Kasani - La Paz

21 november - 2 december

 

Ik was nog maar net de grens over en genoot nog een beetje van mijn nieuwe stempel in mijn paspoort of ik zat al weer op onverharde wegen. De drukte van de straatverkopers en geldwisselaars aan de grensposten en in het niemandsland deed me niets en ik reed maar meteen verder naar het volgende dorp "Copacobana". Dit is blijkbaar en heel toeristisch stadje aan de oevers van het Titicacameer waar vele toeristen even komen uitrusten of er een excursie naar een van de eilandjes boeken. Voor mij was het een plaats om even een paar dringende mailtjes te sturen en er mijn laatste Peruaanse munten te wisselen. Dat is ook altijd een heuglijk, belangrijk moment tijdens het reizen nl. de nieuwe munten. Ik had er helemaal geen idee van hoeveel Bolivianos een dollar was. De eerste dag moest ik weeral net als mijn eerste dag in Peru wennen aan het geld, goed kijken voor je iets uitgeeft... Maar voor die dringende mailtjes betaalde ik zo`n zes dollar. Amaai, In dit boerengat werden de tijden per minuut aangerekend omdat de telefoonverbinding zo pover was. Ik was meteen gewaarschuwd dat internetten in de afgelegen gebieden behoorlijk duur zou zijn. Ik nam er mijn middagmaal om elf uur Peruaanse tijd en twaalf uur Boliviaanse tijd. Ik moest er dus mijn uurwerk een uurtje doordraaien omdat Bolivie in een andere tijdsgordel ligt. Een beetje dichter bij Europa dus. Na Copacobana moest ik nog een goeie dertig kilometer verder rijden langs uitstekende wegen om in Tiquina de overzet te nemen naar de andere kant van het Titicaca meer. Net buiten Copacobana zeg ik vier meisjes voetbal spelen op de weg. Ze hadden twee doelen gemaakt met vier grote stenen en net toen ik passeerde kwam er een bus vanachter de bocht gevlamd. Een van de meisjes slaakte een kreetje en prompt werd het spel stilgelegd en verdwenen ze in de berm. Ik zag alles gebeuren en moest toch even mijn hart vasthouden. De bus had de stenen te laat gezien en raakte er eentje. Ik hoorde een luide bonk van de steen die het onderstel van de bus raakte!

Niets aan de hand. De bus reed gewoon verder. Toen ik ze vroeg of ik een foto mocht maken was het antwoord prompt:" NO, tienes que pagar". Ik was in geen geval van plan om te betalen maar vier snoepjes wou ik ze wel geven en het ene meisje ging akkoord met de deal. Nadat ik de foto had gemaakt gaf ik zoals beloofd de vier snoepjes voor elk van de meisjes. Ik zag ze allemaal in een zak verdwijnen en van uitdelen was helemaal geen sprake. Egoïsme bestaat dus ook in Bolivie. Tijdens mijn eerste ritje in Bolivie viel het me op dat de kinderen iets agressiever bedelden dan in Peru. Natuurlijk ben ik ook maar een mens met principes en kan natuurlijk niet aan iedere bedelaar een fortuin schenken. Maar in tegenstelling tot in Peru hoorde ik een paar lelijke woorden achter mij toen ik ze niets gaf. En als ze geen geld vroegen dan waren het ongetwijfeld "caramela`s". Toen ik in Tiquina aankwam kon ik meteen inschepen voor een overzetje van een kwartiertje. Tiquina ligt aan de "straat van Tiquina" (natuurlijk), een nauwe straat en dus de beste plaats om een overzetdienst uit te bouwen. Aan de andere kant was het nog zo`n 112 km tot La Paz. Het was al rond vier uur en ik wist dus dat La Paz voor de volgende dag zou zijn. Ik deed wat inkopen voor mijn eerste overnachting op Boliviaanse bodem en reed verder langs de oevers van het Titicacameer op zoek naar een goed plaatsje om te kamperen. Door het uurverschil is het natuurlijk ook een uur langer klaar in Bolivie. Ik kon dus doorrijden tot rond zeven uur. Maar langs de oevers van het meer reed ik van het ene dorp naar het andere. Het was als het ware een voorbeeld van Boliviaanse lintbebouwing en een kampeerplaatsje kon ik moeilijk vinden. Ik kreeg ook nog even het gezelschap van een groepje fietsende jongeren. Je weet wellicht al dat ik het haat om vergezeld te worden van fietsende jongeren. Ook dit groepje wou waarschijnlijk eens demonstreren dat ze sneller bergop konden rijden. Dat deden ze ook en in de afdaling wachtten ze op mij om dan opnieuw voorbij te kunnen steken. Mijn tactiek is dan: gewoon stoicijns verder rijden. Ik gunde ze zelfs geen blik. Ik probeerde ze te beschouwen als lucht. Ik had rond halfzeven mijn zoektocht naar een mooi kampeerplaatsje opgegeven en ging dan maar op zoek naar een hostalletje. De eerste was een beetje te duur. Ik wou niet meer dan drie dollar betalen en de waard verwees mij door naar een ander hotel in de buurt. Toen ik daar aankwam vroeg die andere eigenaar dezelfde prijs. "Hehe manneke, die andere hoteleigenaar vertelde me dat dit hotel veel goedkoper is en ik betaal niet meer dan drie dollar of 18 Bolivianos". " Prompt daalde zijn prijs van 35 naar 18 Bolivianos. Hij had het geprobeerd om die toerist eens flink uit te zuigen en dat was hem niet gelukt. Ik sliep er dus voor zowat de helft van de prijs en hij was waarschijnlijk blij dat hij die avond toch een gast had. De volgende dag maakte ik mij klaar voor mijn intrede in La Paz. Ik reed er nog heel wat kilometers langs licht golvende wegen met een prachtig uitzicht over het Titicacameer en De Cordillera Real aan de andere kant en geraakte steeds meer onder de indruk van die besneeuwd toppen. Ik nam me voor om daar zeker eens met of zonder fiets naartoe te gaan. De dorpjes werden alsmaar groter naarmate ik dichter bij La Paz kwam maar vaneen drukke viervaksbaan zoals de PA naar Lima was helemaal geen sprake. Ik reed er op een gewone tweevaksbaan en aan de drukte te oordelen zag ik het wel zitten om met de fiets tot helemaal in het centrum te rijden. Uiteindelijk zag ik vliegtuigen opstijgen en landen en wist dus dat La Paz niet ver meer kon zijn. Maar ik zag helemaal niets van de stad. Ik reed er de drukke voorsteden binnen maar grote gebouwen kon ik steeds nog niet zien. Dat was natuurlijk omdat het centrum in een diepe canyon ligt. Toen ik de weg naar het centrum vroeg kreeg ik te horen dat ik nog steeds op "El Alto" was en dat ik nog een heuse afdaling voor de boeg had. Net voor die afdaling moest ik even halt houden voor het verkeersbord dat fietsers verbiedt af te dalen langs de "autopista" ofwel DE drukke toegangsweg tot het centrum. Maar een van de bedienden van het tolstation zei me dat het geen probleem was als ik maar een beetje rechts hield. Meteen na die afdaling was ik in het hart van de stad. Tussen "Plaza San Francisco" en de "Plaza des Estudiantes" heb je alles wat je maar denkt nodig te hebben. Hotels, bars, touroperators, markten, het sociale centrum van La Paz zeg maar. Ik reed meteen naar een hotelletje die iemand mij had aangeraden. Jammer genoeg moest ik daarvoor nog een stevige klim uit mijn vermoeide benen persen om voorbij de "Plaza Murillos" en de "palacio de gobierno" naar een hoger gelegen deel van het centrum te fietsen. Ik plofte me in mijn bed om te bekomen en moest na een half uur al mijn moed verzamelen om te gaan douchen. Douchen is hier ook een riskante onderneming. Ik heb het helemaal niet voor de elektrische douchekoppen en zeker niet als de bedrading open en bloot ligt en als je duidelijk kunt zijn dat de aardingsdraad niet is aangesloten. Toen ik de warmtetoevoer wou regelen kreeg ik een ferme snok en had meteen geen zin meer om me met warm water te douchen. Ik ben sedertdien nooit meer terug geweest naar die douche. Maar ik was weer een beetje opgefrist en rook iets lekkerder als voordien (al zeg ik het zelf) en ging dan maar op stap voor een eerste verkenning van de stad. Ik was nog geen uur op wandel toen ik iemand achter mij "Jeroome" hoorde roepen. Ik keek om en zag Francienne (uit het Franstalige deel van Zwitserland wat meteen de uitspraak van mijn naam verklaart). Ze was een paar dagen voordien aangekomen en op de dag dat ik aankwam was ook haar vriendin Claudia toegekomen en alsof dat nog niet genoeg was, was ook Bram die ochtend vroeg aangekomen. Ik was nog geen twee uur in La Paz en ik zat meteen al weer in goed gezelschap. En het leuke van die ontmoetingen is dat ze op voorhand niet waren afgesproken. In een stad van 1,2 miljoen inwoners kom je na een paar uur iemand tegen die je kent. Heerlijk. Die avond toen we met z`n vieren lekker Chinees gingen eten moesten we natuurlijk heel wat verhalen uitwisselen. We hadden elkaar twee weken niet meer gezien en er moest dus heel wat bijgepraat en gezeverd worden. Mijn tweede dag in La Paz was een rustdag. Gewoon een beetje internetten en rondlopen langs de markt en een adres zoeken om fietsonderdelen te kopen. Een heel drukke rustdag dus. We gingen elk onze weg en spraken dan nadien op een bepaald uur af in een van de talrijke koffiebars hier in de stad. Het was toen dat ik mijn eerste kerstboom van dit jaar zag. Het was even wennen. Ik heb helemaal niet het gevoel dat het winter is en dan plots zie je een kerstboom die je natuurlijk uit gewoonte altijd met winter associeert. Maar inderdaad, Kerstmis is helemaal niet zover meer en ik vroeg me al af hoe en in welke omstandigheden ik Kerst en Nieuwjaar zal doorbrengen. Het was zo`n heerlijke koffie en de sfeer was hartverwarmend en dit moment moest dus op de foto. Tijdens de fotosessie (de ober moest vier keer dezelfde foto maken) werd de rugzak van Claudia gestolen. Gelukkig zat er niets waardevols in en was ze bezig met haar fototoestel zodat die ook net niet in de tas zat. Weeral een verwittiging om heel voorzichtig te zijn met onze spullen. De volgende ochtend hadden Bram en ik eens een lekker ontbijt gemaakt omdat het aanbod van ontbijtrestaurants niet zo bijzonder was en een "La Tertulia" in La Paz was er niet. Vroeg in de ochtend gingen we naar de lokale markt om er fruit, brood en eitjes te kopen. In het hotel maakten we het heerlijkste ontbijt van gans Bolivie. Een lekker fruitslaatje en een riant aanbod aan ei en verschillende soorten brood. We zaten buiten in de zon en hoopten dat de tijd even stil kon staan om intens van het ontbijt te kunnen genieten. Maar na de ochtenddromerijen was het tijd voor de werkelijkheid. Bram had me dag voordien gevraagd of ik het zag zitten om een trekking in de "Yungas" (net ten noorden van La Paz) te doen. Ik had daar meteen zin in en met twee is het altijd leuker dan alleen. Door het strakke tijdsschema van Bram zouden we de dag nadien vertrekken en dat betekende dus dat we die vrijdag nog een halve dag voorbereiding voor de boeg hadden. We hadden gekozen voor de"Mapiri trekking" een trekking van minstens zeven dagen van het hooggebergte naar Mapiri in de Jungle. Dit pad zou niet meer door Bolivianen gebruikt worden en zou volgens de reisgidsen de meest avontuurlijke van alle trekkings in de Cordillera Real zijn. Onze keuze was dus gauw gemaakt. Eerst gingen we met een taxi naar het militair geografisch instituut om er degelijke kaarten te kopen. Maar het gebied van de Mapiri trekking was nog niet in kaart gebracht. We zouden het moeten stellen met een schets in de Lonely Planet. Verder moesten we nog de tickets voor de bus naar Sorata regelen en ik moest nog een rugzak zien te vinden. Tegen de avond, toen het meeste geregeld leek gingen we met de taxi naar een supermarkt om onze rantsoenen te kopen. We zouden gedurende zeven dagen geen dorp zelfs geen mens tegenkomen. We namen het risico om maar voor vijf dagen eten te kopen en geloof me, dat is al zwaar genoeg. Natuurlijk waren die koekjes niet van levensbelang maar ze kunnen helpen om het gemoed een beetje op te vijzelen. Dat gedroogd fruit, die rijst en deegwaren waren natuurlijk belangrijker. We namen afscheid van Francienne en Claudia die de dag nadien net als ons La Paz zouden verlaten en na het verdelen van de uitrusting en pakken van de rugzakken probeerde ik eens vroeg te gaan slapen (mislukt). De volgende ochtend stond Bram om zes uur aan mijn kamerdeur om samen naar de busterminal te gaan voor de bus van zeven uur naar Sorata. Ik nam een vroeg ontbijt langs de straat en stipt om zeven uur waren we al op weg naar het startpunt van ons avontuur. Na vier uur reizen door de bergen met fantastische afdalingen en modderige bergwegen kwamen we samen met de regendruppeltjes in Sorata aan. We gingen meteen naar het informatiebureautje om wat meer info over onze trekking te verkrijgen. Al gauw bleek dat de Mapiri trekking geen trekking was om alleen te doen. De gids in het bureautje was helemaal niet opdringerig om ons een gids aan te smeren maar hij vertelde dat velen al waren teruggekeerd na een dag of twee en dat er nog meer mensen verloren liepen. Op sommige plaatsen was er helemaal geen pad en zeker in de jungle zou dat problemen geven. Ook het ontbreken van een goede kaart speelde in ons nadeel. En voor de trekking zouden we ook een dure 4x4 moet huren om ons naar het hoogste punt te brengen. We vonden het allemaal wat te riskant en hadden het beiden er niet voor over om honderd dollar te betalen voor een gids en nog eens vijftig dollar voor die jeep. Na een wijselijk beraad aan een tafeltje met heerlijke gerechten besloten we om een andere, makkelijkere trekking te kiezen. De Camino Del Oro zou langs een paar dorpen passeren en wordt nu nog door de lokale bevolking drukt gebruikt. Het pad zou er ook veel makkelijker terug te vinden zijn. Na nog een laatste verwennerij in Sorata gooiden we met een sierlijke zwaai onze rugzak op onze bult, trokken onze veters nog eens aan en vertrokken rond drie uur in de middag op pad. We zouden vanaf Sorata nog anderhalve dag moeten klimmen om dan het hoogste punt (abra chuchu) te bereiken om dan een dag of vier te kunnen afdalen naar het regenwoud. De eerste avond kampeerden we in een soort weide waar het vee al lang uit verdwenen was. En alsof we al jaren samen op trekking waren werden de taken uitermate vlot verdeeld. Tent opzetten, water halen, koken, afwas doen. De volgende dag zou het net andersom zijn. Het was eigenlijk ook de eerste keer dat er twee personen in mijn tweepersoonstentje sliepen. Het was een beetje krap en de bagage moest in de voortent blijven maar nu weet ik dat het kan. De tweede dag van onze trekking, althans de ochtend ging volledig, letterlijk dan, de mist in. We hadden het moeilijk om het pad te vinden en moesten telkens weer beroep doen op een paar boeren om weer de weg te vinden. Uiteindelijk was er een boer die met zijn paard ook naar boven ging en ons zover mogelijk vergezelde. Op een splitsing zette hij ons op de goede weg en toen was het vrij makkelijk om de weg naar de top te vinden. De boer verwittigde ons ook voor het gevaar boven op de top. Daar zouden een paar gewapende Peruanen zitten die de bagage (ook goud) van de voorbijgangers stelen. Hij had ons gewoon wat bang gemaakt want die feiten dateerden al van een hele tijd terug vertelde een andere boer. Jammergenoeg zagen we niets van de besneeuwde bergtoppen en de vergezichten konden we door de mist ook wel vergeten. De klim naar boven bleek langer dan verwacht en de mist zorgde ook voor een nattigheid waarvan je nat wordt, maar net niet nat genoeg om een regenjas aan te trekken. Maar eens boven was alle narigheid gauw vergeten. De mist werd als met een mes gesneden. De ene flank van de berg zat volledig in de mist en de andere was met zon overgoten. Je zag het gevecht tussen mist en wind zich op de graad van een berg afspelen. Geen enkel mistwolkje geraakte over de berg naar de andere vallei. Een indrukwekkend schouwspel. Boven, uit de wind en in de zon namen we ons uitgestelde middagmaal. We prepareerden een lekker soepje aangevuld met een handje deegwaren. De soep was normaalgezien voor zes porties. Wij maakten er twee porties van en deden er nog deegwaren bij. Ik hoef dus waarschijnlijk niet te vertellen dat het eigenlijk geen soep meer was maar een dikke brei waar je je lepel kon in rechtzetten. Na de middagrust was het heel makkelijk om het pad te vinden. Door het opgeklaarde weer zagen we duidelijk de vallei die we moesten volgen en het pad hadden we dus eigenlijk niet meer nodig. We liepen tot iets over zes door drassige weilanden, staken met sprekend gemak een paar keer de beek over (die nog maar piepklein was) om de meest aangename weg naar beneden te vinden. We kampeerden achter een klein heuveltje, uit het zicht van eventuele auto`s die op de hoger gelegen weg reden. We hadden eigenlijk van gans de dag nog maar een auto gezien en waren er dus vrij gerust in. Tijdens ons avondmaal kregen we nog een paar keer het bezoek van een jongetje die op zoek ging naar zijn lama`s om ze nadien naar het lagergelegen dorp te brengen. Hij vond ons gezelschap duidelijk leuker dan dat wij dat van hem. Hij bleef maar zitten en bleef maar clichévragen stellen. We gaven hem wat koekjes (oprotkoekjes) en vroegen hem of hij niet verder zijn lama`s moest zoeken want hij had er nog tien tekort. Nee, het lukte allemaal niet en zolang hij bij ons bleef konden wij niet beginnen aan ons chocoladedesertie. Toen Bram hem met vriendelijk woorden zei dat hij maar beter kon gaan omdat we liever met z`n tweeën nog wat praatten, had hij het nog steeds niet door. Toen maakte ik van mijn hart een steen en zei hem heel simpel: "Je moet gaan"! Eindelijk was hij weg. Hij had het met enige vertraging toch begrepen. De volgende ochtend hadden we even tijd om ons te wassen in de nabijgelegen beek. Heerlijk koud water en een flinke pot koffie kikker je op en stoomt je klaar om weer die rugzak te nemen en verder af te dalen. Na een uur bereikten we Ancoma, het hoogste dorpje in de vallei waar we eventueel ook wat voedsel konden kopen. We waren er eigenlijk op voorzien om gedurende vijf dagen niets te moeten kopen maar bezweken toch voor een zakje "caramela`s" en een extra portie benzine om nog uitgebreider te kunnen koken. Bijna ieder kind in het dorp die ons zag passeren stak zijn handje uit en riep:"caramala`s señor?" Een paar kinderen die in onze nabijheid waren toen aan het shoppen waren hadden geluk want ze mochten even met hun hand grabbelen in onze zak met snoep. Verder toen we de ons opwachtende kinderen al zagen, spraken we af om net op hetzelfde moment "caramala`s señor" te roepen. Ze wisten niet waar ze hadden want we keerden de rollen om. Bram en ik vroegen hun ik koor om caramela`s. Buiten Ancoma namen we een zijdal die met geen enkel voertuig te bereiken was. Eindelijk namen we het wandelpad die ons naar de jungle zou leiden. In de verte zagen we al bomen groeien op de bergwand en ook de vegetatie langs het wat werd alsmaar dichter. Rond de middag zaten we al in een bos en volgden de beek die al heel wat groter was geworden. De beek oversteken, zonder natte voeten en zonder bruggetje, was niet meer mogelijk. Het pad liep verder rustig naar beneden en bracht het ene lieflijk plaatsje naar het andere. We passeerden een paar grauwe mijnwerkersdorpjes waar soms geen levende ziel te bespeuren was. Alle mannen zaten wellicht in de mijn en voor de vrouwen en kinderen moest het er onleefbaar geweest zijn. De hoofdstraat van zo`n dorpje bestaat dan gewoon uit twee rijen identieke hutjes. Wij zouden het tuinhuisjes noemen maar ginder waren het echte verblijven. Net vooreen van de volgende, meer levendige dorpjes stonden we even te rusten en hadden een mooi zicht op de bezigheden van enkele kinderen en, jawel (toch) vrouwen. Prompt stond iedereen buiten om te komen kijken naar die twee gringo`s. Tijdens onze doortocht van dat dorpje (Ocara) langs de vuilnis, kippen en hete ovens vroegen de kinderen ons weeral om caramala`s. Die caramela`s zijn hier blijkbaar veel waard aangezien iedereen hetzelfde vraagt. Het pad liep verder langs een steile berghelling. De rivier hadden we na een steile klim verlaten en we volgden de vallei nu langs de hellingen. Meteen was de mogelijkheid om te kamperen tot niets herleidt. Die dag moet onze topdag geweest zijn want we moesten met lege benen en maag verder lopen tot in Lambramani, een dorp op de hellingen met kampeermogelijkheid. Onze laatste uur naar het dorp liepen we bijna al lopend om toch maar voor het donker aan te komen. In Lambramani konden we in het kleine schooltje op de bovenverdieping slapen. Op het kleine dorpsplein zaten mannen stevig te drinken en te kauwen op cocabladeren. "Kauwen" is eigenlijk een verkeerd woord. In het cocamuseum in La Paz leerde ik dat ze enkel de bladmousse gebruiken en die eerst laten weken met speeksel tussen hun gebit en wang. Eens de blaadjes voldoende nat zijn voegen ze er een klein propje alkaline aan toe. Ze hebben daar een speciale naam voor die ik natuurlijk al lang vergeten ben. Die reactie zorgt ervoor dat er een verdovend sapje via de slokdarm naar de maag vloeit en die een verdovende werking geeft gedurende een uur of vier. De prop blaadjes in de mond wordt volgens die uitleg in het museum dus niet gekauwd. Maar in ieder geval zat de ambiance er stevig in. Ze zongen en speelden er muziek die ik amper muziek kan noemen. Ze zaten er soms een keer naast. Doordat we op de eerste verdieping mochten slapen konden we met de gesloten deur al te nieuwsgierige jongeren een beetje afhouden. Ik vind het onaangenaam als we daar zitten te koken en te snoepen als er hongerige jongeren staan op te kijken. Maar met een paar snoepjes waren ze heel tevreden en werd ook hun nieuwsgierigheid verminderd. Wij plaatsten onze schoolbanken tegen elkaar en voor het eerst op onze trekking hadden we een tafel. De kaarsjes brachten de sfeer en ons biertje die we van de feestvierende mannen konden kopen spaarden we tot op het laatste ipv koffie. Die avond bleef het orkest maar doorspelen. We hoorden gezang, panfluiten en trommels, eigenlijk allemaal lawaai. We lagen al lang in onze slaapzak en vroeg ons af wanneer ze zouden stoppen. Maar het bleef maar duren. De ganse nacht werd er gefeest. Gelukkig waren we moe genoeg om toch een beetje te slapen maar toen we om vijf uur wakker werden klonk er van beneden nog steeds muziek en gelach. Doordat er die dag geen school was konden we net zolang slapen als dat we wilden, uitslapen zeg maar. Toen ik ze om een paar eitjes vroeg en binnenkwam in een van die huisjes op het dorpsplein werd ik bijna misselijk van de stank in die hut. Er was duidelijk gezopen en hunadem had ook een verdovende werking. Ze vroegen mij prompt twee bieren als vergoeding voor het gebruik van de school. Ik begreep plots geen Spaans meer en deed mij voor alsof ik er niets van begreep. "Ga zijn vriend halen, die spreekt beter Spaans" verstond ik duidelijk. Ik vroeg hem of de school eigenlijk wel van hem was en de grootste zatlap zei: "Jaja, ik ben de meester" Amaai wat een voorbeeld van een meester.Ik zou later wel terugkomen om te betalen toen ik het uiteindelijk "begreep" maar ik had eerst eieren nodig voorons ontbijt. Ik ging mee met een twaalfjarig jongentje en zag hoe hij de eieren uit het kippenhok nam en ik was er dus van overtuigd dat ze vers waren. Na een uitgebreid ontbijt slopen we langs de achterdeur zonder te betalen weg omdat we ervan overtuigd waren dat ze te dronken waren om ze met twee bieren te betalen. Het eerste halfuur liepen we iets sneller dan normaal zo snel mogelijk van het dorp weg te geraken want misschien meenden ze het wel van die twee flessen bier. Die middag na nog een veel te mooie wandeling om te beschrijven zagen we een mooi watervalletje en wat rotsen in een mooi vijvertje. Net op het moment dat we uitkeken naar een geschikte plaats om te middagmalen leek het wel alsof we in een paradijs aankwamen. We installeerden ons op een grote rots in het water alsof we op ons eigen eiland zaten. Het water was te verleidelijk om er eens niet in te zwemmen. Er was voor elk wat wils. Ondiep water, snelstromend, rustig water, een waterval als een douche, een rotsblok om van te springen in een heel diep stuk, brandende zon en verfrissende schaduw. We wasten ons in het verbazend warme water en wasten er ook een paar kleren uit. Onderbroeken en sokken verdienden de meeste aandacht. Op een van die hete rotsblokken was alles in een mum van tijd droog. Na een zwempartijtje en natuurlijk nog een fotosessie hadden we nog meer honger en verslonden weer zo`n dikke brei soep, deze keer aangevuld met rijst. Een paar passerende Bolivianen had aandacht voor ons geploeter in het water en namen ook een rust aan de overkant van het beekje om ons goed te kunnen observeren. Na een heel lange luchpauze was het maar eens tijd om verder te trekken en onze kleren eens aan te doen. Ik kreeg bijna een hartaanval toen ik merkte dat mijn enige broek niet meer op de plaats lag waar ik hem te drogen had gelegd. Verdomme, daar stond ik dan in mijn onderbroek. Er waren twee mogelijkheden. Ofwel had een van die Bolivianen mijn broek gestolen ofwel was hij weggewaaid en in het water terecht gekomen en door de rivier meegevoerd. Gelukkig zat er niets in mijn broek. Mijn geld en andere spulletjes had ik eruit gehaald om hem een beetje te wassen. Na een zoekactie in de rivier en een woordje met de Bolivianen die niets opleverde trok ik mijn stoute schoenen aan en zei een van die mannen dat ik hem niet geloofde en dat ik dacht dat hij mijn broek had gestolen. Ik wou hem desnoods wat geld geven als ik mijn broek maar terug had. Hij bleef maar volhouden dat hij mijn broek niet had en pas toen ik zonder tegenpruttelen in hun tassen mocht kijken, geloofde ik hem. Ik moest dan maar aannemen dat mijn broek mee was met het water. Gelukkig, gelukkig had ik nog een regenbroekbij die ik tot bovenmijn knieën kon oprollen. Ik moest dus niet in mijn onderbroek of een geïmproviseerd rokje naar La Paz. Maar onder de brandende zon verder trekken in een zwarte regenbroek is geen lachertje. Ik voelde het zweet werkelijk langs mijn achterwerk stromen. Mijn onderbroek was doornat van het zweet. Die avond vonden we tot onze verbazing een prachtig kampeerplaatsje op de flanken van de bergen. Dat kleine terrasje, dat kleine open plekje in het bos, naast een beekje was de gedroomde plaats om de nacht door te brengen. En eindelijk kon Bram zijn manchet die hij in Brazilië gekocht had eens gebruiken. Niet voor een doorgang in de jungle te kappen maar om het hout voor het kampvuur te hakken. En blij dat hij was. Net een klein jongentje die eindelijk zijn speelgoed mocht gebruiken. Ik was aan het koken en het hout zou de volgende dag pas mijn verantwoordelijkheid zijn. Ik keek er ook al naar uit om met sierlijke zwaaien ganse takken te hakken. Die nacht na een strijd met de vliegen en ander klein ongedierte lagen we te dampen in ons bed. De tent moest dicht blijven om ongevraagde gasten buiten te houden en het werd er dus onmenselijk warm. Een slaapzak hadden we niet meer nodig en een pyjama al evenmin. Voor het eerst merkte ik het verschil tussen slapen in de bergen en slapen op maar de helft van de hoogte. De volgende dag zouden we Chusi bereiken en volgens de reisgids zou dit het laatste dorp van de vallei zijn die vanaf Guanay met de auto bereikbaar zou zijn. Vanaf Chusi zouden we dus transport kunnen regelen naar Guanay en meteen ook naar La Paz.We wilden beiden naar La Paz omdat er op dertig november weer eentje jarig was. Voor Bram leek het beter om zijn  verjaardag in La Paz te vieren dan ergens in zo`n nietig mijnwerkersdorpje. Maar toen we in Chusi rond de middag aankwamen bleek dat de laatste van twee bussen net was vertrokken en dat we zouden moeten wachten tot morgen. Dat was een serieuze streep door de rekening maar het had geen zin om daarover te zeuren. We namen dan maar een uitgebreide maaltijd in het dorp en genoten een paar uur lang van een zanderig terrasje en een koffie met koekjes. Het leven in zo`n dorpje zou inspiratie kunnen zijn voor een roman. De houten huisjes met gammele reclameborden, de goudhandelaars, de cafés en zelfs de dames van plezier. Je ziet er stevige vrouwen met groenten en vlees zeulen, je ziet hoe een kleine midden op de straat zijn broek afsteekt en begint te plassen. We zagen in gedachten al goedzoekers in het dorp toekomen om hun goud te verkopen en om meteen daarna hun geld te vergokken, te verzuipen en te verneuken en nadien straalbezopen met amper een paar Boliviano`s naar hun gezin in de bergen terugkeren. "Ja, de goudprijs is weeral gezakt" Ik haalde me dan een boze vrouw voor de geest die haar man een paar ferme meppen verkoopt en hem verwijt voor hoerenloper. Ja, het leven in die goudvallei moet wellicht hard zijn. In plaats van een roman zijn we maar begonnen met een laatste afdaling naar een rivier op anderhalf uur buiten Chusi. Aangezien er toch geen vervoer meer was hadden we niet langer zin om daar nog te blijven. We zouden aan die rivier gaan slapen en dan de volgende dag daar op de bus wachten. Tijdens de afdaling naar de rivier kwam er als bij wonder toch nog een bus voorbij, weliswaar uit de verkeerde richting. We informeerden wanneer hij zou terugkeren en beloofden hem dat we aan de rivier op hem zouden wachten. Hij zou nog een uurtje wegzitten en zo hadden wij toch even de tijd om dat watertje die in de gids als "de mooiste van de trekking" beschreven stond eens te bezoeken. Over die rivier was helemaal geen brug. Al het verkeer en dat waren in principe alleen maar 4x4 voertuigen moesten gewoon door het water de rivier oversteken. Later zou blijken dat dat hier de normaalste zaak van de wereld is. Het riviertje was inderdaad mooi. Het was een zijriviertje van de rivier die we al een paar dagen volgden. Net voor de samenvloeiing was er een hangbrug zonder reling met rotte planken en een gebroken kabel die duidelijk niet meer gebruikt werd sedert dat de weg een paar kilometer was doorgetrokken. We keurden met technische bekwaamheid de staat van de brug. Bram waagde het als eerste om zonder rugzak naar de overkant te gaan, zo`n 15 meter verder. "Zeg tegen mijn moeder dat ik haar graag zag". "Geef dan wel eerst even haar adres" grapten we. De eerste planken kraakten een beetje maar uiteindelijk bleek de brug steviger dan we dachten. Zelfs met twee en twee rugzakken in het midden staan springen en wiebelen deerde de brug niet. We merkten dat door de nauwe doorgang van de rivier het water behoorlijk diep was en het dus een ideaal plaatsje was om van de brug in het water te springen. Even stroomafwaarts deden we onze kleren uit en gingen een voor een naar die hangbrug om zo`n vijf meter de dieperik in te springen. Na nog een klein zwempartijtje was het tijd om de bus te gaan opwachten op de plaats waar de weg en de rivier elkaar kruisen. We zaten anderhalf uur op een rotsblok te wachten op die verdomde bus. Tijdens het wachten speelden we nog een paar spelletjes. "Ik ga op reis en ik neem mee: een oranje jeep, oranje voetbalkousen, een cocktailbar, een peniskoker, een zakmes, een aquarium, een kratje brouwmeester, een tweeloop, een olifantenlul, een bushokje, een zak caramela`s, een zak voetzoekers, een prullenmand,..." Uiteindelijk was het twee nul voor Nederland. Toen de bus om halfzeven er nog steeds niet was gaven we het wachten op en zochtten we een plaatsje om te kamperen. Het kleine keienstrandje aan de rivier leek ons een mooie plaats. We moesten wel even het manchet gebruiken om daar te geraken omdat de helling te steil was en we net niet door het water maar door het dichte struikgewas aan de oever moesten zien te geraken. We speelden onze rollen volgens het gekende scenario. Tent opzetten, koken, hout hakken, deet smeren en vooral heerlijk genieten van de maaltijd bij kaarslicht aan de oevers van het kabbelende riviertje en een klein maantje boven ons. We waren nog maar enkel uren van 30 november en de verjaardag van Bram verwijderd. Bram begon al maar zijn stem te oefenen om binnen een paar uur voor zichzelf te zingen toen wede eerste regendruppeltjes op onze snoet voelden. Geen paniek, na een paar brave, onschuldige druppeltjes werd het weer droog en konden we verder Belgen- en Hollandermoppen uitwisselen. Nu weet ik dat de Belgenmoppen in Nederland van een zelfde laag niveau zijn als onze Hollandermoppen. Maar als je ermee kunt lachen, dan hebben ze hun doel bereikt. Tijdens ons gelul over van alles en nog wat vielen plots stevige druppels uit de hemel. In een mum van tijd was het aan het gieten. We pakten vlug ons boeltje, staken zoveel mogelijk in de rugzakken en kropen meteen maar in de tent. Ook deze nacht was de tent als een sauna. We moesten de hor van de tent zoveel mogelijk gesloten laten en als het ware naar binnen spurten om zo weinig mogelijk motten, en spinnen binnen te krijgen. Geloof me, die beestjes zijn verbazend snel. Van zodra de tent even openging hadden we vijf minuten werk om op jacht te gaan en al onze prooien terug naar buiten te werken. De regen kletterde op het tentzeil en we konden door de warmte en de regen geen oog dicht doen. Daar lagen we daar dan, beiden in een onderbroekje op ons matje zonder slaapzak af te tellen tot twaalf uur. De tent werd soms hevig verlicht door de onophoudende bliksem. Het onweer nam in hevigheid toe. Ik maakte me geen enkele keer zorgen over de bliksem maar des te meer over het water. Zelfs toen een splijtend dondergeroffel als een sterke bass ons een dreun in onze beuk gaf bleef ik mezelf voorhouden dat dit voor de bliksem een van de meest veilige plaatsen moest zijn. Het water, het water hoorden we alleen maar stromen maar zagen we niet. We hadden blijkbaar dezelfde ongerustheid en besloten dan maar om op regelmatige tijdstippen een kijkje naar te waterstand te nemen. Bij de eerste controle was helemaal niets aan de hand. De kaarsen die de op een van de rotsblokken achterlieten zaten nog maar een paar centimeter onder water. De kaarsen zouden ons vergelijkingspunten voor de volgende controles worden. "Zo`n vijf centimeter kaars" en "Nog steeds zo`n vijf à zes centimeter kaars" bij de volgende controles. Telkens moesten we ook weer met onze zaklamp beestje uit de tent jagen om weer een halfuur a driekwartier verder te kunnen rusten tot de volgend controle. Van slapen was helemaal geen sprake. Geen van ons beiden kon de slaap vatten en ik was persoonlijk in gedachten teveel bezig met de waterstand. Om stipt twaalf uur hielden we een kleine zangstond en een al even "serieuze" plechtigheid om de verjaardag van Bram in te zetten. Door het noodweer (die term werd stilaan terecht) zou het een van Bram’s meest memorabele verjaardagen worden. We rustten zoals commando`s in ware Amerikaanse stijl. "Die slapen ook niet, die rusten gewoon" zei Bram "en onze missie is pas volbracht als we met stinkende kleren en een beslijkte rugzak aan de toog van de Mc Donalds in La Paz staan" De controles van de waterstand gingen met regelmatige intervallen verder tot, om exact kwart voor vier het rampenplan in werking werd gezet. Ik stak mijn hoofd door de tent naar buiten en zag in het flauwe licht van mijn zaklamp dat het water als het ware aan de achterdeur stond. De kaarsen waren boven hun meetbereik met water overstroomd. Ik richtte mijn hoofd naar Bram en zei droogweg:" Ik vertrek!" alsof ik hem nog de kans wou laten om te blijven als hij dat wilde. Ook Bram nam een kijkje en zonder veel woorden begonnen we in een haastig tempo alles in de tent op te ruimen. Matjes oprollen, kleren en schoenen aandoen,... We pakten alles met een verbazende kalmheid in. Je opwinden heeft geen zin en in dergelijke situatie kun je maar beter met kalmte reageren dan met een zekere hysterie je tent uit te springen en te vluchten. Maar toen er een golf onder het grondzeil van de tent schoof en de tent in een waterbed met een dakje omtoverde, begonnen we toch iets haastiger de boel te pakken. Gelukkig hadden we voordien onze rugzakken al wat gepakt zodat we heel eenvoudig alles wat we zagen gewoon in de rugzakken propten. Toen de tent helemaal leeg was en alleen de tent overbleef stonden we met onze enkels al in het water. De tent was al wat losgekomen en een paar haringen liggen nu nog steeds ergens in de rivier. De doornatte tent konden we nog net op tijd wegsteken en na het uitgieten van de binnentent van water stond het water al aan onze knieën. Om kwart voor vier werd gevarenfaze "Red Alert" afgekondigd en om vijf voor vier hadden we onze rugzak om, om terug naar langs het water naar de weg te ploeteren. Het kleine paadje die we door het struikgewas hadden gevonden en gehakt om het strandje te bereiken was ook al helemaal onder water. Met onze zaklamp op ons hoofd zochten we ons een veilige weg langs de oevers met uitstekende en overhangende takken en boomstronken als houvast. Na een bewogen evacuatie zaten we langs de kant van de weg en helaas aan de verkeerde kant van de rivier. Geen van ons beiden durfde het om in het donker over die hangbrug naar die schuilgrot te gaan die we de dag voordien hadden opgemerkt. De planken zouden spiegelglad zijn en het lieflijke beekje onder de brug was intussen omgetoverd in een alles opslokkende wildwaterstroom. We bleven dan maar tot het daglicht schuilen onder een plastiek zeil. We verorberden met veel smaak onze laatste pak koekjes terwijl we de ganse hachelijke onderneming opnieuw beleefden. Bij het krieken van de dag zagen we de woestheid van de rivier en waren danig onder de indruk. Bij klaarlichte dag gingen we toch over de hangbrug en maakten in die grot een balans van de schade op. Het merendeel van de bagage was door en doornat maar als bij wonder hadden we nog confituur, koffie en droog brood. "Droog brood" had hier wel een andere betekenis en nog nooit aten we met zoveel smaak "droog" brood en deed de koffie zoveel deugd. Het was ons ook wel duidelijk geworden dat er geen 4x4 bus meer zou komen omdat de rivier over de weg teveel was gestegen en er geen verkeer meer mogelijk zou zijn. Het had dus geen zin om langer te wachten en verder stappen naar het volgende dorp in het dal was de enige uitweg uit dit rampgebied. Het regenen was opgehouden en tijdens onze drie uur durende tocht naar Llipi kregen we het behoorlijk warm zodat de drogende kleren weer even nat werden als voordien, maar dan door het zweet. Llipi is gewoon maar een mijnwerkersdorpje waar meer twee keer per dag een bus langskomt. We arriveerden er rond het middaguur en de laatste bus was net zoals in Chusi al vertrokken. We namen er nog een stevige motivatiemaaltijd want ik had niet veel zin meer om verder te wandelen. Het was al de tweede keer dat we de bus zouden nemen en telkens moesten we een paar uur verder wandelen. Het werkte op mijn gemoed. In plaats van te wachten op een toevallig voorbijrijdend voertuig raapten we onze moed samen om toch nog maar een paar uur verder naar het volgende dorp te wandelen. In Unutuluni zouden we zeker een bus kunnen nemen en misschien wel een rechtstreekse naar La Paz. Rond vier uur in de middag kwamen we vermoeid in dat dorpje aan en betaalden maar een dure bus naar La Paz. We zouden pas de volgende ochtend rond zes uur aankomen. La Paz bleek verder af dan we dachten. Na een paar dagen trekking en dus met stinkende kleren en een alles verjagende lichaamsgeur kropen we in de eerste bus. De bussen zijn hier eigenlijk allemaal jeeps. In de grote Toyota jeeps kunnen wel tot tien passagiers meerijden. Na nog een paar overstapjes in andere jeeps stond uiteindelijk in Chima de definitieve jeep die ons naar La Paz zou brengen ons op te wachten. We hadden toen evengoed een bus kunnen nemen maar om bepaalde redenen leek mij een jeep het beste vervoersmiddel. Om terug te keren naar La Paz zouden we langs de "meest gevaarlijke weg van de wereld" moeten rijden. De weg staat hier bekend als de "Death ride" Het is een stuk weg van een 40- tal kilometer die langs de bergen naar La Paz klimt. Vroeger gebeurden er iedere week dodelijke ongelukken. Vorige week zelfs was een bus met toeristen de dieperik in gereden. Details ken ik niet maar er waren bijna geen overlevenden. Sinds kort is het dodencijfer aanzienlijk teruggebracht door er een eenrichtingsweg van te maken. Van 5 am tot 5 pm kun je enkel afdalen en van 5 pm tot 5 am kun je enkel naar boven rijden. Geen tegenliggers meer dus en dat was blijkbaar een goede zaak. Maar die weg was nu eenmaal de enig mogelijke weg naar La Paz. Daarom zou ik me veiliger voelen in een stevige jeep met een beperkt aantal passagiers dan in een grote logge bus. Onze chauffeur, een jonge man met een groot verantwoordelijkheidsgevoel (die indruk had ik toch) bestuurde de jeep met een meesterlijke vaardigheid. Hij gleed met zijn wagen over de weg, bleek elke bocht als zijn broekzak te kennen en mende zijn paarden met een zekere rust over zich. Ik zat net achter de chauffeur, dicht bij de deur en om een of andere reden voelde ik me nooit onveilig. Ik had m`n lot in de handen van die chauffeur gelegd en daar lag het goed. Ik had tijdens de rit ook oog voor de bijzondere voorrangsregels voor het verkeer in de bergen. Opgaand verkeer heeft zowiezo voorrang en als er een tegenligger in een bocht op je af komt en je hebt de bocht naar links, dan moet je links gaan rijden. Eigenlijk is het allemaal heel logisch dat de chauffeur aan de kant van de afgrond dan links zo dicht mogelijk bij de afgrond gaat rijden omdat hij dan het beste zicht heeft over de wielen en hoever die nog van de afgrond verwijderd zijn. Met tien in een jeep... We deden dus weeral geen oog dicht. We verspreidden er een walgelijke geur door onze schoenen uit te doen en door die winderigheid niet langer op te houden, maar niemand klaagde.. Het was onze tweede slapeloze nacht en rond half zes in de ochtend bereikten we La Paz, namen een taxi naar het hotel en ploften ons in bed. Nog steeds niet gewassen haalden we wat slaap in en rond twee uur in de middag begonnen we eindelijk met de schoonmaak van onszelf en een deel van de uitrusting. De vuile was werd afgeleverd en ik moest zoeken in mijn bagage naar een schone onderbroek en T‑shirt. Vanaf toen begonnen we aan onze verwenkuur in La Paz en het is net dat die een trekking zo duur maakt. Niet de trekking zelf maar de verwennerijen achteraf. We beëindigden onze missie in de Mc Donalds en deden voor de rest bitterweinig bijzonders. We bezochtten nog eens een koffiesalon met koffiebranderij en installeerden er ons om in het "vergeten dag- en plakboek" nog wat achterstand in te halen. We gingen lekker op restaurant en sliepen de volgende nacht nog eens als twee marmotjes om nadien lekker lang te gaan ontbijten. We beleefden de ganse trekking nog eens opnieuw toen we de ontwikkelde foto`s en dia`s bekeken en uiteindelijk sloot ik met een goed voldaan gevoel mijn eerste week Bolivië af in een internetcafé waar ik weeral veel te lang bezig was om dit verslag te tokkelen.

Ik hou jullie op de hoogte

Jeroen

 

Back to main page