Franchie en ik zaten nu, nadat Claudia was vertrokken beiden in
Residential Latino. Het was voor mij de gelegenheid om van kamer te veranderen en
mijn rommel een beetje te ordenen. Ik vond er mijn eigen kleren bijna niet meer
terug. We hadden toen nog een kleine week om na te denken over Kerstmis. Om die
week niet al te lui door te brengen in La Paz gingen we op zoek naar een paar
mogelijkheden om nog een paar kleine uitstapjes toe doen. Het eerste idee was
om te gaan skiėn in het hoogste skistation van de wereld. Even buiten La Paz is
er een berg (Chacaltaya) met een skilift die skiėrs tot een hoogte van 5420
meter brengt. Gewoon het idee om eens te gaan skiėn op de hoogste skipiste leek
ons wel wat. Op die berg is er ook een refuge waar je eventueel kunt
overnachten en iets eten. We waren dus
van plan om een dagje te gaan skiėn en om daar de nacht door te brengen om de
volgende dag terug te keren naar La Paz. We gingen een ganse dag op zoek naar
meer informatie ivm transport en prijzen van de skilift. Al gauw bleek dat we
ons idee mochten vergeten. Er is geen openbaar vervoer naar die skilift. Alle
vervoer moet via een reisbureautje gebeuren en die willen daar natuurlijk flink
munt uitslaan. Als we de dag nadien zouden terugkeren waren we helemaal niet
zeker van transport omdat de daguitstapjes naar Chacaltaya niet zo populair
waren. Volgend probleem was dat de skilift enkel in het weekend open gaat of
als er meer dan vijf personen zijn. Prijs voor de lift: 10 dollar, huur van het
skimateriaal: 10 dollar. Uiteindelijk zouden we met alles erop en eraan vijftig
dollar moeten betalen zonder de zekerheid dat we daadwerkelijk zouden kunnen
skiėn. Het was het niet waard en we gingen dan maar op zoek naar een andere
mogelijkheid om La Paz nog even te ontsnappen. We hadden zin om de Huayna
Potosi te beklimmen. Die berg op een paar uur rijden van La Paz is hoger dan
6000 meter. Volgens de vele reisbureautjes was de klim naar de top een makkie,
ook volgens de reisgids trouwens als men maar wat geacclimatiseerd was. Een
tweedaagse hield in dat we de eerst dag in de namiddag een kamp zouden opslaan
om dan rond middernacht naar de top door te steken. Zo zouden we de zonsopgang
vanaf de top kunnen zien en terug beneden zijn voor dat de sneeuw te papperig
is. Ook dit idee werd afgevoerd omdat we heel wat toeristen ontmoetten die hun
klim naar de top moesten opgeven omwille van het slechte weer. Daarboven voelde
ik mij al een paar dagen ongemakkelijk en voelde mij steeds maar zieker en
zieker worden. Eigenlijk was ik niet in staat om eventjes boven de zesduizend
te gaan wandelen. Ik zei tegen Francie:" Hoe je niet in om bij een groep
aan te sluiten maar ik ga niet mee!"
Uiteindelijk besloten we om de bus naar Sorata te nemen. Ik kende dat
dorpje in de Cordillera Real al omdat ik daar destijds vertrok voor de Camino
Del Oro. Ik had toen een goede indruk opgedaan van het hotel waar ik enkele
uren verbleef en ook het dorpje zelf gaf een vredige, rustgevende indruk. Na
een vier uur durend ritje installeerden we ons in de goedkoopste kamers en
dankzij de bookexchange in het hotel had ik een nieuwe dosis leesvoer. Ons
bezoekje aan Sorata bestond vooral uit gezellig lezen in een mooie tuin of
rondlopen op het marktplein en restaurantjes bezoeken. “s Avonds was er telkens
een film in het hotel en zo ontmoetten we weer andere gringo“s. De volgende dag
in Sorata besloten we toch om eens iets actiefs te doen. We informeerden voor
een wandeling van een paar uur. We namen het wandelpad naar San Pedro die
volgen het toeristisch bureautje maar twee uur heen en terug wandelen zou zijn.
Onder een stralende zon vertrokken we met amper een half litertje water naar
San Pedro. Twee uur en we zouden terug zijn in Sorata. Het was dus niet nodig
om zoveel gerief mee te nemen. Dat bleek een grote stommiteit te zijn. Na drie
uur waren we nog steeds niet in San Pedro en de zon begon serieus te branden.
Bovendien hadden we het pad verloren en volgden dan maar een irrigatiekanaal
die aan een steile helling kleefde. We zagen het goede pad onder ons maar
konden er onmogelijk naartoe. Rechts van ons hadden we een muur en links van
ons een steile afgrond. Het kanaaltje van een halve meter breed was ons
wandelpad. Een halve meter was dus breed genoeg om te wandelen maar iemand met
hoogtevrees denkt daar helemaal anders over. Ik kon Franchie uiteraard niet
verplichten om verder te gaan maar terugkeren was een even groot probleem. Na
heel wat gezweet kwamen we een verlaten kerkje tegen met "San Pedro"
als Patroonheilige. We waren moe, uitgehongerd en scheel van de dorst. Toen dat
dorpje helemaal verlaten bleek waren we ontgoocheld. Geen transport terug en
geen drank, niets! Als bij wonder bleek
dat het eigenlijke dorpje iets hoger gelegen was. We kwamen vermoeid aan op het
centrale plein waar de gemeenschap een blijkbaar belangrijke bijeenkomst hield.
Om beurt kreeg iedereen het woord en zelfs vrouwen konden er hun zeg doen. Ze
spraken hun eigen indianentaaltje en we verstonden er dus geen snars van. Op
het einde haalden alle vrouwen uit hun tas een schotel en zetten het op een
groot tafelkleed, op de grond. Er verscheen een immense feestmaaltijd die
jammergenoeg niet voor ons bestemd was. We regelden er wel transport terug naar
Sorata. Twee mannen brachten ons met de motorfiets terug naar het dorpsplein
van Sorata en door onze grote honger was het restaurant "Athai" het
enige die onze aandacht verdiende. Ik las er mijn boek uit die ik meteen weer
kon wisselen voor een ander en vrijdag in de middag keerden we terug naar La
Paz. Het tweedaagse bezoekje aan Sorata had mij deugd gedaan. Ik voelde mij (na
een antibiotica kuur) niet meer ziek en kon weer alcohol drinken. Het oponthoud
door de lekke band van de bus kon ons niet beletten om “s avonds nog eens terug
te gaan naar die Duitse bar en er een liter Caipirina te drinken. Als de
cocktails in aanbieding zijn, gaan we daar natuurlijk op in. We hadden ook
bericht gekregen van Reni dat ze met Kerstmis in Sucre zou zijn. Wij twee
zouden de slaapbus naar Sucre nemen om met z“n drieėn kerstmis te vieren. De
prijzen van de bussen waren rond de kerstdagen wel verdubbeld tot zelfs
verdriedubbeld. Uiteindelijk werd het een vrij dure heen en terugrit naar
Sucre. Maar het is maar een keer per jaar Kerstmis dus... Ik Sucre liepen we wat rond en slaagden er
maar niet in om een deftig restaurant te vinden. Alles bleek dicht te zijn.
Nadat we Reni ontmoetten gingen we met z“n drieėn lekker shoppen. We mochten
van de eigenares van het hotel de keuken gebruiken en we waren dus van plan om
onze eigen kerstmaaltijd te bereiden.
Net voor sluitingsuur vonden we een supermarkt en kon de discussie
beginnen. Wat zouden we klaar maken? Franchie had een paar leuke ideeėn en Reni
bleef maar doordrammen over haar groenteschotel met deegwaren. Ik wou konijn
met trappistenbier klaarmaken of een lamsboutje goed met look doortrokken met
boontjes en een witloofje. Als nagerechtje wou ik flensjes met Rodenbach of
gewone flensjes met een chocoladesausje en een bolletje ijs. Maar ik zag dat de
twee meiden er nauwelijks uit geraakten en hield mijn Belgische keuken maar
voor mij. Bolivie is Belgiė niet en ik nodigde ze dan maar uit om bij
gelegenheid eens naar Vlaanderen af te zakken om ze te laten proeven van onze
bierkeuken. Na de supermarkt brachten we nog een bezoekje aan de markt om de
groenten te kopen. Alle inkopen gingen aan de kant om ze de dag nadien, op
kerstdag zelf klaar te maken. Op de markt kreeg ik een strooibriefje in de hand
gestopt van een restaurantje, hoog op een heuvel van Sucre die eigendom was van
een Duitser. Onze kerstavond brachten we door bij die Duitser die trouwens een
groot aanbod aan gezelschapsspelen had. We speelden de ganse avond kaart en
spelletjes en de wijn... die bleef maar vloeien. Gelukkig was het nadien alleen
maar bergaf terug naar ons hotel. We maakten toch een klein ommetje langs een
van de talrijke kerken in Sucre en waren ontgoocheld toen we de saaie sobere
nachtmis bezochten. Er zat al bijna geen volk en dus viel onze aanwezigheid des
te meer op. Na een lange nachtrust hadden we op kerstdag zelf bijna de ganse
middag nodig om het kerstmaal te bereiden. Het keukenteam stond onder Duits
bewind. Reni had uiteindelijk haar slag thuis gehaald (Franchie en ik gaven
toe) en dirigeerde de keukenploeg alsof ze dat iedere dag deed. Tegen zevenen
en na een kleine rust konden we beginnen met het voorgerecht. Een of ander
Mexicaans specialiteitje waar ik de naam al ben van vergeten maar niet hoe je
het moet klaarmaken. De wijnrantsoenering was voorzien op een fles per persoon.
Genoeg dus. Trouwens, Die Concepcion, die Boliviaanse wijn mag volgens mij
gezien worden. Tijdens het bereiden van de hoofdschotel hadden we gemerkt dat
we iets teveel ingrediėnten hadden gekocht. Al kwam het ganse Boliviaanse leger
0p bezoek, we hadden zeker genoeg. Het begon al flink laat te worden en de
laatste kerstgeschenkjes waren al lang uitgedeeld (en bijna op) toen we die
warme banaan met warme chocoladesaus begonnen. Heerlijk! Op tweede kerstdag
zouden Franchie en ik “s avonds terug de bus naar La Paz nemen maar “s ochtends
hadden we nog een kommetje pannenkoekendeeg die niet in de gootsteen mocht
belanden. Als ontbijt dus aten we de rest van de chocolade en bananen in
combinatie met pannenkoeken. Ik had toen al meer dan een maand niet gefietst en
voelde dat mijn broek niet meer zo los zat als voordien. Ik had het er al meer
dan een maand flink van genomen en voelde dat het maar eens tijd werd voor
verandering. Ik liet mijn plannen om oudejaar in Cusco te vieren voor wat ze
waren en besloot om bij terugkomst in La Paz mijn fiets terug boven te halen.
Na weer een nachtelijk busrit (waar ik naar het schijnt sliep als een baby)
naar La Paz hadden Franchie en ik nog een dag en een nacht om samen afscheid te
nemen van elkaar en van La Paz. Voor de allerlaatste keer gingen we op bezoek
naar die lekkere koffiebars en overgoten onze ingewanden met weer een liter
caipirińa. Uiteindelijk vertrok Franchie op een onmenselijk vroeg uur in de
morgen om verder te reizen naar Santiago en de Paaseilanden. Ik lag nog half te
pitten en had mijn slaapkamer weer voor mij alleen. Ik kon toen ik opstond weer
mijn kleren in alle hoeken van de kamer smijten zonder dat iemand zich daarover
opwond. Ik wou de dag nadien opnieuw gaan fietsen, de draad opnemen waar ik hem
meer dan een maand geleden had laten vallen. Maar ik moest nog mijn fiets
kuisen en mijn voorwiel zien te herstellen. Ik maakte van mijn fiets weer een
nieuwe geoliede machine met startklare banden en kreeg zelfs zin om diezelfde
dag nog te vertrekken. Maar om de speling uit de as van mijn voorwiel te halen
moest ik de bus nemen naar het rijke gedeelte van La Paz. Ik liep over straat
met een wiel in mijn hand toen ik een soortgenoot opmerkte. Phillipe en Daniele
hadden fietspech en waren ook op zoek naar een fietsenwinkel. Zo herken je
fietsers meteen natuurlijk. Wie loopt er anders met een fietswiel over straat.
We wisselden wat gegevens en straffe verhalen uit en beloofden elkaar tot
schrijfs of tot in Zwitserland of Vlaanderen (inderdaad, opvallend veel
Zwitsers hier) Mijn fietswiel kon niet hersteld worden zoals het hoorde. Ze
hadden niet de gepaste sleutel om de tegenmoer vast te schroeven (“t is maar
dat je het weet). Ik keerde dan maar terug naar mijn hotel en bracht er alles
klaar om de volgende morgen opnieuw het zadel te bestijgen. Na nog een kleine
internetsessie kom ik als bij toeval opnieuw Phillipe en Daniele tegen. Ik had
al een paar keer per toeval mensen ontmoet die ik kende en deze keer geloofde
ik niet meer in het toeval. Het was mij al te vaak overkomen. Enfin, We gingen
dan nog maar een keer samen op restaurant en vertelden over reizen en bestemmingen die nog op ons lijstje staan.
"Ssstt, zwijgt! Als je daarover begint kan ik straks niet meer slapen want
daar wil ik ook zo graag nog eens naartoe" Na mijn laatste Cerveza in La
Paz namen we tijdelijk afscheid van elkaar en kroop ik onder de wol, “t is te
zeggen een paar lagen van die stijve dekens die aanvoelen alsof je onder een
loden plaat slaapt. Met "tijdelijk afscheid" bedoel ik dat ik ze
ongetwijfeld nog eens zal tegenkomen aangezien ze ook zuidwaarts, naar Chili
reizen. De volgende morgen kon ik weer gaan fietsen. Om La Paz uit te geraken
moest ik die verdomde canyon zien te overwinnen. Maar eens ik op "El
Alto" was aangekomen kon ik op een vrij vlakke weg verder richting Oruro
fietsen. Je weet dat het regenseizoen hier op volle toeren draait. In de
lowlands zorgt die regen voor afkoeling maar op de Altiplano is die regen
verdomd koud en soms zelfs hagel. Het had de dagen voordien zeker iedere dag
eens flink geregend, zelfs gestormd in La Paz. Het zou tijdens mijn rit naar
Oruro dus niet anders worden. Net voor de middag brak de hemel open. In een mum
van tijd kreeg ik een zondvloed te verwerken waar ik bijna mee wegspoelde. Ik
probeerde mijn schoenen wat te drogen in een wegrestaurant tijdens het
verslinden van een almuerzo. Na mijn middagrust bleek de regen op te houden.
"Bleek" want na nog geen twintig minuten kreeg ik weer een bui te
verwerken om "U" tegen te zeggen. Ik vond een schuilplaatsje bij een
verschrompeld ventje langs de weg. Ik mocht een beetje in zijn garage schuilen
en deed er meteen mijn complete gore-tex uitrusting aan. Ik kon niet blijven
wachten tot het ophield met regenen. Geen geleuter, er door! Het zou te zot
zijn om alle regenvlagen te vermelden. Het waren er teveel en uiteindelijk kwam
ik nat aan in een klein onbenullig dorpje waar als bij toeval twee fietsende
Duitsers even halt hielden. Man en vrouw waren al twintig maand onderweg. Ze
vertrokken in Dresden en reden gewoon eventjes naar Australiė en per vliegtuig
naar Buenos Aires om een beetje in Zuid Amerika rond te toeren. Ik was nu
opvallend heel wat meer fietsers tegengekomen dan tijdens mijn rit door Ecuador
en Peru. Bolivie is dus echt wel een fietsparadijs als je van onverharde wegen
houdt. Na een babbeltje en een theetje gingen we elk weer onze weg en net voor
valavond vond ik een slaapplaats bij een lokaal gezin. Ik overdrijf niet als ik
zeg dat mijn kamer een omgebouwd hondenhok was. Achteraan in de tuin (lees
stortplaats van oude metalen) kreeg ik een hok toegewezen. Ik trok er mij niets
van aan, ik was daarvoor te moe van mijn eerste fietsdag na mijn veel te lange
inactiviteit. De volgende morgen had ik een tijdje last van zadelpijn. Ik
voelde duidelijk dat ik het niet meer gewoon was om op dat smalle zadel te
zitten. Mijn tweede fietsdag was een heruitgave van de voorgaande. Zon maar
vooral serieuze regenbuien. De wegen waren eindeloos lang, rechtuit, zonder
verrassing, saai dus. Voor de laatste 38 km naar Oruro kon ik gerust mijn stuur
blokkeren. Ik had nog nooit zo“n lange rechte weg gezien. Het leek wel een
heruitgave van de Sechura woestijn in Peru. Het verschil was dat ik na 100 km
nu steendood zat en in Peru deed ik er meer dan het dubbele in een dag. In de
middag kwam ik moe in Oruro aan. Ik denk dat buiten het jaarlijkse
carnavalfeest daar niet veel te beleven valt en was dus gauw rond met mijn
verkenning van het stadje. Ik kan mij niet herinneren dat het in Oruro eens
niet regende. Het was een druilerige dag, echt zo“n dag om te lekker terug te
trekken in een bioscoop. Ik zag er een kwaliteitsloze Amerikaanse film en nog
voor ik het wist was de tweede film al begonnen. Het licht ging nog nooit aan.
Eindgeneriek en hup, de begingeneriek van de tweede film begon. Ik was
verzadigd van pulp en verliet de zaal om, jawel door de gietende regen terug
naar mijn hotel te gaan. Ik kwam de volgende dag wakker en hoorde het regenen.
Dat moment besloot ik om de bus naar Potosi te nemen. Met de fiets zou ik er
minstens drie dagen over doen en de weg zou na 120 km niet meer verhard zijn en
door een nogal afgelegen gebied lopen. Wel, ik geef toe dat ik het niet zag
zitten en voor de makkelijkste oplossing koos. Het was ondertussen al 31
december en wie weet zou ik die avond nog in Potosi geraken. Ik was helemaal
niet meer van plan om voor oudejaar speciale dingen of reizen te ondernemen.
Als ik die nacht toevallig in mijn tentje sliep dan zou ik mij daar helemaal
niet slecht bij gevoeld hebben. Maar als ik dan misschien toch in Potosi kon
geraken, waarom niet? Mijn bus had een beetje vertraging en uiteindelijk kwam
ik op het meest ongelukkige moment van de nacht toe. In plaats van halfacht “s
avonds kwam ik aan rond een paar minuten voor middernacht aan. Met mijn fiets
zocht ik een hostalletje en was er de eerste gast van het nieuwe millennium.
Stel je voor: 1/1/1 en daarnaast mijn naam in het gastenboek van hotel
"Maria Victoria". De eigenaar stopte me een glas limonade in de hand
die ik dorstig naar binnen goot. Ze noemen het hier wel "Cider" en is
afkomstig van Argentiniė maar voor mij was het door mijn dorst net als
limonade. Nadat ik alle spullen in mijn kamer had achter gelaten ging ik op
ronde in de stad. Ik werd een paar keer opgeschrikt door het vuurwerk die zo
dicht bij mij ontplofte. Ik moest terugdenken aan die Nederlandse slogan ter
voorkoming van vuurwerkongevallen. "Je bent een rund als je met vuurwerk
stunt" En geloof me, Potosi zat vol met rund die nacht. Terug in mijn
hotel ontmoette ik een grote groep van jongeren uit alle hoeken van de wereld.
Allen sliepen ze in hetzelfde hotel en zongen dezelfde Spaanse kwijlliedjes.
Rond drie--een hield ik het voor bekeken en zocht mijn bedje op. Ik had de
eerste dag van het nieuwe millennium al haatgevoelens tegenover die Duitsers
die nog eens de Duitse hitparade op het binnenkoertje, net voor mijn slaapkamer
lieten horen. Pure klankpollutie!! De eerste januari is ook hier een feestdag
en kon ik een bezoekje aan de mijnen wel vergeten. Ook de musea in Potosi waren
dicht maar de hemelsluizen... die waren
geopend. Ik leuterde wat rond door de straatjes van Potosi toen ik voor de
zoveelste keer op straat mijn naam hoorde. Deze keer geen Franse
"jerooome" of een Engelse " Jeroen" maar een heel mooi
klinkende Nederlandse uitspraak van "Jeroen". "Wie mag dat nu
zijn" was natuurlijk mijn eerste gedachte. "Mijn God, het is Elvire
en Patrick". Ik had Elvire en Patrick leren kennen in Quito toen we beiden
wat Spaans studeerden. Sedertdien had ik nooit meer iets van ze gehoord maar
wist alleen dat ze zoals iedereen zuidwaarts zouden reizen. Mijn middag was
meteen gevuld. Na heel wat koffie was ik volledig op de hoogte van hun reis
doorheen Ecuador en Peru. We zaten samen aan tafel met nog een ander Nederlands
koppel die ook op wereldreis is en het leuke was dat ook zij, na mij in Sorata
geweest zijn. Ik zag de boeken verschijnen die ik er had achtergelaten en nu
ook hun reis verder zetten naar Chili. Je komt dus niet alleen dezelfde mensen
tegen maar ook dezelfde boeken. Zeg nog een keer dat de wereld
"groot" is. Ik had een bezoekje aan de mijnen geboekt en 's
anderendaags om negen uur werden de rubberlaarzen, helmen en beschermende
jasjes gepast en gekeurd. Met een groepje van negen doken we in een minibusje
met als bestemming: de 'cerro rico' Onze gids heette Frank Sinatra en dat was
zeker niet de enige mop die hij voorradig had. Na een kleine uitleg bij de
ingang van de mijn over privatiseringen en coöperatieven, werkomstandigheden honderden
jaren terug en nu gingen we naar een klein verkoopsstalletje waar je
geschenkjes voor de mijnwerkers kon kopen. Het was niet verplicht om als
toerist geschenkjes te kopen maar ik voelde toch dat het ten zeerste werd
aangeraden, een lichte dwang zelfs. De geschenkjes waren bijvoorbeeld:
cocablaadjes, sigaretten, dynamiet en alcoholische drank van bijna 100 %. Voor
de jeugdige arbeidertjes kon je koekjes, brood of frisdrank kopen. Net voor het
binnengaan in de mijn kregen we allemaal nog een carburelampje. Al gauw hadden
we de truck door om door aan die regelklep de watertoevoer te regelen en een
vlam van jewelste te maken. Het was wel leuk om met die lantaarn
steekvlammetjes te maken maar minder leuk toen die ganse lantaarn in brand
stond. De gids nam mijn lantaarn af, schudde ermee, blies de vlammen uit en ik
kon weer verder spelen. Na wat geploeter door die smalle mijngangetjes gaf
Frank Sinatra nog een hele uitleg over het opzoeken van nieuwe aders en het
uitkappen daarvan. Telkens er een mijnwerker met een kruiwagen passeerde was
zijn begroeting steeds weer: 'Buenas noches'. Echte mijnwerkershumor. We gingen
op bezoek bij een zeventienjarige jongen die duchtig bezig was met het kappen
van een gat voor een dynamietlading. Alsof het de eerste keer was dat de gids
die jongen zag vroeg hij naam, leeftijd, het aantal uren dat hij werkte en
vertaalde het platte mijnwerkerstaaltje voor ons, de gringo's. Een beetje
verder zat zijn vader te werken. Hij was al over de vijftig en ik merkte op dat
hij al dood had moeten zijn wou hij de statistieken niet vervalsen. Een
tegenslag voor de gids was dat de mijnwerker zei dat hij acht ton erts in twee
weken bovenhaalde. Onze humorist Sinatra had eerder gezegd dat acht ton
bovenhalen zo'n goeie maand duurt. Telkens we weer verder gingen zei de veel te
vette Frank Sinatra: 'Vamos a la playa' en wij maar denken dat we naar een ondergronds meertje gingen. Na heel wat
bezoekjes aan verschillende mijnwerkers en - werkertjes konden we zien hoe een
dynamietlading werd aangebracht. Lontje, vuurtje en wegwezen. We zaten met z'n
allen op veilige afstand toen een doffe dreun hoorden en een krachtige
luchtverplaatsing enkele lantaarns doofde. Het opscheppen en naar boven dragen
kon voor de mijnwerkers beginnen. De zakken waarmee ze het erts naar boven
sjouwden kon ik niet opheffen maar die pezige Bolivianen hadden daar geen
moeite mee. Na een paar uur kruipen, sluipen, cadeautjes geven en van de kou
beven zagen we terug het daglicht. Het was al over de middag maar het droge
mopje van Frank Sinatra: 'Buenas noches' hield nu helemaal geen steek meer. Na
het inleveren van de uitrusting gingen ik met een Duits Nederlands gezelschap
op restaurant om die lokale lamasteak te proberen. Laat ons zeggen dat de
aardappelpuree even lekker was. In de namiddag ging in met Maartje het 'Casa de
Moneda' bezoeken. Aanvankelijk leek het me een saai museum. Ik had al heel wat
schilderijen uit de koloniale tijd gezien en die in het Casa de moneda leken in
geen enkel opzicht anders dan die schilderijen in Cusco of bvb Lima. Commentaar
leveren op alles wat hangt, staat en rondloopt was een leukere bezigheid dan
aandachtig luisteren naar dat in maatpak gegoten, zonder intonatie zoemende,
modelgidsje. Maar na de schilderijen bezochten we de muntslagerij, een ingenieuze
walsmachine (duidelijk uit Spanje geļmporteerde technologie) en enkele
galerijen met talloze ertsen en gesteenten. Dat moet een paradijs zijn voor
alle geologen en steenverzamelaars. Ik ben helaas geen van beiden. Maar het
Casa de moneda had nog heel wat interessante hoekjes en kamertjes die een
bezoek van twintig Bolivianos wel rechtvaardigden. Met zo'n gegidste mijnbezoek
en een hostal vol gringo's leer je natuurlijk al gauw nieuwe mensen kennen en
zo gingen we die avond met een achttal de boemel op, eens gaan stappen in
Potosi. Het lokale bier 'Potosina' vergeet ik nooit meer aangezien ik er heel
wat van dronk, zelfs meer dan goed voor me was. Gelukkig had er maar een iemand
zin om naar de karaoke bar te gaan zodat ik ook aan die afgang ontsnapte. De
meeste van mijn 'nieuwe vrienden'
zouden allemaal de volgende dag naar Uyuni reizen om er nadien met een
georganiseerde toer de Salar te bezoeken. Ik wou best wel met Maartje, Volkmar
en Gert naar Uyuni en besloot weeral om met de bus te gaan. Met de fiets zou ik
er te lang over doen en die regen zou me ook teveel parten spelen. De volgende
morgen had ik al een ticketje voor de bus zonder te weten dat het centrum van
Potosi volledig was afgesloten door protesterende chauffeurs die niet akkoord gingen met de hoge brandstofprijs. Er
was geen verkeer in of uit Potosi mogelijk. Ook de bus kon dus niet vertrekken.
Het kantoor en de stoep voor het kantoor van de busmaatschappij zat vol met
toeristen die naar Uyuni wilden reizen. De ene jaagde zich al meer op dan de
andere. Zo kun je ook de twee-weekstoeristen van de langdurige reizigers
onderscheiden. Die hebben het al geleerd om zich nergens over op te winden en
zeker niet het verkeer in een land als Bolivie. Na een paar uur wachten kregen
we te horen dat alles bloktoe zat. Een loopjongen van de busmaatschappij had
bijna alle straatjes afgelopen en nergens een doorgang gevonden. Er was
uiteindelijk wat westerse ondernemingsgeest nodig om een oplossing te forceren.
Het was eigenlijk heel eenvoudig. We rijden Potosi uit en bij een blokkade
verzamelen wat geld in om die protesterende chauffeurs om te kopen en de weg
vrij te maken. Met meer dan de helft toeristen op de bus kon dat geen probleem
zijn. Met heel wat vertraging werd uiteindelijk de bus geladen en laf mijn
fiets boven alle andere rugzakken. We reden... twee uur geleden had niemand
gedacht dat we dat die dag nog zouden meemaken. We reden een paar rondjes door
Potosi maar telkens maakte de chauffeur rechtsommekeer om een andere doorgang
te vinden. Uiteindelijk had hij het
gevonden en reed hij naar de spoorlijn toe. Eens we over die rails geraakt
waren hobbelden we over de biels. Een beetje naar links, een beetje naar rechts
en het werd alsmaar gevaarlijker zeker toen we over een spoorwegdijk reden die aan
de linker en rechter zijde een vijftiental meter steil naar beneden liep. Nog
een keer over die rails en nog een paar hobbelige straatjes en uiteindelijk
konden we voorbij het tolstation de weg naar Uyuni op. Het was weer zo'n echte
lokale busrit waar op de meest eenzame verlaten plaatsen mensen op- of
afstappen. Kinderen lagen te slapen onder, tussen half op zetels en die jonge
Boliviaan die met gans zijn gezin op reis was zat op de grond aan mijn voeten
en ik had het gevoel dat die op mijn schoot wou zitten. Hij kwam alsmaar
dichter en dichter. Net voor Uyuni barstte een onweer los die waarvan de
bliksem een fel licht op de Salar wierp. Het was toen de eerste keer van mijn
leven dat ik (eindelijk) de grootste zoutvlakte van de wereld zag. Tijdens de busreis
had ik ook kennis gemaakt met 'sprekende kut' en zijn aanhangsel. Het was een
Duits koppel en hij had een sikkebaardje (vandaar zijn bijnaam). Ze bleven maar
zagen over de vertraging van de bus en hadden voor niets een positief woord.
Echt een vervelend koppel die ook steeds maar beroep deden op andermans kennis
van het Spaans om hun zaakjes te regelen. "Wil je eens vragen dat, wil je
eens vragen dit..." Bij de aankomst in Uyuni vermeden Maartje en ik dat we
samen hetzelfde hotel zouden slapen. We hadden er beiden meer dan genoeg van.
Toen we dachten dat we een afgelegen hotel hadden gevonden waar we ze zeker
niet zouden tegenkomen verscheen natuurlijk... uiteraard de sprekende kut met
zijn aanhangsel. Maartje, met wie ik een toer door de zoutvlaktes en naar San
Pedro in Chili zou maken ontmoette er per toeval een Nederlandse vriendin die
in hetzelfde hotel sliep. Ze maakte haar eventjes wakker en met z'n drie--een
gingen we nog eens op stap in Uyuni (waar je trouwens moet opletten dat je niet
voorbij het centrum stapt) Ook Volkmar en Gert, de twee Duitsers die met de
moto vanuit Potosi kwamen waren al aangekomen. De volgende morgen brachten we
een bezoekje aan het kantoortje van 'Colque' bij wie we telefonisch een tour
hadden gereserveerd. Ze maakten ons elk 75 dollar armer meer het vooruitzicht
was veelbelovend. Met wat gespeelde domheid vermeden we dat we de jeep niet met
Duitsers moesten delen en uiteindelijk zaten we met vijf toeristen in een jeep,
wat heel comfortabel bleek. Mijn fiets ging bovenop de bagage en in de jeep
maakte ik kennis met Kate en Wintelma uit de UK. Volkmar kende ik al en met
Maartje had ik net de kamer gedeeld en kende ik dus ook al. Onze chauffeur noemde Saul. Het eerste uur
was dat ook het enige wat hij zei. "Ik heet Saul" Met openstaande
vensters om toch voor een beetje afkoeling te zorgen reden we naar het dorpje
"Colchani" waar de Salar eigenlijk begint. Het dorpje ligt aan aan
spoorlijn en het zout die uit de vlakte wordt gewonnen gaat in Colchani de
trein op om verder in oa Braziliė verwerkt te worden. We wisten dat de Salar
door de regen onder water stond maar hadden nooit gedacht dat op sommige
plaatsen het water wel tot dertig centimeter diep was. Volgens Saul zou het
eind februari nog wel erger zijn. De hoogste waterstand in het regenseizoen zou
zo“n veertig centimeter zijn. Voor onze jeep was dat allemaal geen probleem
alleen moesten we een beetje trager rijden dan tijdens de winter (vandaar dat
we ook iets meer moesten betalen wegens extra bezine-verbruik) Heel wat jeeps
reden in colonne naar het hotel die daar midden in de zoutvlakte volledig van
zout is opgetrokken. Alles, de buitenmuur, de meubels, de bedden, alles is er
van uit de vlakte gekapte zoutblokken gemaakt. Enkel het dak leek me van iets
anders te zijn gemaakt. Het zicht zo midden in de Salar was.. Ja, was om nooit
te vergeten. Je moet het gewoon gezien hebben. Ik voelde tijdens die eerste
uren al aan dat het bezoek aan de zoutvlakte en de laguna“s Verde en -Colorado
het hoogtepunt van mijn reis tot nu toe zouden worden. Later zou blijken dat ik
gelijk had. Normaalgezien is bij een bezoek aan de zoutvlakte in de winter de
hemel staalblauw en krijg je uitzinnig mooie contrasten. De zomer en het water
heeft dan weer het voordeel dat de Salar een immense spiegel is geworden. De
wolken die boven de vlakte hangen worden in spiegelbeeld nog eens weergegeven.
Je ziet alles dubbel en de spiegellijn moet de horizon zijn. Je ziet dus geen
horizon zoals aan zee met een duidelijke lijn tussen blauwe hemel en witte
vlakte, maar je moet de horizon zoeken daar waar die ene wolk of berg precies
op de andere past die dan gewoon op zijn kop staat. Bizar. Na een gezamelijke
lunch aan het zouthotel (20 of 40 USD) reden we meer dan een uur verder
richting "Isla de Pescado" Saul deed ons even schrikken door achter
het stuur in slaap te vallen. Maar in de zoutvlakte kan dat natuurlijk geen
kwaad. Niets die in de weg staat. Ook zijn achteruitkijkspiegels gebruikt hij
niet. Hij hangt gewoon uit het venster en blijft zo zeker twee minuten gewoon
naar de achterliggers kijken en teken doen. Geen mens die zich daar aan stoort.
Isla de Pescado is een eilandje vol met cactussen midden in de zoutvlakte. Van
het hoogste punt van het eilandje leek het wel of dat de andere aankomende
jeeps bootjes waren die met een amfibie-uitrusting aan land kropen. In de
verste verten was alleen mar zout, water en wolken te zien. Het eilandje leende
er zich uitstekend toe om een paar mooie foto“s te nemen die hopelijk veel meer
zullen vertellen dan de mooiste of langste beschrijving van de Salar. De
chauffeurs hadden toen een andere bezigheid. Ze moesten terug al het zout die
met het opspattende water zich op de radiator had vastgezet verwijderen. De
motoren liepen te warm. Over de carrosserie zullen we het niet hebben. Die
roest weg zoals sneeuw voor de zon smelt. Na een wandelingetje op het eiland
riep onze Saul "Ahoy, Ahoy" en begrepen we dat het terug tijd was om
in te schepen en verder te gaan. We reden weg van het eiland en uit de Salar.
Nog steeds onder de indruk van het perfecte spiegelbeeld namen we afscheid van
de Salar en volgden een modderige weg naar een van de twee kleine dorpjes waar
we zouden overnachten. Onze chauffeur wou een korter weg nemen en vroeg aan
zijn achterligger om hem te volgen. Het was wel een kortere weg maar er was
meer gevaar om vast te zitten in de modder. Alleen zou hij dat niet doen.
"Je moet minstens met twee jeeps zijn" zei Saul. De andere jeep zat
inderdaad een keer vast en schudde al zijn passagiers uit om te helpen duwen.
Onze Saul was een kenner die ze zo uit Parijs Dakar hadden geplukt, die op dat
moment volop bezig was, om ons met meesterlijke vaardigheid door die putten te
loodsen. Klein ventje maar met grote (jeep-) kennis. In zo“n klein dorpje
kwamen alle touroperators samen zodat er uiteindelijk meer gringo“s in het dorp
sliepen dan Bolivianen. Maar de Bolivianen die er woonden verdienden goed geld
aan het verkoop van bier en likeur. Ik had misschien met opzet wat Boliviano“s
gespaard om ze aan zo“n dingen te kunnen uitgeven. En in goed gezelschap drink
je net iets makkelijker en schenk je ook iets makkelijker. Na een maaltijd die
eigenlijk heel goed meeviel en geen typische kampkost was bleven we maar gieten
met die rum en jenever. "Nee, nee, we drinken koffie en thee maar je mag
er niet aan ruiken." Was het door die drank of door de opgedane indrukken
dat ik niet de minste moeite had om de slaap te vatten? Ik sliep in ieder geval
alsof het mijn laatste slaapje was want Kate vertelde me “s anderendaags dat ik
net stervende was. De volgende morgen stond een riant ontbijt op ons te
wachten. Ik had nooit gedacht dat ik op zo“n jeeptour zo“n ontbijt zou krijgen.
Met een goedgevulde maag werden de rugzakken op het dak geladen en als laatste
mocht ook mijn fiets bovenop alle andere bagage. Na nog geen halfuurtje rijden
doemde er een enorme bruine vlakte voor ons op. Geen zoutvlakte maar een
moddervlakte met ook een laagje water eroverheen. De jeeps waren zoveel
mogelijk op hetzelfde tijdstip vertrokken en toen wij aan de oever van het
moddermeer kwamen zagen we al een aantal jeeps ploeteren door de modder. We
reden een gestrandde jeep voorbij die tot aan zijn as in de modder zat. De
passagiers waren volop bezig met het duwen en sleuren aan de jeep om hem weer
los te krijgen. We lagen in een deuk van het lachen en schoten wat treiterige
foto“s van het tafereel. Na nog geen vijf minuten verstomden we toen ook onze
jeep vertraagde en het achterste de dieperik in wegzonk. O o, Onze Saul was dus
ook maar een mens het nu hadden wij het ook zitten. Saul probeerde zijn auto
los te krijgen maar riep ons al gauw ter hulp. Met z“n allen duwen aan de
motorkap, doorslippende wielen, opspattend modder en jawel, vuile kleren. Onze
schoenen waren net al loden klompen die telkens weer, bij iedere voetstap een
vijftal centimeter wegzonken. De jeep geraakte maar niet uit de modder (Drie
vrouwen en twee mannen, Hmm) en Saul begon met de blote handen modder weg te
graven. Ik was toch al helemaal beslijkt en besmeurd en hielp maar al te graag
een handje. Lekker alles vol met modder. Het had niet veel gescheeld of we
begonnen een moddergevecht. Er was water, zon en vooral veel modder. Mijn
tegenstreefster, Kate, bedacht zich en school in de jeep. Uitstel was
natuurlijk geen afstel. Het interieur van de jeep was ook al niet meer om aan
te zien. Saul wou duidelijk met zijn voorgangers verder rijden en had dus
haast. Schoenen kuisen was dus tijdverlies. Bij het zien van die moddervlakte
en de Salar die beiden onder water stonden was ik ervan overtuigd geraakt dat
het fietsen daar onmogelijk was. Een georganiseerde tour was inderdaad de beste
oplossing maar zo heb ik een reden om in de winter terug te komen. Ik had er zo
graag die Salar met de fiets overgestoken. Maar... we reden weer. Met
slippartijen en op hol slaande motor geraakten we toch wat verder door die
moddervlakte tot ... tot de jeep weer geleidelijk aan tot stilstand kwam. Deze
keer zaten we niet vast in de modder maar hadden we problemen met de
ontsteking. Saul moest alle bougiekabels drogen en ook de verdeelkop werk
helemaal gekuist. We hadden al meer als een boot over die vlaktes gereden dan
als een auto. Een beetje vochtigheid was dus niet abnormaal. Na vijf minuutjes
waren we weer op weg om onze voorliggers in te halen. Maar het scenario herhaalde
zich. En telkens werd het moeilijker om de motor weer te starten. Na nog een
drietal keer uitkuisen van de verdeelkop en het drogen van alle contacten
dachten we dat we eindelijk goed op weg waren toen met een doffe, korte krak
dat auto weer stil stond. Diagnose: De rotor van de verdeelkop was gebroken en
geloof me, als je geen nieuwe bij hebt, dan heb je een probleem, dan bel je
maar beter even naar Apeldoorn. Maar je moet weten dat Bolivianen plantrekkers
zijn. Er is geen probleem dat ze niet kunnen oplossen (al duurt het soms wat
lang). Plots lagen er twee tubes tweecomponentenlijm op de motorkap. De twee
helften van de rotor werden keurig aan elkaar gelijmd en in de verschroeiende
zon te drogen gelegd. Uiteindelijk ging het zo goed als nieuwe onderdeel terug
waar het vandaan kwam en startte de motor zonder enig probleem. We zouden voor
de rest van de dag geen technische problemen meer hebben. Onze rit ging verder
langs oa een militaire controlepost. Toen ik een van de bewakers naar buiten
zag komen leek het me meer op een kindertuin. Er waren nogal wat jonge
soldaatjes gelegerd en in een soort grote paddestoel zat het grootste kind en
die mocht de paspoorten van toeristen controleren. Ze hadden waarschijnlijk
maar dat te doen. Nadien stopten we nog een paar keer om bij een mooi panorama
wat foto“s te maken en bij het mooiste zicht van die voormiddag stopten we voor
lunch. Een meertje met een al lang vergeten naam zat vol met flamingo“s (en een
paar gringo“s) Saul bereidde de groentjes en nadien genoten we van een absolute
stilte aan de oever van dat meer. Flamingo“s probeerden als een vliegboot uit
het water te geraken, scheurden in paar rakelings met hun teentjes boven het
wateroppervlak en wonnen uiteindelijk toch wat hoogte. Ook het grote
flamingodefilé was de moeite. Plots stonden voor ons een tiental flamingo“s die
allemaal tegelijk met hun vleugels stonden te zwaaien. Ik gaf nummer vijf een
acht voor de driedubbele vleugelklapwiek. Op zo“n plaats moest ik denken aan
alle relaxatiemuziekjes, -geurtjes en -commercie. Het verviel allemaal in het
niets toen ik daar zat, luisterend naar stilte en kijkend naar gespiegelde
vogels. Onbetaalbaar!! Na een uitgebreide rust en lunch aan dat meer, reden we
onder een meer en meer dreigende hemel naar de open woestijnvlaktes en de
"Stonetree" Ik had de dag voordien gemerkt dat drie van onze groep
een walkman bij hadden. Ik had mijn cassetje dus al klaar en leende de walkman
van Kate (Zoals je misschien weet het ik in mijn bagage 1 CD en 1 cassetje maar
geen Walk- of Discman. Ik moet mijn CD beluisteren wanneer ik, zoals nu een
verslag zit te schrijven en mijn cassetje moet ik met een geleende walkman
beluisteren. Zo beluister ik ze beiden niet teveel en behouden ze hun
"waarde") Het landschap
schoof voorbij en ik zat uit het venster te staren en hoorde oa Bach, Mozart en
Vandenbudenmayer. De combinatie van een surrealistisch Boliviaans maanlandschap
en klassieke muziek... Ze moesten mij even gerust laten want ik was soms als
versteend bij het zien van die al die zonderlinge stenen. Enige tijd later
kwamen we aan bij een ander kunstwerkje van moeder natuur, die stonetree. Een
rotsblok die net de vorm had van een boom... Tot zover mijn beschrijving. De
rest moet je gewoon zien. Weet ook dat een boom pas een boom wordt door z“n
omgeving. In een bos vallen bomen niet zo op. Maar die stenen boom stond daar
moederziel alleen in het niets neergeplant. Bizar. Onze laatste
overnachtingsplaats was in zicht. We hadden het vooruitzicht op een kort
nachtje aan de oevers van Lago Colorado, een rood-bruin meer. De bewolking
zorgde ervoor dat we met ons fototoestel geen postkaartjes konden maken. Ik kon
ook niet aan de verleiding weerstaan om even op die boraxvelden te gaan
fietsen. Althans dat was toch wat die Duitse scheikundige ons wijsmaakte, dat het borax was. Net een
sneeuwvlakte met rubberachtige sneeuw onder mijn echte rubberbanden. Net zoals
de dag voordien kwamen alle groepen op dezelfde plaats samen en werd er door de
chauffeurs en wat aanwezige vrouwen gekookt. Onze Saul kwam ons na het eten
melden dat we de volgende dag om vijf uur zouden vertrekken en hij ons om vier
uur dertig zou komen wekken. Vroeg in de morgen, madrugada zeg maar zou er ook
geen elektriciteit zijn en moesten we er op voorhand voor zorgen dat onze
rugzakken zoveel mogelijk gepakt waren. Maar voor we gingen slapen hadden we
weer alle tijd om ons aan de rum en het bier te bezatten. Schrijven in het
dagboek werd alsmaar moeilijker zeker als je met drie tegelijk zit te
schrijven. Maartje, Volkmar en ik probeerden wat achterstand in te halen maar
die drank... werkte wat tegen. Na een kort nachtje (de volgende dag zouden we
in de jeep wel slapen) rinkelden en piepten de alarmen en in een recordtempo
lagen alle rugzakken en mijn fiets boven op de jeep en zaten we met echte
winterkledij in de jeep. Het was nog donker toen Saul begon te racen met die
andere jeep waarvan hij blijkbaar niet kon verdragen dat hij ons inhaalde. We
kwamen alleen maar sneller op onze volgende bestemming aan. We zagen wat
rookpluimen van rechts naar links waaien en Saul gaf ons een kleine uitleg over
de geisers. De reden waarom we zo vroeg moesten vertrekken was ook duidelijk
geworden. Om een of andere reden zijn die geisers enkel in de vroege ochtend op
z`n mooist. Net voordat de zon van over de bergen zijn stralen op die geisers
kan werpen is het er veel kouder en zijn die rookpluimen van tientallen graden
veel beter te zien. Ik had eerder wel al iets dergelijks op televisie gezien
maar kon niet geloven dat het in werkelijkheid zo mooi was. Poeltjes met grijze
kokende brei die brubbelde alsof het kokende verf was. Nu en dan sprong er een
flinke klonter uit het kratertje en bleek dat de gevarenwaarschuwing meer dan
terecht was. Er was geen omheining. Je kon overal door, op en over lopen en voor
die Japanner enige tijd terug is dat verkeerd afgelopen. Levend gekookt! Het
was er net voordat de zon over de bergen geraakte ijskoud en die hete
rookpluimen waren het ideale verwarmingsmiddel. Veel te vroeg moesten we ook
van dat natuurwonder afscheid nemen en reden we verder naar de volgende
attractie nl.:"Aguas calientes". Ondertussen waren we ook het hoogste
punt van de ganse tocht gepasseerd (4900 meter) en ervoeren we de
zuurstofarmoede in de lucht door het slappe motorvermogen. Alsof Saul geen zin
had om hem op z`n staart te duwen. Tijdens de afdaling zagen we een
adembenemend (4500 meter) wolkendek onder ons liggen. De wolken waren net het
was wateroppervlak van een zoveelste meer. Hier en daar priemden wat bergtoppen
door het wolkendek alsof het kleine eilandjes waren . In de Salar reden we als
het ware met een boot maar deze keer reden we met een duikboot. We doken onder
het wolkendek en stopten bij de warmwaterbronnen. De regio bruist er letterlijk
van vulkanische activiteit en een warmwaterbadje mocht daar natuurlijk niet bij
ontbreken. Terwijl de anderen met het ontbijt bezig waren en nog anderen
twijfelend aan de kant stonden, lagen al wat poedelnaakte duisters in het
ondiepe water te spartelen. Het was misschien wel een beetje een ontgoocheling
dat het maar zo`n klein waterbadje was en ik
was aanvankelijk niet van plan om daarvoor uit de kleren te gaan. Maar
iedereen in het water vond het zo heerlijk warm terwijl het uit het water om te
bevriezen was. Ik plooide en even later lag ook ik plenzen in het heerlijk warme sopje. Ontbijt namen we in het water
om niet teveel af te koelen. In de ene hand een tas koffie en in de andere een
broodje met ei. Het was een ware kunst om zonder natte handen te ontbijten. Ook
het idee dat we nog eens gewassen waren gaf ons een goed gevoel. Na een kleine
fotosessie reden we verder naar de laatste bezienswaardigheid "laguna
Verde" Daar verzamelden alle jeeps om dan gezamelijk verder te rijden naar
ofwel Uyuni of San Pedro. Maar Laguna Verde was aanvankelijk helemaal nog niet
zo groen. "Die wordt pas groener als het begint te waaien rond de
middag" was de uitleg van een ervaren gids. Daar zaten we dan te wachten
en te genieten tot het eindelijk begon te waaien. Na zowat een uur kwam er toch
een licht briesje opzetten en zag je inderdaad wat kleurschakeringen in het
wateroppervlak. Het was dus toch waar. Nog voor de middag werden de groepen
herverdeeld. Ik was van plan om verder naar Chili te reizen en niet zoals vele
anderen terug naar Uyuni. Een bus voor de San Pedro reizigers stond ons op te
wachten en een nerveuze chauffeur zei me dat mijn fiest niet met de bus meekon.
Ik voelde er helemaal niet zoveel voor om mijn fiets daar een dag te laten
staan zodat hij `s anderendaags met een andere bus die fiest naar San Pedro kon brengen maar het leek de enige
oplossing. Achteraf had ik natuurlijk naar San Pedro kunnen fietsen maar ik had
er toen helemaal geen idee van hoever het was en zeker niet dat het de hele weg
bergaf was. We namen afscheid van Volkmar, Kate en Wintelma die terugkeerden
naar Uyuni. Maartje en ik kropen in de bus met bestemming Chili en vulden de
nodige papieren in. Ook het fruit die de grens niet over mocht aten we liever
vlug op dan het weg te gooien. Met een stampvolle bus gringo`s reden we van het
hooggebergte naar San Pedro, op zo`n tweeduizend meter. Net voor het dorpje,
eigenlijk al lang op Chileens grondgebied moesten we stoppen voor de
paspoortcontrole en de bagagecontrole. Iedere rugzak werd er uitvoerig
gecontroleerd op groenten, fruit en nog wat producten die het westerse land
niet in mochten. Ik had iets teveel voedingswaren bij me en wist niet
duidelijk wat toegelaten was en wat
niet. Ik stopte alles in een grote zak die ik buiten achter liet en keerde na
de controle gewoon langs de buitenkant van het douanegebouwtje terug om
mijn zak terug op te halen. Heel
simpel. Ik was eindelijk in Chili en zag dat bevestigd aan de stempel in mijn
paspoort. Dat het opnieuw even wennen
was, is zeker niet overdreven.. Over de cultuurschok, de hoge prijzen, de
Chileense zon en de zoektocht naar mijn "verdwenen" fiets heb ik het
in een volgende verslag.
Jeroen