Ik was nog maar net de grens over en genoot nog een beetje van
mijn nieuwe stempel in mijn paspoort of ik zat al weer op onverharde wegen. De
drukte van de straatverkopers en geldwisselaars aan de grensposten en in het
niemandsland deed me niets en ik reed maar meteen verder naar het volgende dorp
"Copacobana". Dit is blijkbaar en heel toeristisch stadje aan de
oevers van het Titicacameer waar vele toeristen even komen uitrusten of er een
excursie naar een van de eilandjes boeken. Voor mij was het een plaats om even
een paar dringende mailtjes te sturen en er mijn laatste Peruaanse munten te
wisselen. Dat is ook altijd een heuglijk, belangrijk moment tijdens het reizen
nl. de nieuwe munten. Ik had er helemaal geen idee van hoeveel Bolivianos een
dollar was. De eerste dag moest ik weeral net als mijn eerste dag in Peru
wennen aan het geld, goed kijken voor je iets uitgeeft... Maar voor die
dringende mailtjes betaalde ik zo`n zes dollar. Amaai, In dit boerengat werden
de tijden per minuut aangerekend omdat de telefoonverbinding zo pover was. Ik
was meteen gewaarschuwd dat internetten in de afgelegen gebieden behoorlijk
duur zou zijn. Ik nam er mijn middagmaal om elf uur Peruaanse tijd en twaalf
uur Boliviaanse tijd. Ik moest er dus mijn uurwerk een uurtje doordraaien omdat
Bolivie in een andere tijdsgordel ligt. Een beetje dichter bij Europa dus. Na
Copacobana moest ik nog een goeie dertig kilometer verder rijden langs uitstekende
wegen om in Tiquina de overzet te nemen naar de andere kant van het Titicaca
meer. Net buiten Copacobana zeg ik vier meisjes voetbal spelen op de weg. Ze
hadden twee doelen gemaakt met vier grote stenen en net toen ik passeerde kwam
er een bus vanachter de bocht gevlamd. Een van de meisjes slaakte een kreetje
en prompt werd het spel stilgelegd en verdwenen ze in de berm. Ik zag alles
gebeuren en moest toch even mijn hart vasthouden. De bus had de stenen te laat
gezien en raakte er eentje. Ik hoorde een luide bonk van de steen die het
onderstel van de bus raakte!
Niets aan de hand. De bus reed gewoon verder. Toen ik ze vroeg of
ik een foto mocht maken was het antwoord prompt:" NO, tienes que
pagar". Ik was in geen geval van plan om te betalen maar vier snoepjes wou
ik ze wel geven en het ene meisje ging akkoord met de deal. Nadat ik de foto
had gemaakt gaf ik zoals beloofd de vier snoepjes voor elk van de meisjes. Ik
zag ze allemaal in een zak verdwijnen en van uitdelen was helemaal geen sprake.
Egoïsme bestaat dus ook in Bolivie. Tijdens mijn eerste ritje in Bolivie viel
het me op dat de kinderen iets agressiever bedelden dan in Peru. Natuurlijk ben
ik ook maar een mens met principes en kan natuurlijk niet aan iedere bedelaar
een fortuin schenken. Maar in tegenstelling tot in Peru hoorde ik een paar
lelijke woorden achter mij toen ik ze niets gaf. En als ze geen geld vroegen
dan waren het ongetwijfeld "caramela`s". Toen ik in Tiquina aankwam
kon ik meteen inschepen voor een overzetje van een kwartiertje. Tiquina ligt
aan de "straat van Tiquina" (natuurlijk), een nauwe straat en dus de
beste plaats om een overzetdienst uit te bouwen. Aan de andere kant was het nog
zo`n 112 km tot La Paz. Het was al rond vier uur en ik wist dus dat La Paz voor
de volgende dag zou zijn. Ik deed wat inkopen voor mijn eerste overnachting op
Boliviaanse bodem en reed verder langs de oevers van het Titicacameer op zoek
naar een goed plaatsje om te kamperen. Door het uurverschil is het natuurlijk
ook een uur langer klaar in Bolivie. Ik kon dus doorrijden tot rond zeven uur.
Maar langs de oevers van het meer reed ik van het ene dorp naar het andere. Het
was als het ware een voorbeeld van Boliviaanse lintbebouwing en een
kampeerplaatsje kon ik moeilijk vinden. Ik kreeg ook nog even het gezelschap
van een groepje fietsende jongeren. Je weet wellicht al dat ik het haat om
vergezeld te worden van fietsende jongeren. Ook dit groepje wou waarschijnlijk
eens demonstreren dat ze sneller bergop konden rijden. Dat deden ze ook en in
de afdaling wachtten ze op mij om dan opnieuw voorbij te kunnen steken. Mijn
tactiek is dan: gewoon stoicijns verder rijden. Ik gunde ze zelfs geen blik. Ik
probeerde ze te beschouwen als lucht. Ik had rond halfzeven mijn zoektocht naar
een mooi kampeerplaatsje opgegeven en ging dan maar op zoek naar een
hostalletje. De eerste was een beetje te duur. Ik wou niet meer dan drie dollar
betalen en de waard verwees mij door naar een ander hotel in de buurt. Toen ik
daar aankwam vroeg die andere eigenaar dezelfde prijs. "Hehe manneke, die
andere hoteleigenaar vertelde me dat dit hotel veel goedkoper is en ik betaal
niet meer dan drie dollar of 18 Bolivianos". " Prompt daalde zijn
prijs van 35 naar 18 Bolivianos. Hij had het geprobeerd om die toerist eens
flink uit te zuigen en dat was hem niet gelukt. Ik sliep er dus voor zowat de
helft van de prijs en hij was waarschijnlijk blij dat hij die avond toch een
gast had. De volgende dag maakte ik mij klaar voor mijn intrede in La Paz. Ik
reed er nog heel wat kilometers langs licht golvende wegen met een prachtig
uitzicht over het Titicacameer en De Cordillera Real aan de andere kant en
geraakte steeds meer onder de indruk van die besneeuwd toppen. Ik nam me voor
om daar zeker eens met of zonder fiets naartoe te gaan. De dorpjes werden
alsmaar groter naarmate ik dichter bij La Paz kwam maar vaneen drukke
viervaksbaan zoals de PA naar Lima was helemaal geen sprake. Ik reed er op een
gewone tweevaksbaan en aan de drukte te oordelen zag ik het wel zitten om met
de fiets tot helemaal in het centrum te rijden. Uiteindelijk zag ik vliegtuigen
opstijgen en landen en wist dus dat La Paz niet ver meer kon zijn. Maar ik zag
helemaal niets van de stad. Ik reed er de drukke voorsteden binnen maar grote
gebouwen kon ik steeds nog niet zien. Dat was natuurlijk omdat het centrum in
een diepe canyon ligt. Toen ik de weg naar het centrum vroeg kreeg ik te horen
dat ik nog steeds op "El Alto" was en dat ik nog een heuse afdaling
voor de boeg had. Net voor die afdaling moest ik even halt houden voor het verkeersbord
dat fietsers verbiedt af te dalen langs de "autopista" ofwel DE
drukke toegangsweg tot het centrum. Maar een van de bedienden van het
tolstation zei me dat het geen probleem was als ik maar een beetje rechts
hield. Meteen na die afdaling was ik in het hart van de stad. Tussen
"Plaza San Francisco" en de "Plaza des Estudiantes" heb je
alles wat je maar denkt nodig te hebben. Hotels, bars, touroperators, markten,
het sociale centrum van La Paz zeg maar. Ik reed meteen naar een hotelletje die
iemand mij had aangeraden. Jammer genoeg moest ik daarvoor nog een stevige klim
uit mijn vermoeide benen persen om voorbij de "Plaza Murillos" en de
"palacio de gobierno" naar een hoger gelegen deel van het centrum te
fietsen. Ik plofte me in mijn bed om te bekomen en moest na een half uur al
mijn moed verzamelen om te gaan douchen. Douchen is hier ook een riskante
onderneming. Ik heb het helemaal niet voor de elektrische douchekoppen en zeker
niet als de bedrading open en bloot ligt en als je duidelijk kunt zijn dat de
aardingsdraad niet is aangesloten. Toen ik de warmtetoevoer wou regelen kreeg
ik een ferme snok en had meteen geen zin meer om me met warm water te douchen.
Ik ben sedertdien nooit meer terug geweest naar die douche. Maar ik was weer
een beetje opgefrist en rook iets lekkerder als voordien (al zeg ik het zelf)
en ging dan maar op stap voor een eerste verkenning van de stad. Ik was nog
geen uur op wandel toen ik iemand achter mij "Jeroome" hoorde roepen.
Ik keek om en zag Francienne (uit het Franstalige deel van Zwitserland wat
meteen de uitspraak van mijn naam verklaart). Ze was een paar dagen voordien
aangekomen en op de dag dat ik aankwam was ook haar vriendin Claudia toegekomen
en alsof dat nog niet genoeg was, was ook Bram die ochtend vroeg aangekomen. Ik
was nog geen twee uur in La Paz en ik zat meteen al weer in goed gezelschap. En
het leuke van die ontmoetingen is dat ze op voorhand niet waren afgesproken. In
een stad van 1,2 miljoen inwoners kom je na een paar uur iemand tegen die je
kent. Heerlijk. Die avond toen we met z`n vieren lekker Chinees gingen eten
moesten we natuurlijk heel wat verhalen uitwisselen. We hadden elkaar twee
weken niet meer gezien en er moest dus heel wat bijgepraat en gezeverd worden.
Mijn tweede dag in La Paz was een rustdag. Gewoon een beetje internetten en
rondlopen langs de markt en een adres zoeken om fietsonderdelen te kopen. Een
heel drukke rustdag dus. We gingen elk onze weg en spraken dan nadien op een
bepaald uur af in een van de talrijke koffiebars hier in de stad. Het was toen
dat ik mijn eerste kerstboom van dit jaar zag. Het was even wennen. Ik heb
helemaal niet het gevoel dat het winter is en dan plots zie je een kerstboom
die je natuurlijk uit gewoonte altijd met winter associeert. Maar inderdaad,
Kerstmis is helemaal niet zover meer en ik vroeg me al af hoe en in welke
omstandigheden ik Kerst en Nieuwjaar zal doorbrengen. Het was zo`n heerlijke
koffie en de sfeer was hartverwarmend en dit moment moest dus op de foto.
Tijdens de fotosessie (de ober moest vier keer dezelfde foto maken) werd de
rugzak van Claudia gestolen. Gelukkig zat er niets waardevols in en was ze
bezig met haar fototoestel zodat die ook net niet in de tas zat. Weeral een
verwittiging om heel voorzichtig te zijn met onze spullen. De volgende ochtend
hadden Bram en ik eens een lekker ontbijt gemaakt omdat het aanbod van
ontbijtrestaurants niet zo bijzonder was en een "La Tertulia" in La
Paz was er niet. Vroeg in de ochtend gingen we naar de lokale markt om er
fruit, brood en eitjes te kopen. In het hotel maakten we het heerlijkste
ontbijt van gans Bolivie. Een lekker fruitslaatje en een riant aanbod aan ei en
verschillende soorten brood. We zaten buiten in de zon en hoopten dat de tijd
even stil kon staan om intens van het ontbijt te kunnen genieten. Maar na de
ochtenddromerijen was het tijd voor de werkelijkheid. Bram had me dag voordien
gevraagd of ik het zag zitten om een trekking in de "Yungas" (net ten
noorden van La Paz) te doen. Ik had daar meteen zin in en met twee is het
altijd leuker dan alleen. Door het strakke tijdsschema van Bram zouden we de
dag nadien vertrekken en dat betekende dus dat we die vrijdag nog een halve dag
voorbereiding voor de boeg hadden. We hadden gekozen voor de"Mapiri
trekking" een trekking van minstens zeven dagen van het hooggebergte naar
Mapiri in de Jungle. Dit pad zou niet meer door Bolivianen gebruikt worden en
zou volgens de reisgidsen de meest avontuurlijke van alle trekkings in de
Cordillera Real zijn. Onze keuze was dus gauw gemaakt. Eerst gingen we met een
taxi naar het militair geografisch instituut om er degelijke kaarten te kopen.
Maar het gebied van de Mapiri trekking was nog niet in kaart gebracht. We
zouden het moeten stellen met een schets in de Lonely Planet. Verder moesten we
nog de tickets voor de bus naar Sorata regelen en ik moest nog een rugzak zien
te vinden. Tegen de avond, toen het meeste geregeld leek gingen we met de taxi
naar een supermarkt om onze rantsoenen te kopen. We zouden gedurende zeven
dagen geen dorp zelfs geen mens tegenkomen. We namen het risico om maar voor
vijf dagen eten te kopen en geloof me, dat is al zwaar genoeg. Natuurlijk waren
die koekjes niet van levensbelang maar ze kunnen helpen om het gemoed een
beetje op te vijzelen. Dat gedroogd fruit, die rijst en deegwaren waren
natuurlijk belangrijker. We namen afscheid van Francienne en Claudia die de dag
nadien net als ons La Paz zouden verlaten en na het verdelen van de uitrusting
en pakken van de rugzakken probeerde ik eens vroeg te gaan slapen (mislukt). De
volgende ochtend stond Bram om zes uur aan mijn kamerdeur om samen naar de
busterminal te gaan voor de bus van zeven uur naar Sorata. Ik nam een vroeg
ontbijt langs de straat en stipt om zeven uur waren we al op weg naar het
startpunt van ons avontuur. Na vier uur reizen door de bergen met fantastische
afdalingen en modderige bergwegen kwamen we samen met de regendruppeltjes in
Sorata aan. We gingen meteen naar het informatiebureautje om wat meer info over
onze trekking te verkrijgen. Al gauw bleek dat de Mapiri trekking geen trekking
was om alleen te doen. De gids in het bureautje was helemaal niet opdringerig
om ons een gids aan te smeren maar hij vertelde dat velen al waren teruggekeerd
na een dag of twee en dat er nog meer mensen verloren liepen. Op sommige plaatsen
was er helemaal geen pad en zeker in de jungle zou dat problemen geven. Ook het
ontbreken van een goede kaart speelde in ons nadeel. En voor de trekking zouden
we ook een dure 4x4 moet huren om ons naar het hoogste punt te brengen. We
vonden het allemaal wat te riskant en hadden het beiden er niet voor over om
honderd dollar te betalen voor een gids en nog eens vijftig dollar voor die
jeep. Na een wijselijk beraad aan een tafeltje met heerlijke gerechten besloten
we om een andere, makkelijkere trekking te kiezen. De Camino Del Oro zou langs
een paar dorpen passeren en wordt nu nog door de lokale bevolking drukt
gebruikt. Het pad zou er ook veel makkelijker terug te vinden zijn. Na nog een
laatste verwennerij in Sorata gooiden we met een sierlijke zwaai onze rugzak op
onze bult, trokken onze veters nog eens aan en vertrokken rond drie uur in de
middag op pad. We zouden vanaf Sorata nog anderhalve dag moeten klimmen om dan
het hoogste punt (abra chuchu) te bereiken om dan een dag of vier te kunnen
afdalen naar het regenwoud. De eerste avond kampeerden we in een soort weide
waar het vee al lang uit verdwenen was. En alsof we al jaren samen op trekking
waren werden de taken uitermate vlot verdeeld. Tent opzetten, water halen,
koken, afwas doen. De volgende dag zou het net andersom zijn. Het was eigenlijk
ook de eerste keer dat er twee personen in mijn tweepersoonstentje sliepen. Het
was een beetje krap en de bagage moest in de voortent blijven maar nu weet ik
dat het kan. De tweede dag van onze trekking, althans de ochtend ging volledig,
letterlijk dan, de mist in. We hadden het moeilijk om het pad te vinden en
moesten telkens weer beroep doen op een paar boeren om weer de weg te vinden.
Uiteindelijk was er een boer die met zijn paard ook naar boven ging en ons zover
mogelijk vergezelde. Op een splitsing zette hij ons op de goede weg en toen was
het vrij makkelijk om de weg naar de top te vinden. De boer verwittigde ons ook
voor het gevaar boven op de top. Daar zouden een paar gewapende Peruanen zitten
die de bagage (ook goud) van de voorbijgangers stelen. Hij had ons gewoon wat
bang gemaakt want die feiten dateerden al van een hele tijd terug vertelde een
andere boer. Jammergenoeg zagen we niets van de besneeuwde bergtoppen en de
vergezichten konden we door de mist ook wel vergeten. De klim naar boven bleek
langer dan verwacht en de mist zorgde ook voor een nattigheid waarvan je nat
wordt, maar net niet nat genoeg om een regenjas aan te trekken. Maar eens boven
was alle narigheid gauw vergeten. De mist werd als met een mes gesneden. De ene
flank van de berg zat volledig in de mist en de andere was met zon overgoten.
Je zag het gevecht tussen mist en wind zich op de graad van een berg afspelen.
Geen enkel mistwolkje geraakte over de berg naar de andere vallei. Een indrukwekkend
schouwspel. Boven, uit de wind en in de zon namen we ons uitgestelde
middagmaal. We prepareerden een lekker soepje aangevuld met een handje
deegwaren. De soep was normaalgezien voor zes porties. Wij maakten er twee
porties van en deden er nog deegwaren bij. Ik hoef dus waarschijnlijk niet te
vertellen dat het eigenlijk geen soep meer was maar een dikke brei waar je je
lepel kon in rechtzetten. Na de middagrust was het heel makkelijk om het pad te
vinden. Door het opgeklaarde weer zagen we duidelijk de vallei die we moesten
volgen en het pad hadden we dus eigenlijk niet meer nodig. We liepen tot iets
over zes door drassige weilanden, staken met sprekend gemak een paar keer de
beek over (die nog maar piepklein was) om de meest aangename weg naar beneden
te vinden. We kampeerden achter een klein heuveltje, uit het zicht van
eventuele auto`s die op de hoger gelegen weg reden. We hadden eigenlijk van
gans de dag nog maar een auto gezien en waren er dus vrij gerust in. Tijdens
ons avondmaal kregen we nog een paar keer het bezoek van een jongetje die op
zoek ging naar zijn lama`s om ze nadien naar het lagergelegen dorp te brengen.
Hij vond ons gezelschap duidelijk leuker dan dat wij dat van hem. Hij bleef
maar zitten en bleef maar clichévragen stellen. We gaven hem wat koekjes
(oprotkoekjes) en vroegen hem of hij niet verder zijn lama`s moest zoeken want
hij had er nog tien tekort. Nee, het lukte allemaal niet en zolang hij bij ons
bleef konden wij niet beginnen aan ons chocoladedesertie. Toen Bram hem met
vriendelijk woorden zei dat hij maar beter kon gaan omdat we liever met z`n
tweeën nog wat praatten, had hij het nog steeds niet door. Toen maakte ik van
mijn hart een steen en zei hem heel simpel: "Je moet gaan"! Eindelijk
was hij weg. Hij had het met enige vertraging toch begrepen. De volgende
ochtend hadden we even tijd om ons te wassen in de nabijgelegen beek. Heerlijk
koud water en een flinke pot koffie kikker je op en stoomt je klaar om weer die
rugzak te nemen en verder af te dalen. Na een uur bereikten we Ancoma, het
hoogste dorpje in de vallei waar we eventueel ook wat voedsel konden kopen. We
waren er eigenlijk op voorzien om gedurende vijf dagen niets te moeten kopen
maar bezweken toch voor een zakje "caramela`s" en een extra portie benzine
om nog uitgebreider te kunnen koken. Bijna ieder kind in het dorp die ons zag
passeren stak zijn handje uit en riep:"caramala`s señor?" Een paar
kinderen die in onze nabijheid waren toen aan het shoppen waren hadden geluk
want ze mochten even met hun hand grabbelen in onze zak met snoep. Verder toen
we de ons opwachtende kinderen al zagen, spraken we af om net op hetzelfde
moment "caramala`s señor" te roepen. Ze wisten niet waar ze hadden
want we keerden de rollen om. Bram en ik vroegen hun ik koor om caramela`s.
Buiten Ancoma namen we een zijdal die met geen enkel voertuig te bereiken was.
Eindelijk namen we het wandelpad die ons naar de jungle zou leiden. In de verte
zagen we al bomen groeien op de bergwand en ook de vegetatie langs het wat werd
alsmaar dichter. Rond de middag zaten we al in een bos en volgden de beek die
al heel wat groter was geworden. De beek oversteken, zonder natte voeten en
zonder bruggetje, was niet meer mogelijk. Het pad liep verder rustig naar
beneden en bracht het ene lieflijk plaatsje naar het andere. We passeerden een
paar grauwe mijnwerkersdorpjes waar soms geen levende ziel te bespeuren was.
Alle mannen zaten wellicht in de mijn en voor de vrouwen en kinderen moest het
er onleefbaar geweest zijn. De hoofdstraat van zo`n dorpje bestaat dan gewoon
uit twee rijen identieke hutjes. Wij zouden het tuinhuisjes noemen maar ginder
waren het echte verblijven. Net vooreen van de volgende, meer levendige dorpjes
stonden we even te rusten en hadden een mooi zicht op de bezigheden van enkele
kinderen en, jawel (toch) vrouwen. Prompt stond iedereen buiten om te komen
kijken naar die twee gringo`s. Tijdens onze doortocht van dat dorpje (Ocara)
langs de vuilnis, kippen en hete ovens vroegen de kinderen ons weeral om
caramala`s. Die caramela`s zijn hier blijkbaar veel waard aangezien iedereen
hetzelfde vraagt. Het pad liep verder langs een steile berghelling. De rivier
hadden we na een steile klim verlaten en we volgden de vallei nu langs de
hellingen. Meteen was de mogelijkheid om te kamperen tot niets herleidt. Die
dag moet onze topdag geweest zijn want we moesten met lege benen en maag verder
lopen tot in Lambramani, een dorp op de hellingen met kampeermogelijkheid. Onze
laatste uur naar het dorp liepen we bijna al lopend om toch maar voor het donker
aan te komen. In Lambramani konden we in het kleine schooltje op de
bovenverdieping slapen. Op het kleine dorpsplein zaten mannen stevig te drinken
en te kauwen op cocabladeren. "Kauwen" is eigenlijk een verkeerd
woord. In het cocamuseum in La Paz leerde ik dat ze enkel de bladmousse
gebruiken en die eerst laten weken met speeksel tussen hun gebit en wang. Eens
de blaadjes voldoende nat zijn voegen ze er een klein propje alkaline aan toe.
Ze hebben daar een speciale naam voor die ik natuurlijk al lang vergeten ben.
Die reactie zorgt ervoor dat er een verdovend sapje via de slokdarm naar de
maag vloeit en die een verdovende werking geeft gedurende een uur of vier. De
prop blaadjes in de mond wordt volgens die uitleg in het museum dus niet
gekauwd. Maar in ieder geval zat de ambiance er stevig in. Ze zongen en
speelden er muziek die ik amper muziek kan noemen. Ze zaten er soms een keer
naast. Doordat we op de eerste verdieping mochten slapen konden we met de
gesloten deur al te nieuwsgierige jongeren een beetje afhouden. Ik vind het
onaangenaam als we daar zitten te koken en te snoepen als er hongerige jongeren
staan op te kijken. Maar met een paar snoepjes waren ze heel tevreden en werd
ook hun nieuwsgierigheid verminderd. Wij plaatsten onze schoolbanken tegen
elkaar en voor het eerst op onze trekking hadden we een tafel. De kaarsjes
brachten de sfeer en ons biertje die we van de feestvierende mannen konden
kopen spaarden we tot op het laatste ipv koffie. Die avond bleef het orkest
maar doorspelen. We hoorden gezang, panfluiten en trommels, eigenlijk allemaal
lawaai. We lagen al lang in onze slaapzak en vroeg ons af wanneer ze zouden
stoppen. Maar het bleef maar duren. De ganse nacht werd er gefeest. Gelukkig
waren we moe genoeg om toch een beetje te slapen maar toen we om vijf uur
wakker werden klonk er van beneden nog steeds muziek en gelach. Doordat er die
dag geen school was konden we net zolang slapen als dat we wilden, uitslapen
zeg maar. Toen ik ze om een paar eitjes vroeg en binnenkwam in een van die huisjes
op het dorpsplein werd ik bijna misselijk van de stank in die hut. Er was
duidelijk gezopen en hunadem had ook een verdovende werking. Ze vroegen mij
prompt twee bieren als vergoeding voor het gebruik van de school. Ik begreep
plots geen Spaans meer en deed mij voor alsof ik er niets van begreep. "Ga
zijn vriend halen, die spreekt beter Spaans" verstond ik duidelijk. Ik
vroeg hem of de school eigenlijk wel van hem was en de grootste zatlap zei:
"Jaja, ik ben de meester" Amaai wat een voorbeeld van een meester.Ik
zou later wel terugkomen om te betalen toen ik het uiteindelijk
"begreep" maar ik had eerst eieren nodig voorons ontbijt. Ik ging mee
met een twaalfjarig jongentje en zag hoe hij de eieren uit het kippenhok nam en
ik was er dus van overtuigd dat ze vers waren. Na een uitgebreid ontbijt slopen
we langs de achterdeur zonder te betalen weg omdat we ervan overtuigd waren dat
ze te dronken waren om ze met twee bieren te betalen. Het eerste halfuur liepen
we iets sneller dan normaal zo snel mogelijk van het dorp weg te geraken want
misschien meenden ze het wel van die twee flessen bier. Die middag na nog een
veel te mooie wandeling om te beschrijven zagen we een mooi watervalletje en
wat rotsen in een mooi vijvertje. Net op het moment dat we uitkeken naar een
geschikte plaats om te middagmalen leek het wel alsof we in een paradijs
aankwamen. We installeerden ons op een grote rots in het water alsof we op ons
eigen eiland zaten. Het water was te verleidelijk om er eens niet in te
zwemmen. Er was voor elk wat wils. Ondiep water, snelstromend, rustig water,
een waterval als een douche, een rotsblok om van te springen in een heel diep
stuk, brandende zon en verfrissende schaduw. We wasten ons in het verbazend
warme water en wasten er ook een paar kleren uit. Onderbroeken en sokken
verdienden de meeste aandacht. Op een van die hete rotsblokken was alles in een
mum van tijd droog. Na een zwempartijtje en natuurlijk nog een fotosessie
hadden we nog meer honger en verslonden weer zo`n dikke brei soep, deze keer aangevuld
met rijst. Een paar passerende Bolivianen had aandacht voor ons geploeter in
het water en namen ook een rust aan de overkant van het beekje om ons goed te
kunnen observeren. Na een heel lange luchpauze was het maar eens tijd om verder
te trekken en onze kleren eens aan te doen. Ik kreeg bijna een hartaanval toen
ik merkte dat mijn enige broek niet meer op de plaats lag waar ik hem te drogen
had gelegd. Verdomme, daar stond ik dan in mijn onderbroek. Er waren twee
mogelijkheden. Ofwel had een van die Bolivianen mijn broek gestolen ofwel was
hij weggewaaid en in het water terecht gekomen en door de rivier meegevoerd.
Gelukkig zat er niets in mijn broek. Mijn geld en andere spulletjes had ik
eruit gehaald om hem een beetje te wassen. Na een zoekactie in de rivier en een
woordje met de Bolivianen die niets opleverde trok ik mijn stoute schoenen aan
en zei een van die mannen dat ik hem niet geloofde en dat ik dacht dat hij mijn
broek had gestolen. Ik wou hem desnoods wat geld geven als ik mijn broek maar terug
had. Hij bleef maar volhouden dat hij mijn broek niet had en pas toen ik zonder
tegenpruttelen in hun tassen mocht kijken, geloofde ik hem. Ik moest dan maar
aannemen dat mijn broek mee was met het water. Gelukkig, gelukkig had ik nog
een regenbroekbij die ik tot bovenmijn knieën kon oprollen. Ik moest dus niet
in mijn onderbroek of een geïmproviseerd rokje naar La Paz. Maar onder de
brandende zon verder trekken in een zwarte regenbroek is geen lachertje. Ik
voelde het zweet werkelijk langs mijn achterwerk stromen. Mijn onderbroek was
doornat van het zweet. Die avond vonden we tot onze verbazing een prachtig
kampeerplaatsje op de flanken van de bergen. Dat kleine terrasje, dat kleine
open plekje in het bos, naast een beekje was de gedroomde plaats om de nacht
door te brengen. En eindelijk kon Bram zijn manchet die hij in Brazilië gekocht
had eens gebruiken. Niet voor een doorgang in de jungle te kappen maar om het
hout voor het kampvuur te hakken. En blij dat hij was. Net een klein jongentje
die eindelijk zijn speelgoed mocht gebruiken. Ik was aan het koken en het hout
zou de volgende dag pas mijn verantwoordelijkheid zijn. Ik keek er ook al naar
uit om met sierlijke zwaaien ganse takken te hakken. Die nacht na een strijd
met de vliegen en ander klein ongedierte lagen we te dampen in ons bed. De tent
moest dicht blijven om ongevraagde gasten buiten te houden en het werd er dus
onmenselijk warm. Een slaapzak hadden we niet meer nodig en een pyjama al
evenmin. Voor het eerst merkte ik het verschil tussen slapen in de bergen en
slapen op maar de helft van de hoogte. De volgende dag zouden we Chusi bereiken
en volgens de reisgids zou dit het laatste dorp van de vallei zijn die vanaf
Guanay met de auto bereikbaar zou zijn. Vanaf Chusi zouden we dus transport kunnen
regelen naar Guanay en meteen ook naar La Paz.We wilden beiden naar La Paz
omdat er op dertig november weer eentje jarig was. Voor Bram leek het beter om
zijn verjaardag in La Paz te vieren dan
ergens in zo`n nietig mijnwerkersdorpje. Maar toen we in Chusi rond de middag
aankwamen bleek dat de laatste van twee bussen net was vertrokken en dat we
zouden moeten wachten tot morgen. Dat was een serieuze streep door de rekening
maar het had geen zin om daarover te zeuren. We namen dan maar een uitgebreide
maaltijd in het dorp en genoten een paar uur lang van een zanderig terrasje en
een koffie met koekjes. Het leven in zo`n dorpje zou inspiratie kunnen zijn
voor een roman. De houten huisjes met gammele reclameborden, de goudhandelaars,
de cafés en zelfs de dames van plezier. Je ziet er stevige vrouwen met groenten
en vlees zeulen, je ziet hoe een kleine midden op de straat zijn broek afsteekt
en begint te plassen. We zagen in gedachten al goedzoekers in het dorp toekomen
om hun goud te verkopen en om meteen daarna hun geld te vergokken, te verzuipen
en te verneuken en nadien straalbezopen met amper een paar Boliviano`s naar hun
gezin in de bergen terugkeren. "Ja, de goudprijs is weeral gezakt" Ik
haalde me dan een boze vrouw voor de geest die haar man een paar ferme meppen
verkoopt en hem verwijt voor hoerenloper. Ja, het leven in die goudvallei moet
wellicht hard zijn. In plaats van een roman zijn we maar begonnen met een
laatste afdaling naar een rivier op anderhalf uur buiten Chusi. Aangezien er
toch geen vervoer meer was hadden we niet langer zin om daar nog te blijven. We
zouden aan die rivier gaan slapen en dan de volgende dag daar op de bus
wachten. Tijdens de afdaling naar de rivier kwam er als bij wonder toch nog een
bus voorbij, weliswaar uit de verkeerde richting. We informeerden wanneer hij
zou terugkeren en beloofden hem dat we aan de rivier op hem zouden wachten. Hij
zou nog een uurtje wegzitten en zo hadden wij toch even de tijd om dat watertje
die in de gids als "de mooiste van de trekking" beschreven stond eens
te bezoeken. Over die rivier was helemaal geen brug. Al het verkeer en dat
waren in principe alleen maar 4x4 voertuigen moesten gewoon door het water de
rivier oversteken. Later zou blijken dat dat hier de normaalste zaak van de
wereld is. Het riviertje was inderdaad mooi. Het was een zijriviertje van de
rivier die we al een paar dagen volgden. Net voor de samenvloeiing was er een
hangbrug zonder reling met rotte planken en een gebroken kabel die duidelijk
niet meer gebruikt werd sedert dat de weg een paar kilometer was doorgetrokken.
We keurden met technische bekwaamheid de staat van de brug. Bram waagde het als
eerste om zonder rugzak naar de overkant te gaan, zo`n 15 meter verder.
"Zeg tegen mijn moeder dat ik haar graag zag". "Geef dan wel
eerst even haar adres" grapten we. De eerste planken kraakten een beetje
maar uiteindelijk bleek de brug steviger dan we dachten. Zelfs met twee en twee
rugzakken in het midden staan springen en wiebelen deerde de brug niet. We
merkten dat door de nauwe doorgang van de rivier het water behoorlijk diep was
en het dus een ideaal plaatsje was om van de brug in het water te springen.
Even stroomafwaarts deden we onze kleren uit en gingen een voor een naar die
hangbrug om zo`n vijf meter de dieperik in te springen. Na nog een klein
zwempartijtje was het tijd om de bus te gaan opwachten op de plaats waar de weg
en de rivier elkaar kruisen. We zaten anderhalf uur op een rotsblok te wachten
op die verdomde bus. Tijdens het wachten speelden we nog een paar spelletjes.
"Ik ga op reis en ik neem mee: een oranje jeep, oranje voetbalkousen, een
cocktailbar, een peniskoker, een zakmes, een aquarium, een kratje brouwmeester,
een tweeloop, een olifantenlul, een bushokje, een zak caramela`s, een zak
voetzoekers, een prullenmand,..." Uiteindelijk was het twee nul voor
Nederland. Toen de bus om halfzeven er nog steeds niet was gaven we het wachten
op en zochtten we een plaatsje om te kamperen. Het kleine keienstrandje aan de
rivier leek ons een mooie plaats. We moesten wel even het manchet gebruiken om
daar te geraken omdat de helling te steil was en we net niet door het water
maar door het dichte struikgewas aan de oever moesten zien te geraken. We
speelden onze rollen volgens het gekende scenario. Tent opzetten, koken, hout hakken,
deet smeren en vooral heerlijk genieten van de maaltijd bij kaarslicht aan de
oevers van het kabbelende riviertje en een klein maantje boven ons. We waren
nog maar enkel uren van 30 november en de verjaardag van Bram verwijderd. Bram
begon al maar zijn stem te oefenen om binnen een paar uur voor zichzelf te
zingen toen wede eerste regendruppeltjes op onze snoet voelden. Geen paniek, na
een paar brave, onschuldige druppeltjes werd het weer droog en konden we verder
Belgen- en Hollandermoppen uitwisselen. Nu weet ik dat de Belgenmoppen in
Nederland van een zelfde laag niveau zijn als onze Hollandermoppen. Maar als je
ermee kunt lachen, dan hebben ze hun doel bereikt. Tijdens ons gelul over van
alles en nog wat vielen plots stevige druppels uit de hemel. In een mum van
tijd was het aan het gieten. We pakten vlug ons boeltje, staken zoveel mogelijk
in de rugzakken en kropen meteen maar in de tent. Ook deze nacht was de tent
als een sauna. We moesten de hor van de tent zoveel mogelijk gesloten laten en
als het ware naar binnen spurten om zo weinig mogelijk motten, en spinnen
binnen te krijgen. Geloof me, die beestjes zijn verbazend snel. Van zodra de
tent even openging hadden we vijf minuten werk om op jacht te gaan en al onze
prooien terug naar buiten te werken. De regen kletterde op het tentzeil en we
konden door de warmte en de regen geen oog dicht doen. Daar lagen we daar dan,
beiden in een onderbroekje op ons matje zonder slaapzak af te tellen tot twaalf
uur. De tent werd soms hevig verlicht door de onophoudende bliksem. Het onweer
nam in hevigheid toe. Ik maakte me geen enkele keer zorgen over de bliksem maar
des te meer over het water. Zelfs toen een splijtend dondergeroffel als een
sterke bass ons een dreun in onze beuk gaf bleef ik mezelf voorhouden dat dit
voor de bliksem een van de meest veilige plaatsen moest zijn. Het water, het
water hoorden we alleen maar stromen maar zagen we niet. We hadden blijkbaar
dezelfde ongerustheid en besloten dan maar om op regelmatige tijdstippen een
kijkje naar te waterstand te nemen. Bij de eerste controle was helemaal niets
aan de hand. De kaarsen die de op een van de rotsblokken achterlieten zaten nog
maar een paar centimeter onder water. De kaarsen zouden ons vergelijkingspunten
voor de volgende controles worden. "Zo`n vijf centimeter kaars" en
"Nog steeds zo`n vijf à zes centimeter kaars" bij de volgende
controles. Telkens moesten we ook weer met onze zaklamp beestje uit de tent
jagen om weer een halfuur a driekwartier verder te kunnen rusten tot de volgend
controle. Van slapen was helemaal geen sprake. Geen van ons beiden kon de slaap
vatten en ik was persoonlijk in gedachten teveel bezig met de waterstand. Om
stipt twaalf uur hielden we een kleine zangstond en een al even
"serieuze" plechtigheid om de verjaardag van Bram in te zetten. Door
het noodweer (die term werd stilaan terecht) zou het een van Bram’s meest
memorabele verjaardagen worden. We rustten zoals commando`s in ware Amerikaanse
stijl. "Die slapen ook niet, die rusten gewoon" zei Bram "en
onze missie is pas volbracht als we met stinkende kleren en een beslijkte
rugzak aan de toog van de Mc Donalds in La Paz staan" De controles van de
waterstand gingen met regelmatige intervallen verder tot, om exact kwart voor
vier het rampenplan in werking werd gezet. Ik stak mijn hoofd door de tent naar
buiten en zag in het flauwe licht van mijn zaklamp dat het water als het ware
aan de achterdeur stond. De kaarsen waren boven hun meetbereik met water
overstroomd. Ik richtte mijn hoofd naar Bram en zei droogweg:" Ik vertrek!"
alsof ik hem nog de kans wou laten om te blijven als hij dat wilde. Ook Bram
nam een kijkje en zonder veel woorden begonnen we in een haastig tempo alles in
de tent op te ruimen. Matjes oprollen, kleren en schoenen aandoen,... We pakten
alles met een verbazende kalmheid in. Je opwinden heeft geen zin en in
dergelijke situatie kun je maar beter met kalmte reageren dan met een zekere
hysterie je tent uit te springen en te vluchten. Maar toen er een golf onder
het grondzeil van de tent schoof en de tent in een waterbed met een dakje
omtoverde, begonnen we toch iets haastiger de boel te pakken. Gelukkig hadden
we voordien onze rugzakken al wat gepakt zodat we heel eenvoudig alles wat we
zagen gewoon in de rugzakken propten. Toen de tent helemaal leeg was en alleen
de tent overbleef stonden we met onze enkels al in het water. De tent was al
wat losgekomen en een paar haringen liggen nu nog steeds ergens in de rivier.
De doornatte tent konden we nog net op tijd wegsteken en na het uitgieten van
de binnentent van water stond het water al aan onze knieën. Om kwart voor vier
werd gevarenfaze "Red Alert" afgekondigd en om vijf voor vier hadden
we onze rugzak om, om terug naar langs het water naar de weg te ploeteren. Het
kleine paadje die we door het struikgewas hadden gevonden en gehakt om het
strandje te bereiken was ook al helemaal onder water. Met onze zaklamp op ons
hoofd zochten we ons een veilige weg langs de oevers met uitstekende en
overhangende takken en boomstronken als houvast. Na een bewogen evacuatie zaten
we langs de kant van de weg en helaas aan de verkeerde kant van de rivier. Geen
van ons beiden durfde het om in het donker over die hangbrug naar die
schuilgrot te gaan die we de dag voordien hadden opgemerkt. De planken zouden
spiegelglad zijn en het lieflijke beekje onder de brug was intussen omgetoverd
in een alles opslokkende wildwaterstroom. We bleven dan maar tot het daglicht
schuilen onder een plastiek zeil. We verorberden met veel smaak onze laatste
pak koekjes terwijl we de ganse hachelijke onderneming opnieuw beleefden. Bij
het krieken van de dag zagen we de woestheid van de rivier en waren danig onder
de indruk. Bij klaarlichte dag gingen we toch over de hangbrug en maakten in
die grot een balans van de schade op. Het merendeel van de bagage was door en
doornat maar als bij wonder hadden we nog confituur, koffie en droog brood.
"Droog brood" had hier wel een andere betekenis en nog nooit aten we
met zoveel smaak "droog" brood en deed de koffie zoveel deugd. Het
was ons ook wel duidelijk geworden dat er geen 4x4 bus meer zou komen omdat de
rivier over de weg teveel was gestegen en er geen verkeer meer mogelijk zou
zijn. Het had dus geen zin om langer te wachten en verder stappen naar het
volgende dorp in het dal was de enige uitweg uit dit rampgebied. Het regenen
was opgehouden en tijdens onze drie uur durende tocht naar Llipi kregen we het
behoorlijk warm zodat de drogende kleren weer even nat werden als voordien,
maar dan door het zweet. Llipi is gewoon maar een mijnwerkersdorpje waar meer twee
keer per dag een bus langskomt. We arriveerden er rond het middaguur en de
laatste bus was net zoals in Chusi al vertrokken. We namen er nog een stevige
motivatiemaaltijd want ik had niet veel zin meer om verder te wandelen. Het was
al de tweede keer dat we de bus zouden nemen en telkens moesten we een paar uur
verder wandelen. Het werkte op mijn gemoed. In plaats van te wachten op een
toevallig voorbijrijdend voertuig raapten we onze moed samen om toch nog maar
een paar uur verder naar het volgende dorp te wandelen. In Unutuluni zouden we
zeker een bus kunnen nemen en misschien wel een rechtstreekse naar La Paz. Rond
vier uur in de middag kwamen we vermoeid in dat dorpje aan en betaalden maar
een dure bus naar La Paz. We zouden pas de volgende ochtend rond zes uur
aankomen. La Paz bleek verder af dan we dachten. Na een paar dagen trekking en
dus met stinkende kleren en een alles verjagende lichaamsgeur kropen we in de
eerste bus. De bussen zijn hier eigenlijk allemaal jeeps. In de grote Toyota
jeeps kunnen wel tot tien passagiers meerijden. Na nog een paar overstapjes in
andere jeeps stond uiteindelijk in Chima de definitieve jeep die ons naar La
Paz zou brengen ons op te wachten. We hadden toen evengoed een bus kunnen nemen
maar om bepaalde redenen leek mij een jeep het beste vervoersmiddel. Om terug
te keren naar La Paz zouden we langs de "meest gevaarlijke weg van de
wereld" moeten rijden. De weg staat hier bekend als de "Death
ride" Het is een stuk weg van een 40- tal kilometer die langs de bergen
naar La Paz klimt. Vroeger gebeurden er iedere week dodelijke ongelukken.
Vorige week zelfs was een bus met toeristen de dieperik in gereden. Details ken
ik niet maar er waren bijna geen overlevenden. Sinds kort is het dodencijfer
aanzienlijk teruggebracht door er een eenrichtingsweg van te maken. Van 5 am
tot 5 pm kun je enkel afdalen en van 5 pm tot 5 am kun je enkel naar boven
rijden. Geen tegenliggers meer dus en dat was blijkbaar een goede zaak. Maar
die weg was nu eenmaal de enig mogelijke weg naar La Paz. Daarom zou ik me
veiliger voelen in een stevige jeep met een beperkt aantal passagiers dan in
een grote logge bus. Onze chauffeur, een jonge man met een groot
verantwoordelijkheidsgevoel (die indruk had ik toch) bestuurde de jeep met een
meesterlijke vaardigheid. Hij gleed met zijn wagen over de weg, bleek elke
bocht als zijn broekzak te kennen en mende zijn paarden met een zekere rust
over zich. Ik zat net achter de chauffeur, dicht bij de deur en om een of
andere reden voelde ik me nooit onveilig. Ik had m`n lot in de handen van die
chauffeur gelegd en daar lag het goed. Ik had tijdens de rit ook oog voor de
bijzondere voorrangsregels voor het verkeer in de bergen. Opgaand verkeer heeft
zowiezo voorrang en als er een tegenligger in een bocht op je af komt en je
hebt de bocht naar links, dan moet je links gaan rijden. Eigenlijk is het
allemaal heel logisch dat de chauffeur aan de kant van de afgrond dan links zo
dicht mogelijk bij de afgrond gaat rijden omdat hij dan het beste zicht heeft
over de wielen en hoever die nog van de afgrond verwijderd zijn. Met tien in
een jeep... We deden dus weeral geen oog dicht. We verspreidden er een
walgelijke geur door onze schoenen uit te doen en door die winderigheid niet
langer op te houden, maar niemand klaagde.. Het was onze tweede slapeloze nacht
en rond half zes in de ochtend bereikten we La Paz, namen een taxi naar het
hotel en ploften ons in bed. Nog steeds niet gewassen haalden we wat slaap in
en rond twee uur in de middag begonnen we eindelijk met de schoonmaak van
onszelf en een deel van de uitrusting. De vuile was werd afgeleverd en ik moest
zoeken in mijn bagage naar een schone onderbroek en T‑shirt. Vanaf toen
begonnen we aan onze verwenkuur in La Paz en het is net dat die een trekking zo
duur maakt. Niet de trekking zelf maar de verwennerijen achteraf. We
beëindigden onze missie in de Mc Donalds en deden voor de rest bitterweinig
bijzonders. We bezochtten nog eens een koffiesalon met koffiebranderij en
installeerden er ons om in het "vergeten dag- en plakboek" nog wat
achterstand in te halen. We gingen lekker op restaurant en sliepen de volgende
nacht nog eens als twee marmotjes om nadien lekker lang te gaan ontbijten. We
beleefden de ganse trekking nog eens opnieuw toen we de ontwikkelde foto`s en
dia`s bekeken en uiteindelijk sloot ik met een goed voldaan gevoel mijn eerste
week Bolivië af in een internetcafé waar ik weeral veel te lang bezig was om
dit verslag te tokkelen.
Ik hou jullie op de hoogte
Jeroen