Avontuur op kasteel Hultendries
Terug naar keuzepagina
1. Lang geleden gebeurde er op het kasteeltje van Hultendries iets eigenaardig. Marieke, het dochtertje van boer Jan was meegekomen naar de tuin van het kasteeltje. Haar vader moest er immers de tuin netjes houden en nu moeder een beetje ziek was kon zij op het grasveld spelen met Lito, het hondje van de barones. Barones Carmen von Hultendries en baron Pietro Parmazella waren vriendelijke mensen en droegen het gewone volk een warm hart toe. Wanneer je in nood zat kon je steevast op hun hulp rekenen. Terwijl de barones, van uit het prieeltje, het spel van Marieke en het hondje gadesloeg komt de baron aanlopen met een brief in de hand. "Liefste, ik moet dringend terug naar Italië. Mijn vader ligt op sterven," zei hij met enige trilling in zijn stem. "Wat erg! Ik zal meteen je reiskoffers laten klaarmaken." Samen gaan ze naar het kasteel. De barones legt troostend haar arm om de schouder van de baron. Intussen is Marieke al spelend tot bij de kasteelvijver gekomen. Het hondje dartelt vrolijk om haar heen. Wanneer ze een stokje weg gooit rent Lito, net alsof zijn leven er van af hangt, er achteraan en brengt het direct weer terug. In zijn glinsterende oogjes kan je zo aflezen dat hij dit spelletje nog lang niet beu is. Marieke gooit het stuk hout weg. Tot haar grote schrik valt het in de kasteelvijver. Lito gaat er achteraan en zonder aarzelen springt hij het water in. Even later staat hij, weliswaar drijfnat en vol kroos, met het stuk hout bij Marieke. Ze is een beetje bang geworden. Wat zal de barones wel zeggen nu Lito zo nat en vuil is. Ze besluit om maar meteen terug te gaan. Ze draait zich om en ziet dan een vreemde man haar richting uitkomen. Hij wenkt haar. Marieke blijft staan. Even later is de man tot bij haar gekomen en zegt: "Hallo, kleine meid. Ik ben herder Johannes. En hoe heet jij?" "Ik ben Marieke, de dochter van boer Jan en moeder Lisa," klinkt het vrolijk. "Is dat jouw hondje?" vraagt de herder. "Nee hoor, dat is het hondje van de barones. Terwijl mijn vader hier op het domein een en ander opknapt mag ik met het hondje spelen." "Fijn is dat. Zeg, jij kan mij wellicht helpen," zegt de herder glimlachend. "Mijnheer de herder, ik hoor dat je niet van deze streek bent. Je spreekt een beetje vreemd," onderbreekt Marieke hem. "Zeg maar Johannes hoor. En ik ben hier op doorreis. Ik kom uit de buurt van het Duitse gebied. Maar zeg me eens waar ik hier ergens een smid kan vinden." "Oh, dat kan ik je tonen," zegt Marieke nu enigszins fier. "Maar eerst moet ik Lito wel even vastleggen, hij mag het kasteelpark niet uit." Nog voor de herder iets kan zeggen holt Marieke naar het kasteel. Het hondje rent haar achterna. Even later is ze terug met een leiband en een stuktouw. "Kom maar mee," zegt ze tegen de herder. Ze gaat de herder voor naar het kleine poortje aan de zijkant van het kasteelpark. Lito springt nog steeds vrolijk in het rond. Wanneer de herder hem wil strelen begint hij plots te grommen. Verschrikt trekt deze zijn hand terug. "Foei, Lito!" roept Marieke. Het hondje kijkt haar verschrikt aan. Intussen zijn ze bij het poortje gekomen. "Ik ga Lito aan die boom daar vastmaken," zegt Marieke. Even later, Lito zit nu jankend en met droeve blik te kijken, opent Marieke het poortje en stapt de landweg op. De herder volgt haar. De landweg loopt naast het kasteelpark en aan de andere zijde wordt hij begrenst door een rivier. Het water in de rivier staat vrij hoog door de overvloedige regen van de laatste weken. Wat verderop hoor je het geraas van het water dat door de schotopeningen van de sluis naar beneden stort. "Volg mij maar," zegt Marieke tegen de herder terwijl ze dijk van de rivier opklimt. "Doe het voorzichtig aan, kleine meid", roept de herder haar toe. Boer Jan is intussen met het grootste deel van zijn werk klaar. Vandaag moest hij een stuk van de moestuin omspitten. Het enig wat nog moet gebeuren is het afgemaaide gras achter de moestuin bij elkaar harken. Met zijn spade op de schouder wandelt hij naar het koetsiershuis. Naast het huis bevindt zich de paardenstal en daar heeft hij van de baron een ruimte gekregen om het tuinmateriaal te stallen. Hij kijkt over het grasveld. Nergens is Marieke te bespeuren. "Marieke!" roept hij met luide stem. Geen reactie. Hij roept nogmaals en wederom geen reactie. "Waar kan die kleine meid toch zitten," vraagt hij zich af. "Eerst even de spade wegbrengen en dan even langs de andere kant van het kasteel gaan kijken," flitst door zijn geest. Achter hem hoort hij plotseling het geluid van een draaiende motor. Hij kijkt om en ziet de mooi glimmende auto van de baron de laan indraaien en met een grote stofwolk achter zich het kasteeldomein verlaten. "De baron heeft haast vandaag," mompelt Jan. Een vijftal minuten later is boer Jan ook bij de kasteelvijver aangekomen. Hij kijkt rond en roept nogmaals de naam van zijn dochter. Het blijft stil. Hij wandelt verder en hoort plots het gejank van een hond. Hij blijft staan en ziet dan wat verderop Lito bij de boom. Hij loopt er naartoe. "Waar is Marieke?" vraagt hij. Het enige antwoord dat hij krijgt is dat het hond aan zijn handen begint te likken. Boer Jan maakt het touw los. Lito springt vrolijk tegen zijn benen op. Dan ziet Jan het half openstaande poortje. Hij loopt meteen, Lito met zich meenemend, er naartoe en begeeft zich op de landweg. Hij kijkt links, rechts, nergens valt iets te bespeuren. Samen keren ze terug naar het kasteelpark en rennen naar het kasteel. Bij het kasteel aangekomen ziet hij de barones op het balkon staan. "Mevrouw de barones, Marieke is verdwenen," roept hij met trillende stem. De barones geeft hem een teken dat ze meteen naar beneden komt. Even later is ze dan ook op het grasveld. Boer Jan is intussen echt helemaal uit zijn gewone doen geraakt. De barones kijkt even naar Lito die nog niet helemaal droog is en neemt dan het touw van boer Jan over. "Boer Jan, vertel me even wat er aan de hand is," zegt de barones op rustig toon. Met horten en stoten vertelt hij zijn wedervaren van het laatste kwartier. "Boer Jan, ik zal meteen de boswachter en de koetsier verwittigen zodat ze samen met jou kunnen gaan zoeken." "Dank u, mevrouw de barones," zegt een aangeslagen boer Jan. 2. Het is reeds namiddag en drie mannen doorzoeken het bos achter het kasteelpark. De boswachter is noordelijk gegaan, de koetsier naar het westen en boer Jan naar het oosten. Na meer dan twee uur komen ze weer op het afgesproken punt, de grote eik nabij het hoofdpad dat dwars door het bos snijdt, bij elkaar. Geen van de drie heeft ook maar enig spoor gevonden van Marieke. "Wat kan er toch gebeurd zijn?" stamelt Jan. Tranen verstikken zijn stem. De boswachter zegt: "Laten we naar het dorp gaan. Daar vinden we zeker nog wat helpende handen om heel de omgeving af te zoeken." Nog geen uur later is heel het dorp op de been. Het nieuws heeft zich dan ook als een lopend vuurtje verspreid. Uren wordt er gezocht, echter tevergeefs. De zon begint reeds richting horizon te zakken als boer Jan naar huis gaat en zijn vrouw Lisa op de hoogte brengt. Bij het horen van het droeve nieuws is ze wenend in haar kussen weggekropen. Jan tracht haar nog wat troostende woorden toe te fluisteren. "Ga alsjeblief terug zoeken!" snikt ze. "En breng haar mee!" Tranen rollen over Jan's wangen wanneer hij de deur van hun huisje dichttrekt. Buiten gekomen merkt hij dat er zich in de verte dikke donkere wolken samenpakken. "Ook dat nog, onweer op komst," gromt hij. Een uurtje later vallen de eerste regendruppels. Boer Jan is intussen met enkele mannen bij het riviertje aangekomen. De sluiswachter heeft voorgesteld om met zijn bootje op het water te gaan en tot aan de sluis alles af te zoeken. Het riviertje is intussen sterk gezwollen en er staat een sterke stroming. Met het bootje gaan ze behoedzaam het water op. In de verte schieten enkele bliksemschichten door de loodgrijze hemel. Dof gerommel volgt. "Ik denk dat we een zwaar onweder gaan krijgen," zegt de sluiswachter op een niet bemoedigende toon. "Dat zal het zoeken er niet gemakkelijker op maken, " antwoordt Jan hem. De regen begint nu ook met bakken uit de hemel te vallen. Na een kwartiertje besluiten ze dat verder zoeken in deze omstandigheden geen zin heeft. Ze gaan terug aan wal en de mannen troosten Jan en beloven dat ze morgen opnieuw mee op zoektocht gaan. Boer Jan is radeloos wanneer hij later, doornat, thuis aankomt. Hij weet niet hoe hij dit aan Lisa zal moeten vertellen. Schoorvoetend duwt hij de deur open. Zijn vrouw zit aan tafel en kijkt hem met tranen in de ogen aan. "En?" snikt ze. "Niets," brengt Jan niet zonder enige moeite uit. Hij zet zich naast zijn vrouw en slaat zijn arm om haar heen. "Morgen gaan we weer opnieuw zoeken. De vrienden uit het dorp komen ook mee," probeert hij haar te troosten. Maar Lisa is ontroostbaar. 3. "Seppe, Wannes, Jens, Katrijn, Jolien, Lobke! Naar huis komen! Het is etenstijd." Enkele vaders en moeders roepen hun kroost die weer naar een spannend verhaal zitten te luisteren bij oom August. Oom August is een arme, ietwat zonderlinge figuur die aan de rand van het dorp in een vervallen huisje woont. Hij is een beetje simpel van geest maar doet niemand kwaad en wordt soms ten onrechte door de kinderen wel eens voor de gek gehouden. Maar wanneer hij tijdens de lange zomeravonden op de bank, onder de grote eik op het dorpsplein, zijn verhalen vertelt zijn ze niet van hem weg te krijgen. Tegen hun zin staan ze op en vragen eerst nog: "Oom August, morgen vertel je ons toch verder hoe het afloopt, hé?" August glimlacht en zegt: "Ga nu maar, voor jullie papa's en mama's boos worden." Wanneer ze het dorpsplein verlaten zegt Seppe aan Jens: "De meisjes durven zeker niet naar het vervallen kasteeltje van Hultendries te gaan." Jens antwoordt al lachend: "Zeker niet na al die verhalen van Oom August. En het schijnt er zelfs te spoken." "Wat zei je daar," vraagt Lobke. "Dat jullie niet eens naar het oude kasteeltje durven te gaan," roept Seppe smalend. De drie jongens lachen luid. "O nee, denk je dat," zegt Katrijn boos. "Ja, dat denken wij!" roepen de jongens in koor. Lobke neemt weer het woord. "Meisjes, waarom zouden wij dat niet durven. Beter nog, we zullen jullie het bewijs leveren." "Ja, dat zullen we!" roepen ook Katrijn en Jolien het uit. "En toch durf ik te wedden dat jullie niet eens twee uur in het verlaten kasteeltje durven te blijven," zegt Wannes smalend. "Phoe, twee uur maar!" is het smalende antwoord van Lobke. "Wij blijven er zonder problemen een hele nacht. Wedden?" "Ja, wedden dat doen we," joelen de jongens. "En voor wat dan wel?" vraagt Jolien. "Wel," zegt Wannes. "Als jullie één nacht in het kasteel durven te blijven dan poetsen wij jullie fietsen." "En als jullie het niet volhouden dan poetsen jullie onze fietsen en betalen jullie er ons nog een ijsje bovenop," voegt Jens er meteen aan toe. "Zonder dat ijsje akkoord," zegt Lobke lachend en enigszins spottend. Katrijn vraagt op bezorgde toon: "Hoe gaan we dat thuis voor elkaar krijgen om een hele nacht weg te blijven?" Wannes reageert meteen "Zie je wel, jullie zoeken al naar uitvluchten om niet te moeten gaan." "Niet waar!" klinkt het boze antwoord van de meisjes. "Wel waar!" spotten de jongens terug. "We vinden wel een oplossing," zegt Katrijn. "Morgenavond om negen uur afspraak aan de ingangspoort van het kasteeltje," zegt Lobke nu op strenge toon. "Zeg jongens, hoe kunnen wij nu weten of zij wel de hele nacht op het kasteel gebleven zijn, " vraagt Seppe aan zijn kameraden. "Geen probleem," antwoord Jens. "Wij vatten post bij de ingangspoort. We zetten daar onze tent op. Zo kunnen we heel goed in de gaten houden wanneer de meisjes gillend naar buiten komen rennen." "Auw!" Jens wrijft over zijn pijnlijk scheenbeen. Jolien heeft hem een stevige trap gegeven. "Je verdiende loon om ons zo te beledigen. Wij zijn geen bangeriken." "'t Is al goed," mompelt Jens. "Tot morgenavond." Het groepje gaat uit elkaar en iedereen trekt huiswaarts. 4. De avondzon staat al laag. De wind ruist zachtjes door de bladeren. Op en rond het vervallen kasteel van Hultendries is het doodstil. In de verte klinken kinderstemmen. Zes kinderen komen gepakt en gezakt richting ingangspoort. Eens bij de poort blijven ze staan. Wannes is de eerste die iets zegt: "Jongens, het is zover. Laat ons hier naast de poort, nabij de muur de tent opslaan. En meisjes, daar staat jullie kasteel. Veel plezier." "Pwoeh, lachen jullie maar. Morgen wanneer jullie onze fietsen moeten poetsen zal je wel wat minder praatjes hebben," zegt Jolien. "Kom Katrijn, kom Lobke, we zullen eens laten zien wat durf is." De meisjes pakken hun spullen en wandelen de verwaarloosde oprijlaan op. De jongens staan hen lachend na te kijken. Seppe roept hen na: "Als jullie een spook zien, roep je ons dan even zodat we ook kennis kunnen maken?" De meisjes doen alsof ze dat laatste niet hebben gehoord en stappen met vaste tred naar het kasteel. Aangekomen bij de met mos begroeide trap zegt Katrijn: "Zouden we het echt wel doen?" De twee anderen reageren meteen. "Komaan, je gaat je toch niet laten kennen en die broekventjes de overwinning gunnen. Er kan toch niets gebeuren." "Ik heb een voorgevoel," zegt ze benauwd. "Dat is gewoon de spanning," antwoordt Lobke. "Komaan, we gaan naar binnen." Ze staan nu voor de grote deur. Ze kijken nog even om en zien de jongens volop bezig met het opzetten van hun tent. "Hier gaan we dan," zegt Lobke. Ze duwt de grote deur open. Het schurend geluid, dat de deur maakt, doet hen huiveren. Angstig kijken ze naar elkaar. Voorzichtig gaan ze de duistere inkomhal binnen. Katrijn knipt haar zaklamp aan. In de lichtbundel zien ze overal de spinnenwebben hangen. Ze laat de lichtbundel langzaam van links naar rechts over de muur dwalen. Aan de grote wand rechts zien ze dan een schilderij. Een vage afbeelding van een dame met een vorstelijke uitziend gewaad in een plechtige houding bezorgt hen koude rillingen. Het is alsof de dame op het schilderij, na al die jaren in de duisternis, tot leven komt als haar aangezicht door de lichtbundel wordt beschenen. De blik in de ogen is zo indringend dat ze nog net een gil kunnen onderdrukken. Van hun eerste angst bekomen kijken ze nog eens goed. Tot hun grote opluchting zijn het gewoon enkele spinnenwebben die bewegen door de luchtstroming nu de grote deur openstaat. Het lijkt net of het aangezicht tot leven komt. "Zou dat de barones geweest zijn waarover oom August heeft verteld?" vraagt Katrijn. "Misschien wel, we zullen het hem eens vragen. Hij zal wel weten hoe die dame er vroeger heeft uitgezien," zegt Lobke. Ze leggen hun slaapzakken en de andere spullen die ze mee hebben tegen de muur, naast de deur. Voorzichtig wandelen ze nu verder. De houten planken van de vloer kraken onder hun voeten. Ze komen bij een van de vier deuren die op de inkomhal uitgeven. Lobke duwt tegen de deur. Meteen horen ze een doffe dreun. Verschrikt deinzen ze achteruit. Na een paar minuten stil en roerloos te zijn blijven staan fluistert Lobke: "Ik ga kijken!." Ze knipt haar eigen zaklamp aan en duwt nu de deur verder open. Deze maakt de nodige schurende en krakende geluiden. Lobke gaat binnen en duwt nog even tegen de deur. Achter de deur hoort ze iets verschuiven en er volgt weer een doffe dreun. Een stofwolk vult de ruimte. "Hatsjie, hatsjie!" "Lobke, wat is er?" roepen de twee anderen. "Hatsjie! Niets ergs. Er is hier een groot wandtapijt van de muur gevallen." Jolien en Katrijn komen nu ook binnen. Jolien heeft intussen ook haar zaklamp aangeknipt. Drie lichtbundels dansen door het vertrek waarin nu een stofnevel hangt. "Dit lijkt wel de salon geweest," zegt Jolien. "Laten we ons hier maar installeren," stelt Katrijn voor. "Ja, dat lijkt wel een goed idee," antwoorden Lobke en Jolien. Meteen halen ze de slaapzakken en hun andere spullen uit de inkomhal. Nadat ze een tafel uit de weg hebben geschoven spreiden ze alles in het midden van het vertrek op de vloer. "Kunnen we dat hier niet gebruiken?" vraagt Lobke plots. De anderen kijken naar wat ze vast heeft. Het is een kandelaar met daarin nog twee kaarsen. "We brengen de avond door bij kaarslicht," zegt ze glimlachend. "Heb jij lucifers?" vraagt Katrijn. "Neen," antwoordt ze. "Hoe denk je dan die kaars aan te steken?" spot Katrijn. "Het zal dan een avond bij zaklamplicht worden vrees ik," zucht Lobke en zet de kandelaar weer op de kast waar ze hem even tevoren had genomen. "Mijn maag begint de grommen. Zouden we niets eten?" komt Jolien nu tussen. De rugzakken worden opengemaakt en een heleboel lekkers wordt opgediept. Katrijn zegt plots: "Het is te hopen dat onze ouders niet naar elkaar gaan bellen. We hebben eigenlijk toch gelogen door te zeggen dat we bij elkaar gingen logeren." "Dat zal wel niet gebeuren," zegt Jolien. "De vorige keren als we echt bij elkaar hebben gelogeerd is dat toch ook niet gebeurd." "Hoe zouden de jongens het stellen?" vraagt Katrijn. "Die stoere binken zullen nu nog wel plezier hebben in hun tentje. Maar wacht tot morgen." De drie meisjes schateren het uit. De angst van bij het binnenkomen en het vallen van het wandtapijt is helemaal verdwenen. "Lobke kijkt op haar horloge. "Het is al na tien uur. Wat gaan we nog doen voor we gaan slapen?" "Laten we nog een stukje van het kasteel verkennen," stelt Katrijn voor. "Misschien vinden we wel een af andere schat." "Of komen we een spook tegen," giechelt Jolien. "Zolang het geen middernacht is zijn er geen spoken," werpt Lobke op. "Kom we gaan op verkenning." Gewapend met hun zaklamp gaan ze terug de inkomhal binnen. Naast een van de deuren zien ze nu ook een trap. "Laten we boven eens gaan kijken," zegt Katrijn. "Misschien vinden we daar nog wel echte bedden en hoeven we met onze slaapzakken niet op de harde vloer te liggen." "Ja, als wij in de bedden van de baron en de barones zouden kunnen slapen dan zijn wij deze nacht ook echte baronessen," antwoordt Jolien. Ze schateren het weer uit. Vrolijk nemen ze de trap. Voorzichtig gaan ze naar boven. Elke trede laat een krakend geluid doorheen het kasteel galmen. Enige angst staat nu op hun gezicht af te lezen. Maar ze zetten door. De lichtbundels toveren dansende, grillige en enigszins griezelige vormen op de muren. Eenmaal op de bovenverdieping openen ze een paar deuren. Overal lege kamers. Het is er vuil en ze moeten zich een wegbanen door de kleverige spinnenwebben. "Geen enkel bed meer te vinden," moppert Lobke. "We zullen geen barones worden deze nacht," klinkt een teleurgestelde Katrijn. Ze besluiten dan maar om terug naar beneden te gaan. Weer galmt het kraken van de trap doorheen het kasteel. Ze blijven dicht bij elkaar want het is toch een beetje griezelig. Ze zijn zo helemaal alleen in dit oude kasteel. 5. De jongens hebben zich intussen geïnstalleerd hun tent. Op hun buik liggend houden ze vanuit de open zijde van de tent het kasteel in de gaten. Wannes heeft er zelfs aan gedacht om zijn verrekijker mee te brengen. "Wat spoken die meiden daar toch uit? vraagt Jens. "Kijk eens naar al die lichtflitsen die op en neer doorheen het kasteel bewegen." "Hebben ze dan echt geen angst?" vraagt Seppe ongelovig. "Wandelen die zomaar door het kasteel of worden ze achterna gezeten door spoken." "Wacht maar tot het spookuur daar is," zegt Wannes lachend. "Ik heb een idee," zegt Jens. "Laten wij voor spook gaan spelen en die meiden de schrik op het lijf jagen. En de weddenschap winnen we dan zonder enig probleem." "Een schitterend idee," klinken Seppe en Wannes in koor. Ze zoeken hun zaklampen en verlaten de tent. Met z'n drieën sluipen ze nu naar het kasteel. Heel voorzichtig, zonder geluid te maken, komen ze bij de achterkant van het kasteel. Na een paar meter langs de muur te zijn geslopen komen ze aan een deurtje. Wannes probeert het open te maken maar zonder succes. Jens die ondertussen verder geslopen is fluistert: "Langs hier mannen!" De anderen komen meteen dichterbij. Voor hen bevindt zich een deur die uit twee helften bestaat. Het onderste stuk is gedeeltelijk weggerot. Jens duwt even en de halve deur draait met licht gekraak open. "Kom, naar binnen!" fluistert Jens. Wannes knipt meteen zijn zaklamp aan. "Let op dat ze het licht niet zien!" sist Seppe. Meteen knipt Wannes zijn zaklamp uit. Het is aardedonker. Zonder enig licht is er geen beginnen aan. Op het gevaar om ontdekt te worden knipt hij ze meteen weer aan. Hij laat de lichtbundel door het vertrek dwalen. Wanneer een kast zichtbaar wordt zegt hij: "Laten we daar even kijken, misschien ligt er wel iets interessants." De kast ligt vol met oude lakens. Seppe neemt er een uit en schudt het open. Een stofwolk vult het vertrek. Jens kan nog net een niesbui onderdrukken. "Als we alle drie een laken nemen en over het hoofd hangen zien we er zeker uit als echte spoken," zegt Seppe. De lakens worden genomen. Het open schudden geeft zoveel stof dat het Jens te machtig wordt. Hij niest luid. "Sssst!", sissen de anderen. Ze hangen nu de lakens over hun hoofd. "Wel een muffe geur hier onder," mompelt Wannes. Ze maken gaatjes ter hoogte van hun gezicht om zo wat frisse lucht te krijgen en om beter te zien waar ze lopen. De oude stof van de lakens laat het uitscheuren van stukken gemakkelijk toe. "Komaan, nu de meiden de schrik van hun leven bezorgen," grinnikt Jens. Ze openen zachtjes de deur naast de kast. Voorzichtig begeven ze zich naar het volgende vertrek. Plots valt Jens. "Ssssstt!", sissen de andere twee. "Hier ligt iets op de grond en daar ben ik over gevallen," verdedigt Jens zich. De zaklampen worden op de vloer gericht. Een oud stuk tapijt staat omhoog gekruld op de plaats waar Jens met zijn voet is blijven haken. "Let in het vervolg even op waar je je voeten zet," zegt Seppe boos. "Stil toch! Zo dadelijk horen de meiden ons nog," komt Wannes nu tussen. "Laten we even stil zijn en luisteren of we iets van de meisjes kunnen horen." Jens staat terug op en vervolgens blijven ze stilstaan en luisteren. Na een tweetal minuten fluistert Jens: "Kom, er is geen onraad. We gaan verder." De drie jongens gaan nu, met het zaklamplicht de grond afspeurend, voorzichtig verder. 6. De drie meisjes zijn op de benedenverdieping een van de andere deuren binnengegaan. "Dit was zeker de werkkamer van de baron," zegt Lobke. "Kijk maar naar al die boekenplanken." Tegen twee wanden van het vertrek staan kolossale boekenkasten. Hier en daar liggen op de schabben nog enkel boeken. In het midden van de ruimte staat een gigantische tafel. "Hoorde ik daar niets?" vraagt Katrijn plots. "Wat dan wel?" reageert Lobke. "Het is alsof ik iemand hoorde niezen." "Dat zal je wel gedroomd hebben." De drie meisjes blijven stil bij elkaar staan en luisteren een paar minuutjes. "Hoorde ik daar nu geen gepraat?" fluistert nu Jolien. Weer blijven ze een paar minuten stil staan en luisteren. "Niets, het zal de wind wel geweest zijn," zegt Lobke. "Laten we terug naar de salon gaan en stilaan in onze slaapzakken kruipen. Het is toch ook al bijna middernacht," klinkt een enigszins angstige Jolien. Terug in de salon leggen ze hun slaapzakken dicht bij elkaar. De deur van de salon wordt ook gesloten. Eenmaal knus geïnstalleerd wensen ze elkaar een goedenacht. De zaklampen worden uitgeknipt. De salon is nu helemaal donker. Na een paar minuten wennen aan het donker zien de meisjes de vage vormen van de salon en zijn nog aanwezige meubilair als spookachtige schaduwen aftekenen op de wanden. Grillige vormen dansen op en neer op de achtergelegen muur. Het zijn de schaduwen van de takken van de grote boom nabij het kasteel. Het maanlicht dat door de venster naar binnen valt zorgt voor dit griezelige schouwspel. Het wordt muisstil op kasteel Hultendries. Een paar keer wordt de stilte doorbroken door het draaien van een van de meisjes in de slaapzak. Na een poosje vraagt Lobke op fluisterende toon: "Slapen jullie al?" "Neen," fluisteren twee stemmetjes terug. In de verte horen ze plots de kerkklok. Lobke zegt: "Het is middernacht. We zullen nu vlug weten of er hier spoken zitten of niet" "Laten we een zaklamp aansteken voor de veiligheid," zegt Katrijn. "acht, negen ...," telt Jolien. "...elf, twaalf!" Op dat moment horen ze een licht gekraak. Meteen kruipen ze tegen elkaar aan en kijken angstig in het rond. Een wit schijnsel komt onder de deur vandaan. "Er er zitten .. hier echt sp.. poken," stamelt Katrijn. Met het nodige kraken en schuren gaat de deur open. Drie gestalten staan in de deuropening. De meisjes zitten nu bibberend tegen elkaar en kunnen geen woord uitbrengen. Het middelste gestalte komt de salon binnen. Op dat moment weerklinkt er een kreunend geluid op bovenverdieping. De drie spoken blijven stokstijf staan. Het kreunend geluid komt dichterbij. Achter de spoken vult de ruimte zich met geelgroenachtig schijnsel. Dan vliegen plots drie lakens hoogte in en Wannes, Jens en Seppe zitten meteen bij de meisjes. Katrijn grijpt de zaklamp en knipt ze uit. Voor iemand iets kan zeggen verschijnt in de deuropening een lichtgele vorm. Aan de randen straalt de verschijning, die half doorzichtig is, een groenige gloed uit. De angst slaat hen nu echt om het hart. Bevend kruipen ze stevig tegen elkaar aan. De verschijning krijgt nu een duidelijkere vorm en de kinderen zien nu een mannenfiguur bij de deuropening. "Weest niet bang kinderen. Ik ben maar een arme geest. Jullie kunnen mij helpen. Ik ben namelijk vervloekt en gedoemd om tot in de eeuwigheid te dolen door dit kasteel." De stem galmt door het hele kasteel en doet de kinderen verstijven van schrik. "Wie w.. wie bent .. u?" stottert Seppe. "Ik ben de geest van een herder die hier ooit op het domein van het kasteel is geweest." "En .. wat k.. kunnen w.. wij vo.. vo..or u doen, mijnheer de herder?" vraagt Jens beverig. "Luister eerst even naar mijn verhaal. Zoals ik al zei was ik hier ooit op het domein. Een meisje van jullie leeftijd heeft mij toen de weg gewezen. Ongelukkig genoeg is zij in het riviertje, hier achter het park, terechtgekomen toen ze op de dijk ging staan. Ik heb haar helaas niet kunnen redden. Het water was te diep en de stroming te sterk. Ik kon ook niet zwemmen. Ik heb me verborgen in het struikgewas en van daaruit het zoeken naar het meisje gadegeslagen. Ik kon de moed niet opbrengen om te vertellen wat er was gebeurd. Ze zouden mijn verdenken van moord. Ik ben daar gebleven tot de volgende morgen. In de vroegte ben ik dan tot bij de smid van het dorp gegaan die mij een paar nieuwe kettingen voor mijn schapen heeft gesmeed. Hij is de enige mij gezien heeft. Net toen ik wou verdergaan vroeg hij mij ook of ik al gehoord had wat er de dag voordien gebeurd was met een klein meisje. Aan mijn twijfelende manier van antwoorden begreep die man dat ik er meer van wist. Toen ben ik op vlucht geslagen. Achteraf heb ik gehoord dat de mensen van het dorp geen goed woord voor mij over hadden. De smid had zijn wedervaren in het dorpscafé verteld aan iedereen die het maar horen wilde. En na een paar uur deed het verhaal de ronde dat ik het kleine meisje had ontvoerd." Voor het vervolg van het verhaal klik je op de knop onder dit venster.