U
UAC: User Account Control. Ingebouwde beveiligingsfunctie in Windows Vista, die moet voorkomen dat ongewenste software zich ongemerkt op je computer installeert. Uitbreidingspoort: opening in een apparaat waarin je een bepaalde uitbreiding kunt schuiven, zoals een geheugen- module. Uitbreidingsslot: sleuf waarin een uitbreidingskaart zoals een grafische kaart, een geluidskaart of modemkaart kan worden geplaatst. UNC: Universal Naming Convention. Manier waarop je netwerkmappen aangeeft, vooral gekenmerkt door de dubbele schuine streep, zoals in \\servernaam\share-naam\bestandsnaam. Undo: de undo-funtie in een programma maakt een kemel die je net begaan hebt ongedaan. Sommige toepassingen kunnen slechts één stap ongedaan maken, andere bieden 'multiple undo'. Dat betekent dat je zoveel handelingen kunt teruggaan als het pakket kan onthouden. Unicode: een internationale standaard met als intentie elk karakter van elke geschreven menselijke taal een unieke code toe te kennen. Unicode wil de vervanger zijn van traditionle karaktercoderingen zoals ASCII en EBCDIC. Unix: zeer stabiel en snel, maar vrij ingewikkeld besturingssysteem. Linux, Mac OS en een aantal andere besturingssystemen zijn op basis van Unix geprogrammeerd. Update: een nieuwere versie van een programma of programma- onderdeel. Voorbeeld: van versie van 3.51 naar 3.52. Upgrade: een ingrijpend gewijzigde versie van een programma of programma-onderdeel. Voorbeeld: van versie 3.52 naar 4.0). Uploaden: een bestand van de ene naar de andere computer sturen. UPNP: Universal Plug And Play. Standaard waarmee je via het netwerk een verbinding kan maken tussen computers en andere randapparaten. UPS: Uninteruptable Power Supply. Een noodvoeding die bij het plots uitvallen van de elektriciteit toelaat om de computer op een normale manier af te sluiten. toelaat URL: Uniform Resource Locator. Het internetadres dat aan een site, bestand of informatiebron wordt toegewezen. Hij bestaat uit de protocolnaam gevolgd door een domeinnaam. Voorbeeld: http://www.hombeek.be USB: Universal Serial Bus. Een populaire techniek waarmee je een computer kunt uitbreiden met randapparaten (tot maximaal 127). Het is de kenmerkende aansluiting met het platte stekkertje. USB 2.0: de opvolger van USB. Het grote verschil zit hem in de overdrachtsnelheid. USB 2.0 is zo'n 40 keer sneller dan de oude' USB-standaard. USB-geheugenstick: een opslagmedium dat je aansluit op een usb-poort op je pc, waarna je bestanden van je pc kan overzetten naar de stick, en omgekeerd. USB Host: ook USB On-the-Go genoemd. Sommige toestellen (meestal harde schijven of netwerk-drives) hebben een extra USB-ingang. Daarin plug je een tweede USB-stick of een andere USB 2.0-schijf. De bestanden die daarop staan, kun je dan vanaf de eerste drive (de 'gasteer' of 'host') bekijken en in sommige gevallen zelfs kopiëren. USB-hub: een apparaatje waarmee je het aantal USB-poorten van je computer uitbreidt. Users Interface: gebruiksomgeving. Dit is de grafische schil die rond een programma hangt, zodat je het via icoontjes, knoppen en menu's eenvoudig kan bedienen. US-RW: Ultraspeed-RW. Cd-schijfjes die aan hoge snelheid herbeschreven kunnen worden.