Het bloemetje en de bij
Net zoals de Meerkoet en de andere dieren zich geslachtelijk voortplanten, gebeurt bij de zaadplanten hetzelfde.
We kunnen de zaadplanten herkennen aan de bloemen waarin de geslachtsorganen zitten. Anders gezegd, de bloemen zijn niets anders dan de voortplantingsorganen van de plant. Dit is mischien iets om bij stil te staan de volgende keer dat u aan een bloem ruikt.
Om een geslachtelijke voortplanting te bekomen, zijn geslachtsorganen nodig
waarin een vrouwelijke en een mannelijke cel samensmelten. Deze beide cellen
kunnen zich in dezelfde bloem bevinden. In dat geval spreken we van tweeslachtige planten. Met andere woorden, de plant is zowel vrouwelijk als mannelijk.
Als de mannelijke cel in één bloem van de plant huist, terwijl de vrouwelijke cel in een andere bloem van diezelfde plant huist, spreken we van een éénhuizige plant.
Als de mannelijke cel en de vrouwelijke cel zich op een verschillende plant bevindt, dan spreken we van tweehuizige planten.
Bij de vorming van de bloemdelen ontwikkelen zich de vrouwelijke en de mannelijke organen.
Om de bevruchting te veroorzaken moeten de mannelijke stuifmeelkorrels bij de vrouwelijke stempel raken. Sommige planten verspreiden hun stuifmeel enkel via de wind; andere planten doen  dit door het stuifmeel te doen transporteren via insekten. De moeilijkheid is nu om de insekten zo ver te krijgen dat ze het stuifmeel oppikken op de ene bloem en weer neerzetten op de stempel van de andere bloem.
Om de insekten te lokken moeten de planten aantrekkelijk zijn voor die insekten.
Insekten worden aangetrokken door kleuren en geuren. Daarom hebben planten die gebruik maken van de goede wil van de insekten een opvallende bloem.
De bloemen bevatten klieren die nectar en geuren produceren. De geuren en kleuren zijn om de insekten te lokken, de nectar is een beloning voor bewezen diensten.

Planten die geen beroep doen op insekten, verspreiden hun stuifmeel via de wind.
Deze planten hebben geen opvallende bloemen.
De meeste bomen zijn windbestuivers, en hebben daarom geen opvallende bloemen.
Deze manier van voortplanten, via de insekten of via de wind, noemt men de geslachtelijke voortplanting.

Een andere manier is de ongeslachtelijke voortplanting.
In dat geval worden nieuwe planten gevormd aan het einde van uitlopers aan de wortels. Vele planten maken gebruik van beide technieken.

Eenmaal de bestuiving gebeurd is bij zaadplanten, moet het rijpende zaad nog verspreid worden en daar bestaan verschillende manieren voor.

Eén methode is het verspreiden van het gerijpte zaad via mens en dier.
Een andere methode is die waar de zaden worden weggeslingerd.
Sommige planten hebben immers een soort van katapultsysteem waardoor het zaad wordt weggekatapulteerd.
Bij weer andere planten bevat het zaad een soort van vleugeltjes waardoor het door de wind kan worden meegevoerd.
Nog een andere manier is die waar de zaden blijven hangen aan de vacht van het dier of de kledij van de mens en zo worden verspreidt.

Vanaf het moment dat een plant bestuift wordt, ontwikkelt zich de vrucht waarin de zaden zitten. Het vruchtbeginsel wordt reeds aangelegd samen met de andere bloemdelen. De enige functie van de vrucht is het beschermen van het rijpende zaad. Als buiten het vruchtbeginsel eveneens de andere delen van de bloem deel nemen aan de groei van de vrucht, dan spreken we van schijnvruchten.
Als enkel het vruchtbeginsel uitgroeit tot vrucht, dan spreken we van een ware vrucht.
Terug naar Homepage