Het afgeladen busje stopte aan het kantoortje van Colque. Toeristen met veel te warme kledij aan begonnen te zoeken naar hun bagage die door de achterruit van het busje op straat werd gegooid. Ik vond al mijn tassen terug en nadat ook Maartje alle bagage terug had stonden we voor een paar kleine maar belangrijke beslissingen. We waren beiden scheel van de dorst en ik lag bijna dubbel toe van de honger. Gaan we eerst iets drinken en eten of eerst naar een kampeerplaats zoeken? In ieder geval moest die thermische onderbroek die bij de geisers zijn dienst meer dan bewezen had zo snel mogelijk uit. Op mijn kleine thermometertje zag ik het kwik boven de 35 graden uitkomen. Na snel wat dollars in pesos te hebben omgewisseld scholen we werkelijk voor de zon in een café. We hadden al gezien dat de prijzen voor een almuerzo iets tot zelfs heel wat hoger waren dan in Bolivië en kozen dus maar voor een `lokale` tent vol met bouwvakkers. Het eerste Chileense bier was een ware godendrank. Natuurlijk nog altijd niets in vergelijking met ons Belgisch bier maar toch, het mocht er zijn. Na een verfrissende maaltijd met dat heerlijke bier gingen we op zoek naar een kampeerplaats. In San Pedro en Chili zijn er blijkbaar heel wat meer campings dan in Ecuador, Peru of Bolivie. Daarbij komt dat de kamers er ook heel wat duurder zijn en ik al mijn kampeergerief bij had. In de stoffige tuin van `Puri` vonden we een plaatsje in de schaduw van een boom. Het was nog maar pas over de middag en dus veel te warm om nu al een tent op te zetten. Een leuker tijdverdrijf was: pinten gaan pakken. Alsof onze dorst nog steeds niet geblust was gingen we van de ene tent naar de andere om met aangedragen emmertjes gerstenat brandjes te blussen. In de reisgids stond dat San Pedro een `hip colonial town` is. Met `colonial` bedoelden ze waarschijnlijk de koloniale huisjes en hoekjes maar met `hip` bedoelden ze wellicht het interieur, het cliënteel en de prijzen van de vele bars. Ze proberen allemaal om ter origineelst te zijn met de inrichting van hun drank- en eetgelegenheden en het zootje die er rondhing waren ofwel uitgeschudde toeristen die van Bolivie kwamen of er naartoe gingen ofwel lege doorzopen veel te laat geboren hippies met Marley als boegbeeld. Voor de rest had San Pedro buiten cafés en reisbureautjes eigenlijk niet zo veel te bieden. Als ik die dag mijn fiets al had dan zou ik waarschijnlijk verder naar Calama gereisd hebben. Maartje was het zelfs even van plan, om diezelfde dag nog verder te bussen maar uiteindelijk besloot ze toch om te kamperen in mijn kleine tweepersoonstentje in de stoffige tuin van Puri. Die avond gingen we niet op restaurant. Ik had niet voor niets zoveel etenswaren de grens over gesmokkeld en dus aten we maar een Boliviaans - Italiaanse pasta en een heerlijk coca thee die zeker illegaal was. Maar een ganse avond met kaarslicht aan je tentje zitten is ook geen doen en dus gingen we voor de zoveelste keer maar pinten gaan pakken. Om niet teveel te zeuren over de prijs van die halve liters zeiden we gewoon: "Dit is nu eenmaal Chili. Je moet je daar bij neerleggen". De volgende morgen ontbeten we met het brood die we de avond voordien in een café over hadden. Ik was nog maar net uit mijn tentje en de zon was alweer flink aan het branden. Schaduw was er kostbaar. Ik mocht om een uur naar het kantoortje van Colque gaan om mijn fiets op te halen die met een andere bus zou meekomen. In de voormiddag huurden we om de tijd dood te slaan elk een mountainbike (Jawel, terwijl ik op mijn eigen fiets wachtte, huurde ik een andere) Om wat rond te rijden in een kleine droge vallei, even buiten San Pedro. "Valle de la Muerte" heeft zijn naam niet gestolen. Ik heb er buiten mijn fietsgenote geen enkel levend wezen bespeurd. Aan een rustig, gezapig tempo reden we door wat rotsformaties en zandduinen. We waren nog niet moe maar hielden toch een uitgebreide rust ergens op die duinen en rotsen en daar stopte ik mijn thermometer in het zand. Meer dan 45 graden. Gewoon even op het zand liggen was onmogelijk. Het was er onmenselijk warm. Tegen een uur ging ik naar het kantoortje om mijn fiets op te halen maar zag enkel rugzakken liggen. Mijn fiets was er nog altijd niet en het enige wat ik te horen kreeg was:"Misschien morgen". "Godverdomme, misschien morgen en als het morgen niet is, is het zeker overmorgen, enz" De uitleg was dat de auto pech had en uiteindelijk is teruggekeerd. Ik had natuurlijk iemand bij me die beter Spaans spreekt dan West Vlaams (Een Nederlandse West Vlaams doen spreken is onbegonnen werk) en die bleef maar doorgaan over de onredelijkheid waarmee ons beloofd werd dat mijn fiets om een uur er zou zijn. Er was geen doen aan. Ik zou moeten wachten tot de volgende morgen om dan met de bus terug te keren naar Laguna Verde en er eigenhandig mijn fiets op te halen. Ik was net zo tevreden over Colque tours en toen gebeurde dit. Dat laatste beetje service konden ze blijkbaar niet meer aan. Die bazige vrouw probeerde de zaak nog op te lossen door te zeggen:"Geef me zestig dollar en ik ga hem zoeken" Voor zestig dollar wil wel zelf gaan zoeken... Om mijn verdriet om mijn fiets te verwerken gingen we terug naar dat café met halve liters bier. Ik had het vervelende vooruitzicht om nog een nacht in San Pedro te moeten doorbrengen terwijl ik dat nietige dorpje eigenlijk wel al gezien had. Maar het bedrinken van fietsvedriet had duidelijk zijn vruchten afgeworpen want toen we uit de kroeg waggelden en voorbij Colque passeerden zag ik mijn fiets tegen de gevel staan. Meteen alle problemen opgelost en enkele minuten later had ik al een busticket naar Calama in mijn handen. Fiets onderin en na een uurtje of zo door de woestijn waren we in Calama. Maartje zou er dezelfde avond de bus naar Arica nemen terwijl ik van plan was om er wat te blijven en er de grootste open kopermijn ter wereld te bezoeken. Na het laatste avondmaal en dat ijsje die uiteindelijk veel groter was dan we dachten en eigenlijk niet opkregen gingen we met nog een ommetoer langs een likeurbar (eentje om het af te leren. Of was het `one for the road’! Ik weet het niet meer) naar de busterminal. Meteen het einde van een week België - Nederland. Ik keerde terug naar mijn hotelletje en het enige waar ik nog goed in was, was slapen. Ik had de volgende dag al die mijnen kunnen bezoeken maar besloot om het toch wat rustiger aan te gaan doen. Ik trok een dag uit om de vuile was te (laten) doen, een beetje te lezen en om gewoon wat in Calama rond te lopen. Ik kreeg in de VVV meer informatie ivm met Chuquicamata en de volgende morgen stond ik om negen uur al aan te schuiven om rondleiding te krijgen. Ik moest langer dan normaal wachten omdat er een groep Duitsers voor was. Na heel wat gepieker herkende ik hun gids. Het was diezelfde knul die me enkele maanden terug van de Mirador terug naar Nasca bracht. Het leek me deze keer ook zo`n groep die in een minimum van tijd een maximum aan bezienswaardigheden bezoekt. Het inleidende filmpje over de mijn was al de moeite zodat ik alleen met meer spanning uitkeek naar het bezoek aan de mijn zelf. Zonder in detail te treden: Kopererts wordt er op twee verschillende manier tot koper verwerkt en naast koper verwerken ze ook het nevenproduct Molybdeen voor industriële toepassingen. Maar in Chuquicamata is alles groot in het kwadraat. De mijn is vier kilometer lang en achthonderd meter diep. De trucks die het erts uit de mijn rijden vervoeren minstens 250 ton ineens. Ze verbruiken duizend liter diesel per acht uur en hebben wielen van meer dan twee meter diameter. De Japanse truck die binnenkort zal getest worden is ontworpen door Komatsu om vijfhonderd ton erts te vervoeren. Jawel, vijf nul nul duizend kilo. Na het filmpje kregen we elk een helm en bracht de bus ons naar de rand van de mijn. Amaai mijn voeten... "Een putje in de grond" noemen ze dat. Ook een oude truck stond op een mooi plaatsje om toeristen toe te laten mooie plaatjes te schieten. Na de fotosessie van de mijn en die truck bracht de bus ons naar de verwerkingsfabrieken. Jammergenoeg bleven we op de bus en gaf de gids alleen maar cijfermateriaal. Het eigenlijk verwerkingsproces kregen we niet te zien. Wel weet ik nog dat binnen afzienbare tijd het hospitaal en delen van het dorp zullen verdwijnen onder waardeloos gesteente die uit de mijn zijn opgehaald. Chuquicamata zal binnenkort een spookstad worden. Maar nadat de arbeiders om gezondheidsredenen naar Calama moesten verhuizen is het nu eigenlijk ook al een spookstad. Na mijn bezoek had ik geen interesse meer in de regio. De Chileense zoutvlaktes en geisers zouden toch de vergelijking met de Boliviaanse niet kunnen doorstaan en ik wou naar het zuiden. Ik wou vanaf het noorden van Chili een grote sprong zuidwaarts maken om nadien vanuit Vuurland terug noordwaarts te fietsen. Kwestie van de seizoenen. Net na de middag zat ik al op de bus met het vooruitzicht van een vierentwintig uur durende busreis naar Santiago. Eigenlijk viel het wel nog mee om een ganse dag op die bus te zitten. Geen brol films zoals in Bolivie en zo nu en dan kregen we een kleine maar deugddoende maaltijd aangeboden. Nog voor Antofagasta zag ik de trein passeren met het koper uit Chucuicamata. Iedere dag rijden er vier treinen van de mijn naar de haven in Antofagasta. Exact een etmaal later stond ik in de busterminal van Santiago. "Taxi senor? Taxi, Taxi". " Zie je dan niet dat ik met de fiets ga?" Dacht ik. Het eerste die me opviel in het Chileense verkeer was dat de bussen er even gek rijden als in Bolivie. Ze rijden zelfs rapper, gevaarlijker. Na een paar keer heroriënteren en zoeken naar die straat die ik nodig had vond ik mijn backpackershostal op wandelafstand van de "Plaza de Armas". Ik liet er al mijn gerief achter en dook meteen in het stadsleven van Santiago. Ik was nog geen uur in Santiago en voelde meteen al een wereld van verschil aan met La Paz. Het was gewoon veel meer westers. Schone winkelstraten, grote shoppingcentra en zelfs een metro. Die eerst namiddag en avond had ik tijd tekort om het oude centrum te verkennen. Zonder echt iets te bezoeken had ik al heel wat gezien. Het straattheater, mimespelers en clowns gaven me dikwijls de gelegenheid om in een menigte Chilenen te verdwijnen. En als ik dacht om niet op te vallen tussen de Chilenen dan heb ik het ook mis. Zo nu en dan komt iemand naar me toe om naar mijn afkomst te informeren. "Welcome in Chile!" Mijn tweede dag in Santiago had ik een paar zaakjes te regelen. Ik moest mijn fiets helemaal laten nazien en nieuwe versnellingen zien te vinden en ik wou mijn overzet van Puerto Montt naar Punto Arenas zien te regelen. Met de fiets reed ik naar een fietsenzaak die in mijn reisgids werd aangeraden. Toen ik daar aankwam merkte ik dat de ganse straat stikte van fietsenhandels. Geen fietsenhandels met voorhistorische vehikels maar keurige winkels met het recentste fietsmateriaal. Ik liet mijn fiets in vertrouwen achter en ging met de bus en metro naar het stadsgedeelte in het oosten om mijn boot te regelen. Ik kwam terecht in het zakencentrum van Santiago. Hoge kantoorgebouwen en op het gelijkvloers afgeladen bars en restaurants met lunchende zakenlui en secretaressen. De veerdienst tussen Puerto Montt en Punto Arenas draait maar op halve kracht omdat een boot uit dienst is genomen omwille van technische problemen. Gevolg was dat alles veel sneller volgeboekt was en ik elf dagen moest wachten om nog een plaatsje in economy class te vinden. Elf dagen. Ik had dus nog wel wat tijd om in Santiago een en ander te bezoeken. Met mijn reisgids onder de arm ging ik op zoek naar wat buitensportwinkels om die vervelende broek die ik in La Paz voor een spotprijsje kocht te vervangen. Ook een paar nieuwe wandelsokken zou meer dan welkom zijn. Na heel wat zoeken, doorverwijzingen en wegomleggingen vond ik eindelijk de Patagonia shop van Chili. Het dragen van Patagonia kledij heeft in het zuiden van Chili natuurlijk een andere dimensie. Om geen te grote financiële pijn te voelen betaalde ik met mijn visa kaart en keerde met hemd, broek en twee paar kousen terug naar mijn kamer die ondertussen al weer in een puinhoop was veranderd. Vrijdag ging ik de modeltoerist uithangen. Ik ging naar het park Metropolitano en nog het toeristentreintje naar de top van de berg. Als een diepgelovige bezoeker van Santiago klom ik verder tot het allerhoogste puntje en kuste als het ware de voeten van die Christusfiguur. Het uitzicht over de stad was eigenlijk de enige reden van mijn luie klim. Ik keerde in een zetellift terug naar beneden en stopte in het tussenstation even om wat rond te wandelen. Echt een park om op een warme zomerdag in rond te hangen. Zwembadjes, ligweiden, fietsparcours, souvenirwinkeltjes en vooral veel eetgelegenheden en ijsventers. Ik had na een uurtje of zo die berg wel al gezien en ging weer naar het zakencentrum van Santiago voor mijn middagmaal. De rest van de middag liep ik gewoon wat rond in de winkelstraten en boelhandels. Het aanbod aan goede boekhandels is hier overweldigend. Jammergenoeg is mijn Spaans alles behalve goed genoeg om een paar van die boeken te kopen. Speciale uitgaven van Allende of Neruda. Ik had ze allemaal willen kopen als ik zeker wist dat ik ze vlot zou kunnen uitlezen. Vrijdagavond had ik ook helemaal geen zin om vroeg te gaan slapen en ging dan maar naar de nachtvoorstelling van Blair witch project 2. Wat een flop. Als het de bedoeling was om mij een slapeloze nacht te bezorgen, dan is dat mislukt want ik sliep als een roosje en dacht meer aan mijn weggegooid geld. Ook de zaterdag steeg het kwik tot ruim boven de dertig. In dat opzicht waren alle dagen in Santiago hetzelfde. Als ontbijt, middagmaal zeg maar ging ik op bezoek in het paleis voor schone kunsten. Naast de permanente tentoonstelling over eigen Chileense schilders liep er een tijdelijke tentoonstelling over de Etrusken en Goya. Ik heb ze allemaal in een ruk bezocht. Aangezien ik niet de moeite kon opbrengen om alle Spaanse uitleg volledig te lezen, had ik vrij vlug gedaan met mijn bezoek. Terug op straat overviel de hitte mij. Wat begon ik die airconditioning te missen. In middag ging ik op zoek naar twee nieuwe drinkflessen voor mijn fiets. Ik ben erin geslaagd om ze beiden in dezelfde week te verliezen. Op het internet vond in de Chileense invoerder van de Zwitsers Sigg flessen maar die hield zijn deuren het ganse weekend dicht. Om de hoek was misschien wel het grootste shoppingcenter van Santiago "Alto Las Condes" En jawel, die heerlijk frisse lucht in mijn snoet deed me zo`n deugd. Ik verbleef er bijna de ganse middag en liep winkel in en uit zonder dat ik maar een iets kocht. Ik vond er ook een grote muziekwinkel die natuurlijk bulkte van de Latijns Amerikaanse en internationale pop en rock. Maar mijn aandacht ging naar het kleine rekje met klassieke muziek. Het aanbod was erbarmelijk in vergelijking met het aanbod in Europa. Een verzamelreeksje van die en die componist en vooral veel muziek van na de barok. Geen Vlaamse grootmeesters uit de renaissance of middeleeuwse speellieden. Maar ik grasduinde dan maar wat in het verouderde Bach aanbod en met een vijftal cd’tjes onder de arm ging ik naar de luisterbalie. Alsof ik er een vergelijkende studie maakte om uiteindelijk de beste uitvoering te kopen bleef ik daar zeker een half uur staan. De beukende bass tonen van de muziekwinkel konden mij niet beletten om van Luitsuites of de sonaten en partitten voor viool te genieten. Die CD met motetten van Bach door het Monteverdi Choir stopte ik na nog geen minuut luisteren. Erbarmelijke uitvoering in vergelijking met mijn Collegium Vocale versie. Ik kocht niets alhoewel ik het toch even overwoog maar had zeker een half uur intens van o zo gemiste muziek genoten. Tijdens mijn terugweg naar het centrum stopte ik in nog een ander shoppingcentrum om ook daar even op verkenning te gaan. Ik de computerwinkel was ik zogezegd als buitenlandse student op zoek naar een nieuwe computer. Ik mocht er gratis internet uitproberen en maakte van de gelegenheid gebruik om wat te mailen. Het werd avond en mijn dag was weer flink gevuld. Ik had bijna tijd tekort gehad. De zondag besloot ik om naar het tentoonstellingspark te gaan. Het nationaal museum voor natuurhistorische wetenschappen was gratis en de moeite. Weeral las ik niet alle Spaanse uitleg en liep aan een veel te hoog tempo door het museum. Alles wat maar met natuur en Chili te maken heeft is er terug te vinden. Van het ontstaan van onze planeet tot vandaag. Extra aandacht voor alle vulkanische activiteit en de rijkdommen van de Atacama woestijn. Het skelet van die walvis in de centrale hal was duidelijk de publiekstrekker. In hetzelfde park waar oa ook nog het wetenschapsmuseum en het spoormuseum waren krioelde het van zondagstoeristen die in alle fonteintjes en watertjes afkoeling zochten. In de schaduw van een bomengroepje repeteerde een groepje drummers. Hun gedreun en gebeuk waren al van ver te horen. De grond trilde toen die dertigkoppige band in actie trad. Indrukwekkend. Mijn dagje wandelen, musea bezoeken en lezen in het park besloot ik met een bezoekje aan het busstation om inlichtingen te krijgen voor de doorsteek naar Puerto Montt. Ik had Santiago zes dagen lang bezocht en bewonderd en vond dat het tijd werd om eens verder te reizen. Die maandag zou ik Santiago, misschien tijdelijk achter mij laten. Wie weet zou ik Santiago nog wel eens aandoen tijdens mijn noordwaartse rit doorheen Chili en Argentinië. In zeven haasten bezocht ik nog die kampeerwinkel met "sigg" flessen maar hetgeen ik zocht hadden ze niet. Ik kocht dan maar mijn twee nieuwe drinkflessen in het straatje met al die fietshandels die ik al kende. Tijdens een van mijn laatste wandelingen door het centrum vond ik nog een platenzaak met een aparte luisterruimte voor klassieke muziek. De airco draaide op volle toeren en om het geheel compleet te maken zat er achter de balie geen oude man of vrouw met een vooruitgeschoven leesbrilletje maar een nette, jawel, knappe plaatselijke schone. Ik was dus niet van plan om zomaar na vijf minuten weg te lopen. Ik wou zo graag nog een keer "le Badinage" van Marin Marais horen maar was ervan overtuigd dat ze dat niet in haar rekjes zou hebben. Toen ze me vroeg waarmee ze me kon helpen (Ik zakte bijna door mijn knieën) vertelde ik haar waarnaar ik op zoek was. Meteen dook ze in haar cd rekje en haalde er zonder zoeken een Cd uit met Belgische uitvoerders. Voila!! Ik beluisterde nog heel wat andere cd´s, soms een paar keer hetzelfde om te vergelijken en begon met dat beeldschoon kind een gesprekje over klassieke muziek. "Vond je die eerste uitvoering mooier of die tweede" Uiteindelijk bezweek ik en kocht een goedkoop cd’tje uit de Bach integrale. Ik had al heel wat van haar kostbare tijd in beslag genomen en moest maar eens gaan betalen. Als ik ooit nog eens in Santiago verzeild geraak ga ik dus zeker nog eens terug naar die platenzaak. Tegen zeven uur `s avonds zat ik al op de bus richting Puerto Montt. Ik zag dat de bus niet voorzien was van een televisie en vond dat eigenlijk helemaal niet erg. Maar tot mijn veel grotere verbazing zag ik hoe de steward van de bus voor een vervangprogramma zorgde. Hij deelde wat bingo bordjes uit en leidde een paar spelletjes bingo als een professionele spelleider. De prijzen waren oa een notitieboekje van de busmaatschappij. Ik had geluk dat ik de ganse nacht een zetel voor mij alleen had en sliep uiteindelijk meer dan behoorlijk op een gewone bus (dus geen slaapbus). In de vroege ochtend toen de radio al weer te horen was dacht ik even dat de bus iets te ver was gereden en dat ik opnieuw in België was. Ik hoorde Jaques Brel en voelde mij als Belg in Chili iets minder ver van huis. In Puerto Montt werd ik bij aankomst in de busterminal overspoeld met foldertjes en mensen die me een hostal wilden aansmeren. Uit ervaringen (van andere reizigers) weet ik dat het beter is om je eigen weg te zoeken en zelf op zoek te gaan naar een hostalletje. Ik reed wat rond door het stadje en zag overal alojamiento´s, hostals en hotels. Het leek alsof er een overaanbod was van slaapgelegenheden wat de prijs alleen maar ten goed zou komen, dacht ik. Ik vond uiteindelijk een verblijf bij een familie die blijkbaar een centje wou bijverdienen door kamers te verhuren. De kamers waren al vol maar ik mocht in de living slapen, wat natuurlijk nog voordeliger was. Ik werd meteen opgenomen in het gezinsleven. Grootmoeder bij de stoof in de keuken. De kleine reed met zijn fietske binnen en buiten en maakte zijn moeder boos omdat hij met beslijkte schoenen het tapijt vuil maakte. Dochterlief van ongeveer vijftien jaar zat voor de beeldbuis gekluisterd om haar zingende idolen te bewonderen en de stilste van het gezin, de vader die zich in der tijd waarschijnlijk verzette tegen het plan van zijn vrouw om vreemden in huis te nemen, zat achter het scherm van zijn nieuwe compaq een spelletje patience te spelen. Ik kon er al mijn gerief achterlaten en na een rijkelijk ontbijt ging ik op verkenning in het stadje. Eerst en vooral ging ik naar het kantoortje van Navimag om mijn overtocht met de boot te gaan betalen en zo te bevestigen. Ik was prompt 200 dollar armer en kreeg er bovendien te horen dat de boot niet op 22 jan maar op 24 jan zou vertrekken. Er waren wat problemen... vandaar de vertraging maar dat wist ik al. Dat betekende dat ik nog meer dan een week zou moeten wachten en ik was niet van plan om veel meer geld te betalen voor een betere klasse om toch met de boot van 19 jan mee te kunnen. Ik had meer tijd dan geld. Even voorbij Navimag wandelde ik verder naar Angelmo en de talloze artesania kraampjes waar ze weer bijna allemaal hetzelfde verkochten. Truien, houten bestek,... en vooral veel brol. Op het einde van de dagelijkse braderie vond ik de vis- en groentemarkt en de eetstalletjes op de kade. De vismarkt werd bevoorraadt door vissersbootjes die enkele meters verder aanmeerden. Ik zag de schelpjes nog wat samentrekken bij het lossen van die boot lag die vis ook niet helemaal stil. Verser kon dus niet. Ik wandelde langs de mini restaurantjes en de vrouwen sleurden mij bijna in hun hutje om me van een verse zalm of vissoep te voorzien. Ik had net ontbeten maar beloofde ze dat is ´s avonds zou terugkeren. De rest van de middag liep ik wat rond in Puerto Montt en bezocht er hun mini museumpje met een paar opgezette zeedieren, vissersgerief en schilderijen. Op zich allemaal niet zo bijzonder. Ik had na een paar uur al door dat Puerto Montt geen stadje is om er een week op een boot te zitten wachten. In een dag heb je het wel gezien en dus nam ik me voor om nog wat te gaan fietsen. Mijn oorspronkelijke idee, nog lang voordat er sprake was van die boot naar Punto Arenas wou ik gaan fietsen op het eiland Chiloe om zo de overzet naar Chaiten te nemen. Door die overzet van de volgende week lag Chiloe niet meer op mijn geplande reisroute maar door mijn extra week wachttijd had ik dus nog tijd genoeg om dat eiland met de fiets te gaan verkennen. Ik was van plan om de volgende morgen Puerto Montt tijdelijk te verlaten. Ik ging ´s avonds terug naar de haven om er te gaan eten. Tijdens mijn maaltijd maakte ik kennis met een trucker uit Santiago die net zijn vracht had afgeleverd ergens is de haven van Puerto Montt. Van het ene woord kwam het andere en op de terugweg naar het centrum nodigde hij me uit om in zijn cabine nog een slaapmutsje te gaan drinken. Ik stemde in en even later zaten we in zijn oude Amerikaanse truck Pisco te lurpen. Hij belde nog even naar zijn vrouw en een uur later kende ik zowat gans zijn leven. Hij doet de baan om vrouw en kinderen eten te kunnen geven en terwijl zijn familie in Santiago zit, op hem wacht doorkruist hij het land van Noord naar Zuid en stukken van Argentinië. Hij hield van zijn job maar had ook geen enkel ander vooruitzicht dan rijden. Godganse dagen rijden met die truck. We hadden het over koetjes en kalfjes en met een paar bochten en ommetjes kwamen we bij zotte Pino terecht. Hij beweerde dat hij zich vroeger altijd op de vlakte had gehouden toen er links of rechts een demonstratie voor of tegen Pinochet was maar hij moest wel toegeven dat die man heel wat verwezenlijkt had en dat hij hem bewonderde. Een stille aanhanger van Pinochet dus. Gelukkig waren er de meer lichtvoetige gesprekken en nadat de fles Pisco helemaal uit was en beide wijzers van mijn uurwerk naar boven wezen hield ik het voor bekeken. Ik kreeg een speciale aansteker als aandenken en strompelde met een overdosis alcohol in mijn bloed naar mijn gastvrije gezin. Ik verliet Puerto Montt de volgende dag rond de middag en onder een stralende zon. Ik moest nog een zestigtal kilometer tot de ferry naar het eiland fietsen. Vrachtwagens, bussen en auto´s scheurden voorbij maar ik had genoeg plaats op de berm om zonder schrik voor een aanrijding verder te fietsen. De "ruta 5" leek drukker dan ik had verwacht. Op de ferry, die maar een half uurtje duurde ontmoette ik een Oostenrijks koppel die ook met de fiets op reis was. Zij was nogal zwijgzaam en hij zat waarschijnlijk meer op haar dan op zijn fiets. Het bleef dan ook maar bij een gewone kennismaking en ik voelde dat ik ze maar beter alleen kon laten, genietend van hun prille liefde. Ik zette wiel aan wal en reed meteen door naar het noordelijke stadje Ancud, nog eens zo´n 35 km verder. Het landschap was ideaal om te fietsen, licht golvend, kleine hellingen en een uitstekend geasfalteerde weg. In de vooravond vond ik een camping met zicht op zee. Ik zette mijn tent op naast twee jongens die net hun middelbaar hadden beëindigd. Ik zag ze sukkelen met die stokken van die iglotent toen ik pas aankwam. Toen mijn tent er al lang stond, ik gewassen was en bezig was met mijn avondeten, waren ze nog altijd aan het overleggen hoe ze die tent zouden gaan opzetten. De regio en zeker het eiland Chiloe was trouwens overspoeld door toeristen en vooral Chilenen. De zomervakantie is blijkbaar net begonnen en ik zag ganse gezinnen in auto´s gepropt van en naar de camping rijden. Ook heel wat jongeren gaan blijkbaar in groepjes van drie tot vijf eens kamperen om hun afstuderen te vieren. Je kunt ze herkennen aan de tent die ze nooit op hun rugzak binden meer steevast de ganse dag in hun hand houden. Ze nemen ook geen openbaar vervoer, dat is voor gringo´s. De Chilenen reizen al liftend. Soms zie je op een toegangsweg van een stad om de honderd meter een groepje jongeren zitten die elk om beurt de duim opsteekt. Of je ziet heel wat pick-ups voorbijrijden met in de achterbak een stapeltje rugzakken, een draagbare radio en een groepje jong Chileens wild. Ik stond op die camping in Ancud dus tussen kamperende tieners en een familie die er met twee wagens op uit was getrokken. Na mijn maaltijd wandelde ik met mijn doedelzak onder de arm langs de kleine rotsachtige kustlijn en vond na een kwartiertje wandelen een mooi plaatsje op een rots om nog een paar melodietjes te pijpen. Niemand kon mij horen want het beuken van de golven tegen de rotsblokken overstemde mijn muziek. De zon was al verdwenen toen ik terugkeerde en een repetitie van een folkloristisch zangkoortje zag. In Ancud hebben ze een soort openluchttheater aan de zee (het klif vormt er een natuurlijk halfrond) waar het groepje danste en liederen zong. Iemand vertelde me dat het een generale repetitie was voor de folkloristische feesten van volgend weekend. Ik kreeg een programma toegestopt en zag dat het er vooral op neerkwam dat er werd gegeten. Er zou ook wel een missverkiezing zijn en een paar optredens van lokale en "vreemde" muziekgroepjes maar het eten leek belangrijker. Er werd tijdens de repetitie nog volop getimmerd aan die laatste houten hutjes waar een paar dagen later de lekkerste visgerechten zouden te krijgen zijn. Iedere lokale vereniging kreeg er zijn eigen hutje. Het is blijkbaar overal hetzelfde. "Brood en spelen" en de mensen zijn gelukkig. Het was nog maar woensdag en ik kon dus onmogelijk blijven wachten tot het weekend maar was zeker van plan om op mijn terugweg even langs te komen. Ik ging slapen, althans probeerde dat maar de muziek links van mij, het kindergekrijs achter mij en het gelach rechts van mij verhinderden dat. Ik betaalde er drieduizend peso’s en kon niet slapen van het lawaai. Mijn voornemen was om de volgende dag "wild", beter gezegd "rustig" te gaan kamperen. Ik fietste de volgende dag verder naar de hoofdstad van het eiland "Castro". Na een goeie 85km kocht ik in Castro wat fruit en inkopen om de avond en nacht door te brengen. Ik reed wat rondjes op het marktpleintje van Castro en daalde ook even af naar de markt, aan de haven. Ik zag er gekende taferelen. Verse vis, restaurantjes en souvenirwinkeltjes. Een andere toeristentrekker in Castro zijn de "palfitos". Dat zijn huizen die met de voorgevel aan de straatkant uitkomen maar die aan de achterkant met hun voeten in het water staan. Het is te zeggen: het zijn eigelijk paalwoningen. Gezien vanaf de waterkant zie je die slanke paaltjes onder die huizen die in heel wat verschillende kleuren zijn geschilderd. Leuk om zien en om er een fotootje van te maken maar nu ook weer niet om een ganse dag naar te kijken. Ik was in geen enkel geval van plan om in Castro te blijven en reed dus nog wat kilometers verder in de hoop er een mooie plaats te vinden om te kamperen. Ik passeerde nochtans heel wat campings en kon toch even niet aan de verleiding weerstaan om te informeren naar de prijs. Na de eerste camping gaf ik het al meteen op want de prijs voor een kampeerplaatsje was er 6000 peso’s. "Amaai madammeke, gij durft nogal" Voor de helft van de prijs kon je een kamer krijgen. Tussen Castro en Chonchi vond ik een boerenwegel die naar een klein bosje leidde. Niemand had mij gezien toen ik de berm indook en er in dat lager gelegen stukje grasveld mijn fiets plaatste, een beetje waste en mijn avondeten bereidde. Het was een mooie dag en het zag er niet naar uit dat het zou gaan regenen dus liet ik die tent maar voor wat hij was en rolde gewoon mijn matje uit, kroop in mijn slaapzak en sliep even goed onder de blote sterrenhemel. Ik hoorde nog een paar keer wat mensen en dieren voorbij komen die op die hogergelegen boerenwegel wellicht naar huis terugkeerden maar niemand had mij opgemerkt en zelfs toen ik de volgende ochtend na een flink ontbijt en een beetje in mijn boek gelezen te hebben mijn kampeerplaatsje verliet, had nog altijd niemand door dat ik daar sliep. Ik reed nog wat verder naar Chonchi, een pittoresk vissersdorpje op zo´n uurtje fietsen ten zuiden van Castro. Ik vond er naar mijn verwachtingen geen wereldschokkende attracties maar genoot wel van het uitzicht dat ik vanaf dat bankje op de kade had op de activiteiten op de vissersschepen. Lossen van de schepen en laden van de vrachtwagens. Bakken verse vis vertrokken met als bestemming binnenland. Na Chonchi keerde ik terug langs dezelfde weg naar Castro en nam er mijn middagmaal op een sterk vervuild strand waar toch nog kinderen aan het spelen waren. Ik keerde terug langs de ruta 5 tot ik aan de afslag naar Dalcahue was. In Dalcahue nam ik de gratis overzet naar een nog kleiner eiland van ongeveer een 40 km lang. Het was al rond zes uur en ik mocht dus beginnen uitkijken naar een plaatsje om de nacht door te brengen. Ik probeerde een aantal keer om de enige geasfalteerde weg op het eiland te verlaten om dan vanaf een hobbelig weggetje een plaatsje te vinden. Maar met prikkeldraad werd op het eiland niet zuinig omgesprongen. Alles was omheind en nergens vond ik een doorgang naar een stukje bos of een afgelegen weide. Toen ik dacht dat ik de ideale plaats had gevonden stond ik weer voor een met prikkeldraad gewapend hekken. Het zag er zo mooi uit. Tussen de bomen zag ik een groene weide waar nog wat zonlicht op viel. Ik moest die plaats hebben om te kamperen. Met fiets en al zou ik niet in een keer over de omheining geraken en staan piekeren of ik dan al dan niet op privé terrein zou slapen zou mij alleen maar meer verdacht maken mocht er toevallig nog een boer passeren. Niet te lang denken dus. Ik gooide een fietstas en een paar volle waterflessen naar de andere kant om mijn fiets wat lichter te maken. Ik zette mijn schouder onder die buis van mijn fiets en met wat gekreun slaagde ik er toch in om mijn benen te strekken. Ik stond daar net zoals een gewichtheffer die zich voorbereidt om die gewichten boven zijn hoofd te gooien. Ik moest nadat ik weer rechtstond nog over die draad zien te geraken. Mijn twee handen had ik nodig om mijn fiets vast te houden en moest dus op goed geluk over die draad geraken. Ik prikte mij nog wel een paar keer aan die distels aan de overkant en gelukkig niet aan de prikkeldraad. Ik had wel een zeemvel in mijn broek maar zoveel bescherming zou die nu ook weer niet bieden. Vlug installeerde ik mij uit het zicht van alles en iedereen en begon met mijn culinaire kampkookkunsten. Ik zat dus op een privé terrein en kon moeilijk ontkennen dat ik over het prikkeldraad klauterde. Ik mocht dus niet teveel opvallen. Ik hoorde een motor stoppen op een twintigtal meter. Ik zag door de struiken een jongeman met zijn geliefde (anders zou ze zich niet zo aan hem vastkleven) naar het open weiland kijken. Ik vroeg me af wat ze daar deden maar kon natuurlijk niet zomaar even langs gaan om te gaan kennismaken. Ik moest mij koest houden. Ik hoorde ze wat giechelen en tot mijn grote opluchting startte de motor opnieuw en reed de brommer weg. Oef Ik kookte wat verder en zat van mijn koffie te genieten toen ik een blaffende hond dichter hoorde komen. Ik hoorde ook duidelijk een roepende mannenstem. Even later zag ik een kudde schapen op een honderdtal meter en wist dat ze binnenkort zouden passeren. Ik zat wel in mijn boekje te lezen maar zag alles duidelijk gebeuren. Die herder kwam dichterbij en ik dacht:" Nu zal het gebeuren. Hij zal kwaad zijn en ik zal mogen opkrassen" In een onverstaanbare variant van het Spaans begon hij wat te roepen en deed teken naar mijn fiets. Ik dacht eerst dat ik inderdaad weg moest maar even later begreep ik dat ik gewoon mijn fiets even moest verzetten om de schapen door te laten. Toen de schapen voorbij waren bleef hij nog even voor een klein praatje. Ik verstond hem amper maar toch begreep ik dat het volgens hem die nacht niet zou regenen. Nadien rende hij achter zijn schapen want die hond zou het waarschijnlijk niet alleen aankunnen. Mijn tent liet ik dus weeral in de zak en rolde gewoon mijn matje uit op de grond. Net toen ik in mijn slaapzak wou kruipen zag ik een verschrikkelijke grote hond achter me staan. Van zodra hij had opgemerkt dat ik hem had gezien en een beetje verschoot begon hij te blaffen en met zijn voorpootjes in de grond te harken. Het leek me geen schoothondje maar eerder een hond die slim genoeg was om te weten dat ik op zijn terrein of dat van zijn baasje kampeerde. Ik heb het sowieso niet voor honden en zeker niet voor dergelijke exemplaren die in het halfdonker komen aangeslopen en je dan doen verschieten om vervolgens wild om zich heen te blaffen en dreigen met een flinke beet in arm of been. Zonder veel na te denken nam ik voor alle zekerheid mijn zakmes en hield die in aanslag. Ook dat aluminium piket voor de tent die ik net had gebruikt om mijn saus om te roeren hield ik in mijn andere hand met het scherpste deel naar de hond gericht. We stonden daar zeker dertig seconden recht tegenover elkaar. Hij zijn sterke kaakspieren en tanden en ik met zakmes, tentpiket en een rabiësvaccinatie. Mijn redding kwam van ergens anders. Zijn baasje had gehoord dat er geblaft werd en met een eenvoudige fluittoon rende de hond terug naar zijn baasje. Misschien was het de hond van die herder die ik een uurtje daarvoor had ontmoet. Ik had hem in ieder geval niet herkend. Die nacht hoorde ik nog heel wat meer dierengeluiden en vroeg mij eigenlijk af of ik in een zoo sliep of gewoon in een grasveldje in het bos. Uiteindelijk was ik moe genoeg om mij niet meer te storen aan dierengeluiden en sliep in een ruk door tot de zon mij wekte. De lucht was iets meer bewolkt dan de vorige dag en regen zou niet lang meer uitblijven. Gelukkig had het ´s nachts niet geregend. Ik herhaalde iets meer ontspannen mijn stunt over het prikkeldraad en reed verder naar het belangrijkste dorpje op dat eiland "Anchao". In Anchao is misschien de enige bezienswaardigheid het houten kerkje die aardbevingen en branden heeft doorstaan en nog altijd even authentiek is als honderden jaren geleden. Ik keek er wat naar het inschepen van passagiers die verder zouden varen naar een verder gelegen eilandje en las er mijn boek uit met zicht op zee. De wolken troepten samen boven het eiland en wat al lang in de lucht hing viel er nu uit. Regen! Ik schuilde wat ik het portaal van het kerkje en na een half uurtje besloot ik om weer verder te fietsen terug te keren naar Dalcahue. In een nietig dorpje ergens tussen Anchao en de ferry kocht ik er wat "empanadas", gefrituurde broodjes gevuld met zeevruchten. Op een eiland als deze kon ik natuurlijk niet veel anders eten dan zeevruchten. Het bleef maar regenen en uiteindelijk trok ik toch maar mijn regenjas aan. Met of zonder, ik zou toch even nat worden. Is het niet door de regen dan door het zweet. Tijdens de overzet terug naar Dalcahue sprak een drietal Chilenen me aan. Ze begrepen niet dat ik zomaar naar mijn baas kon gaan en stoppen met werken. "Al vijf maand onderweg?" Ze hadden in Santiago net hun middelbaar gedaan en waren samen op stap om te kamperen en te vissen. Een week maar vijf maanden vakantie zoals ik die tot nu toe al had leek voor hen onmogelijk. In het vissersdorpje Dalcahue besloot ik om toch maar op zoek te gaan naar een kamer ipv een camping. Het feit dat ik het nogal koud had en het maar bleef regenen zal wel de doorslag gegeven hebben. Op mijn gezellige, volledige houten kamer kon ik droge kleren aantrekken en mijn eigen potje koken. Een wandelingetje door het centrum van het dorpje deed ik in vijf minuten. Eigenlijk was het gewoon een kerk met wat huizen er rond en een kade en een ferry. Langs de verbindingswegen tussen kerk, kade en haven stonden nog wat huizen en winkeltjes en dat was het. De volgende morgen was er een artisanale markt in het dorpje. "Artisanaal" was toch wel een beetje overdreven. Het was een gewone ordinaire rommelmarkt met tussen de rommelkraampjes hier en daar een viskraampje. Ik liet Dalcahue voor wat het was en reed terug naar! Ancud. Ik had die weg al eens eerder gedaan en kon dus goed inschatten hoever het nog was. In Ancud koos ik voor een andere camping die trouwens ook maar de helft kostte van wat ik mijn eerste nacht in Ancud betaalde. Het was een rustige camping totdat die truck aankwam. Ik beschreef eerder al eens mijn ervaring met die overland truck van Dragoman in Peru. Deze keer was het de Britse organisatie "Exodus" Ze waren nog maar net vertrokken in Santiago maar zouden na een zevental weken met een ommetje door Patagonie in Rio aankomen. Een bende feestneuzen op weg naar het carnavalfeest. Na een praatje met mijn landgenoot Dirk die zich een zitje in de truck had gekocht ging ik samen met die Zweed die ik net had leren kennen naar het "Folkloristisch" feest, vijf minuutjes wandelen van de camping. Het regende en bleef maar regenen. Het podium was niet overdekt en muziek werd niet gespeeld, althans niet live. Enkel de kroning van de Miss 2001 ging nog door maar daarna verdween iedereen onder de plastiek zeilen en dronk en at Chileense wijn en zeevruchten van Chiloe. We wilden natuurlijk niet teveel opvallen en trakteerden onszelf maar op een litertje witte wijn en een schotel empanadas. De felle spots gaven meer licht dan de ondergaande zon waaruit ik concludeerde dat het al over tienen moest zijn en dus een mooi uur om te gaan slapen. De volgende morgen zag ik Elvire over de haag gluren terwijl ik zat te ontbijten. Toeval wou dat Patrick en Elvire, die ik na een hele tijd nog eens in Potosi had teruggezien op dezelfde camping stonden. Meteen kon ik dat boek lenen die ik eigenlijk in Soarata al had willen ruilen maar met Nederlanders verder mee naar het zuiden is gereisd. Ik zou ze terugzien op de boot want ook zij gaan naar Punto Arenas en Torres Del Paine. Rond de middag stopte ik met lezen in mijn nieuwe boek en reed terug naar Puerto Montt. In het kantoortje van Navimag hadden ze me gevraagd om de maandag of dinsdag terug te komen om het definitieve uur van inschepen te kunnen meedelen en om mijn ticket te herbevestigen. Ik moest dus terug naar Puerto Montt en wist dat ik daar hoogstens twee dagen zou moeten wachten op die boot. Mijn rit van Ancud naar Puerto Montt, met tussendoor een ferry kon mij niet meer zo boeien. Ik had die wel al een keer gedaan en het weer was alles behalve. Regen en wind. Maar gelukkig had ik rugwind en kon ik als een bezetene de trappers ronddraaien. Grote versnelling, armen op het stuur in een tijdrijderhouding en ik vloog naar Puerto Montt. Mijn gemiddelde was nog nooit zo hoog geweest. Ik keerde terug naar de familie waar ik de week voordien ook verbleef. Ik kreeg er mijn pakketje was die keurig door de moeder des huizes was opgevouwen en gaf haar meteen een nieuwe zak met vuile was. Gewapend met een regenjas (het was nog altijd aan het regenen) ging ik terug naar de haven om er zalm te gaan eten. Ik liet mij volledig opgaan in de menigte viswijven. Ik had daar al eerder eens gegeten en wist dus dat ik voor 1700 peso’s een flinke maaltijd kon krijgen en bovendien kreeg ik vorige keer nog vijf oesters gratis als voorgerechtje. De eerste madam die me in haar tent wilde lokken vroeg 2500 voor een zalmschotel. "Nee, nee, veel te duur. Laat ons zeggen 1700 peso’s" Ze ging niet meteen akkoord maar een andere verkoopster vond het een redelijke prijs en trok aan mijn arm. "Oke, voor 1700 een zalmschotel, maar ik wil 8 oesters als voorgerecht en wel gratis" Ik probeerde er zoveel mogelijk uit te halen. Lukte het bij de ene niet dan zou het wel bij de andere lukken. Ze stribbelde wat tegen en vond het een oneerlijk voorstel maar ik werd al weer naar een andere hut gelokt door wellicht de jongste verkoopster. Van haar kreeg ik wat ik wou. Zeven oesters en een zalmschotel voor maar 1700 peso’s. De wijn zou ik dan gewoon betalen. Het leek me een mooie deal en nam plaats in haar eetstalletjes. De oesters kwamen al aangevlogen en met een echte viswijfstem probeerde die jonge verkoopster, ik vermoed een jaar of twintig, mij te animeren. Ze was zo zot gelijk een achterdeur. Ze wees naar alle voorwerpen op tafel en gaf de dingen op een kinderlijke manier een naam. "Pan, Mantequilla, sal, pimienta, vino, ostras, limon y tu,... bonito." "Dankuwel mijn kind. Vergeet niet dat ik ook moet betalen hé achteraf" Ze kwam binnen en buitengevlogen gelijk een duif die zich van hok had vergist en telkens probeerde ze me meer wijn te verkopen en toen ik uiteindelijk niet wou gaf ze me een glas wijn cadeau. Ze wilde mij duidelijk naar buiten zijn strompelen. "Hay postre tambien, yo" Ik had net een zalm binnen en in mosselen had ik niet zoveel zin meer. Ik gaf dat zotte ding haar geld en toen ze al spelend om haar fooi vroeg liet ik wat extra peso’s achter. Ik had het nagerechtje al geweigerd dus mocht ik het niet helemaal verpesten door de fooi te weigeren. Ik keerde terug naar mijn familie en moest er nog eventjes wachten totdat de living volledig vrij was om te kunnen gaan slapen. Nadat de kinderen de televisie uitdeden en het bezoek naar huis terugkeerde kon ik mijn matje uitrollen en lekker gaan pitten. De volgende keer dat ik wakker werd was deze morgen. Mijn dag begon rustig. Ik nam een uitgebreid ontbijt met een Oostenrijker die een verdieping hoger logeerde las een beetje in mijn nieuwe boek. Ik wandelde rustig naar het goedkoopste internetplaatsje van Puerto Montt omdat ik even wat tijd nodig had om dit eerste verslagje vanuit Chili te schrijven. Het volgende verslagje zal waarschijnlijk van het einde van de wereld komen. Morgen neem ik de boot naar Punto Arenas en ga er meer dan waarschijnlijk een trekking doen in het nationaal park "Torres del Paine". Hoe ik dan verder doorsteek naar Ushuaia en/of Puerto Williams en hoe ik dan terugfiets via Argentinië en het gletsjerpark nabij Calafate weet ik nog niet. Je leest het wel in een volgend verslagje.
jeroen