| Het begon hier in Zussen, meer
dan zestig jaren geleden, zo rond het jaar 1930.
Een Monsieur Hilt, een Fransman, kwam in de Grote
Berg champignons kweken (Roosburg).
Onze mergelkuilen waren in
Frankrijk bekend sinds de bezetting van ons land door de
Franse Republiek. Bekende wetenschappers waaronder de bekende
Buffon en Bovy, de Saint-Vincent, beschreven de kuilen van
de omgeving van Maastricht. De samenstelling van de mergel,
de temperatuur, de luchtvochtigheid en de fossielen werden
toen reeds bestudeerd. De bevindingen uit die tijd werden
later bevestigd: hoge luchtvochtigheid en vanaf 150 m. inwaarts,
haast constante temperatuur van rond 11° Celcius. De toestand
van de kuilen in Zussen, scheelde niet veel van deze in
de ondergrond van Parijs, waar een gesteente gelijkaardig
met onze mergel uitgegraven werd. Daar werden sinds generaties
champignons gekweekt. Ruimte was er te over, sinds het uitblijven
van blokbreken, kommerden de eigenaars zich niet zozeer
om de kuilen van Zussen.
De militaire overheid had in
1926-1927 een plan van de Grote Berg laten opmeten en opstellen
door Pieter Herelixka, geholpen door Vincent Coenegrachts,
beiden van Zussen. Er werd toen een plaats gezocht voor
de inplanting van wat later het Fort van Eben-Emael werd.
Een exemplaar van het plan werd overhandigd aan de Heer
P.Tans, burgemeester van Zichen-Zussen-Bolder. Het plan
werd in 1934 na een instorting bijgewerkt. De Fransman Hilt,
kende dus het kweken van champignons, toen hij naar Zussen
kwam.
Paardenmest, ging men eens
per maand in Luik per opbod kopen, in de kazerne Fonck van
de Lanciers. Er werden strenge eisen gesteld aan het mest,
de paarden mochten o.a. geen suikerhoudende voeding krijgen.
Eens het ter plaatse was, werd het aan de ingang van de
berg of dicht bij een kuil (put), op hoop gezet, er werd
amoniaksulfaat onder gestrooid en water toegevoegd. Na korte
tijd steeg de temperatuur in de hoop, hij begon te dampen.
De mesthoop werd driemaal omgezet met toevoeging van sulfaat
en water, hij mocht niet uitdrogen.De temperatuur in de
hoop bereikte 70°C, wat nodig was, om de ongewenste schimmels
te doden.
Door het rieken en betasten
wist de ervaren kweker of het mest "rijp" was.
De metalen "moules" moesten dienen om de mestbedden
te mouleren. Het werd in schoon geveegde kelders gebracht
met stootkar of kruiwagen. De moule werd volgestampt en
gekipt en zo ontstonden lange heuveltjes, bedden noemden
men dat. De bedden moesten zo gelegd worden, dat er geen
plaats verloren ging, zij moesten echter allen bereikbaar
blijven.(Zie foto). Van Chaville in Frankrijk kwam het mycelium,
(zaad), dat aangeleverd werd in glazen flessen, die men
moest breken om er het mycelium uit te krijgen. Het mycelium
werd dan per brokjes, alle 10 cm, in de zijkant van het
bed gestoken. Op en tussen de bedden werd er gesproeid en
gegoten, bij gebrek aan lopend water, werd het in emmers
en gieters aangedragen vanaf een waterput. Als verlichting
werd carbuurgas gebruikt,(carbiet), de harde stenen werden
in vaten tot 200kg geleverd, carbuur met water geeft gas
dat langs een 'bek' verbrand wordt en alzo licht geeft.
Na ongeveer één maand waren
de witte draden van de schimmels zichtbaar en werd er gedekt.
Dit gebeurde met fijn gezifte mergel. Voor het dekken werd
de taloche gebruikt,dit was een spaan waarmee 2 à 2,5 cm
mergel op de bedden aangebracht werd.
Dan nog maar water dragen,
sproeien en gieten, tot na drie weken de champignons uit
de mergelbedekking sprongen.
De oogst ging naar Brussel,
de kweker kreeg 3,5 à 4 fr. per kilogram. Er werden in meerdere
vluchten d.i., opeenvolgende oogsten, ongeveer 3kg champignons
per lopende meter geplukt. Destijds werden de voetjes niet
afgesneden, zij werden uit de compost gelicht, zonder te
knijpen, om de luxe vrucht niet te beschadigen. Vòòr de
laatste wereldoorlog, waren champignons een delicatesse,
die men op de meeste plaatsen in Zussen slechts op een communie-
of huwelijksfeest kreeg.
Van delicatesse prijzen bereikten
de champignons, onder de laatste oorlog, kaviaar prijzen.
Het mest kwam nu wel van Duitse paarden. Het Duits Max Planckinstituut
had reeds lang studie verricht over de cultuur van champignons
in kweekhuizen boven de grond. De kweekhuizen rezen uit
de grond gelijk paddestoelen, niet alleen in onze streek.
De ramp van Roosburg, in 1958 bracht de laatste slag toe
aan de ondergrondse teelt. |