HAM Radio exams license
Belgische Wetgeving Privaat Radiotelefonist
.
Homepage ON6MU



r

Voorbeeld HAREC-EXAMEN Privaat Radiotelefonist
1996

I. Reglementering:

1. Ingeval een radio-amateur onopzettelijk radioverbindingen opvangt, die niet voor hem bestemd zijn, welke van de vier volgende beweringen is juist?

a. Zij mogen worden weergegeven en meegedeeld aan derden

b. Zij mogen voor om het even welk doeleinde worden gebruikt

c. Zelfs aan hun bestaan mag geen bekendheid gegeven worden, behalve in de gevallen door de wet opgelegd of toegestaan

d. Enkel het bestaan ervan bekend maken


2. Welke frequentie mag een radio-amateur behorende tot de sectie B niet gebruik maken:

a. 148 Ghz

b. 24,5 Ghz

c. 435 Mhz

d. 77 Ghz


3. De klasse van uitzending van een telefoniesignaal gemoduleerd in enkelzijband met onderdrukte draaggolf wordt aangeduid door:

a. A1A

b. J3E

c. G3D

d. H1F



4. Bij een vast station moet zich bestendig een dagboek bevinden. Welke van de volgende beweringen is onjuist?

a. Het dagboek moet worden voorgelegd op elk verzoek van het B.I.P.T

b. De roepnaam van het tegenstation moet worden vermeld in het dagboek

c. De klasse van uitzending moet worden vermeld in het dagboek

d. Het dagboek moet gedurende 1 jaar worden bewaard na de laatst opgetekende uitzending.



5. Van welke klasse van uitzending mag een privaat radiotelefonist niet gebruik maken?

a. F1B

b. R3E

c. H3E

d. G2D



6. Radioverbindingen tussen amateurstations van verschillende landen zijn:

a. steeds toegelaten

b. slechts toegelaten indien de administraties der betrokken landen hiertegen geen bezwaar aantekenen

c. in geen enkel geval toegestaan.

d. toegelaten, indien de uitzending in verstaanbare taal gebeurt



7. Indien een ramp de openbare diensten der televerbindingen desorganiseert of onbruikbaar maakt, kan (ondermeer) één van de aan de radioamateurs toegekende frequentiebanden die hierna vermeld staan, worden aangewend voor het tot stand brengen van dringende radioverbindingen voor hulpverlening, zowel op internationaal als op nationaal vlak. Welke?

a. 28 tot 29,7 Mhz

b. 144 tot 146 Mhz

c. 430 tot 434 Mhz

d. 1240 tot 1300 Mhz



8. Welk meettoestel moet zich steeds bij elk vast station bevinden?

a. een voltmeter

b. een SWR-meter

c. een modulatiedieptemeter

d. een frequentiemeter




9. Het vermogen van de parasitaire hoogfrequentuitstralingen veroorzaakt door een ontvanger van een radio-amateur mag niet hoger zijn dan:

a. 2 nW

b. 2,5 uW beneden 2 Ghz en 10 uW boven 2 Ghz

c. - 80 dB t.o.v. het maximaal vermogen van de zender

d. 2 uW



10. Welke van de volgende beweringen in verband met radioverbindingen tussen amateur-stations van verschillende landen is niet juist?

a. Dergelijke radioverbindingen zijn verboden wanneer de administratie van één dezer landen hiertegen bezwaar aantekent

b. de verbindingen dienen niet te gebeuren in verstaanbare taal

c. de verbindingen dienen beperkt te worden tot berichten betreffende proeven van technische aard en tot opmerkingen met een strikt persoonlijk karakter die uit hoofde van hun onbelangrijkheid het gebruik van de openbare dienst der televerbindingen niet rechtvaardigen

d. tijdens hun uitzendingen moeten amateurstations hun roepnaam bij korte tussenpozen overzenden



11. Om een relaisstation te gebruiken, moet een radio-amateur:

a. een bijzonder recht halen

b. lid zijn van een erkende vereniging voor radio-amateurs

c. houder zijn van een getuigschrift van privaat radiotelefonist

d. er zijn géén bijzondere voorwaarden aan verbonden



12. Mag de titularis van een getuigschrift van aspirant radiotelefonist een amateurstation van de sectie B bedienen als tweede operator?

a. neen

b. ja, indien in aanwezigheid en onder de verantwoordelijkheid van de titularis van het station

c. ja, binnen de beperkingen toegestaan aan de stations van sectie A

d. ja, doch enkel voor bijzondere proefnemingen




II. Technisch gedeelte:

1. Onderstaande figuur stelt het spectrum voor van een amplitude gemoduleerde hoogfrequent transmissie.

Bepaal de modulatie index m:

a. m = 0.25

b. m = 0.5

c. m = 1

d. m = 2,5


2. Op een RC-serieschakeling legt men een gelijkspanning aan. Na een tijd T is de condensator opgeladen tot 63 v. Wat is de voedingsspanning als R = 1 kOhm en C = 1 uF?

a. 63 V

b. 100 V

c. 163 V

d. 1000 V


3. Wat is de afsnijfrequentie van volgende schakeling?

a. 530 Hz

b. 5300 Hz

c. 350 Hz

d. 3500 Hz




4. Wat is het ingangsvermogen als het effectief uitgestraald vermogen 100 W is?

a. 10 W

b. 15 W

c. 20 W

d. 1 W


5. Hoeveel bedraagt de spanning tussen de punten A en B?

a. 40 V

b. 0 V

c. 10 V

d. 20 V




6. Het totale gemiddelde vermogen van een zender stijgt van 5 W naar 20 W. Indien men hetzelfde modulatiediepte houdt hoe verhoudt de nieuwe effectieve antennestroom zich ten opzichte van de oude?

a. 4 maal groter

b. 2 maal groter

c. 2 maal kleiner

d. 4 maal kleiner


7. Volgende schakeling staat over een belasting Z van 10 Ohm. Wat is het equivalente Thévenin schema? (U en R van Thévenin)?

a. U = 80 V en R = 26 Ohm

b. U = 22,2 V en R = 7,2 Ohm

c. U = 90 V en R = 36 Ohm

d. U = 40 V en R = 16 Ohm


8. Volgende filter is een?

a. laag doorlaat

b. band doorlaat

c. hoog doorlaat

d. band sper






9. Bij een superheterodyne ontvanger heeft het ontvangen signaal een frequentie van 800 kHz en de lokale oscillator een frequentie van 1255 kHz. Wat is de spiegelfrequentie?

a. 455 kHz

b. 1710 kHz

c. 2055 kHz

d. 1600 kHz



10. De voedingsspanning (Ub) in onderstaand schema bedraagt:

gegeven:Uce=19,5V -Rc=2,5k -Ic=4mA -Ube=0,5v -Rb=200k

a. 19,5 V

b. 29,5 V

c. 30 V

d. 30,5 V


11. een batterij heeft een EMK van 8,4 volt en een inwendige weerstand van 0,4 Ohm. De spanning gemeten aan de klemmen van de belastingsweerstand bedraagt 7,2 V. Wat is de waarde van deze belastingsweerstand?

a. 1,5 ohm

b. 2 ohm

c. 2,4 ohm

d. 1,2 ohm



12. Wat is de doorlaatband van een FM gemoduleerd signaal wetende dat Fz = frequentiezwaai en Fm = modulerende frequentie?

a. B = Fz + 2.Fm

b. B = 2.Fz + Fm

c. B = Fm + Fz

d. B = 2.Fz + 2.Fm



13. De collector-emittorspanning in onderstaand schema bedraagt:

gegeven: Ub=35V -Rc=3,3k -Ic=6mA -Ube=0,6 v - Rb=200k

a. 19,8 V

b. 15,2 V

c. 14,6 V

d. 15,8 V



14. Welke waarheidstabel hoort bij de volgende logische operatoren combinatie als S = 0?

A B C D
a. 0 0 0 0

b. 0 0 1 1

c. 1 1 1 1

d. 1 1 0 0



15. Op de schakeling van 2 ideale condensatoren wordt een sinusvormige spanning U1 van 50 V aangelegd. De spanning U2 is gelijk aan:

a. 25 V

b. 40 V

c. 45 V

d. 50 V



16. Voor frequentievermenigvuldiging is het best geschikt:

a. een mengtrap

b. een klasse A-versterker

c. een klasse C-versterker

d. een klasse B-versterker





17. Men wenst de volgende schakeling te gebruiken als frequentievermenigvuldiger (n = 2). Bepaal welke de te gebruiken ingangsfrequentie is.

a. 2 Mhz

b. 4 Mhz

c. 8 Mhz

d. 10 MHz







18. Wat is de waarde van R1 in onderstaande schakeling?

a. 20 k

b. 24 k

c. 2000 Ohm

d. 2400 Ohm




19. Bij resonantie is:


a. It = oneindig

b. It = 0

c. It = R

d. It = IC + IL - IR









20. De volgende transformator is belast met een weerstand van 400 Ohm die een vermogen van 1 Watt dissipeerd. Wat bedraagt de stroom aan de primaire zijde van de tranfo?


a. 100 mA

b. 50 mA

c. 25 mA

d. 200 mA




21.Volgend schema stelt voor:



a. een HARTLEY-oscillator

b. een COLPITTS-oscillator

c. een PIERCE-oscillator

d. een RLC-oscillator






22. Hoe groot is de versterking van de volgende schakeling?



a. 180 X

b. 181 X

c. 182 X

d. 18 X






23. Een sinusvormig signaal met een frequentie van 3 kHz wordt in amplitude gemoduleerd op een draaggolf van 14 Mhz. De modulatiediepte is 50%. De bandbreedte van het gemoduleerde HF-signaal is:

a. 3 kHz

b. 6 kHz

c. 1,5 kHz

d. 12 kHz



24. Indien een lange lijn op haar uiteinde is kortgesloten, is:

a. de teruggekaatste stroomgolf is in fase met de invallende stroomgolf

b. de teruggekaatste stroom- en spanningsgolf gelijk aan 0

c. de teruggekaatste spanningsgolf is in fase met de invallende spanningsgolf

d. de teruggekaatste stroomgolf in fase met de invallende spanningsgolf




25. Een open lange lijn met een lengte van 1/4 golflengte, gedraagt zich voor een signaal met een frequentie overeenkomende met deze golflengte als een:

a. capaciteit

b. parallelresonantie

c. serieresonantie

d. induktief



26. Het volgende stroomdiagram hoort bij een:

a. 5/8 - verticale antenne

b. 1/4 - verticale antenne

c. 1/2 - verticale antenne

d. 1/1 - verticale antenne










27. Een mobiele zender en een relais zijn 30 km van elkaar verwijderd. Hoelang duurt het voor het uitgezonden signaal bij het relais aankomt?

a. 0,001 seconde

b. 10 microseconde

c. 0,1 milliseconde

d. 0,01 seconde




28. De uitstraling van harmonischen door een zender kan verminderd worden door:

a. als oscillator een kristaloscillator te gebruiken

b. de instelling van de eindtrap als klasse C te kiezen

c. de antennekring aan de eindtrap als p-filter uit te voeren

d. de instelling van de eindtrap als klasse B te kiezen




29. De rol van de weerstand Re in de volgende schakeling is:



a. de spanningswinst te stabiliseren

b. vermogenverliezen te verminderen

c. de spanningswinst te verhogen

d. de uitgangsweerstand sterk te verhogen









30. Men gebruikt meestal een als emittorvolger geschakelde transistor met als doel:

a. de spanningswinst te verhogen

b. de ingangsimpedantie te verhogen

c. de stroomwinst te stabiliseren

d. het rustpunt te stabiliseren



Homepage ON6MU
73" Guy de ON6MU (ex ON1DHT)

Links of interest:

 

De antwoorden / The solutions