mark coeckelbergh
 

 

Poems

(only available in Dutch)


(photography by Mark Coeckelbergh)

 


recent poems and selected poems from the collections

Zwaartekracht (2005)

Altijd Dichter Bij Jou
(2001)

 

Recent poems (2006)

 

evenwichtskunstenaar

fluisterzacht sluipend
op naakte woorden
dans ik wisselvoetig
op de glibberige rand
van een diep verlangen

(wilde, loopse katten kijken hongerig toe)

de scherpe ochtendlucht
ontrukt dwingend
enkele rauwe kreten
aan mijn rillende stem

roekeloos zuigend
adem ik enkele moedige zinnen
en loop even wat te snel

slipperende, stotterende kalligrafie
wanhopig kronkelende pennentrekken
overhellend vraagteken
de val

een misnoegde god
verscheurt woedend
de gladde hemelhuid

een koude zucht
raast door het nachtelijke heelal

in blanke stilte
in dromen drijvend
zweef ik nu
zonder woorden
zonder zinnen
zonder pen
door begeerte gevleugeld
(herder van de wolken
staf van levend graniet)
mateloos, hevig brandend
radicaal onevenwichtig
in de blauwe gloed
in het witte vuur
van jouw ogenblik

 

opengesperd (requiem voor een roman)

opengesperd
als een gedissecteerd konijn
kwetsbaar boek
een schrijver
tevergeefs zocht men naar zijn ziel

organen lillend levend
kloppend hart nog
van liefde voor de stiel

ze hebben gesneden
ze hebben gezien
gewikt en gewogen
met punten op tien

de kritiek was niet mild
maar milder dan het leven
door iemand gewild
aan het papier gegeven

in witte duisternis gehuld
(het licht is men vergeten te doven)
een kwetsbaar verhaal
ligt te wachten
op de ratten
op de ochtend van een nieuwe taal



'Zwaartekracht' (2005)

 

de gezalfde kogel

het woord van een gezalfde kogel
gesprenkeld op je koele huid
een zandbank met een dode vogel
en er is geen geluid, er is geen geluid

ik zie een kerkhof van ontzielde dromen
hemelloze wolken drijven traag voorbij
het is al licht maar er zal geen morgen komen
niet voor jou, niet voor mij

dan scheurt de aarde open
een stier beukt door mijn hoofd
drie uiers leeggezopen
het vuur is weer gedoofd

zeven gebogen hoofden hangen
dansend op de maat
straks ontwaakt een nieuw verlangen
maar het is al te laat, het is al te laat


paard in de gang

in het zinderende hijgen
van een vergeten ziekenhuisschacht
staat een donker paard de zwijgen
nog lacht er een kind vannacht

opgediend op grote schalen
lillend, vragend, in een saus van bloed
straks komen ze jou ook nog halen
wie weet hoe het dan verder moet



de ochtend (1)

ochtendflarden dringen door in de kamer
een waslijn vol herinneringen
het blaffen van een hond

teveel licht op hoofdgehamer
wat blijft zijn zwarte ringen
en woorden die ik niet meer vond


zwijgt het koren nog niet vanavond?

zwijgt het koren
nog niet vanavond?

golvende lakens, lichamen die rillen
opstandig gefluister
in de branding van een nieuwe oogst

dampend en stampend, reusachtig insekt
wielen en stangen kreunen – een kreet
en dan is het stil
de tijd zelf tot staan gebracht
het offer aanvaard
als bloed en graan zich vermengen
door de aarde welwillend opgenomen
samen met de rode zon
begraven in de zuchtende akker

eeuwige slaap – toch het verlangen
de dorstige aarde opent haar warme lippen
in haar bed wentelt zich de wanhoop
tot opstand vervloekt

geteld zijn de dagen
en de lijken van de revolutie
terechtgesteld de dromen
met de kogel van de macht

duisternis bedekt de geliefden met tederheid
plechtig leidt de maan de dodenwake

in grote levenloze ogen
die de sterren niet meer kunnen zien
drijven nog de wolken voorbij


zoeken naar leven

donkerrode noten
de aarde geurt
bliksem in je ogen
sprong naar de sterren
steen splijt alles open
monument van wellust
de melkweg omarmt
trillende wezens
in zout weerspiegeld
je zachte lichaam
waar de zon in woont

recht naar de onderwereld
in slierten van dromen verdwaald
zoek ik tussen slapende honden
en wierook met azijn
naar losgeweekte vormen
naar kleuren zonder pijn

in nachtelijke stationsmoerassen
en staal en zwart en rood
in stervende locomotieven
naar de warmte
het leven
het zachte brood
tussen de grafterrassen
in de oude boot


de ochtend (2)

verbeten verjaagt hij de demonen van de nacht
en vervloekt de nieuwe goddeloze dag, keer op keer

tussen de plooien van de tijd
zoekt hij zwijgend naar een rustplaats voor zijn ziel

van het leven kent hij alleen haar schaduw
toch heeft hij haar lief
als een hond bijt hij zich vast in haar donkere vlees
blind en kwijlend
het schuim van de krankzinnige op de lippen
maar schaduwen kunnen de honger niet stillen

waar neergebliksemde apostelen de liefde vinden
stort hij gewoon neer
krabbelend en kruipend
de koude aarde voelend onder zijn bloedende nagels
stamelt hij enkele onduidelijke woorden
en is dan alleen nog maar
het branden van zijn huid

naakt ligt hij
op de kale rotsen
een paard rijdt door hem heen
het daglicht schroeit zijn vermoeide ogen toe
warme regen wast de wonden
bedekt hem in een glinsterende mantel
en langzaam, heel langzaam
lost hij op in de zilveren wolken.


middagzon

wie kan
de middagzon verdragen
brandende middelmatigheid
misselijke leegte

wat verlang ik
naar de koele avonden
en de heerlijke nacht
de sterren
zonder schaduw
zonder schreeuwen
zo dankbaar
zo zacht

waar ben jij nu
in stilte
begraven in de warme, vruchtbare grond
van de herinnering
of tot asse verbrand
in het ongenadige vuur van het verlangen

geen heuvel staat nog
om een levende god op te kruisigen

in het vlakke land
overspoeld met het maagzuur van de twijfel
drijven krengen van oude boeken
zwalpend en zwellend gaan ze
op en neer
in de middagzon
in de middagzon
in de ongenadige middagzon


nachtelijke ondervraging

als grote zwarte vissen
zwemmen de nachtelijke uren voorbij
het genadeschot laat op zich wachten
geen redding door de gong – voor mij

eindeloos gevecht met alleen maar verliezers
de hoop borrelt nog en houdt dan op
een aquarium vol vuiligheid
soep van hersencellen in m’n kop

zware treinstellen denderen door me heen
buiten sneeuwt het bloedklonters
er is gekreun in het bos
het vonnis wordt luidop voorgelezen

strak kijken de ogen me aan
maanlicht struikelt door het open raam
en blijft liggen als een plas
daarin zie ik alles
ook het gas, ook het gas

click on the arrow to return to the navigation bar


© Mark Coeckelbergh 2005

Mark Coeckelbergh



'Altijd Dichter Bij Jou' (2001)

 

leeg vanbinnen

vanbinnen ben ik leeg en koud
als een vers geplunderd graf
opengesperd
gapende wonde
rust door kille stenenstilte verscheurd
holte
waarin alleen de vage lijkgeur
nog herinnert aan wat vroeger
leven was





nacht

mijn gedachten rusten
op het witte doodskleed
door het maanlicht
teder gespreid
over de slapende aarde

grond die nog gesmolten moet worden
het standbeeld
de groet van de eeuwig rustende farao

het schijnt dat de wormen komen
verraste schaduwen springen weg
lange kisten rollen dichterbij

nooit meer
zal ik jouw nectar drinken





terugblik

nostalgisch
dronk ze haar tranen
van zoet verdriet

en proefde
de huiverende warmtebron

uitgerukt om niet
nog lillend
het oog






lage landen

1. diep onder de vredige akkerspiegel
brandt een hevig vuur

wilde, kokende brij
nooit zal je de koude aarde bedekken
met je vruchtbare mantel

dood blijft het land
dat geen vulkanen kent.

2. volle maan
licht van een vuurbol
die niet meer is

(enkel dode zonnen
schitteren nog)

nog verleidt ze het water
die donkere, slapende reus
tot krachtige golven
van bruisende passie

gebroken door de dijk
van een wereld
die niet gekust wil worden

3. een wereld van beton
rust tussen de kustmatige heuvels
als een koude zerk
op een lentegroen kerkhof

nog zingen de vogels
hun allermooiste lied
voor een volk
dat niet meer luistert





herfst

de hongerige wolf
kwijlt hete muitranen
op de koude aardemat
die zich langzaam openen zal
voor hen die niet meer wachten
op het nieuwe lentesap



op de bodem

loodzwaar weegt het water
op de harde schedel

zinken romp van vergetelheid
schuift voorbij

de slaap van de waarheid kraakt

weldra zwelt het kadaver
der gerechtigheid

de ongebraden vis
zwemt slap en ongezouten voorbij

een donkere klap
het oordeel
de zure citroen
op het naakte vlees





voorspelling

een vrouw met een kind
zij is niet meer

op de begrafenis van de oude god
is de kist leeg

rode sneeuw
het bloed bevriest snel
vruchtwater van een nieuwe god

zwarte zon
waar is het kind?

de stilte van zijn eeuwige slaap
zal oorverdovend zijn





de schrijvers

met vlammende zwaarden
krassen zij de waarheid
in de rots van onbegrip en verstarring

snel vloeit de hete inkt
in de brandende wonden

de persen draaien al
vermalen hen
die te lang stil stonden

ja, zij schrijven met bloed
de ridders van het Avondland





nachtwacht

zuiver is het bloed
dat stroomt uit heilige wonden

wie zal de priester
nu nog
ten grave dragen?

(en nog brandt het water)

boten als kathedralen
tot asse vervloekt

gekruisigde kapitein
waar zijn uw matrozen?

zware klokken luiden
de nacht
is nog lang





© Mark Coeckelbergh 2005

© Mark Coeckelbergh 2005