naar BEGINpagina


Irma Jacobs

werd honderd op 21 december 2001.

Een goed jaar nadat Clarisse Vanhaevermaet in augustus 2000 als eeuwelinge werd gevierd, was het de beurt aan Irma Jacobs om de kaap van de honderd te overschrijden. Dat werd gevierd op zondag 23 december 2001 tijdens een feestelijke revue in CC Stroming.

KLIK HIER voor foto's van de viering


Irma werd geboren in Berlare op 21 december 1901 in de " Kruyenberg" als tweede dochter van Leo Jacobs en Maria Van der Spurt. 
Vader Leo Jacobs werkte in de brouwerij van Cyriel Van Bosch aan het "Rond Huis" en maakte thuis kuipen: houten emmers, waskuipen, drinkbakken voor het vee, … Ze werden door de kinderen Jacobs en hun vader per kruiwagen bezorgd aan de boeren in Berlare en vooral in Uitbergen.
Moeder had een "herberg" en in een zijplaats was een snoepwinkeltje. In Berlare was op dat moment ieder derde huis in een straat een café. Dit stelde weinig voor en betekende eigenlijk een kleine extra verdienste voor de huisvrouw. 
In de "Kruyenberg" en "De Vliet" echter vertrokken veel jonge mannen naar Noord-Frankrijk om het bietenseizoen mee te maken: "De Fransmans" kwamen dan daarna met hun loon naar huis en bij vertrek en thuiskomst werd menige pint "oud bier" gedronken. 
Moeder Maria deed verstelwerk voor een bakkersgezin uit de buurt en Irma werkte daaraan mee.
Na de schooltijd (11 jaar) gingen Emma en Irma boodschappen doen voor de familie van dr. Veldeman (huis dr. Defleur).
"Thuiswerk" was tijdens de eeuwwisseling bij de meeste onbemiddelde gezinnen de enige bron van inkomsten voor vrouwen en dochters (stikken en "bloemenwerk"). 
Bloemenwerk, d.i. fijn naaldwerk naar een patroon, werd door vrouwen en kinderen gemaakt. Het garen bestond in de maten 60, 50 en 40, volgens de fijnheid van het patroon, maar vrouwen met kinderen kregen het "grove" werk te doen. 
Tijdens de oorlog moesten ze zich inschrijven bij een of andere opdrachtgever (Edmond De Vos; Maria & Palmyre De Clippel, in de buurt van 't Rond Huis) waar ze de patronen moesten gaan halen: op bepaalde dagen moest daar aangeschoven worden. 
Irma was dertien, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak.
Zoals de meeste Berlaarse families vluchtte ook de familie Jacobs voor de oprukkende Germanen, die een reputatie van repressie tegen de burgerbevolking achterlieten in de streken waar ze doorheen kwamen. 
Het gezin Jacobs (moeder, de blinde grootmoeder en vijf kinderen) geraakte in Overmere (de molen van Lateir), terwijl de "slag van Berlare" bezig was. Na een paar dagen werd ook de molen beschoten en iedereen, ook de Overmerenaars, vluchtten weg richting Gent en hadden daar de grootste moeite een onderkomen te vinden.
Na een tiental dagen keerden de meeste bewoners terug. Bijna in elk huis werden Duitse soldaten gelegerd vanaf 1917. Dat was ook het geval bij de familie Jacobs en in de rest van de huizen van de "Kruyenberg".
Na de oorlog vertrokken veel Berlaarse jonge mannen met ondernemers naar de verlaten fronten om opruimingswerken te doen. Ook de toekomstige echtgenoot van Irma.

NOG MEER "THUISWERK"

In 1919 begonnen de dochters Jacobs hemden te stikken voor Maria De Schutter (Bruinbeke - Wichelen); ze moesten een machine kopen. 
Zes weken waren ze in opleiding en moesten hiervoor leergeld betalen. Twee dozijn hemden kregen ze daarna mee, die dan thuis werden afgewerkt en weer naar de Bruinbeke gevoerd. Hiervoor had vader Leo hen een speciale kruiwagen gemaakt.
In Lede was een atelier bij de "houten molen" dat méér dan driehonderd vrouwen tewerkstelde om hemden te stikken: hiervoor kregen ze 1 BEF per stuk.
Irma is nog een korte tijd naar Brussel gaan werken voor een atelier in de "Rue Neuve". In plaats van hemden moest daar vrouwenlingerie gemaakt worden. Ze kreeg een aanbieding om in het atelier te blijven werken. Maar de nieuwe elektrische naaimachines schrikten haar af zodat ze een vijftal maanden later opnieuw thuis afwerkte voor een atelier in de "Rue des Poissons". 

DE FAMILIE

In 1924 trouwt Irma met Maurice De Grauwe, afkomstig van "het Hoeksken", "de klemmen boan" (de baan van klei), een verbreed kruiwagenwegeltje van het St.-Annaplein naar de Overheet (huidige De Grauwelaan), waar voornamelijk boerenkarren passeerden.
Maurice werkte als jonge gast eerst bij Mortier, waar hij de stiel van "haarbewerking "leerde. Mortier was een Gentse ondernemer die familiale connecties met "de fijnen" Hertecant (gemeentesecretaris) had. Hij was zowat eigenaar van omzeggens de volledige Daaldreef, Hoeksken en omgeving en heeft deze eigendommen stukje bij beetje verkaveld en verkocht. 
De uitsluitende bewerking en toelevering van paardenhaar voor de borstelmakerij (schilderskwasten-verfborstels) werd voor Maurice tot het begin van de jaren 1960 ( + 1964) zijn beroepsactiviteit.
Ondertussen woonde het jonge paar in de nieuwe huizenrij van Mortier: "de zeven huizekes" ook bijgenaamd "de congo", afgebroken bij de bouw van het huis van dokter De Rycke (nu St.-Annaschool) In dezelfde straat bouwde Maurice dichter bij het St.- Annaplein het huis waar Irma nu nog steeds woont.

DE VERFWINKEL

In de jaren dertig had in die buurt Jeanne "de Française" een verfwinkeltje waarvan ze op zeker moment de inboedel aan Irma Jacobs overliet om zelf met iets anders te beginnen. Vanaf dat moment hield Irma Jacobs een behang- en verfwinkel en de meeste verf moest toen nog met de hand gemengd worden: lijnolie, droogsel, verfpoeder. In de kleur die door de klant werd gevraagd - of de kleur waarvan Irma op voorhand wat gemaakt had... - verfde tijdens de jaren '30, '40 en begin '50 de helft van de inwoners van Overheet, Hoeksken, Heide, Daaldreef enz... met verf die Irma had gemengd en werden muren behangen met behangpapier uit haar winkel.
Eind jaren vijftig kwamen dan merkverven op de markt en verminderde het mengen zienderogen.
Irma bracht vier dochters groot, die thuis heel wat mee te helpen hadden.

DE BUURT

De Tweede Wereldoorlog en de "Blitzkrieg" van de eerste meidagen van '40 brachten een nieuwe vlucht met zich mee: op de kolenwagen van naaste buurman en kozijn Ivo De Grauwe - waar vrouwen en kinderen van vier, vijf huishoudens tegelijk moesten opkruipen met wat het allernoodzakelijkste was om mee te nemen - vluchtte men naar West-Vlaanderen, in de mening dat het Belgisch leger opnieuw dezelfde strategie zou volgen als in 14-18: de vlucht eindigde na heel wat tribulaties in Esen, in Zuidwest-Vlaanderen. Na de overgave van het Belgisch leger kwam iedereen terug.

De zoon van buur Ivo was Alfons De Grauwe, plaatselijk veldwachter en lid van het geheim leger (de witte brigade). Zijn lidmaatschapskaart en wapen had hij verstopt op de hof in een van de werkplaatsen bij Maurice en Irma. Toen Alfons, kapotgeslagen door de Duitsers in de Lokerse gevangenis, aan zijn moeder opdracht gaf het wapen en de kaart te gaan zoeken en te komen afgeven in Lokeren, ontstond een gevaarlijke situatie voor de familie. Alfons De Grauwe werd onthoofd in Duitsland en zijn naam werd na de oorlog aan de straat gegeven waar Irma nog steeds woont.

Marc Van Gysegem


Terug naar TIJDSCHRIFT