Sondevoeding

 

Via 3 verschillende soorten sondes:

-          De naso – gastrische sonde.

-          De percutane endoscopische gastrostomiesonde.

-          De gastrostomiesonde.

 

De naso – gastrische sonde.(micro of voedingssonde)

 

Verschillende materialen:

-          Polyvinylchloride.(P.V.C)

-          Polyurethaan.(P.U.R)

 

P.V.C. – sondes zijn niet inert.

Aantasting door het maagvocht maakt de sonde hard.

Elke week een andere P.V.C. – sonde !

 

P.U.R. – sondes zijn inert.

Langer ter plaatse blijven.

Veel soepeler waardoor de sonde voorzien is van een mandrain.

Om de 6 à 8 weken vervangen.

 

Plaatsing van de P.U.R. – sonde.

Activeer het hydromeer aan de tip.(hydrogel)

 

2 systemen:

-          Hydromeer van de mandrain activeren met 10 ml water en dan pas verwijderen.

-          Gewoon mandrain verwijderen.

 

Dagelijkse verzorging.

1.         Positiecontrole.

- Betrouwbare methode: pH – meting in nuchtere houding.

- Bij afwijkende pH een RX – controle.

- Opgepast: anti – acida wijzigt de pH – waarde.

2.         Spoelen van de sonde.

- Verstopping voorkomen.

- 25 ml voor en na elke voeding of medicatie.

- Om de 8 uren.

- Ontstoppen: niet bruisend of bruisend water.

3.         Neus – en mondverzorging.

Neuszorgen.

Mondzorgen.

 

De toediening van de sondevoeding.

 

1.         Toedieningswijzen.

-          Bolus.

-          Intermittent.

-          Continu.

 

1.1.             Bolustoediening.

4 à 6 maal per dag een volume van 250 à 300 ml.

Toediening met een spuit.

Nadelen:

-          Te snel.

-          Te koud.

-          Te grote volumes.

Af te raden !

 

1.2.             Intermittente toediening.

- Portie (200 à 500 ml) verscheidende malen per dag.

- Met de nodige intervallen.

- Mobiliteitsverhogend !

- Toedieningssysteem alle 24 uren vervangen.

 

1.3.             Continue toediening.

- Druppelsgewijze toediening over een periode van 16 à 24 uren.

- Best verdragen door de patiënt.

- Optimale resorptie van voedingsstoffen.

- Nadeel:  patiënt is gekoppeld aan het toedieningssysteem.
 

2.         Gouden regels van de sondevoeding.

2.1.             Houding van de patiënt.

Tijdens het voeden, en minstens een half uur na de voeding halfzittende houding.

 

2.2.             Opstarten van de voeding.

- Eerst het volume verhogen.

- Daarna de concentratie.

- Start met een trage toedieningssnelheid

( max 85 ml/uur )

- Toedieningssnelheid nooit hoger dan 200 ml/uur.

- Rekening houden met de energie – aanbreng

( Kcal/dag ).

- Doorligwonden eventueel extra eiwitten.

- Patiënten die zweten, braken, diarree vertonen !

- Pompgebruik !

 

2.3.             Werk hygiënisch.

- Slechts aanprikken bij gebruik.

- Na toedienen  via Y – stuk spoelen met 25 à 50 ml   water.

- Voeding binnen de 24 uren toedienen.

- Vervang dagelijks het toedieningssysteem.

 

2.4.             Temperatuur van de voeding.

Kamertemperatuur.  

 

2.5.             Controle maagresidu.

In de startfase regelmatig het residu controleren.

Residu groter dan de volume sondevoeding van de laatste 2 uren, dient men te stoppen met sonde voeding.

 

2.6.             Controle orale inname.

Sondevoeding = volwaardige voeding.

Geen suikers en lactose !

 

3.         Instellen van het debiet.

 

4.         Toediening van geneesmiddelen.

4.1.             Aandachtspunten.

4.1.1.                   Verstoppen van de sonde.

- Tabletten verpulveren en vermengen met water.

- Met een spuit van 50 ml toedienen.

- Zeer goed verpulveren.

- Sonde goed spoelen met 25 ml voor en na.

- Liefst P.U.R. – sonde ( groter binnenlumen ).

 

4.1.2.                   Klontervorming.

Geneesmiddelen niet toevoegen aan de sondevoeding.

De fysische stabiliteit wordt aangetast.

 

Geneesmiddelen met een pH van 4 of lager geeft aanleiding tot:

-          Klontervorming.

-          Viscositeitsverandering.

-          Deeltjesgrootte die verandert.

 

Chemische samenstelling van de voeding kan wijzigen.

 

Stabiliteit van het geneesmiddel kan aangetast worden.

 

4.1.3.                   Onderdosering of overdosering.

Onderdosering:

Bestanddelen door verpulvering achterblijven.

‘Enteric coated’: coating die in de dunne darm oplost.

Twee redenen:

-          Zure maaginhoud die neutraliseert.

-          Te agressief voor het maagslijmvlies.

Overdosering

Merknamen: RETARD, SR, OROS, ZOC.

Voorzien van een coating: geneesmiddel wordt vertraagd afgegeven in de maag.

Bij verpulvering verdwijnt deze coating. 

 

4.1.4.                   Gastro – intestinale bijwerkingen.

‘Enteric coated’ geneesmiddelen zijn irriterend voor het maagslijmvlies.

 

4.1.5.                   Adsorptie door de sonde.

Geneesmiddel aan de sonde gebonden wordt.

Vooral bij P.V.C. – sondes.

 

4.1.6.                   Nuchtere toediening.

De sondevoedingstoediening minimaal twee uren stoppen voor en na de toediening van dit type geneesmiddelen.  

 

4.2.             Werkwijze.

Zoveel mogelijk vloeibare geneesmiddelen.

 

-          Stop de toediening van de sondevoeding.

-          Spoel de sonde door met 25 ml water via de medicatiepoort.

-          Vloeibare geneesmiddelen:

o        spuit de medicatie in via de medicatiepoort.

-          Capsules:

o        inhoud van de capsule in een spuitkoker en daarna 20 ml water optrekken.

o        Spuit goed schudden.

o        Via de medicatiepoort inspuiten.

-          Tabletten:

o        verpulveren en vermengen met water.

o        Optrekken in een spuit.

o        Inspuiten via de medicatiepoort.


 

Complicaties.

 

1.        Mechanische complicaties.

1.1.             Verstopte sonde.

Ontstoppen van de sonde.

Eerst niet – bruisend water met een spuit van 50 ml.

Geen kleinere spuiten. (te hoge druk)

Eventueel bruisend water gebruiken.

 

Is de sonde niet geplooid?

Controleer de pH.

Bij meer dan 10 Charrière kan men de sonde verplaatsen.

Een sonde met een kleine Charrière mag men niet verschuiven.(zal zeker knikken)

Een kleine sonde kan men ook niet ontstoppen!!!

 

Nagaan wat is de oorzaak!

Worden er geneesmiddelen gegeven?

Geeft men intermittente voeding?

 

1.2.             Verplaatste sonde.

Braakt of hoest de patiënt veel?

Steeds de pH bepalen vooraleer men voeding geeft.  

 

1.3.             Naso – pharyngeale irritatie.

Een maagsonde met meer dan 8 Charrière?

Dikke sondes zijn irriterend.

Heeft de patiënt een P.U.R. – sonde?

Zijn soepeler!!!

 

Wordt de neus dagelijks gereinigd?

Liefst fysiologisch water gebruiken.

 

Is er een goede mondverzorging?

 

1.4.             Slikpneumonie.

Heeft de patiënt slikproblemen?

Maatregelen:

-          Halfzittend installeren.

-          Residu controleren.

 

2.        Gastro – intestinale complicaties.

2.1.             Braakneigingen en braken.

- Gebruikt men bolustoediening?

- Toedieningssnelheid groter dan 200 ml?

- Dikke sonde?( cardia blijft open staan )

- Houding?

- Temperatuur?

 

2.2.             Diarree.

- Sondevoeding toegediend met een spuit?

- Toedieningssnelheid groter dan 200 ml per uur?

- Totale dagvolume groter dan 2000 ml?

- Laatste 24 uren wijziging in het schema?

- Systeem dagelijks vervangen?

- Kamertemperatuur?

- Radiotherapie?

- Medicatie?

- Bepaalde dranken?

- Faecalomen?

- Infectie?

 

2.3.             Constipatie.

- Is de vochtaanbreng toereikend?

- Beweegt de patiënt voldoende?

- Medicatie?

- Restenarme voeding?

- Pathologie?