De
buschauffeur had mij aan "Hospedaje San Cayetano" gedropt waar er
gelukkig nog licht was en ik zonder al te veel onderhandelen over de prijs
meteen naar bed kon. De volgende morgen hoorde ik de regen weer op het dak
pletsen. De wind was weer lekker aan het "buisen" en ik had helemaal
geen zin om op te staan. Van mijn ontbijt maakte ik maar meteen een brunch en
vertrok net voor de middag op verkenning door het centrum van Coyhaique.
Sommige straten stonden half blank en er werden houten bruggetjes geplaatst om
zonder natte voeten de straat te kunnen oversteken. Mensen liepen zo dicht
mogelijk tegen de huizen aan of liepen met gevaarlijke paraplu`s om wat
bescherming tegen de nattigheid te vinden. Het was zo`n dag om lekker gezellig
een koffie te drinken in een mooi ingerichte bar met uiteraard een lekker stuk
taart. Veel was er niet te verkennen in Coyhaique. Nadat ik de plaza en een
paar winkelstraten had gezien en mij wat beter kon oriënteren ging ik met natte
kleren die koffie gaan lurpen en installeerde mij even later achter het scherm
van een computer om wat te internetten.
Ik
was volop bezig met het schrijven van mijn vorige verslag toen ik Wouter en
Heleen zag binnenkomen. Ik hoef ze al niet meer voor te stellen denk ik. Nadat
ik ze de laatste keer langs de ruta 40 zag, hadden ze met hun jeep een stuk van
de camino austral gereden en uiteindelijk kwamen ze een dag vroeger dan ik in
Coyhaique aan. Ze liepen ook wat in de stad rond met volledige regenuitrusting toen
ze toevallig (weeral) het internetcafe binnenliepen waar ik aan het werk was.
Ik sprak meteen met ze af om `s avonds samen te eten. Ook een koppel uit
Australie zou van de partij zijn. Tegen het afgesproken uur bezocht ik hen in
hun hostal waar ik kennis maakte met Kara en Rob uit Melbourne. Met z`n vijven
kraakten we een paar flessen, dozen Chileense wijn en aten we een Australisch
geïnspireerde schotel. Toen ik `s avonds laat naar mijn hostal terugkeerde
beloofde ik hen dat ik de volgende keer zou koken. Mijn tweede dag in Coyhaique
was een heruitgave van de eerste. Regen en regen. Er bereikten ons een paar
berichten dat er heel wat wegen door de regen onderbroken waren. Zowel ten
noorden als ten zuiden was de camino austral op meer dan tien plaatsen onderbroken
en was er helemaal geen verkeer mogelijk. Ook de bergen rondom de stad zagen
wit van de vers gevallen sneeuw. Het weer had de Chilenen nog niet veel goeds
gegeven deze zomer. Sommigen vertelden me dat er dit jaar zelfs helemaal geen
zomer was. Er bloeiden nog heel wat bloemen in de parkjes in de stad toen de
eerste sneeuw al viel. Daarenboven had het de afgelopen week bijna
onophoudelijk geregend en dat had voor heel wat verkeersproblemen gezorgd.
Alles samen zag het er niet echt aantrekkelijk uit om meteen verder te gaan
fietsen langs de camino austral. Sterker zelfs, ik wou niet meer verder fietsen
en liep met het idee rond om een jeep te gaan huren. Ik wist wel dat het huren
van een auto niet echt goedkoop zou zijn en dat ik meerdere mensen zou moeten
vinden om de kosten wat te delen. Ik zag het wel zitten om voor een paar dagen
met andere toeristen naar het noorden te rijden en eventueel de auto in Puerto
Montt achter te laten. Ik was vastbesloten om in mijn hostal en de hostal van
Wouter en Heleen mensen te ronselen. Toen ik `s avonds met mijn
supermarktzakken in "Hospedaje Natty" aankwam en mijn beloofde
maaltijd begon te bereiden, maakte ik kennis met Eduardo uit Zaragoza. Mijn
plan om een jeep te huren kwam ter sprake en hij was meteen geïnteresseerd. Hij
kende een Duitse waarmee hij op de bus zat en hij wist dat ze ook noordwaarts
zou reizen. Hij zou haar het plan voorleggen en haar proberen te overhalen om
mee te reizen. Met Wouter en Heleen lepelde ik de pot met "mosterd- en
bruine suiker saus" uit en bezweek voor het toetje dat de maaltijd in
stijl afsloot. Ik had toen al meer tijd in hun hostal doorgebracht dan in mijn
eigen hostal. De dame des huizes kende mij al en vroeg zich waarschijnlijk af
waarom ik niet van hostal veranderde. Mijn hostal was iets goedkoper. Simpel.
Die avond stroomde hospedage Natty vol met fietsers. Jochen en Anita uit
Zwitserland kwamen er aan en een Jap die een jaar en negen maanden geleden
Alaska achter zich liep vond er laat in de avond ook nog een bed. Zes fietsers
onder een dak... Toen uiteindelijk ook Monika bij ons aan tafel kwam zitten
werd haar het plan van de huurauto voorgelegd en zonder veel moeite was ze te
overhalen. De voorwaarde voor ons drie was wel dat we nog mensen zouden vinden
om de jeep of pick up zo vol mogelijk te krijgen. Drie was te weinig en zou te
duur uitkomen. Maar het kon Eduardo en mij er niet van weerhouden om de
volgende dag een aantal verhuurberdijven te bezoeken. Nog voor ik terugkeerde
naar mijn eigen hostal had ik weer een belofte gemaakt. De sfeer was opperbest
en met Eduardro vielen we van de ene lachbui in de andere. Ik had mij tijdens
die avond zo geamuseerd dat ik iedereen de volgende avond uitnodigde voor een
pannenkoekensmulpartij. Belofte maakt schuld en tijdens een zoveelste bezoek
aan de supermarkt kocht ik al het nodige om een flinke portie pannenkoeken te
bakken. De derde dag, toen ik met Eduardo een paar verhuurbedrijven bezocht
bleek al gauw dat het veel te duur zou uitkomen. We hadden het idee om de auto
in Puerto Montt achter te laten in een ander verhuurcentrum van dezelfde keten
maar het terugbrengen van de auto zou even duur zijn als het huren zelf. Ik had
wel nog een paar Nederlanders en een Israeliër gevonden om ons te vergezellen
maar ze haakten na een kleine beraadslaging af. Het plan had hen in eerste
instantie wel aangesproken maar bleek voor hen uiteindelijk onhaalbaar. Ook de
wegen waren nog altijd op meerdere plaatsen onderbroken zodat we het grootste
gedeelte via Argentinië zouden moeten rijden terwijl het eigenlijk de bedoeling
was om langs de camino austral te rijden. Die middag werd het idee van de
huurauto definitief afgevoerd. Maar de zon begon er door te komen. De regen was
na een aantal dagen opgehouden en de warme zon op mijn snoet deed mij alweer
denken aan mijn fiets. De wegonderbrekingen zouden binnen een paar dagen terug
hersteld zijn en fietsen, verkeer zou weer mogelijk zijn. Ik wou kost wat kost
die camino austral zien. Het is een stuk weg dat van Puerto Montt via Chaiten,
Coyhaique verder zuidwaarts tot Villa o Higgings leidt. Ik had het stuk ten
zuiden van Coyhaique al gemist en wou het stuk van Coyhaique tot Chaiten zeker
zien. Het is een onverharde weg die je door de mooiste dalen en langs de
lieflijkste valleien van Chili brengt. Het is een toeristische topper die je
beter niet met een bus bezoekt. Een eigen auto of een fiets is de beste manier.
Ik besliste dus om na verloop van tijd weer te gaan fietsen. De zon
vergemakkelijkte mijn beslissing. Ik moest alleen maar hopen dat het weer even
goed zou blijven als die dag die aan de pannenkoekenslag vooraf ging.
Ik
kwam in de vooravond met al mijn bloem en melk en nog zoveel meer aan in de
keuken van Natty`s hostal. Met een norse ondertoon vertelde ze me dat er geen
vrienden van me waren en ik voelde dat dat eigenlijk betekende dat ik maar
beter kon oprotten. Ik vertelde haar dat ik pannenkoeken wou bakken voor mijn
vrienden en dat ik deze keer niemand kwam bezoeken maar dat ik wou beginnen met
het bereiden van het beslag. Toen ze hoorde dat ik pannenkoeken wou bakken
kreeg ik een paar furieuze Spaanse uitdrukkingen naar mijn hoofd geslingerd
waarvan ik alleen begreep dat ze mijn idee niet erg op prijs stelde. Met wat
meer rust en kalmte in haar stem zei ze dat ze het beu was dat ze na een pannenkoekenbak
(enkele dagen voordien was er nog een pannenkoekenavond) telkens opnieuw gans
de keuken moest opkuisen. Ik mocht alles klaar maken wat ik maar wou maar geen
pannenkoeken. Daar stond ik dan met mijn plastiek zakken in mijn handen. Ik kon
toch moeilijk alles in de vuilnisbak gooien omat ze niet wou dat ik
pannenkoeken ging bakken. Ik voelde dat er meer achter zat. Ik kwam veel te
vaak bezoek terwijl ze aan mij geen geld verdiende, enkel miserie. Ik
veranderde het gespreksonderwerp en vroeg haar of ze nog een kamer vrij had
zodat ik de volgende dag van hostal zou kunnen veranderen. Haar gezicht kleurde
wat bij en ik kreeg haar zo ver dat ik alvast kon beginnen met het bereiden van
het beslag. Voor het bakken zelf moest ik wachten tot zij met haar dochter had
gegeten. Met mijn belofte om de volgende dag te verhuizen en weliswaar meer te
betalen hielp ik een probleem uit de wereld en begon met enthousiasme te roeren
door de melk en eieren. Natty bleek uiteindelijk nogal geïnteresseerd in het
recept en ik verklapte haar al mijn geheimen alsof ik meesterpannenkoekenbakker
was. Een hele tijd wachten later kwamen mijn nieuwe amigo`s binnen toen ik met
twee pannen op een veel te traag houtvuur bezig was met bakken. Het stapeltje
werd alsmaar groter en toen ik uiteindelijk Eduardo, Monika, Jochen en Anita
rond de tafel kreeg stond de manjar, de chocolade, de banaan, confituur en
zoveel meer te wachten om met een pannenkoekje naar binnen te werken. Hmmm. We
vertelden Monika dat het auto-avontuur niet door zou gaan en zij bracht haar
oorspronkelijke idee om te gaan trekken rond de "Cerro Castillo" ter
sprake. Eduardo had net een expeditie in Torres del Paine achter de rug en had
wel zin om een paar dagen rustig te gaan wandelen in het natuurpark "Cerro
Castillo" Natuurlijk had ik wel zin om mee te gaan maar ik zat weer met
het probleem van die rugzak. Als ik een rugzak zou kunnen vinden zou ik met ze
meegaan. Eduardo hielp mijn probleem uit de wereld en ledigde zijn rugzak met
klimmateriaal. Ik hoefde geen rugzak te huren en kon mee op trekking. Eduardo
toonde nog wat foto`s van zijn expeditie in Patagonie. Hij beklom een van de
pieken van de Torres en had daarvoor een maand nodig. Met veel interesse
luisterden we naar zijn verhalen over het opzetten van het basiskamp, de tien
dagen klimmen naar de top en het kamperen tegen een loodrechte wand. Ook hij
kende de wind in Patagonie maar al te goed en verzekerde ons dat klimmen en
kamperen bij windsnelheden boven de honderd geen makkie was. Ik ging voor een
laatste keer slapen in mijn hostal alvorens te verhuizen naar Natty. Nadat ik
al mijn spullen verhuisde gingen Monika en ik de nodige inkopen voor de
trektocht doen. Pasta en rijst en sausjes en natuurlijk ook wat zoetigheden. Na
nog een dagje rondhangen in de stad gingen we nog een laatste keer uit eten.
Natty was eerder op de dag nogal boos omdat we haar keuken in een puinhoop
hadden achtergelaten. Het leek ons dus best om haar zenuwen niet teveel te
belasten en op de vooravond van de trektocht op restaurant te gaan.
Samen
met nog twee Israeli`s, Eduardo en Monika werkte ik een lokale specialiteit
binnen. Er stond een grote schotel op tafel waar we met een vork de groentjes
en de vleesbrokjes uit prikten. Borden hadden we niet nodig. Na toetjes
dessertjes en doorspoelertjes keerden we naar ons Nattyke terug die ondertussen
al de bijnaam:"Natty the bitch" had gekregen. De alarmklokken stonden
op 5u30 en met het vooruitzicht van een leuke trekking sloot ik mijn oogjes en
begon schaapjes te tellen. Dat ik ook snurkte ben ik van anderen te weten
gekomen. Het minibusje kwam ons aan ons hostal ophalen en ik herkende meteen de
chauffeur die me enkele dagen eerder naar Coyhaique had gebracht. Nog half
slapend lagen we met drie op de achterbank te wachten op het sein van de chauffeur
om aan "Las Horquetas" af te stappen. "Las Horquetas" is
gewoon een kleine nederzetting van wegenwerkers. Een paar schuurtjes met
machines en een paar vrachtwagens in de modder. Volgens de twee beschrijvingen
van de trektocht die we bijhadden moesten we over de brug naar de linkeroever
van de rivier en verder stroomafwaarts wandelen. De brug was helaas al lang
verdwenen en de enige mogelijkheid om aan de overkant te geraken was: schoenen
en broek uit. Het water was ijskoud, bijna onmenselijk maar als er geen andere
manier was om de overkant te bereiken dan moest dat maar. Het was nog maar goed
acht uur in de morgen, de temperaturen verre van tropisch en onze adem was
zichtbaar. Dat ik met tegenzin de rivier overstak is dus makkelijk te
verklaren. Na het drogen van de voetjes konden we eindelijk beginnen wandelen.
Na nog geen uurtje liepen we door een prachtig "Lenga" bos. Er lag
nog volop sneeuw van de afgelopen dagen en dat deed ons dromen over een
trektocht met ski’s. Op een van de open plaatsen in het bos zagen we de
houtvoorraad voor de komende winter liggen. Een vlakte vol vers gezaagd hout
dat klaar lag om opgehaald te worden. Als we later op de dag nog zo`n
houtvoorraad zouden tegenkomen zouden we geen problemen hebben om een
kampvuurtje te stoken. We liepen door een mooie vallei en volgden een rivier
stroomopwaarts. We kwamen nog een aantal zijriviertjes tegen die we enkel
konden oversteken door onze schoenen uit te doen. Geen van ons drieën zag het
zitten om met natte voeten verder te wandelen en daarenboven waren we het bijna
gewoon om elk halfuur de schoenen uit te doen. Hier en daar vonden we in een
lieflijke plooi van het landschap, in een malse weide een houten hutje. Alle
hutjes wekten onze nieuwsgierigheid op en Eduardo zag het wel zitten om een
weekje of meer daar gewoon lekker niets te doen. Met wat wijn en een boek zou
hij er wel kunnen overleven. Ook het geluid van de koeien en niet te vergeten:
de geur van de koeien had een relaxerende kracht. De zon gaf al wat meer warmte
dan vroeg in de ochtend en aan de hemel was amper een wolkje te bespeuren. Het
was een perfecte dag. We aten uitgebreid aan de oever van een beekje onze
broodjes met kaas op en geraakten toch gemotiveerd om verder te wandelen. Het
was nog te vroeg in de middag om al te stoppen en de kampplaats waar we heen
wilden lag aan de voet van een gletsjer wat ons deed vermoeden dat het uitzicht
vanaf de kampplaats aan Rio Turbio buiten vergelijking zou zijn. We passeerden
nog een hutje dat open was en waar we een kleine middagrust hielden. Er was een
kachel en zelfs een sauna. We waren er zo graag gebleven maar weeral moesten we
verder wandelen omdat we anders later in tijdsnood zouden komen. Met eindelijk
de rio Turbio in zicht leek onze bestemming van die dag heel wat dichter te
komen. Net waar de Rio Turbio uit een zijdal komt en waar de "glaciar
Peñon" gelegen is, lieten Monika en ik onze rugzakken achter om zonder
bagage naar de gletsjer te wandelen. Het was al rond vier uur en de zon had al
moeite om van over de bergtoppen licht in de diep ingesneden dalen te werpen.
We bereikten de gletsjer in de schaduw en waren een beetje ontgoocheld over het
zicht die we na een half uur extra wandelen hadden. We liepen over een
stenenveld en merkten pas later dat we eigenlijk al op de gletsjer zelf liepen.
Het ijs was gewoon door een laagje stenen en modder bedekt die pas vrij kwam
toen we even uitgeleden. De Glaciar Peñon kon de vergelijking met de Perito
Moreno niet doorstaan en zonder foto`s genomen te hebben keerden we terug naar
Eduardo die bij de rugzakken op ons zat te wachten. Op de terugweg kwam ik van
Monika nog heel wat te weten over gletsjers en dateringstechnieken. Met een
geologe op stap gaan heeft zo zijn voordelen.
Er waren
wel nog een paar condors te zien maar zonder verrekijker waren het gewoon twee
grote sierlijke vogels waar we geen details van konden zien. Na ons uitstapje
naar de gletsjer gingen we terug naar het bos waar we eerder een kampeerplaats
hadden gezien. Helemaal geen zicht op de gletsjer dus. De tentjes werden
opgezet en met z`n drieën begonnen we hout te sprokkelen voor het kampvuur.
Eduardo probeerde het natte hout te doen branden maar er was wat benzine en een
stuk rubber nodig om de vlam erin te houden. Na een paar pogingen konden we wat
grover hout branden en hadden we warmte genoeg om te koken en ander hout wat te
drogen. De kookpot van Eduardo die hij van zijn moeder meekreeg zag zwart van
de roet en de bakelieten handvaatjes hadden het hard te verduren. Maar
natuurlijk was het leuker om te koken op een houtvuur dan op een
kampeerbrander. Het is gewoon avontuurlijker. De eerste avond kozen we voor
Tortellini`s. Eduardo kon het maar niet geloven dat Monika en ik zoveel eten
hadden gekocht en de hoeveelheid eten gaf hem een gevoel van veiligheid. We
hadden inderdaad niet weinig eten mee. Gewoon dubbele porties deegwaren en
rijst. 250 gram elk. Een zak spaghetti was voor twee dus niet genoeg. Nadat de
tortellini waren goedgekeurd lepelden we z`n drieën uit de pot. We hadden geen
borden mee. Allemaal extra gewicht. Met een hand eten gelijk de varkens en met
de andere hand konden we nog een blokje op het vuur gooien. Als je met drie uit
dezelfde pot eet, mag je natuurlijk niet te veel treuzelen of de anderen zijn
met je eten weg. Je moet dus flink door boeffen en hopen dat de anderen gauw
zeggen:" Ik heb genoeg" De volle pot waarvan Eduardo dacht dat we die
nooit op zouden krijgen was in een mum van tijd tot op de bodem gekuist. Zelfs
met de vingertjes probeerden we om de laatste restjes saus eruit te krijgen. We
leefden in de natuur en dan stoort niemand zich aan de oningehouden
verzuchtingen van voldoening. Er was wel een dame in ons gezelschap maar die
stoorde zich daar helemaal niet aan, integendeel. De rest van de avond zaten we
rond het kampvuur en werkten nog een paar theetjes binnen en vochten bijna om
een paar brokjes mantecol (een Argentijnse lekkernij van pindanoten). Het was
vrij vroeg donker doordat de dag voordien het winteruur was ingegaan. Tegelijkertijd
werden de klokken in Europa op het zomeruur ingesteld en was het tijdsverschil
tussen Europa en Chili in een dag met twee uur toegenomen. Het vuur gaf wel nog
wat licht en nadat we stopten met hout opgooien, alleen nog maar warmte. Onze
eerste dag op de trekking was een succes. Het weer was uitzonderlijk na de
afgelopen regens en met de hoop op een even mooie volgende dag gingen we
pitten. Eduardo greep me nog wel een keer vast in de tent omdat hij zo blij was
dat hij een teddybeer had gevonden maar voor de rest liet hij me met rust zodat
ook ik aan een stuk doorsliep totdat de zon ons wakker maakte. Het ontbijt werd
bereid op een benzinebrander. We hadden door onze luie slaperigheid teveel tijd
verloren om weer op een houtsvuur te koken. We zaten in een dicht bos maar
zagen toch dat de hemel er ietwat grijs uitzag. Het regende niet maar het was
toch geen zo`n mooi weer als de dag voordien.
Veel
te laat namen we onze rugzak op en begonnen verder te wandelen. We moesten een
pas over en hoefden daarvoor helemaal geen pad te volgen. We liepen gewoon
bergop totdat we uit het bos kwamen en de bergpas voor ons zagen. Na het bos
volgde een steil stenenveld die we maar moeilijk over raakten. Telkens weer
gleden we uit en zakten een paar meter naar beneden door die fijne stenen. Maar
uiteindelijk bereikten we de pas die volledig ondergesneeuwd was. Met de knieën
tot in de sneeuw ploeterden we verder naar de overkant van de pas, waar een
hatelijke afdaling op ons wachtte. Boven hadden we ook een zicht op de rest van
de trekking. Het zag er allemaal simpel uit. Naar beneden en die berg die voor
ons lag moesten we aan de rechterkant naar boven volgen tot aan het meer.
Eduardo liet zich als het ware naar beneden vallen. Hij had geen moeite om met
een zware rugzak af te dalen. Ik had weer wat kniepijn maar bleef op eigen
tempo afdalen in plaats van te proberen om Eduardo bij te houden. We hielden
nog een paar keer halt om gletsjers te fotograferen of om gewoon even te rusten
en te middagmalen. Het weer bleef twijfelachtig. Geen zon maar gelukkig ook
geen regen. Eigenlijk goed wandelweer. De trekking die we liepen is geen
trekking zoals de Torres del Paine of de Camino del Inca. Er was soms geen
duidelijk pad om te volgen en in de beschrijving stond eens:" Probeer je
weg te vinden door de vlakte met de door lawines meegespoelde bomen". Soms
geraakten we amper vooruit door het klimmen over boomstronken en het vechten
met de dicht begroeiing van de struiken. Soms was het eenvoudiger om de bedding
van een rivier te volgen dan om het zogenaamde pad te volgen. Bij een zoveelste
rivier die we overstaken maakte Eduardo een sprongetje naar een iets verder
gelegen rotsblok en kwam daarbij lelijk ten val. Hij zag lijkbleek en voelde
zich wat ongemakkelijk. Hij moest even bekomen en kreeg gelukkig beweging in
zijn enkelgewricht. Zijn voet die hij had omgeslaan hing nog aan zijn been en
geleidelijk aan kreeg hij moed om verder te wandelen. Hij had trouwens geen
alternatief. Hij was die middag wel niet meer de Eduardo zoals we hem voordien
kenden. Hij wandelde merkelijk trager maar dat vond Monika dan weer helemaal
niet erg die voordien vaak op haar tanden moest bijten om hem te kunnen
bijhouden. Opnieuw kwamen we na een middagje wandelen door het bos boven de
boomgrens uit en konden de gletsjers van de "Cerro Castillo"
bewonderen. We vonden een paar kampeerplaatsjes onder de gletsjer en herhaalden
het scenario van de vorige dag. Hout sprokkelen, vuurtje maken en koken op
houtsvuur. We sliepen wat hoger dan de vorige dag en het was merkelijk kouder.
Als een kudde rund zaten we rond de rijstpot die wat extra smaak had door de
maïssaus. De stenen die rond het kampvuur waren gelegd waren ondertussen
gloeiend heet en net voor ik ging slapen nam ik een hete steen mee naar mijn
voortent om er mijn natte kousen op te drogen te leggen. De steen was iets te
heet en nadat ik er mijn kousen had op gelegd rook ik een onaangename geur.
Mijn kunststoffen kousen waren aan het smelten maar ik kon ze nog net redden
zodat het belangrijkste deel van mijn kous, de eigenlijke voet onbeschadigd
bleef. De volgende morgen Hadden we toch nog anderhalf uurtje nodig om de
tweede pas te bereiken. Aan het meer namen we nog wat foto`s van elkaar met
enkele gletsjers op de achtergrond en even verder hadden we een uitstekend
zicht op Lago Gen Carrera en de camino austral. De vallei waar "Villa
Cerro Castillo" was duidelijk zichtbaar en zo konden we inschatten waar
onze eindbestemming lag. Ook de volgende kampplaats was vanop de pas zichtbaar.
We zouden tot aan "campamento Neuva Zelandes" wandelen om de volgende
dag terug langs dezelfde weg naar het dal en Villa Cerro Castillo te gaan. Het
verschil met de afdaling van de vorige dag was dat de stenen heel wat kleiner
waren. Zo klein zelfs dat je er lekker zacht in wegzakte. Het was bijgevolg
makkelijk om van de berg te lopen. Je kon bijna naar beneden skieën wat het
voor de knieën heel wat minder belastend maakte. Voor de rest leek het weg een
herhaling van de dag voordien. Eerst na de pas een steil stuk afdalen en nadien
door een bos je weg zien te vinden. Verschil was wel dat de zon feller scheen.
We waren geluksvogels. We hadden van gans de trekking nog geen druppel regen
gevoeld en de zon was met uitzondering van de tweede dag onze meest trouwe
bondgenoot. Eduardo voelde niets meer van zijn val van de dag voordien en hij
huppelde weer voorop om als eerste de kampplaats te bereiken. De kampplaats was
er één uit de duizend. In een bos waar nog heel wat zonlicht kon doordringen
vonden we een paar vlakke lapjes grond om de tent op te zetten. Er lagen nog
heel wat stenen van kampvuren en boomstammen als zitbank van vorige
kampeerders. Er was zelfs speciaal een houten toilet gebouwd om het wild
schijten te beperken. Hout, zelfs droog hout was er in overvloed en in een mum
van tijd moesten we de zitbanken iets verder van het vuur leggen omdat ons
kookvuur te hevig was. We maakten met wat touw een ingenieuze constructie om de
kookpot aan op te hangen. Met een tak konden we de hoogte en dus de warmte
regelen en met nog wat andere stenen konden we het zodanig regelen dat we de
pot konden fixeren om er krachtig te kunnen in roeren. Het was weer pasta dag
maar deze keer met een champignon saus. Mijn plastieken lepel was ondertussen
al gebroken en ik had wat problemen om mijn spaghetti op te eten. Monika en
Eduardo lepelden grote happen naar binnen en ik moest mij haasten om met mijn
kopje dezelfde hoeveelheid binnen te spelen. De spaghetti was nogal heet en dat
zorgde dan weer voor een paar ongegeneerde bijklanken die men in een restaurant
niet zou appreciëren. Ik nam me toen voor om de volgende keer met een
taperecorder te reizen. Ik was ervan overtuigd dat ik met dia`s en het geluid
van onze maaltijd een leuke montage zou kunnen maken. "Beestig".
Uiteraard hadden we niet de minste moeite om een ganse pot deegwaren te
verorberen. We hadden eten gekocht voor vijf dagen en doordat we nergens
problemen hadden en nergens een dag moesten blijven omwille van het slechte
weer hadden we die avond dubbele portie koekjes en zoetigheden. Het was de
laatste avond van de trekking want de volgende dag zouden we terugkeren naar
Villa Cerro Castillo en misschien wel naar Coyhaique, afhankelijk van het
transport. Alles mocht dus op! De volgende morgen sliepen we veeeeeeel te lang.
We vertrokken iedere dag later en later maar die laatste dag vertrokken we net
voor de middag.
We
sliepen boven in het dal en moesten de ganse dag afdalen om het kleine dorpje
"Villa Cerro Castillo" te bereiken. We volgden beneden in het dal nog
een brede rivier (waarvan de naam mij ontsnapt) en waanden ons weer in de
alpen. Grazende koeien, een paar estancias tussen de bomen. Het zag er allemaal
zo romantisch uit. Net voor het dorpje, het eindpunt van de trekking namen we
nog een rustpauze aan de oever van de rivier die we twee dagen voordien
overstaken. In Villa Cerro Castillo was er helemaal niets. De laatste meters
asfalt van de camino austral passeerden er en voor de rest zagen we alleen maar
grauwe hutjes die als huisjes dienden. De bus zou pas de volgende morgen om
zeven uur voorbij komen en 12 km verderop, op de splitsing met de weg van
Puerto Ibañez zou er `s avonds laat nog een bus naar Coyhaique zijn. Geen van
ons zag het zitten om nog eens twaalf kilometer te wandelen en liften bleek de
beste oplossing. Als er een voertuig voorbij kwam tenminste. Eduardo en ik
lieten Monika in de berm achter om haar te laten liften. Ondertussen gingen wij
op verkenning door het dorpje. Na een paar minuten hadden we door dat er nog
minder te zien was dan dat we al vermoedden en besloten om terug te keren naar
Monika. Vanuit de verte zagen we dat ze al een pickup had doen stoppen en dat
ze aan het wachten waren om verder te kunnen rijden. Eduardo en ik begonnen te
sprinten naar de pick up en samen met nog een paar werklieden konden we tien kilometer
meerijden. Beter dan niets dus. Natuurlijk was het voor een vrouw alleen
makkelijker om te liften.... Na de korte lift van 10 km moesten we nog twee km
wandelen naar de splitsing met de weg naar Ibañez en zagen dat wel zitten. Na
nog geen tien minuten wandelen passeerde nog een voertuig die geen ogenblik
twijfelde om te stoppen en ons tot in Coyhaique mee te nemen. De bestuurder was
nogal gehaast en reed als een bezetene. Hij slipte een paar keer toen hij
hindernissen van de wegenwerken moest ontwijken maar we kwamen door zijn
rijgedrag veel vroeger en goedkoper dan verwacht terug in Coyhaique aan. Meteen
gingen we terug naar "Natty the bitch" waar we de rest van onze
spullen hadden achter gelaten.
Na
een heerlijke douche en het afleveren van de vuile was aan de wasserij gingen
we op restaurant. We hadden het verdiend. Met z`n drieën beleefden we de ganse
trekking nog eens op nieuw en kwamen in het restaurant soms amper bij van het
lachen met Eduardo zijn grappen en manier van doen. De manier waarop hij de
serveerster met zijn Spaans rond zijn vinger wond was buitengewoon.
Jammergenoeg verliet Eduardo ons de volgende morgen al. Hij wou zo snel
mogelijk verder reizen naar Bariloche om er in maart nog een paar toppen te
beklimmen. Monika en ik deden het wat rustiger aan zaten menig uurtjes in de
internetcafe`s of hingen gewoon wat rond in de stad. Ik bezocht op een zonnige
middag nog de "Piedra del Indio", even buiten de stad. In die
rotsformatie zou een gezicht in profiel te zien zijn. Met maar heel weinig
verbeelding zag ik inderdaad een kin, een stel lippen, een neus en vooral veel
rimpeltjes. Verder herstelde ik wat mijn fietstassen en poetste mijn fiets
zodat die weer vertrekkensklaar was. Ik ontmoette nog wel een bijzondere
Amerikaanse professor op rust die al twee jaar in z`n eentje de wereld
rondreist, maar dat verhaal zou me te ver leiden. Hetgeen me meest is
bijgebleven van die knul was dat alle landen een tot meerdere decennia achter
Amerika aan huppelden, de zwakte van een verenigd Europa en bovenal de
oppermachtigheid van het beste land ter wereld, The States. Dat ik hem geen
ogenblik heb gemist nadat ik op zondagmorgen met de fiets uit Coyhaique reed is
dus begrijpelijk. Mijn eerste dag terug op de fiets reed ik voornamelijk onder
een grijs wolkendek. Zo nu en dan kwam de zon er even door maar het het
grootste deel van de dag toch niet zo warm en twijfelde zelfs even om mijn
handschoenen aan te doen. Na zo`n tien kilometer fietsen verliet ik de
geasfalteerde weg van Coyhaique naar Puerto Aisen en volgde "ruta 7"
ofwel de camino austral noordwaarts. Ik reed door een gans ander landschap dan
in Argentinië. Ik zag vanop de fiets gletsjers en vroeg mij met al die bergen
steeds maar af waar de weg mij heen zou leiden. Ik kon het niet geloven dat ik
die berg voor mij over moest en zag uiteindelijk telkens weer een ander
dalletje of een kloof waar de weg lag zodat ik zonder al te zware beklimmingen
verder kon fietsen. Net voor "Villa Minuhuales" Reed ik weer op een
stukje asfalt en tijdens een afdaling moet ik nog een fietsrecord gebroken
hebben. Maximale snelheid net geen tachtig km per uur. Na het kleine dorpje
stond ik even stil om wat water in mijn drinkflessen te gieten en at een
broodje. Een Pick up stopte naast me en de chauffeur vertelde me dat hij me
eerder op de dag al drie keer was tegengekomen. Ik had hem nooit opgemerkt maar
hij wist nog precies waar hij met had gezien. Nu hij me een vierde keer
tegenkwam kon hij het niet laten om te stoppen en een hele resem vragen op me
af te vuren. Van hem kwam ik te weten dat er in de regio een kolonie Belgen
woonde zoals er ten noorden van Puerto Montt heel wat Duitsers wonen. Hij kende
Brussel en Brugge nog een beetje want jaren geleden was hij er eens op bezoek.
Ik moest een einde aan het gesprek maken door te zeggen dat ik het koud begon
te krijgen, wat eigenlijk geen leugen was. Ik reed nog een twintigtal km verder
en zag aan de overkant van een riviertje een stukje bos dat me wel aansprak om
te kamperen. Ik moest alleen het water over zien te geraken. Na de trektocht
rond de Cerro Castillo had ik meerdere keren mijn schoenen uitgetrokken en had
enige ervaring met "rivercrossings". Met mijn fietstassen half onder
water en ijskoude benen bereikte ik de overkant en moest mijn fiets op de steile
oever sleuren. Ik vond een mooi plaatsje tussen wat struiken, uit het zicht dus
en merkte maar veel later dat ik niet de enige gast was. Het zat er vol met
stieren. Geen melkkoetjes maar monumenten van de vleesindustrie. Ik was
aanvankelijk niet op mijn gemak maar was te moe om te verhuizen. `s Nachts
hoorde ik de stiertjes nog wel eens dichterbij komen maar ze waagden zich niet
op mijn territorium. De volgende dag was weer een stralende dag. Het begon
steeds maar ongewoner te worden dat na de hevige regenval de dagen zo zonnig
waren. Sedert het begin van de trektocht, toen al meer dan een week terug viel
amper een druppel uit de lucht. Mij niet gelaten. Ik reed die tweede dag langs
de camino austral en genoot met volle teugen van het bos waar ik door reed, van
de rotsen links en rechts van mij, de gletsjers in de verte en de rivieren in
de diepte. Dat stukje weg was misschien wel een van de mooiste trajecten die ik
in Zuid Amerika fietste. Het is iets die je moet gezien hebben, moet gedaan
hebben want met de bus zie je veel minder en kun je niet stoppen om foto`s te
nemen. Een Zwitser had me gewaarschuwd voor een paar bergpassen op het traject
en raadde me aan om daarvoor de bus te nemen. Maar er was misschien maar een
bus per dag en na zeven maanden Andes schrik ik natuurlijk niet terug voor een
`pasje`. Die bergpas kon onmogelijk zo lang zijn als de passen in Peru maar ik
ondervond wel dat ze veel steiler waren. Laat in de middag reed ik het
nationaal park "Quelat" binnen en moest daarvoor een uurtje klimmen
op de kleinste versnellingen. Al bij al was het zo erg niet als die Zwitser me
vertelde en eens boven werd ik bijna duizelig van het zicht op de volgende
vallei en de overhangende gletsjer links van me. Ik daalde met wat
haarspeldbochten af naar de rivier en begon uit te kijken naar een mooi
kampeerplaatsje. Ik zag het niet zo goed zitten om op keien te kamperen en een
mals grasveldje leek onvindbaar. Net voordat de zon helemaal onder was zag ik
toch een rivieroevertje die niet uit keien bestond maar moest om het te
bereiken weer wat water oversteken. Het water was te diep en ik pendelde een
paar keer op en af om mijn fietstassen en fiets aan de overkant te krijgen. Als
ik naast een rivier slaap moet ik altijd denken aan de Camino del Oro in
Bolivië. Ik bekijk nu altijd hoe breed de rivier is en hoeveel centimeter lager
het water stroomt en hoe snel ik in geval van nood een veiligere plaats kan
bereiken. De bedding van de rivier was breed genoeg om bij eventuele regen mijn
tentje niet mee te spoelen. Touwens, ik was ervan overtuigd dat het niet zou
regenen maar kon het gewoon niet laten om er even aan te denken. Het is sedert
Bolivië een automatisme geworden. Na mijn vast ritueel van eten, drinken
herstelde ik mijn lekke banden en ging lang nadat het al volledig donker was
slapen. `s Morgens scheen de zon fel over de bergen in de vallei waar ik
kampeerde. De mist over de rivier en de stralende zon waren als postkaartjes.
Ik was onder de indruk van al dat moois en fotografeerde mijn "perfecte
ochtend" een paar keer voor als mijn geheugen me later in de steek laat.
Nadat ik weer aan de overkant van het water was geraakt met al mijn spullen en
mijn natte sandalen voor droge schoenen had geruild, fietste ik een ganse dag
door het nationaal park "Quelat".
Ik
zag in de verte de "Ventisquero Quelat" maar bezweek niet om een
ommetoer te maken om die van dichtbij te gaan bekijken. Ik had eerder vernomen
dat een er stevige wandeling voor nodig is om die gletsjer van dichtbij te
zien. Ik reed verder en kwam aan de "Fiordo Quelat". Ik waande me
weer in Noorwegen. Een mooie baai, bootjes aan de steiger vastgemeerd en houten
hutjes aan de oevers die rustig wat rook uit de schoorsteen puften. Teken van
leven.. Net als de vorige dag had ik nog wat lekke banden maar mijn goed humeur
bleef door de natuur op peil. Die lekke banden kregen mij niet kwaad. Op zo`n
uurtje fietsen van Puyuguapie raakte ik nogal onzacht een paar stenen terwijl
ik iets te snel bergaf reed. Ik hoorde prompt iets breken en er volgde meteen
een luid geratel. Ik had niet veel tijd nodig om te zien wat er gaande was.
Mijn bagagedrager vooraan had het begeven en een van de schroeven voor de
ophanging aan mijn vork was in mijn spaken terechtgekomen. Dat luid geratel was
die schroef in de spaken en het gevolg daarvan was dat al mijn spaken dicht bij
de wielas geplooid stonden. Alle stevigheid was uit de bagagedrager verdwenen
en ik kon onmogelijk verder fietsen met mijn twee kleine ortlieb tasjes aan de
bagagedrager. Ik nam een tasje tussen mijn benen waar normaalgezien de
drinkbushouders zitten en het andere tasje kon ik op mijn stuur leggen. Het was
om het zacht uit te drukken onaangenaam fietsen. Ik moest gelukkig niet zo ver
meer fietsen om Puyuguapie te bereiken en was jammergenoeg genoodzaakt om van
ginder de bus te nemen naar Chaiten. Ik zag het niet zitten om nog 200 km
gelijk een gehandicapte te fietsen, hoe mooi die camino austral ook wel was. In
dat kleine dorpje Puyuguapie moest ik een paar uur wachten op de enige bus van
de dag. De vrouw die me een ticketje verkocht vroeg me nochtans om stipt om
drie uur aan de bushalte te staan maar uiteindelijk kwam de bus maar om half
zes de helling afgerold en Puyuguapie binnengereden. Ik betaalde een fortuin om
mijn fiets op de bus te krijgen en zag van de rest van de camino austral bijna
niets meer. Na een rustpauze voor de chauffeur in La Junta was het donker en ik
bleef mezelf maar voorhouden dat ik het mooiste stuk van de camino austral had
gezien. Maar ik weet wat ik ga bezoeken als ik hier ooit nog eens terugkom. Na
middernacht stopte de bus aan het kantoortje in Chaiten. Ik had een adres bij
van een gastenverblijf die een Jap en twee Zwitsers me in Coyhaique hadden
aangeraden. Maar in het donker zoeken naar de huisnummers, waar trouwens alle
logica zoek was lukte niet te best en ik koos voor het eerste het beste hostal.
Na een nacht in een vies, vuil en duur hok kon ik eindelijk op zoek gaan naar
het huisje van Alison en Hector. Ondertussen was ik Monika alweer tegengekomen
die niet verwacht had dat ik zo snel in Chaiten zou aankomen. Ik gaf wat meer
uitleg en mijn fietspech verklaarde alles. Samen zouden we de overzet naar
Puerto Montt nemen. Een overtocht overdag leek ons aangenamer dan de overtocht
`s nachts die een dag vroeger vertrok. Om de twee dagen wachten in Chaiten op
een zinvolle manier door te brengen deden we een beroep op Alison. Alison was
afkomstig uit Santiago en werkte met Hector in Chaiten. Voor hen was het
moeilijk om opgenomen te worden in de gesloten leefgemeenschap van Chaiten
(laat staan voor buitenlanders) Ze verhuurden paarden, organiseerden
trektochten en maakten er lederen tassen en souvenirs die je in de winketjes
van Chaiten vond. We logeerden er na het hoogseizoen en na de drukte die de
toeristen in Januari en februari met zich meebrengen. Alison was een bijzonder
gastvrije vrouw die met mond aan mondreclame evenveel gasten ontvangt als de
hostals die in reisgidsen zoals de Lonely Planet of Footprint staan
aangeprezen. Op haar aanraden gingen we naar een riviermonding nabij Chaiten
die als een tafereel uit een film leek. Ruiters dreven wat koeien bijeen en
galoppeerden als echte Marlboro mannen door het ondiepe water. Een paar wrakjes
van vissersschuitjes maakte de riviermonding nog authentieker. `s Avonds
kookten Monika en ik in de keuken van Alison die het gesprek geen minuut stil
liet liggen. De volgende dag en weer op Alisons aanraden maakten we een reuze
wandeling naar het strand van "Santa Barbara" Het zou een mooi strand
zijn met zwart vulkanisch zand. De wandeling ernaartoe begon tegen te steken.
We liepen langs de camino austral ten noorden van Chaiten en gedurende de
twaalf kilometer zagen we zo nu en dan de zee maar vooral een dichte begroeiing
langs de weg. Na een kort overleg besloten we om te gaan liften. Een half
uurtje later, toen er eindelijk een voertuig passeerde hadden we meteen geluk.
De man zou ons met zijn nieuwe wagen tot aan het strand brengen en zou twee uur
later eens claxonneren om ons terug op te halen en naar Chaiten te brengen. Het
transport terug was meteen al geregeld. We waren net niet de enige bezoekers
aan het strand. Een paar kinderen plensden in het water en even verderop
installeerden wij ons in het zwarte en dus hete zand. De zon scheen verder op
zijn elan van de vorige dagen wat het aangenaam maakte om mijn witte
wielerkiekenborst wat kleur te geven. Onze gesprekken werden even stil gelegd
toen we wat dolfijnen in de branding zagen zwemmen. Telkens probeerde ik om een
mooie foto te nemen en wachtte veel te lang totdat ze echt dicht zouden komen.
Uiteindelijk nam ik geen enkele foto. Met dezelfde auto keerden we terug naar
Chaiten en met een ommetje langs de supermarkt om het avondeten te kopen
keerden we terug naar Alison die toen druk bezig was met nieuwe ontwerpen voor
lederen handtassen. De volgende morgen stonden de alarmklokken heel vroeg want
we Monika en ik zouden de boot om negen uur nemen. Nog net voor het losgooien
van de trossen kwamen we aan op het laaddek van de "Alejandrina".
Voor de rest was het dek zo goed als leeg. Geen enkele vrachtwagen noch personenauto
had ingescheept om naar Puerto Montt te varen. Ook het aantal passagiers was
niet om over naar huis te schrijven. Ik vermoed dat er maar een twintigtal
toeristen en evenveel Chilenen aan boord waren. We voeren voorbij het strand
die we de dag voordien onveilig hadden gemaakt en installeerden ons op de grens
van schaduw en zon ergens op het achterdek. De zon was te fel om zomaar een
beetje in te gaan zonnen en ik verkoos een bank in de schaduw. Een paar keer
werden we omringd door een school dolfijnen die sierlijk onder en boven het
wateroppervlak golfden. Ook dat kleine zeehondje die op zijn rug lag te
genieten van de zon lokte heel wat kijklustigen. De tijd schoof voorbij zoals
het schip. Traag maar zeker. Nadat de zon over haar hoogste punt heen was, was
het voor ons tijd om te verhuizen naar de andere kant van het schip en een
nieuwe zon en schaduwzone op te zoeken. Door de weinige toeristen aan boord was
het geen probleem om een leuk plaatsje te vinden. Van de Chilenen hadden we
helemaal geen last want die zaten allemaal in de televisiezaal te slapen of
naar slappe films te kijken. Net voor zonsondergang lagen we even stil in de
baai van Puerto Montt. Een klein loodsbootje kwam langszij en nadat alle
passagiers waren overgestapt in het kleine bootje kwam ik voor de derde keer in
Puerto Montt aan.
Je
zult nooit raden wie ik hier tegenkwam.... Ik vertel het in een volgend verslag
die wellicht vanuit Pucon of Villarica zal komen. Mijn vulkaanervaringen krijg
je dan ook te lezen.
Jeroen