naoorlogse Europa, het ontstaan van de Staat Israel, de opsplitsing
van India enz…, de machtsontplooiing van het communisme en het optrekken van het IJzeren en het
Bamboe Gordijn – het lijstje is lang niet volledig. Tegen die achtergrond raakten velen bekoord door Mertons
verhaal over hoe een getalenteerde jongeman, begiftigd met een talenknobbel en een vlotte pen, de wereld
de rug toekeerde en levenszin vond in het landelijke Kentucky achter de hoge muren van een slotklooster met
een strikt, middeleeuws regime.
Velen die The Seven Storey Mountain lazen, wilden meer lezen over Mertons
verhaal en verslonden de boeken die uit zijn pen vloeiden. (6) Doorheen die boeken maakte Merton een
ontelbaar groot lezerspubliek bekend met de christelijke contemplatieve traditie – met de geschriften van de
Kerkvaders en de grote christelijke mystici.
Toen hij in 1941 in het klooster intrad dacht hij dat hij de wereld definitief de rug had
toegekeerd. Hij ontdekte echter spoedig dat dit helemaal niet het geval was. Als het zoeken naar God waarachtig is,
ontdekken wij op die zoektocht niet alleen God maar ook onze zusters en broeders en ons ware zelf. Naarmate
Merton steeds verder vorderde op zijn tocht naar God, keerde de wereld krachtig naar hem terug. De Canadese
Mertonkenner Ross Labrie verwoordde dit ooit als volgt: Merton introduceerde de contemplatie in de wereld en
de wereld in het klooster.
Merton begon de dringende actualiteit te becommentariëren en deed dat door die actualiteit
te belichten vanuit zijn perspectief binnen de monastieke traditie. Voor vele katholieken, in het bijzonder
Amerikaanse katholieken, was die toepassing van de spiritualiteit en de kerkelijke rijkdom aan onderricht over
sociale en actuele vraagstukken onaanvaardbaar. Zij wilden dat Merton alleen over spiritualiteit in het engere begrip,
dat zij daarvan hadden, zou schrijven. Die bredere toepassing zat hen niet goed, vooral omdat de Amerikaanse
katholieke gemeenschap eindelijk aanvaard en erkend werd nu er een katholiek in het Witte Huis resideerde.
Zoals Merton schreef aan de Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz: “In Louisville verbranden conservatieve
katholieken mijn boeken omdat ik mij gekant heb tegen de oorlog in Vietnam”. (7) Toch lag Mertons
standpunt helemaal in de lijn van zowel de katholieke als de Bijbelse profetische traditie en, met de publicatie
van Pacem in Terris, werd dit spoedig ook het standpunt van de internationale katholieke gemeenschap
geleid door Paus Joannes XXIII.
Mertons begrip van de christelijke traditie van de spiritualiteit bracht hem ertoe velen
bekend te maken met de contemplatieve dimensie van het leven. Het bracht hem ertoe een profetische houding
aan te nemen betreffende de vele problemen waar de mensheid mee geconfronteerd wordt, problemen die
vandaag nog evenzeer om een oplossing vragen als veertig jaar geleden toen Merton erover schreef. Het gaf vorm
aan zijn aanpak van de oecumenische en interreligieuze dialoog. Een aanpak die de voorkeur gaf aan het
ervaringsniveau en niet uitsluitend aan het doctrinaire niveau. Tenslotte gaf het ook vorm aan zijn benadering van het
monastieke leven en de manier waarop hij het voortouw nam in de monastieke hervorming.
Thomas Merton werd voortdurend aangetrokken door ernstige openbaringen van Gods
geest – de poëzie van Blake en Hopkins; de Woestijnvaders en Woestijnmoeders, de mystici van de
verschillende tradities, de Keltische kluizenaars en de Shakers. Het Shakergeloof in de openbaring van de
Christusgeest was een gerealiseerde eschatologie, een getuigenis van de levende tegenwoordigheid van
Christus. Het was die Christus die Merton voor het eerst in het oog kreeg toen hij, in de jaren dertig, als tiener in
Rome verbleef en naar Wie hij, godsdienstig is blijven zoeken voor de rest van zijn leven.
Vertaling Dirk DOMS
Aantekeningen
(1) Paul Pearson is directeur en archivist bij het Thomas Merton Center aan de Bellarmine University te Louisville,
Kentucky (VS). “Mijn ontmoeting met Thomas Merton” verscheen met als titel “Meeting Merton” in het Paasnummer
van The Merton Journal (2008 - vol 15/1).
(2) In de Nederlandse vertaling van Mertons autobiografie werd de titel van de Seven Storey Mountain
als Louteringsberg vertaald wat een, voor Nederlandstaligen, duidelijkere verwijzing is naar Dante’s zeven
verdiepingen tellende Purgatorio (Vagevuur). De grote Britse schrijver Evelyn Waugh (auteur van o.a. het
verfilmde Brideshead Revisited) was zeer enthousiast over het Amerikaanse bekeringsverhaal, maar vroeg
Merton of hij het wat mocht inkorten en er een andere, voor het Britse lezerspubliek toegankelijkere titel, aan
mocht geven. Elected Silence (verkozen, uitgelezen stilte) is ook de titel van een gedicht van de dichter
Jezuïet Gerard Manley Hopkins. Met die titel zal Merton zeker gelukkig geweest zijn want hij hield erg veel van de
Britse dichter. Op Waughs’ opmerking dat de Seven Storey Mountain soms wat langdradig is en veel
herhalingen bevat, repliceerde Merton schamper dat hij verheugd was vast te stellen dat hij althans toch die ene
literaire kwaliteit deelde met de grote geestelijke auteur Sint-Jan van het Kruis. (DD)
(3) Thomas Merton, The Monastic Silence, London Sheldon Press, 1977.
(4) RB 58,8
(5) De vermaarde Benedictijnse geleerde Dom Jean Leclercq gebruikt dit zinnetje als titel voor zijn
grensverleggende studie The Love of Learning and the Desire of God: A Study of Monastic Culture,
New York, Fordham University Press, 1961, die de ervaringsgerichte aanpak van de theologie in het monachisme
definieert en eveneens een goede omschrijving is van Mertons aanpak van de theologie.
(6) Eén van de gevolgen hiervan was dat The Waters of Siloe (De Wateren van Siloe), Mertons
geschiedenis van de cisterciënzer orde in de Verenigde Staten, dat kort na The Seven Storey Mountain
verscheen, maandenlang op de New York Times bestsellerlijst bleef staan, hoewel het lang niet zijn meest
populaire boek is.
(7) Thomas Merton, Striving Towards Being: The Letters of Thomas Merton and Czeslaw Milosz, ed.
Robert Faggen, Uitg. Farrar, Straus and Giroux, 1997, blz. 175.
[Contactblad Mertonvrienden, 22ste Jaargang, nr 2, juni 2008, blz. 3-5]