La Paz - San Pedro

17 december - 6 januari

 

Franchie en ik zaten nu, nadat Claudia was vertrokken beiden in Residential Latino. Het was voor mij de gelegenheid om van kamer te veranderen en mijn rommel een beetje te ordenen. Ik vond er mijn eigen kleren bijna niet meer terug. We hadden toen nog een kleine week om na te denken over Kerstmis. Om die week niet al te lui door te brengen in La Paz gingen we op zoek naar een paar mogelijkheden om nog een paar kleine uitstapjes toe doen. Het eerste idee was om te gaan skiėn in het hoogste skistation van de wereld. Even buiten La Paz is er een berg (Chacaltaya) met een skilift die skiėrs tot een hoogte van 5420 meter brengt. Gewoon het idee om eens te gaan skiėn op de hoogste skipiste leek ons wel wat. Op die berg is er ook een refuge waar je eventueel kunt overnachten en iets eten.   We waren dus van plan om een dagje te gaan skiėn en om daar de nacht door te brengen om de volgende dag terug te keren naar La Paz. We gingen een ganse dag op zoek naar meer informatie ivm transport en prijzen van de skilift. Al gauw bleek dat we ons idee mochten vergeten. Er is geen openbaar vervoer naar die skilift. Alle vervoer moet via een reisbureautje gebeuren en die willen daar natuurlijk flink munt uitslaan. Als we de dag nadien zouden terugkeren waren we helemaal niet zeker van transport omdat de daguitstapjes naar Chacaltaya niet zo populair waren. Volgend probleem was dat de skilift enkel in het weekend open gaat of als er meer dan vijf personen zijn. Prijs voor de lift: 10 dollar, huur van het skimateriaal: 10 dollar. Uiteindelijk zouden we met alles erop en eraan vijftig dollar moeten betalen zonder de zekerheid dat we daadwerkelijk zouden kunnen skiėn. Het was het niet waard en we gingen dan maar op zoek naar een andere mogelijkheid om La Paz nog even te ontsnappen. We hadden zin om de Huayna Potosi te beklimmen. Die berg op een paar uur rijden van La Paz is hoger dan 6000 meter. Volgens de vele reisbureautjes was de klim naar de top een makkie, ook volgens de reisgids trouwens als men maar wat  geacclimatiseerd was.  Een tweedaagse hield in dat we de eerst dag in de namiddag een kamp zouden opslaan om dan rond middernacht naar de top door te steken. Zo zouden we de zonsopgang vanaf de top kunnen zien en terug beneden zijn voor dat de sneeuw te papperig is. Ook dit idee werd afgevoerd omdat we heel wat toeristen ontmoetten die hun klim naar de top moesten opgeven omwille van het slechte weer. Daarboven voelde ik mij al een paar dagen ongemakkelijk en voelde mij steeds maar zieker en zieker worden. Eigenlijk was ik niet in staat om eventjes boven de zesduizend te gaan wandelen. Ik zei tegen Francie:" Hoe je niet in om bij een groep aan te sluiten maar ik ga niet mee!"  Uiteindelijk besloten we om de bus naar Sorata te nemen. Ik kende dat dorpje in de Cordillera Real al omdat ik daar destijds vertrok voor de Camino Del Oro. Ik had toen een goede indruk opgedaan van het hotel waar ik enkele uren verbleef en ook het dorpje zelf gaf een vredige, rustgevende indruk. Na een vier uur durend ritje installeerden we ons in de goedkoopste kamers en dankzij de bookexchange in het hotel had ik een nieuwe dosis leesvoer. Ons bezoekje aan Sorata bestond vooral uit gezellig lezen in een mooie tuin of rondlopen op het marktplein en restaurantjes bezoeken. “s Avonds was er telkens een film in het hotel en zo ontmoetten we weer andere gringo“s. De volgende dag in Sorata besloten we toch om eens iets actiefs te doen. We informeerden voor een wandeling van een paar uur. We namen het wandelpad naar San Pedro die volgen het toeristisch bureautje maar twee uur heen en terug wandelen zou zijn. Onder een stralende zon vertrokken we met amper een half litertje water naar San Pedro. Twee uur en we zouden terug zijn in Sorata. Het was dus niet nodig om zoveel gerief mee te nemen. Dat bleek een grote stommiteit te zijn. Na drie uur waren we nog steeds niet in San Pedro en de zon begon serieus te branden. Bovendien hadden we het pad verloren en volgden dan maar een irrigatiekanaal die aan een steile helling kleefde. We zagen het goede pad onder ons maar konden er onmogelijk naartoe. Rechts van ons hadden we een muur en links van ons een steile afgrond. Het kanaaltje van een halve meter breed was ons wandelpad. Een halve meter was dus breed genoeg om te wandelen maar iemand met hoogtevrees denkt daar helemaal anders over. Ik kon Franchie uiteraard niet verplichten om verder te gaan maar terugkeren was een even groot probleem. Na heel wat gezweet kwamen we een verlaten kerkje tegen met "San Pedro" als Patroonheilige. We waren moe, uitgehongerd en scheel van de dorst. Toen dat dorpje helemaal verlaten bleek waren we ontgoocheld. Geen transport terug en geen drank, niets!  Als bij wonder bleek dat het eigenlijke dorpje iets hoger gelegen was. We kwamen vermoeid aan op het centrale plein waar de gemeenschap een blijkbaar belangrijke bijeenkomst hield. Om beurt kreeg iedereen het woord en zelfs vrouwen konden er hun zeg doen. Ze spraken hun eigen indianentaaltje en we verstonden er dus geen snars van. Op het einde haalden alle vrouwen uit hun tas een schotel en zetten het op een groot tafelkleed, op de grond. Er verscheen een immense feestmaaltijd die jammergenoeg niet voor ons bestemd was. We regelden er wel transport terug naar Sorata. Twee mannen brachten ons met de motorfiets terug naar het dorpsplein van Sorata en door onze grote honger was het restaurant "Athai" het enige die onze aandacht verdiende. Ik las er mijn boek uit die ik meteen weer kon wisselen voor een ander en vrijdag in de middag keerden we terug naar La Paz. Het tweedaagse bezoekje aan Sorata had mij deugd gedaan. Ik voelde mij (na een antibiotica kuur) niet meer ziek en kon weer alcohol drinken. Het oponthoud door de lekke band van de bus kon ons niet beletten om “s avonds nog eens terug te gaan naar die Duitse bar en er een liter Caipirina te drinken. Als de cocktails in aanbieding zijn, gaan we daar natuurlijk op in. We hadden ook bericht gekregen van Reni dat ze met Kerstmis in Sucre zou zijn. Wij twee zouden de slaapbus naar Sucre nemen om met z“n drieėn kerstmis te vieren. De prijzen van de bussen waren rond de kerstdagen wel verdubbeld tot zelfs verdriedubbeld. Uiteindelijk werd het een vrij dure heen en terugrit naar Sucre. Maar het is maar een keer per jaar Kerstmis dus...   Ik Sucre liepen we wat rond en slaagden er maar niet in om een deftig restaurant te vinden. Alles bleek dicht te zijn. Nadat we Reni ontmoetten gingen we met z“n drieėn lekker shoppen. We mochten van de eigenares van het hotel de keuken gebruiken en we waren dus van plan om onze eigen kerstmaaltijd te bereiden.  Net voor sluitingsuur vonden we een supermarkt en kon de discussie beginnen. Wat zouden we klaar maken? Franchie had een paar leuke ideeėn en Reni bleef maar doordrammen over haar groenteschotel met deegwaren. Ik wou konijn met trappistenbier klaarmaken of een lamsboutje goed met look doortrokken met boontjes en een witloofje. Als nagerechtje wou ik flensjes met Rodenbach of gewone flensjes met een chocoladesausje en een bolletje ijs. Maar ik zag dat de twee meiden er nauwelijks uit geraakten en hield mijn Belgische keuken maar voor mij. Bolivie is Belgiė niet en ik nodigde ze dan maar uit om bij gelegenheid eens naar Vlaanderen af te zakken om ze te laten proeven van onze bierkeuken. Na de supermarkt brachten we nog een bezoekje aan de markt om de groenten te kopen. Alle inkopen gingen aan de kant om ze de dag nadien, op kerstdag zelf klaar te maken. Op de markt kreeg ik een strooibriefje in de hand gestopt van een restaurantje, hoog op een heuvel van Sucre die eigendom was van een Duitser. Onze kerstavond brachten we door bij die Duitser die trouwens een groot aanbod aan gezelschapsspelen had. We speelden de ganse avond kaart en spelletjes en de wijn... die bleef maar vloeien. Gelukkig was het nadien alleen maar bergaf terug naar ons hotel. We maakten toch een klein ommetje langs een van de talrijke kerken in Sucre en waren ontgoocheld toen we de saaie sobere nachtmis bezochten. Er zat al bijna geen volk en dus viel onze aanwezigheid des te meer op. Na een lange nachtrust hadden we op kerstdag zelf bijna de ganse middag nodig om het kerstmaal te bereiden. Het keukenteam stond onder Duits bewind. Reni had uiteindelijk haar slag thuis gehaald (Franchie en ik gaven toe) en dirigeerde de keukenploeg alsof ze dat iedere dag deed. Tegen zevenen en na een kleine rust konden we beginnen met het voorgerecht. Een of ander Mexicaans specialiteitje waar ik de naam al ben van vergeten maar niet hoe je het moet klaarmaken. De wijnrantsoenering was voorzien op een fles per persoon. Genoeg dus. Trouwens, Die Concepcion, die Boliviaanse wijn mag volgens mij gezien worden. Tijdens het bereiden van de hoofdschotel hadden we gemerkt dat we iets teveel ingrediėnten hadden gekocht. Al kwam het ganse Boliviaanse leger 0p bezoek, we hadden zeker genoeg. Het begon al flink laat te worden en de laatste kerstgeschenkjes waren al lang uitgedeeld (en bijna op) toen we die warme banaan met warme chocoladesaus begonnen. Heerlijk! Op tweede kerstdag zouden Franchie en ik “s avonds terug de bus naar La Paz nemen maar “s ochtends hadden we nog een kommetje pannenkoekendeeg die niet in de gootsteen mocht belanden. Als ontbijt dus aten we de rest van de chocolade en bananen in combinatie met pannenkoeken. Ik had toen al meer dan een maand niet gefietst en voelde dat mijn broek niet meer zo los zat als voordien. Ik had het er al meer dan een maand flink van genomen en voelde dat het maar eens tijd werd voor verandering. Ik liet mijn plannen om oudejaar in Cusco te vieren voor wat ze waren en besloot om bij terugkomst in La Paz mijn fiets terug boven te halen. Na weer een nachtelijk busrit (waar ik naar het schijnt sliep als een baby) naar La Paz hadden Franchie en ik nog een dag en een nacht om samen afscheid te nemen van elkaar en van La Paz. Voor de allerlaatste keer gingen we op bezoek naar die lekkere koffiebars en overgoten onze ingewanden met weer een liter caipirińa. Uiteindelijk vertrok Franchie op een onmenselijk vroeg uur in de morgen om verder te reizen naar Santiago en de Paaseilanden. Ik lag nog half te pitten en had mijn slaapkamer weer voor mij alleen. Ik kon toen ik opstond weer mijn kleren in alle hoeken van de kamer smijten zonder dat iemand zich daarover opwond. Ik wou de dag nadien opnieuw gaan fietsen, de draad opnemen waar ik hem meer dan een maand geleden had laten vallen. Maar ik moest nog mijn fiets kuisen en mijn voorwiel zien te herstellen. Ik maakte van mijn fiets weer een nieuwe geoliede machine met startklare banden en kreeg zelfs zin om diezelfde dag nog te vertrekken. Maar om de speling uit de as van mijn voorwiel te halen moest ik de bus nemen naar het rijke gedeelte van La Paz. Ik liep over straat met een wiel in mijn hand toen ik een soortgenoot opmerkte. Phillipe en Daniele hadden fietspech en waren ook op zoek naar een fietsenwinkel. Zo herken je fietsers meteen natuurlijk. Wie loopt er anders met een fietswiel over straat. We wisselden wat gegevens en straffe verhalen uit en beloofden elkaar tot schrijfs of tot in Zwitserland of Vlaanderen (inderdaad, opvallend veel Zwitsers hier) Mijn fietswiel kon niet hersteld worden zoals het hoorde. Ze hadden niet de gepaste sleutel om de tegenmoer vast te schroeven (“t is maar dat je het weet). Ik keerde dan maar terug naar mijn hotel en bracht er alles klaar om de volgende morgen opnieuw het zadel te bestijgen. Na nog een kleine internetsessie kom ik als bij toeval opnieuw Phillipe en Daniele tegen. Ik had al een paar keer per toeval mensen ontmoet die ik kende en deze keer geloofde ik niet meer in het toeval. Het was mij al te vaak overkomen. Enfin, We gingen dan nog maar een keer samen op restaurant en vertelden over reizen en  bestemmingen die nog op ons lijstje staan. "Ssstt, zwijgt! Als je daarover begint kan ik straks niet meer slapen want daar wil ik ook zo graag nog eens naartoe" Na mijn laatste Cerveza in La Paz namen we tijdelijk afscheid van elkaar en kroop ik onder de wol, “t is te zeggen een paar lagen van die stijve dekens die aanvoelen alsof je onder een loden plaat slaapt. Met "tijdelijk afscheid" bedoel ik dat ik ze ongetwijfeld nog eens zal tegenkomen aangezien ze ook zuidwaarts, naar Chili reizen. De volgende morgen kon ik weer gaan fietsen. Om La Paz uit te geraken moest ik die verdomde canyon zien te overwinnen. Maar eens ik op "El Alto" was aangekomen kon ik op een vrij vlakke weg verder richting Oruro fietsen. Je weet dat het regenseizoen hier op volle toeren draait. In de lowlands zorgt die regen voor afkoeling maar op de Altiplano is die regen verdomd koud en soms zelfs hagel. Het had de dagen voordien zeker iedere dag eens flink geregend, zelfs gestormd in La Paz. Het zou tijdens mijn rit naar Oruro dus niet anders worden. Net voor de middag brak de hemel open. In een mum van tijd kreeg ik een zondvloed te verwerken waar ik bijna mee wegspoelde. Ik probeerde mijn schoenen wat te drogen in een wegrestaurant tijdens het verslinden van een almuerzo. Na mijn middagrust bleek de regen op te houden. "Bleek" want na nog geen twintig minuten kreeg ik weer een bui te verwerken om "U" tegen te zeggen. Ik vond een schuilplaatsje bij een verschrompeld ventje langs de weg. Ik mocht een beetje in zijn garage schuilen en deed er meteen mijn complete gore-tex uitrusting aan. Ik kon niet blijven wachten tot het ophield met regenen. Geen geleuter, er door! Het zou te zot zijn om alle regenvlagen te vermelden. Het waren er teveel en uiteindelijk kwam ik nat aan in een klein onbenullig dorpje waar als bij toeval twee fietsende Duitsers even halt hielden. Man en vrouw waren al twintig maand onderweg. Ze vertrokken in Dresden en reden gewoon eventjes naar Australiė en per vliegtuig naar Buenos Aires om een beetje in Zuid Amerika rond te toeren. Ik was nu opvallend heel wat meer fietsers tegengekomen dan tijdens mijn rit door Ecuador en Peru. Bolivie is dus echt wel een fietsparadijs als je van onverharde wegen houdt. Na een babbeltje en een theetje gingen we elk weer onze weg en net voor valavond vond ik een slaapplaats bij een lokaal gezin. Ik overdrijf niet als ik zeg dat mijn kamer een omgebouwd hondenhok was. Achteraan in de tuin (lees stortplaats van oude metalen) kreeg ik een hok toegewezen. Ik trok er mij niets van aan, ik was daarvoor te moe van mijn eerste fietsdag na mijn veel te lange inactiviteit. De volgende morgen had ik een tijdje last van zadelpijn. Ik voelde duidelijk dat ik het niet meer gewoon was om op dat smalle zadel te zitten. Mijn tweede fietsdag was een heruitgave van de voorgaande. Zon maar vooral serieuze regenbuien. De wegen waren eindeloos lang, rechtuit, zonder verrassing, saai dus. Voor de laatste 38 km naar Oruro kon ik gerust mijn stuur blokkeren. Ik had nog nooit zo“n lange rechte weg gezien. Het leek wel een heruitgave van de Sechura woestijn in Peru. Het verschil was dat ik na 100 km nu steendood zat en in Peru deed ik er meer dan het dubbele in een dag. In de middag kwam ik moe in Oruro aan. Ik denk dat buiten het jaarlijkse carnavalfeest daar niet veel te beleven valt en was dus gauw rond met mijn verkenning van het stadje. Ik kan mij niet herinneren dat het in Oruro eens niet regende. Het was een druilerige dag, echt zo“n dag om te lekker terug te trekken in een bioscoop. Ik zag er een kwaliteitsloze Amerikaanse film en nog voor ik het wist was de tweede film al begonnen. Het licht ging nog nooit aan. Eindgeneriek en hup, de begingeneriek van de tweede film begon. Ik was verzadigd van pulp en verliet de zaal om, jawel door de gietende regen terug naar mijn hotel te gaan. Ik kwam de volgende dag wakker en hoorde het regenen. Dat moment besloot ik om de bus naar Potosi te nemen. Met de fiets zou ik er minstens drie dagen over doen en de weg zou na 120 km niet meer verhard zijn en door een nogal afgelegen gebied lopen. Wel, ik geef toe dat ik het niet zag zitten en voor de makkelijkste oplossing koos. Het was ondertussen al 31 december en wie weet zou ik die avond nog in Potosi geraken. Ik was helemaal niet meer van plan om voor oudejaar speciale dingen of reizen te ondernemen. Als ik die nacht toevallig in mijn tentje sliep dan zou ik mij daar helemaal niet slecht bij gevoeld hebben. Maar als ik dan misschien toch in Potosi kon geraken, waarom niet? Mijn bus had een beetje vertraging en uiteindelijk kwam ik op het meest ongelukkige moment van de nacht toe. In plaats van halfacht “s avonds kwam ik aan rond een paar minuten voor middernacht aan. Met mijn fiets zocht ik een hostalletje en was er de eerste gast van het nieuwe millennium. Stel je voor: 1/1/1 en daarnaast mijn naam in het gastenboek van hotel "Maria Victoria". De eigenaar stopte me een glas limonade in de hand die ik dorstig naar binnen goot. Ze noemen het hier wel "Cider" en is afkomstig van Argentiniė maar voor mij was het door mijn dorst net als limonade. Nadat ik alle spullen in mijn kamer had achter gelaten ging ik op ronde in de stad. Ik werd een paar keer opgeschrikt door het vuurwerk die zo dicht bij mij ontplofte. Ik moest terugdenken aan die Nederlandse slogan ter voorkoming van vuurwerkongevallen. "Je bent een rund als je met vuurwerk stunt" En geloof me, Potosi zat vol met rund die nacht. Terug in mijn hotel ontmoette ik een grote groep van jongeren uit alle hoeken van de wereld. Allen sliepen ze in hetzelfde hotel en zongen dezelfde Spaanse kwijlliedjes. Rond drie--een hield ik het voor bekeken en zocht mijn bedje op. Ik had de eerste dag van het nieuwe millennium al haatgevoelens tegenover die Duitsers die nog eens de Duitse hitparade op het binnenkoertje, net voor mijn slaapkamer lieten horen. Pure klankpollutie!! De eerste januari is ook hier een feestdag en kon ik een bezoekje aan de mijnen wel vergeten. Ook de musea in Potosi waren dicht maar de hemelsluizen...  die waren geopend. Ik leuterde wat rond door de straatjes van Potosi toen ik voor de zoveelste keer op straat mijn naam hoorde. Deze keer geen Franse "jerooome" of een Engelse " Jeroen" maar een heel mooi klinkende Nederlandse uitspraak van "Jeroen". "Wie mag dat nu zijn" was natuurlijk mijn eerste gedachte. "Mijn God, het is Elvire en Patrick". Ik had Elvire en Patrick leren kennen in Quito toen we beiden wat Spaans studeerden. Sedertdien had ik nooit meer iets van ze gehoord maar wist alleen dat ze zoals iedereen zuidwaarts zouden reizen. Mijn middag was meteen gevuld. Na heel wat koffie was ik volledig op de hoogte van hun reis doorheen Ecuador en Peru. We zaten samen aan tafel met nog een ander Nederlands koppel die ook op wereldreis is en het leuke was dat ook zij, na mij in Sorata geweest zijn. Ik zag de boeken verschijnen die ik er had achtergelaten en nu ook hun reis verder zetten naar Chili. Je komt dus niet alleen dezelfde mensen tegen maar ook dezelfde boeken. Zeg nog een keer dat de wereld "groot" is. Ik had een bezoekje aan de mijnen geboekt en 's anderendaags om negen uur werden de rubberlaarzen, helmen en beschermende jasjes gepast en gekeurd. Met een groepje van negen doken we in een minibusje met als bestemming: de 'cerro rico' Onze gids heette Frank Sinatra en dat was zeker niet de enige mop die hij voorradig had. Na een kleine uitleg bij de ingang van de mijn over privatiseringen en coöperatieven, werkomstandigheden honderden jaren terug en nu gingen we naar een klein verkoopsstalletje waar je geschenkjes voor de mijnwerkers kon kopen. Het was niet verplicht om als toerist geschenkjes te kopen maar ik voelde toch dat het ten zeerste werd aangeraden, een lichte dwang zelfs. De geschenkjes waren bijvoorbeeld: cocablaadjes, sigaretten, dynamiet en alcoholische drank van bijna 100 %. Voor de jeugdige arbeidertjes kon je koekjes, brood of frisdrank kopen. Net voor het binnengaan in de mijn kregen we allemaal nog een carburelampje. Al gauw hadden we de truck door om door aan die regelklep de watertoevoer te regelen en een vlam van jewelste te maken. Het was wel leuk om met die lantaarn steekvlammetjes te maken maar minder leuk toen die ganse lantaarn in brand stond. De gids nam mijn lantaarn af, schudde ermee, blies de vlammen uit en ik kon weer verder spelen. Na wat geploeter door die smalle mijngangetjes gaf Frank Sinatra nog een hele uitleg over het opzoeken van nieuwe aders en het uitkappen daarvan. Telkens er een mijnwerker met een kruiwagen passeerde was zijn begroeting steeds weer: 'Buenas noches'. Echte mijnwerkershumor. We gingen op bezoek bij een zeventienjarige jongen die duchtig bezig was met het kappen van een gat voor een dynamietlading. Alsof het de eerste keer was dat de gids die jongen zag vroeg hij naam, leeftijd, het aantal uren dat hij werkte en vertaalde het platte mijnwerkerstaaltje voor ons, de gringo's. Een beetje verder zat zijn vader te werken. Hij was al over de vijftig en ik merkte op dat hij al dood had moeten zijn wou hij de statistieken niet vervalsen. Een tegenslag voor de gids was dat de mijnwerker zei dat hij acht ton erts in twee weken bovenhaalde. Onze humorist Sinatra had eerder gezegd dat acht ton bovenhalen zo'n goeie maand duurt. Telkens we weer verder gingen zei de veel te vette Frank Sinatra: 'Vamos a la playa' en wij maar denken dat we naar  een ondergronds meertje gingen. Na heel wat bezoekjes aan verschillende mijnwerkers en - werkertjes konden we zien hoe een dynamietlading werd aangebracht. Lontje, vuurtje en wegwezen. We zaten met z'n allen op veilige afstand toen een doffe dreun hoorden en een krachtige luchtverplaatsing enkele lantaarns doofde. Het opscheppen en naar boven dragen kon voor de mijnwerkers beginnen. De zakken waarmee ze het erts naar boven sjouwden kon ik niet opheffen maar die pezige Bolivianen hadden daar geen moeite mee. Na een paar uur kruipen, sluipen, cadeautjes geven en van de kou beven zagen we terug het daglicht. Het was al over de middag maar het droge mopje van Frank Sinatra: 'Buenas noches' hield nu helemaal geen steek meer. Na het inleveren van de uitrusting gingen ik met een Duits Nederlands gezelschap op restaurant om die lokale lamasteak te proberen. Laat ons zeggen dat de aardappelpuree even lekker was. In de namiddag ging in met Maartje het 'Casa de Moneda' bezoeken. Aanvankelijk leek het me een saai museum. Ik had al heel wat schilderijen uit de koloniale tijd gezien en die in het Casa de moneda leken in geen enkel opzicht anders dan die schilderijen in Cusco of bvb Lima. Commentaar leveren op alles wat hangt, staat en rondloopt was een leukere bezigheid dan aandachtig luisteren naar dat in maatpak gegoten, zonder intonatie zoemende, modelgidsje. Maar na de schilderijen bezochten we de muntslagerij, een ingenieuze walsmachine (duidelijk uit Spanje geļmporteerde technologie) en enkele galerijen met talloze ertsen en gesteenten. Dat moet een paradijs zijn voor alle geologen en steenverzamelaars. Ik ben helaas geen van beiden. Maar het Casa de moneda had nog heel wat interessante hoekjes en kamertjes die een bezoek van twintig Bolivianos wel rechtvaardigden. Met zo'n gegidste mijnbezoek en een hostal vol gringo's leer je natuurlijk al gauw nieuwe mensen kennen en zo gingen we die avond met een achttal de boemel op, eens gaan stappen in Potosi. Het lokale bier 'Potosina' vergeet ik nooit meer aangezien ik er heel wat van dronk, zelfs meer dan goed voor me was. Gelukkig had er maar een iemand zin om naar de karaoke bar te gaan zodat ik ook aan die afgang ontsnapte. De meeste van mijn 'nieuwe vrienden'  zouden allemaal de volgende dag naar Uyuni reizen om er nadien met een georganiseerde toer de Salar te bezoeken. Ik wou best wel met Maartje, Volkmar en Gert naar Uyuni en besloot weeral om met de bus te gaan. Met de fiets zou ik er te lang over doen en die regen zou me ook teveel parten spelen. De volgende morgen had ik al een ticketje voor de bus zonder te weten dat het centrum van Potosi volledig was afgesloten door protesterende  chauffeurs die niet akkoord gingen met de hoge brandstofprijs. Er was geen verkeer in of uit Potosi mogelijk. Ook de bus kon dus niet vertrekken. Het kantoor en de stoep voor het kantoor van de busmaatschappij zat vol met toeristen die naar Uyuni wilden reizen. De ene jaagde zich al meer op dan de andere. Zo kun je ook de twee-weekstoeristen van de langdurige reizigers onderscheiden. Die hebben het al geleerd om zich nergens over op te winden en zeker niet het verkeer in een land als Bolivie. Na een paar uur wachten kregen we te horen dat alles bloktoe zat. Een loopjongen van de busmaatschappij had bijna alle straatjes afgelopen en nergens een doorgang gevonden. Er was uiteindelijk wat westerse ondernemingsgeest nodig om een oplossing te forceren. Het was eigenlijk heel eenvoudig. We rijden Potosi uit en bij een blokkade verzamelen wat geld in om die protesterende chauffeurs om te kopen en de weg vrij te maken. Met meer dan de helft toeristen op de bus kon dat geen probleem zijn. Met heel wat vertraging werd uiteindelijk de bus geladen en laf mijn fiets boven alle andere rugzakken. We reden... twee uur geleden had niemand gedacht dat we dat die dag nog zouden meemaken. We reden een paar rondjes door Potosi maar telkens maakte de chauffeur rechtsommekeer om een andere doorgang te vinden. Uiteindelijk  had hij het gevonden en reed hij naar de spoorlijn toe. Eens we over die rails geraakt waren hobbelden we over de biels. Een beetje naar links, een beetje naar rechts en het werd alsmaar gevaarlijker zeker toen we over een spoorwegdijk reden die aan de linker en rechter zijde een vijftiental meter steil naar beneden liep. Nog een keer over die rails en nog een paar hobbelige straatjes en uiteindelijk konden we voorbij het tolstation de weg naar Uyuni op. Het was weer zo'n echte lokale busrit waar op de meest eenzame verlaten plaatsen mensen op- of afstappen. Kinderen lagen te slapen onder, tussen half op zetels en die jonge Boliviaan die met gans zijn gezin op reis was zat op de grond aan mijn voeten en ik had het gevoel dat die op mijn schoot wou zitten. Hij kwam alsmaar dichter en dichter. Net voor Uyuni barstte een onweer los die waarvan de bliksem een fel licht op de Salar wierp. Het was toen de eerste keer van mijn leven dat ik (eindelijk) de grootste zoutvlakte van de wereld zag. Tijdens de busreis had ik ook kennis gemaakt met 'sprekende kut' en zijn aanhangsel. Het was een Duits koppel en hij had een sikkebaardje (vandaar zijn bijnaam). Ze bleven maar zagen over de vertraging van de bus en hadden voor niets een positief woord. Echt een vervelend koppel die ook steeds maar beroep deden op andermans kennis van het Spaans om hun zaakjes te regelen. "Wil je eens vragen dat, wil je eens vragen dit..." Bij de aankomst in Uyuni vermeden Maartje en ik dat we samen hetzelfde hotel zouden slapen. We hadden er beiden meer dan genoeg van. Toen we dachten dat we een afgelegen hotel hadden gevonden waar we ze zeker niet zouden tegenkomen verscheen natuurlijk... uiteraard de sprekende kut met zijn aanhangsel. Maartje, met wie ik een toer door de zoutvlaktes en naar San Pedro in Chili zou maken ontmoette er per toeval een Nederlandse vriendin die in hetzelfde hotel sliep. Ze maakte haar eventjes wakker en met z'n drie--een gingen we nog eens op stap in Uyuni (waar je trouwens moet opletten dat je niet voorbij het centrum stapt) Ook Volkmar en Gert, de twee Duitsers die met de moto vanuit Potosi kwamen waren al aangekomen. De volgende morgen brachten we een bezoekje aan het kantoortje van 'Colque' bij wie we telefonisch een tour hadden gereserveerd. Ze maakten ons elk 75 dollar armer meer het vooruitzicht was veelbelovend. Met wat gespeelde domheid vermeden we dat we de jeep niet met Duitsers moesten delen en uiteindelijk zaten we met vijf toeristen in een jeep, wat heel comfortabel bleek. Mijn fiets ging bovenop de bagage en in de jeep maakte ik kennis met Kate en Wintelma uit de UK. Volkmar kende ik al en met Maartje had ik net de kamer gedeeld en kende ik dus ook al. Onze chauffeur noemde Saul. Het eerste uur was dat ook het enige wat hij zei. "Ik heet Saul" Met openstaande vensters om toch voor een beetje afkoeling te zorgen reden we naar het dorpje "Colchani" waar de Salar eigenlijk begint. Het dorpje ligt aan aan spoorlijn en het zout die uit de vlakte wordt gewonnen gaat in Colchani de trein op om verder in oa Braziliė verwerkt te worden. We wisten dat de Salar door de regen onder water stond maar hadden nooit gedacht dat op sommige plaatsen het water wel tot dertig centimeter diep was. Volgens Saul zou het eind februari nog wel erger zijn. De hoogste waterstand in het regenseizoen zou zo“n veertig centimeter zijn. Voor onze jeep was dat allemaal geen probleem alleen moesten we een beetje trager rijden dan tijdens de winter (vandaar dat we ook iets meer moesten betalen wegens extra bezine-verbruik) Heel wat jeeps reden in colonne naar het hotel die daar midden in de zoutvlakte volledig van zout is opgetrokken. Alles, de buitenmuur, de meubels, de bedden, alles is er van uit de vlakte gekapte zoutblokken gemaakt. Enkel het dak leek me van iets anders te zijn gemaakt. Het zicht zo midden in de Salar was.. Ja, was om nooit te vergeten. Je moet het gewoon gezien hebben. Ik voelde tijdens die eerste uren al aan dat het bezoek aan de zoutvlakte en de laguna“s Verde en -Colorado het hoogtepunt van mijn reis tot nu toe zouden worden. Later zou blijken dat ik gelijk had. Normaalgezien is bij een bezoek aan de zoutvlakte in de winter de hemel staalblauw en krijg je uitzinnig mooie contrasten. De zomer en het water heeft dan weer het voordeel dat de Salar een immense spiegel is geworden. De wolken die boven de vlakte hangen worden in spiegelbeeld nog eens weergegeven. Je ziet alles dubbel en de spiegellijn moet de horizon zijn. Je ziet dus geen horizon zoals aan zee met een duidelijke lijn tussen blauwe hemel en witte vlakte, maar je moet de horizon zoeken daar waar die ene wolk of berg precies op de andere past die dan gewoon op zijn kop staat. Bizar. Na een gezamelijke lunch aan het zouthotel (20 of 40 USD) reden we meer dan een uur verder richting "Isla de Pescado" Saul deed ons even schrikken door achter het stuur in slaap te vallen. Maar in de zoutvlakte kan dat natuurlijk geen kwaad. Niets die in de weg staat. Ook zijn achteruitkijkspiegels gebruikt hij niet. Hij hangt gewoon uit het venster en blijft zo zeker twee minuten gewoon naar de achterliggers kijken en teken doen. Geen mens die zich daar aan stoort. Isla de Pescado is een eilandje vol met cactussen midden in de zoutvlakte. Van het hoogste punt van het eilandje leek het wel of dat de andere aankomende jeeps bootjes waren die met een amfibie-uitrusting aan land kropen. In de verste verten was alleen mar zout, water en wolken te zien. Het eilandje leende er zich uitstekend toe om een paar mooie foto“s te nemen die hopelijk veel meer zullen vertellen dan de mooiste of langste beschrijving van de Salar. De chauffeurs hadden toen een andere bezigheid. Ze moesten terug al het zout die met het opspattende water zich op de radiator had vastgezet verwijderen. De motoren liepen te warm. Over de carrosserie zullen we het niet hebben. Die roest weg zoals sneeuw voor de zon smelt. Na een wandelingetje op het eiland riep onze Saul "Ahoy, Ahoy" en begrepen we dat het terug tijd was om in te schepen en verder te gaan. We reden weg van het eiland en uit de Salar. Nog steeds onder de indruk van het perfecte spiegelbeeld namen we afscheid van de Salar en volgden een modderige weg naar een van de twee kleine dorpjes waar we zouden overnachten. Onze chauffeur wou een korter weg nemen en vroeg aan zijn achterligger om hem te volgen. Het was wel een kortere weg maar er was meer gevaar om vast te zitten in de modder. Alleen zou hij dat niet doen. "Je moet minstens met twee jeeps zijn" zei Saul. De andere jeep zat inderdaad een keer vast en schudde al zijn passagiers uit om te helpen duwen. Onze Saul was een kenner die ze zo uit Parijs Dakar hadden geplukt, die op dat moment volop bezig was, om ons met meesterlijke vaardigheid door die putten te loodsen. Klein ventje maar met grote (jeep-) kennis. In zo“n klein dorpje kwamen alle touroperators samen zodat er uiteindelijk meer gringo“s in het dorp sliepen dan Bolivianen. Maar de Bolivianen die er woonden verdienden goed geld aan het verkoop van bier en likeur. Ik had misschien met opzet wat Boliviano“s gespaard om ze aan zo“n dingen te kunnen uitgeven. En in goed gezelschap drink je net iets makkelijker en schenk je ook iets makkelijker. Na een maaltijd die eigenlijk heel goed meeviel en geen typische kampkost was bleven we maar gieten met die rum en jenever. "Nee, nee, we drinken koffie en thee maar je mag er niet aan ruiken." Was het door die drank of door de opgedane indrukken dat ik niet de minste moeite had om de slaap te vatten? Ik sliep in ieder geval alsof het mijn laatste slaapje was want Kate vertelde me “s anderendaags dat ik net stervende was. De volgende morgen stond een riant ontbijt op ons te wachten. Ik had nooit gedacht dat ik op zo“n jeeptour zo“n ontbijt zou krijgen. Met een goedgevulde maag werden de rugzakken op het dak geladen en als laatste mocht ook mijn fiets bovenop alle andere bagage. Na nog geen halfuurtje rijden doemde er een enorme bruine vlakte voor ons op. Geen zoutvlakte maar een moddervlakte met ook een laagje water eroverheen. De jeeps waren zoveel mogelijk op hetzelfde tijdstip vertrokken en toen wij aan de oever van het moddermeer kwamen zagen we al een aantal jeeps ploeteren door de modder. We reden een gestrandde jeep voorbij die tot aan zijn as in de modder zat. De passagiers waren volop bezig met het duwen en sleuren aan de jeep om hem weer los te krijgen. We lagen in een deuk van het lachen en schoten wat treiterige foto“s van het tafereel. Na nog geen vijf minuten verstomden we toen ook onze jeep vertraagde en het achterste de dieperik in wegzonk. O o, Onze Saul was dus ook maar een mens het nu hadden wij het ook zitten. Saul probeerde zijn auto los te krijgen maar riep ons al gauw ter hulp. Met z“n allen duwen aan de motorkap, doorslippende wielen, opspattend modder en jawel, vuile kleren. Onze schoenen waren net al loden klompen die telkens weer, bij iedere voetstap een vijftal centimeter wegzonken. De jeep geraakte maar niet uit de modder (Drie vrouwen en twee mannen, Hmm) en Saul begon met de blote handen modder weg te graven. Ik was toch al helemaal beslijkt en besmeurd en hielp maar al te graag een handje. Lekker alles vol met modder. Het had niet veel gescheeld of we begonnen een moddergevecht. Er was water, zon en vooral veel modder. Mijn tegenstreefster, Kate, bedacht zich en school in de jeep. Uitstel was natuurlijk geen afstel. Het interieur van de jeep was ook al niet meer om aan te zien. Saul wou duidelijk met zijn voorgangers verder rijden en had dus haast. Schoenen kuisen was dus tijdverlies. Bij het zien van die moddervlakte en de Salar die beiden onder water stonden was ik ervan overtuigd geraakt dat het fietsen daar onmogelijk was. Een georganiseerde tour was inderdaad de beste oplossing maar zo heb ik een reden om in de winter terug te komen. Ik had er zo graag die Salar met de fiets overgestoken. Maar... we reden weer. Met slippartijen en op hol slaande motor geraakten we toch wat verder door die moddervlakte tot ... tot de jeep weer geleidelijk aan tot stilstand kwam. Deze keer zaten we niet vast in de modder maar hadden we problemen met de ontsteking. Saul moest alle bougiekabels drogen en ook de verdeelkop werk helemaal gekuist. We hadden al meer als een boot over die vlaktes gereden dan als een auto. Een beetje vochtigheid was dus niet abnormaal. Na vijf minuutjes waren we weer op weg om onze voorliggers in te halen. Maar het scenario herhaalde zich. En telkens werd het moeilijker om de motor weer te starten. Na nog een drietal keer uitkuisen van de verdeelkop en het drogen van alle contacten dachten we dat we eindelijk goed op weg waren toen met een doffe, korte krak dat auto weer stil stond. Diagnose: De rotor van de verdeelkop was gebroken en geloof me, als je geen nieuwe bij hebt, dan heb je een probleem, dan bel je maar beter even naar Apeldoorn. Maar je moet weten dat Bolivianen plantrekkers zijn. Er is geen probleem dat ze niet kunnen oplossen (al duurt het soms wat lang). Plots lagen er twee tubes tweecomponentenlijm op de motorkap. De twee helften van de rotor werden keurig aan elkaar gelijmd en in de verschroeiende zon te drogen gelegd. Uiteindelijk ging het zo goed als nieuwe onderdeel terug waar het vandaan kwam en startte de motor zonder enig probleem. We zouden voor de rest van de dag geen technische problemen meer hebben. Onze rit ging verder langs oa een militaire controlepost. Toen ik een van de bewakers naar buiten zag komen leek het me meer op een kindertuin. Er waren nogal wat jonge soldaatjes gelegerd en in een soort grote paddestoel zat het grootste kind en die mocht de paspoorten van toeristen controleren. Ze hadden waarschijnlijk maar dat te doen. Nadien stopten we nog een paar keer om bij een mooi panorama wat foto“s te maken en bij het mooiste zicht van die voormiddag stopten we voor lunch. Een meertje met een al lang vergeten naam zat vol met flamingo“s (en een paar gringo“s) Saul bereidde de groentjes en nadien genoten we van een absolute stilte aan de oever van dat meer. Flamingo“s probeerden als een vliegboot uit het water te geraken, scheurden in paar rakelings met hun teentjes boven het wateroppervlak en wonnen uiteindelijk toch wat hoogte. Ook het grote flamingodefilé was de moeite. Plots stonden voor ons een tiental flamingo“s die allemaal tegelijk met hun vleugels stonden te zwaaien. Ik gaf nummer vijf een acht voor de driedubbele vleugelklapwiek. Op zo“n plaats moest ik denken aan alle relaxatiemuziekjes, -geurtjes en -commercie. Het verviel allemaal in het niets toen ik daar zat, luisterend naar stilte en kijkend naar gespiegelde vogels. Onbetaalbaar!! Na een uitgebreide rust en lunch aan dat meer, reden we onder een meer en meer dreigende hemel naar de open woestijnvlaktes en de "Stonetree" Ik had de dag voordien gemerkt dat drie van onze groep een walkman bij hadden. Ik had mijn cassetje dus al klaar en leende de walkman van Kate (Zoals je misschien weet het ik in mijn bagage 1 CD en 1 cassetje maar geen Walk- of Discman. Ik moet mijn CD beluisteren wanneer ik, zoals nu een verslag zit te schrijven en mijn cassetje moet ik met een geleende walkman beluisteren. Zo beluister ik ze beiden niet teveel en behouden ze hun "waarde")  Het landschap schoof voorbij en ik zat uit het venster te staren en hoorde oa Bach, Mozart en Vandenbudenmayer. De combinatie van een surrealistisch Boliviaans maanlandschap en klassieke muziek... Ze moesten mij even gerust laten want ik was soms als versteend bij het zien van die al die zonderlinge stenen. Enige tijd later kwamen we aan bij een ander kunstwerkje van moeder natuur, die stonetree. Een rotsblok die net de vorm had van een boom... Tot zover mijn beschrijving. De rest moet je gewoon zien. Weet ook dat een boom pas een boom wordt door z“n omgeving. In een bos vallen bomen niet zo op. Maar die stenen boom stond daar moederziel alleen in het niets neergeplant. Bizar. Onze laatste overnachtingsplaats was in zicht. We hadden het vooruitzicht op een kort nachtje aan de oevers van Lago Colorado, een rood-bruin meer. De bewolking zorgde ervoor dat we met ons fototoestel geen postkaartjes konden maken. Ik kon ook niet aan de verleiding weerstaan om even op die boraxvelden te gaan fietsen. Althans dat was toch wat die Duitse scheikundige  ons wijsmaakte, dat het borax was. Net een sneeuwvlakte met rubberachtige sneeuw onder mijn echte rubberbanden. Net zoals de dag voordien kwamen alle groepen op dezelfde plaats samen en werd er door de chauffeurs en wat aanwezige vrouwen gekookt. Onze Saul kwam ons na het eten melden dat we de volgende dag om vijf uur zouden vertrekken en hij ons om vier uur dertig zou komen wekken. Vroeg in de morgen, madrugada zeg maar zou er ook geen elektriciteit zijn en moesten we er op voorhand voor zorgen dat onze rugzakken zoveel mogelijk gepakt waren. Maar voor we gingen slapen hadden we weer alle tijd om ons aan de rum en het bier te bezatten. Schrijven in het dagboek werd alsmaar moeilijker zeker als je met drie tegelijk zit te schrijven. Maartje, Volkmar en ik probeerden wat achterstand in te halen maar die drank... werkte wat tegen. Na een kort nachtje (de volgende dag zouden we in de jeep wel slapen) rinkelden en piepten de alarmen en in een recordtempo lagen alle rugzakken en mijn fiets boven op de jeep en zaten we met echte winterkledij in de jeep. Het was nog donker toen Saul begon te racen met die andere jeep waarvan hij blijkbaar niet kon verdragen dat hij ons inhaalde. We kwamen alleen maar sneller op onze volgende bestemming aan. We zagen wat rookpluimen van rechts naar links waaien en Saul gaf ons een kleine uitleg over de geisers. De reden waarom we zo vroeg moesten vertrekken was ook duidelijk geworden. Om een of andere reden zijn die geisers enkel in de vroege ochtend op z`n mooist. Net voordat de zon van over de bergen zijn stralen op die geisers kan werpen is het er veel kouder en zijn die rookpluimen van tientallen graden veel beter te zien. Ik had eerder wel al iets dergelijks op televisie gezien maar kon niet geloven dat het in werkelijkheid zo mooi was. Poeltjes met grijze kokende brei die brubbelde alsof het kokende verf was. Nu en dan sprong er een flinke klonter uit het kratertje en bleek dat de gevarenwaarschuwing meer dan terecht was. Er was geen omheining. Je kon overal door, op en over lopen en voor die Japanner enige tijd terug is dat verkeerd afgelopen. Levend gekookt! Het was er net voordat de zon over de bergen geraakte ijskoud en die hete rookpluimen waren het ideale verwarmingsmiddel. Veel te vroeg moesten we ook van dat natuurwonder afscheid nemen en reden we verder naar de volgende attractie nl.:"Aguas calientes". Ondertussen waren we ook het hoogste punt van de ganse tocht gepasseerd (4900 meter) en ervoeren we de zuurstofarmoede in de lucht door het slappe motorvermogen. Alsof Saul geen zin had om hem op z`n staart te duwen. Tijdens de afdaling zagen we een adembenemend (4500 meter) wolkendek onder ons liggen. De wolken waren net het was wateroppervlak van een zoveelste meer. Hier en daar priemden wat bergtoppen door het wolkendek alsof het kleine eilandjes waren . In de Salar reden we als het ware met een boot maar deze keer reden we met een duikboot. We doken onder het wolkendek en stopten bij de warmwaterbronnen. De regio bruist er letterlijk van vulkanische activiteit en een warmwaterbadje mocht daar natuurlijk niet bij ontbreken. Terwijl de anderen met het ontbijt bezig waren en nog anderen twijfelend aan de kant stonden, lagen al wat poedelnaakte duisters in het ondiepe water te spartelen. Het was misschien wel een beetje een ontgoocheling dat het maar zo`n klein waterbadje was en ik  was aanvankelijk niet van plan om daarvoor uit de kleren te gaan. Maar iedereen in het water vond het zo heerlijk warm terwijl het uit het water om te bevriezen was. Ik plooide en even later lag ook ik plenzen in het heerlijk  warme sopje. Ontbijt namen we in het water om niet teveel af te koelen. In de ene hand een tas koffie en in de andere een broodje met ei. Het was een ware kunst om zonder natte handen te ontbijten. Ook het idee dat we nog eens gewassen waren gaf ons een goed gevoel. Na een kleine fotosessie reden we verder naar de laatste bezienswaardigheid "laguna Verde" Daar verzamelden alle jeeps om dan gezamelijk verder te rijden naar ofwel Uyuni of San Pedro. Maar Laguna Verde was aanvankelijk helemaal nog niet zo groen. "Die wordt pas groener als het begint te waaien rond de middag" was de uitleg van een ervaren gids. Daar zaten we dan te wachten en te genieten tot het eindelijk begon te waaien. Na zowat een uur kwam er toch een licht briesje opzetten en zag je inderdaad wat kleurschakeringen in het wateroppervlak. Het was dus toch waar. Nog voor de middag werden de groepen herverdeeld. Ik was van plan om verder naar Chili te reizen en niet zoals vele anderen terug naar Uyuni. Een bus voor de San Pedro reizigers stond ons op te wachten en een nerveuze chauffeur zei me dat mijn fiest niet met de bus meekon. Ik voelde er helemaal niet zoveel voor om mijn fiets daar een dag te laten staan zodat hij `s anderendaags met een andere bus die fiest naar  San Pedro kon brengen maar het leek de enige oplossing. Achteraf had ik natuurlijk naar San Pedro kunnen fietsen maar ik had er toen helemaal geen idee van hoever het was en zeker niet dat het de hele weg bergaf was. We namen afscheid van Volkmar, Kate en Wintelma die terugkeerden naar Uyuni. Maartje en ik kropen in de bus met bestemming Chili en vulden de nodige papieren in. Ook het fruit die de grens niet over mocht aten we liever vlug op dan het weg te gooien. Met een stampvolle bus gringo`s reden we van het hooggebergte naar San Pedro, op zo`n tweeduizend meter. Net voor het dorpje, eigenlijk al lang op Chileens grondgebied moesten we stoppen voor de paspoortcontrole en de bagagecontrole. Iedere rugzak werd er uitvoerig gecontroleerd op groenten, fruit en nog wat producten die het westerse land niet in mochten. Ik had iets teveel voedingswaren bij me en wist niet duidelijk  wat toegelaten was en wat niet. Ik stopte alles in een grote zak die ik buiten achter liet en keerde na de controle gewoon langs de buitenkant van het douanegebouwtje terug om mijn  zak terug op te halen. Heel simpel. Ik was eindelijk in Chili en zag dat bevestigd aan de stempel in mijn paspoort. Dat het opnieuw even  wennen was, is zeker niet overdreven.. Over de cultuurschok, de hoge prijzen, de Chileense zon en de zoektocht naar mijn "verdwenen" fiets heb ik het in een volgende verslag.

Jeroen

 

Back to main page