Kind van de duivel

Proloog en eerste hoofdstuk



Proloog


Onverhoeds sloeg het weer om. De witte wolkensliertjes werden verdreven door donkergrijze, bolle hemelkussens, die dreigend boven de baai postvatten.
De zee kleurde van blauw naar grijs. Ondanks het lage tij joeg de wind de golven tegen de donkere rotsen aan. Hij blies zich een weg langs de heidepaarse kliffen, naar beneden, naar de grotten, die bij hoogtij onder water verdwenen. Daar echode hij naargeestig in de zonloze spelonken.
De wierplukkers trokken hun hoofd dieper tussen hun schouders. Bij sommigen gleed er een rilling, als een sidderaal, over hun rug.
Paniek ontstond er niet. Ze hadden erger meegemaakt, deze vierkante eilandbewoners. Ze wisten wat hen te doen stond.
De glanzende sikkels werden opgeborgen. De platte, met wier volgestouwde scheepjes werden haastig naar het strand geroeid. Risico's nemen, kon een boot kosten.
Het was beter de reeds binnengehaalde oogst op de karren te laden en te wachten op, misschien toch nog, beter weer.
Niet dat men dat echt verwachtte. Intussen konden ze een stevige beker cider of rum drinken, iets wat niemand afsloeg. Ook de kinderen niet, die er een dikke plak bessenbrood in sopten.
De mannen trokken hun muts dieper over het hoofd en staarden zwijgzaam en somber naar het grijze water.
Pas toen de regen als een vuile sluier over het eiland neerdaalde, merkte een klein meisje de jongen op. Haar ogen werden groot als karrenwielen. Ze trok aan de dichtstbijzijnde rok en priemde met haar vingertje naar de bewegingloze figuur, halverwege het klifpad.
De hoofden van de eilanders schoten als paddestoelen de hoogte in.
Een vreemdeling. Gehuld in een vaalblauwe kapmantel, die als een vleermuis achter hem aanfladderde. Wijdbeens overzag hij de baai, zijn armen over elkaar geslagen. Even leek het alsof er geen geluid meer was. Alsof de stilte, die achter de blik van de vreemdeling verborgen lag, zich over de rest van het eiland uitstrooide.
Toen stak een oudere man aarzelend zijn hand op en schreeuwde een begroeting, die werd meegevoerd met de wolken.
De jongeman leek zich nu pas bewust van het zwijgzame volk op het strand. Hij groette niet terug. Iets als een glimlach roerde zijn gelaat, maar niemand kon daar achteraf zekerheid over geven.
Hij draaide zich om en liep met stevige pas, maar met gebogen rug, in de richting van het binnenland.
Langzaam zagen de eilanders hem achter de top van de klif verdwijnen.
Hij wist niet dat hij angst in hun ogen achterliet. Angst voor dat wat ze van zijn voortbewegende figuur het langst konden zien: zijn halflange, rode haar, dat wapperde in de wind.

Hoofdstuk 1

Kreunend sleepten de wagens achter de paarden aan.
De wind was harder gaan waaien en de regen viel nu met bakken uit de inktzwarte hemel.
De families haastten zich naar hun warme huizen. De kinderen waren moe en dreinerig. De mannen maanden de paarden met korte zweepslagen tot spoed aan.
De Chevaliers en de Paulets bleven achter op het kille strand. Met hatelijke, verwrongen gezichten stonden ze tegenover elkaar, naast de laatste hoop zeewier die nog niet was opgeladen. De zoveelste ruzie. De anderen keken er niet van op en wensten zich er niet mee in te laten. Hun vracht was veilig, dat alleen was van belang.
Duncan Janvrin was op de laatste wagen gesprongen. Die van zijn vader was vertrokken zonder hem. Zijn broers hadden het met nodig gevonden hem te roepen. Duncan moest maar zorgen dat hij thuiskwam.
"Als je honger krijgt, vind je de weg naar de stal wel."
"Een klaploper ben je, verder niks. Een blinde mol. Als jij maar niet hoeft te werken."
De honende woorden van vader en van de jongens waren Duncan al zo vertrouwd, dat hij ze met een licht schouderophalen van zich af kon schudden. Hij zou toch altijd een kluns blijven. Hij kon er maar beter aan wennen.
En nu zat hij, de ogen wijd opengesperd, met zijn billen op het natte wier naar de hemel te staren.
De dikke regendruppels spatten op zijn netvlies open en vervormden het beeld van de hemel. Water en wind vloeiden door elkaar en schiepen nieuwe kleuren in grillige vormen. Een morsig schilderij.
Duncan knipperde met zijn ogen. Alles werd weer helder. Hij kon nu zelfs de treurig lachende meeuw volgen, die zonder zijn vleugels te bewegen langs de rand van de kliffen schoot en achter de horizon verdween.
Duncan zuchtte. Waarom was hij geboren op Sint-Galbertsnacht, drie dagen voor het geluk?
Hoe kwam het dat zijn ogen hem op de vreemdste momenten in de steek lieten? Vanochtend, net toen de boot afmeerde, was het weer gebeurd. Een troebel waas had hem zijn zicht ontnomen. Hij kon alleen nog schimmen zien, de omtrekken van vader en van de jongens, de rand van de boot.
Zijn broers hadden het natuurlijk meteen gemerkt. Soms leek het wel alsof ze erop zaten te wachten. Ze hadden hem genadeloos overboord gegooid. "Hier Mol, een blinde klungel kunnen we niet gebruiken aan boord."
Hij had gegild, uit angst opgeslokt te worden door die duistere, levende watermassa, al kon hij zwemmen als een vis. Zijn zieke ogen maakten alles waar hij van hield tot zijn vijand.
"Het weer sloeg pas om toen die vreemdeling daar al stond."
"God allemachtig, ik krijg het nog koud als ik eraan denk."
Het gefluisterde gesprek tussen de twee vrouwen wierp Duncan weer in de werkelijkheid.
Die vreemdeling... Waar zou hij vandaan komen? Iedereen kende iedereen op dit eiland. Nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje van de ene familie naar de andere. Maar niemand had gehoord van de aankomst van een vreemdeling. Een roodharige vreemdeling. Roodharig, zoals alle dienaars van de duivel. Gekleed in het blauw, als een man van macht en aanzien.
"We hebben veel minder wier dan anders. Dat is geen toeval," klapperde de eerste weer. Ze draaide daarbij onrustig met haar ogen en loerde schichtig achterom, alsof de duivel zelf op haar schouder zat.
De tweede sloeg een kruisteken.
"Mijn man had ook opeens weer last van zijn schouder. Je weet wel, die oude wond. Had hij in geen maanden meer gevoeld. En nu..."
Ze zweeg en keek veelbetekenend naar de ander.
Duncan huiverde. Zijn kleren waren doorweekt en de wind joeg pijnlijk tegen zijn ledematen aan. Moeder zou nooit hebben toegestaan dat ze hem overboord kieperden. Ze zou hem dicht tegen zich hebben aangedrukt, om hem te beschermen tegen het gure weer, terwijl ze één van haar weemoedige liedjes zong. Ze had altijd een beetje treurig gekeken, alsof ze een stil verdriet koesterde. Maar gehuild had ze nooit. Tenminste, niet dat hij het zich kon herinneren.
Soms bedacht Duncan dat de ziekte van zijn ogen de tranen van zijn moeder waren. Tranen van jaren, die altijd verborgen waren gebleven en die nu, sinds moeder dood was, zijn blik vertroebelden.
"Ouwe Collas moest plotseling braken, heb je het gezien? Die man is nooit ziek. Nooit!"
Duncan zette zich schrap en sprong van de wagen. Hij was het geklets van die vrouwen zat. Collas zoop te veel. Dat wist iedereen.
Het was niet ver meer tot thuis. Maar wilde hij er wel naartoe? Hij zou er toch weer één of andere rotklus moeten opknappen. En de jongens zouden hem toch weer uitlachen omdat hij wel weer iets verkeerds zou doen.
Duncan kroop dieper weg in zijn jasje en kromde zijn rug. Een beetje beweging zou zijn gewrichten opwarmen.
Zijn hoofd brak de wind en zijn lichaam schoof langzaam vooruit over de kale rotsen, het klifpad op.

Terug