In het teken van de dolfijn
Eerste twee hoofdstukken



I

"Wat sta je daar rond te lummelen?" De schelle stem van de conciërge, mevrouw De Klepper, deed haar opschrikken. Ze had alle naamplaatjes naast de belletjes geteld. Het waren er 85. Een oneven getal. Het klopte dus niet. Elke verdieping bestond uit vier appartementen. En er waren 21 etages. Samen moesten dat dus 84 appartementen zijn, en geen 85. Daarna had ze de plaatjes één voor één gelezen en zich verkneukeld om de soms gekke namen: De Schutter, Nasser, Ezzidine, Peeters, Zoutsatski, nog een keer Peeters, Smamakous, Zilver. Hé, Zilver.. Dat was een vreemde naam. Een mooie naam, vond ze. 'Dhr. N. Zilver', stond er. N voor Napoleon, Nico, Niels ... ? Allemaal namen die niet pasten bij Zilver. Ze kende nog niemand in het gebouw. Alleen dat Kleppermens. Dat mens dat altijd op de loer lag, op de meest onverwachte momenten achter haar opdook en haar het gevoel gaf dat ze betrapt werd, ook al had ze niks uitgespookt. "Hoe heet je ook al weer?" vroeg het mens, dat haar nu met vernauwde ogen argwanend stond te beloeren. "Nena," antwoordde ze. "Lena?" kraakte de gier. "Nena," zei ze nadrukkelijk. "N, E, N, A." "Brutaal ben je ook nog. Hebben je ouders je niet geleerd met twee woorden te spreken?" "Ja, ja, mevrouw, mevrouw," gekscheerde Nena. Sekreet, kon ze haar niet met rust laten? De conciërge mompelde nog wat over de jeugd van tegenwoordig en slofte hoofdschuddend weg in de richting van de parkeergarage. Nena drukte op de rode knop van de lift. De deuren zoemden onmiddellijk open. De graffiti op de spiegel waren vernieuwd. Vanmorgen had ze mevrouw De Klepper er nog mopperend de zwarte, vunzige tekeningen zien afschuren, gewapend met een afwasborsteltje en een naar rotte eieren ruikend goedje uit een verroeste spuitbus. Nu was de hele lift opnieuw besmeurd, dit keer met groene verf. 'Legalise drugs, now!'stond er. De woorden waren vervormd door de uitdruipende lak. De geur van urine en koude tabak die altijd in de cabine hing, was nu vermengd met een scherpe terpentijngeur. Nena aarzelde bij de rij knopjes. Zou ze al naar huis gaan? Els zou haar waarschijnlijk weer uithoren over school. En papa en mama waren toch nog niet thuis. Vastberaden duwde ze op het bovenste knopje. Als de lift nou eens als een pijl uit een boog de hemel inschoot, naar de sterren, naar de maan... Haperend en stotend werd Nena naar de bovenste etage gebracht. Door het raam op de overloop keek ze neer op de stad in miniatuur. Het werd al donker. Op het pad naar het flatgebouw brandden roze, bolvormige lampen. In de verte zag ze de fonkelende lichtjes van de schepen op de Schelde. Aan de overkant het robuuste Steen, de kerktorens, allemaal helder verlicht. Daartussen lagen de smalle straten van de binnenstad, gevuld met piepkleine, wriemelende mensen. Antwerpen leek best wel een gezellige stad, van hieruit gezien. Heel anders dan toen ze met haar moeder door de grauwe straten had gewandeld, op zoek naar de winkel waar ze haar nieuwe schooluniform moesten halen. School... Ze had gedacht, of gewoon gehoopt, dat het in de grote stad anders zou zijn. Boeiender, interessanter dan op die rotschool waar ze vandaan kwam. Daar hadden ze geprobeerd haar vol te pompen met dingen die ze al wist, of die zo saai waren dat ze haar aandacht erbij verloor. En datgene waarover ze echt iets wilde weten, daar zwegen ze natuurlijk over, alsof het niet bestond. Hoe vaak had ze al niet de vragen gesteld die door haar hoofd spookten, die haar intrigeerden? En nooit kreeg ze een antwoord. De leerstof van dit jaar, die was belangrijk. De rest zou ze nog wel leren, later... Later.. Wat was dat, later? Nena zuchtte weer. Met haar nieuwe klasgenoten zou het weer niks worden. Stuk voor stuk stomme, kinderachtige idioten. Ze voelde zich alsof ze in een glazen stolp leefde. Ze sprak wel, maar het leek alsof niemand haar begreep. Ze hadden haar natuurlijk weer vanaf de eerste dag uitgelachen, met haar bril en haar magere lichaam, en gemeesmuild om de vragen die ze aan de leraren stelde. "Probeer je het lieverdje te worden? Waarom geef je zelf geen les?" Als reactie had ze schoensmeer op de toiletbrillen gesmeerd. Nu zouden ze wel niet meer lachen. Ze grinnikte. Ze had ontdekt dat er beneden, waar de vuilniskokers van de 84 flats uitmondden in de kelder, muizen hokten. Misschien kon ze er wel een paar vangen en meenemen naar school...

"Ben jij nieuw hier?" De zachte basstem en de hand op haar schouder deden haar opschrikken. Ze draaide zich om. De man was groot en breedgeschouderd. Zijn witte haar stond recht overeind. Net Einstein, dacht ze. Zijn ogen waren staalblauw. Er fonkelden pretlichtjes in. Ze keken vriendelijk op haar neer. Hij stak zijn hand uit. "Mijn naam is Zilver," sprak hij. "Nemo Zilver. Ik woon in het dakappartement." "Helena," stamelde ze en vergat in haar beduusdheid dat ze Nena genoemd wilde worden. "Mooi uitzicht, hè," zei hij. Ze knikte. "Heel mooi." Ze glimlachte naar hem.



2

"Waar heb je nu weer uitgehangen?" Els stond met een roodaangelopen gezicht boven de sudderende pannen. De groene tegeltjes in de kleine, smalle keuken waren nat van de ontsnappende stoom. Het raam, dat op een kiertje stond, was helemaal beslagen. Nena zweeg en tekende poppetjes op het venster. Ze wist dat Els alleen maar zeurde om te zeuren en eigenlijk geen antwoord van haar verwachtte. "Ik sta hier de hele dag te sloven, en iedereen wandelt maar in en uit alsof het hier een hotel is." Sputterend goot Els de aardappels af, boven de gootsteen. "In plaats van daar zomaar wat te staan, kun je misschien de tafel even dekken. Heb je trouwens geen huiswerk?" "Met hoeveel eten we vandaag?" ontweek Nena haar laatste vraag. "Met drie. Jij, Jürgen en ik. Veerle heeft net gebeld dat ze weer naar één van haar zogenaamde vergaderingen moet." Terwijl ze met de houten lepel in een pan rode kool roerde, vervolgde ze op smalende toon: "Ik ken dat, die studenten. Leuteren en zuipen tot 's morgens vroeg." "Moet mama weer de hele nacht werken?" Nena zette de borden op de zwarte placemats. "Nee, tot tien uur." "Dan zie ik haar nog wel even voor ik ga slapen." "Geloof dat nou maar niet," reageerde Els, terwijl ze met een klap de pan met vlees op tafel zette. "Je weet hoe dat gaat in het ziekenhuis. Om tien uur is het werk klaar, maar dan nog een briefing met de nachtploeg en dan nog iets gaan drinken met de collega's... Trouwens om tien uur horen kleine meisjes in bed te liggen." Nena kookte van woede. Daar had je het weer. Ze was potverdorie bijna dertien, toch geen kind meer! "Haal je Jürgen even?" vroeg Els. Met een grote lepel begon ze de borden vol te scheppen. "Jüüüürgen! " riep Nena en bleef zitten. "Eééééten!" "Kun je nou nooit eens luisteren als je wat gevraagd wordt?" zei Els geïrriteerd. "Haal hem nou gewoon." Nena bleef nog even treuzelen om haar oudste zus wat meer op stang te jagen en stond toen op. Dat rotjoch had haar vast al gehoord, maar bleef gewoon zitten waar hij zat om haar te pesten. Sinds die twee weer thuis woonden had ze helemaal geen leven meer. Veerle speelde al de baas over haar, en nu had ze die zure Els er nog bij gekregen en dan dat rotkereltje...Waar zat hij toch? "Boe!" riep een schrille kinderstem achter haar. Geschrokken en boos tegelijk draaide ze zich om. “Haha, je had me niet gehoord! Ik heb je lekker laten schrikken," treiterde hij. Nena vertikte het om iets tegen hem te zeggen. Ze nam hem stevig vast en sleurde hem mee naar de eetkamer. Zijn gebrul en het commentaar van Els negeerde ze. Ze begon, weinig enthousiast, te eten. Toen haar bord half leeg was, schoof ze het van zich af en stond op. "Zou je niet eerst toestemming vragen om van tafel te gaan?" zei Els streng. "Nee," antwoordde Nena en liep naar haar kamer. Toen ze de deur achter zich dicht smakte, hoorde ze Els nog roepen: "Brutaal nest!" Ze ging languit op bed liggen en zuchtte, opgelucht.

Terug