P
Packet Writing: een manier van cd's/dvd's branden waarbij data in veel kleinere stukjes opgedeeld en weg ge- schreven worden dan bij de traditionele methodes. Pad (Path): om vanuit DOS of Windows een programma of bestand aan te spreken, moet je een zekere weg afleggen. Dit zogeheten 'pad' kan bestaan uit een computernaam, een aanduiding voor een schijfstation, mapnamen en een bestandsnaam. Voorbeeld: het pad van bestand X in de directory Windows ziet eruit als C:\WINDOWS\X. Pairen: een eenmalige procedure die nodig is om twee Bluetooth- toestellen aan elkaar te koppelen. Meestal heb je een code nodig, die je soms zelf kunt kiezen, maar die dikwijls ook in de handleiding terug te vinden is. Parallel: meerdere informatiedeeltjes worden tegelijkertijd door een kabel verstuurd. De overdrachtsnelheid stijgt hierdoor. De printer is een randapparaat dat van een parallele verbinding gebruik maakt. Parameters: een reeks programmagebonden instelmogelijkheden, waarmee je de werking van software beïnvloedt. Partitie: om een grote harde schijf overzichtelijk te houden, deel je deze best op in delen of partities. Elke partitie krijgt een eigen driveletter toegewezen. De eerste (primaire) harde schijf krijgt steeds de letter 'C', vervolgens wordt de rest van het alfabet ingeschakeld. De verschillende delen gedragen zich net alsof het waren verschillende harde schijven. Patch: een programma dat fouten corrigeert in bestaande software of bepaalde problemen naar een besturingssysteem oplost. PC: Personal Computer. Alle computers die niet de functie van server of workstation hebben zijn in principe pc's. Uitzondering op de regel zijn Macintosh-computers, hoewel dit natuurlijk ook 'persoonlijke computers' zijn, mag je het eigenlijk geen pc's noemen. PC-Card: een standaard voor kleine, platte uitbreidingskaartjes voor laptops, die de functie kunnen vervullen van diverse randapparatuur zoals een modem, netwerkkaart, ... De oude benaming was PCMCIA-kaart (Personal Computer Memory Card International Association). PCI: Peripheral Component Interconnect. Technologie op basis van een zelfconfigurerende 'bus' om de computer intern uit te breiden met allerlei hardware. Ontwikkeld door Intel en zeer wijd verspreid. PCI Express: een nieuwe busstandaard voor pc's die zorgt voor snellere graphics en betere systeemprestaties. Zo wordt de dataoverdrachtsnelheid van de AGP8x grafische bus verdubbeld van 2.1 GB/sec naar 4 GB/sec. PCI Express werd ontwikkeld om tegemoet te komen aan de systeemeisen van hoge-snelheidsverbindingen als USB 2.0 en Gigabit Ethernet, maar heeft ondertussen z'n weg gevonden naar grafische kaarten. PCI-slot: een gleuf in het moederbord, waarin je een insteekkaart kunt prikken. Zo'n kaartje breidt je computer uit met extra functionaliteit. PCM: Pulse Code Modulation. Een methode om analoog geluid te digitaliseren. PCMCIA: Personal Computer Memory Card International Association. Een term die stilaan in onbruik geraakt en steeds vaker wordt vervangen door de term 'PC-Card'. PDA: Personal Digital Assistant. Een handcomputer (handheld-pc) die doorgaans gsm, fax en organizer combineert. De meeste PDA's beschikken over handschriftherkenning en een drukgevoelig scherm. PDF-formaat: Portable Document Format. Een bestandsformaat van Adobe dat vaak wordt gebruikt om digitale hand- leidingen te publiceren. Om een PDF-document te raadplegen heb je PDF-lees-software nodig. Peer-to-peer (P2P): dit betekent zoveel als 'van gebruiker naar gebruiker'. In tegenstelling tot bij het down- loaden van een server, maakt een peer-tot peer- netwerk bestandsuitwisseling tussen afzonderlijke gebruikers mogelijk. Pentium: microprocessor van Intel. Het was de opvolger van de 486- processor, de 586. De naam Pentium komt van het Grieks voor 5: 'penta'. Zo zijn er de types: Pentium II, III en IV. PGP: Pretty Good Privacy. Een programma waarmee je bestanden, voor internetcommunicatie, zeer sterk kan beveiligen. Phishing: met officieel uitziende mailtjes die gevoelige informatie zoals kredietkaartgegevens proberen te ontfutselen. PHP: Hypertext Preprocessor of Personal Home Page Tools. Een programmeertaal om scripts te maken die dynamische webpagina's creëren. PictBridge: een standaard die ontwikkeld is om digitale fotografie ook toegangkelijk te maken voor mensen zonder pc. De standaard laat rechtstreekse communicatie toe tussen de camera en de printer, onafhankelijk van het merk of het type van beide toestellen. Pictogram: synoniem voor icoon. PIM: Personal Information Manager. Het betreft een programma dat toepassingen als een organizer, notitieboekje, adresboek en telefoonlijst combineert. Een van de bekendste PIM's is Outlook. Pixel: samentrekking en verbastering van Picture Element. Het beeld van een computermonitor, maar ook elke digitale afbeelding, is samengesteld uit duizenden beeldpuntjes oftewel pixels. Hoe meer pixels, hoe scherper het beeld. Zo bevat een megapixel één miljoen pixels. Platform: de standaard waarrond een bepaald systeem is gevormd. De term wordt in de brede zin gebruikt als synoniem voor het besturingssysteem. Plug and Play: staat voor hardware die niet of nauwelijks moet geconfigureerd worden. Aansluiten (plug) en het zou moeten werken (play)! Plug-In: een uitbreiding waarmee je een programma extra mogelijkheiden geeft. PNG: Portable Network Graphics. Een grafisch bestadsformaat dat wellicht ooit het bekende GIF-formaat zal vervangen. Spreek uit als 'ping'. Pocket PC: kleine zakcomputer met kleurenscherm, die draait onder Windows CE. Een toetsenbord is niet echt aanwezig, je bedient hem met een pennetje via het scherm. Podcast: dit kan je beschouwen als een opgenomen radioprogramma dat je kunt downloaden om af te spelen op je MP3-speler. Dat kan gaan om muziek, maar zeker ook om allerlei talkshows. Met hulpprogramma's kan er gecheckt worden of er voor jou iets nieuws te rapen valt. Poort: het verkeer van en naar het internet loopt via verschillenden poorten, die allemaal genummerd zijn. Met een firewall kun je die poorten openen voor het ene programma en afsluiten voor het andere. POP: Point of Presence. Een lokaal inbelpunt van je internetaanbieder. POP3: Point of Presence versie 3. Een protocol om je e-mail op te halen. Pop-up: een venster dat plots verschijnt terwijl je een bepaalde website bezoekt. Een variant is de pop-under, die onder het zichtbare venster ontstaat en pas verschijnt als je het actieve venster sluit. Popup-menu: een menu dat opduikt op de plaats waar je met de rechtermuisknop klikt. In dit menu is achtergrond- gevoelige (contextgevoelige) informatie beschikbaar. Portaalsite: verzamelpunt van interessante sites. Deze webpagina biedt heel wat links naar andere grote sites. Er zijn meestal verschillende rubrieken of thema's voorzien. POST: Power On Self Test. Dit stukje software voert het BIOS uit elke keer als de computer wordt opgestart. Deze handeling dient om te controleren welke apparaten er nu aanstaan of zijn aangesloten. Postscript: een programmeertaal die 'beschrijft' wat er op een pagina staat. De taal is ideaal om beelden en tekst af te drukken. Belangrijk is dat Postscript niet gebonden is aan één of ander besturingssysteem en dus 'apparaat- onafhankelijk' kan werken. Het af te drukken beeld wordt beschreven, zonder dat daarbij verwezen wordt naar specifieke apparaateigenschappen, zoals de resolutie van de printer. Powertoy: gratis uitbreidingen voor Windows, die extra functies toe- voegen. PPS: Pagina's per seconde. Printterm. Processor: een chip die berekeningen uitvoert. De bekendste is de CPU, de hoofdprocessor van een computer. Programma: een groep instructies die samen een toepassing vormen waarmee je de computer bepaald taken kan laten uitvoeren. Programmeertaal: de software die je gebruikt moet eerst gemaakt worden. Dit gebeurt aan de hand van programmeertalen. Ze laten de programmeur toe om via codes te definiëren hoe het programma zal werken en er uiteindelijk zal uitzien. Progressieve JPEG: een variant van de JPEG-compressie, die ervoor zorgt dat het beeld in lagen opgebouwd wordt. Je krijgt eerst een erg onduidelijk beeld te zien, dat naarmate het geladen wordt steeds scherper wordt. Deze standaard is ontworpen voor internet- gebruikers met een trage modem om toch snel al enig beeld te tonen. Prompt: duidt in MS-DOS de positie aan waar de gebruiker commando's kan invoeren. De prompt ziet eruit als C:\>, gevolgd door een knipperende cursor. Protocol: standaard die door verschillende producenten is aanvaard om gegevens uit te wisselen tussen verschillenden apparaten. Provider: een Internet Service Provider (ISP) biedt internettoegang aan. De provider geeft je één of meer e-mailadressen en meestal ook de mogelijkheid om je eigen homepage (website) op het net te zetten. Heelwat providers bieden hun diensten zelfs gratis aan. Proxy-server: een computer die door providers gebruikt wordt voor de opslag van vaak geraadpleegde websites. PS/2-poort: aansluitpunt op de achterzijde van je computer, meestal gebruikt om het toetsenbord of de muis aan te sluiten. PSK: Pre-Shared Key. De beveiligingssleutel voor een met WPA beveiligd access point. De sleutel moet je ingeven op elke pc die je toegang tot je draadloos netwerk wilt geven. Public Domain: software waar geen auteursrechten (meer) op rusten, behoren tot het public domain. Iedereen mag deze programma's vrij gebruiken en uitwisselen. Pull-Downmenu: de uitklapmenu's die je in het besturingssysteem en in veel programma's tegenkomt, en die je activeert met een muisklik of een toetsencombinatie. De menu's groeperen een aantal opdrachten die je aan het besturingssysteem of het programma kan geven. Push email: emails rollen meteen binnen zonder dat je eerst 'manueel' moet inloggen.