
Het feit dat vormen keer op keer worden gereproduceerd, zou geen probleem vormen indien de ontwikkeling van de vormen eenduidig via onveranderlijke natuurwetten zou kunnen verklaard worden. Dit zou ertoe leiden dat vertrekkende vanuit de kiem, de hele verdere evolutie zou kunnen voorspeld worden. Dit is echter tot nu toe niet het geval (zie Mechanisme), waardoor het even gerechtvaardigd is om deze stelling te verwerpen.
In de hypothese van vormende oorzakelijkheid worden de vormen van ingewikkelde scheikundige en biologische stelsels niet eenduidelig door de gekende natuurwetten bepaald. Deze wetten staan een hele reeks mogelijkheden toe, waaruit de vormende oorzaken de meest geschikte mogelijkheid kiest. De bestendigheid van het morfogenetische veld zorgt er dan voor dat deze geselecteerde vorm zal herhaald worden.
De vraag is dan, wat juist deze bijzondere vorm van een morfogenetisch veld
bepaald.
Een van de antwoorden zou kunnen zijn, dat de morfogentische velden eeuwig zijn
en reeds bestaan voordat de eerste vorm gerealiseerd wordt, en dat ze al bestaan
hebben zelfs van voordat onze planeet zou ontstaan. Deze benaderingswijze sluit
aan bij de ideeën van de oude Grieken (Plato, Aristoteles), die beweerden dat
alle vormen reeds op voorhand zouden bestaan.
Een andere, meer interessante, benadering is te veronderstellen dat de
biologische en scheikundige vormen worden herhaald, niet door onverandelijke
wetten of eeuwige vormen, maar door een oorzakelijke invloed van dergelijke
voorgaande vormen. Voor deze beïnvloeding zou zowel de ruimte als de tijd geen
hinderpaal zijn.
Vanuit deze stelling is het niet noodzakelijk dat de vorm bij het eerste
verschijnen, reeds bestond, maar is ze vanaf het moment dat ze gerealiseerd
werd, wel in staat om actief invloed uit te oefen op alle nadien te realiseren
gelijkaardige vormen. Indien er vanuit energetisch oogpunt verschillende
mogelijkheden zijn, voor een te realiseren eindtoestand, zal de eerst bereikte
eindtoestand ervoor zorgen, dat deze eindtoestand tijdens de verdere
ontwikkeling de meest voorkomende, of zelfs alleen voorkomende, eindtoestand zal
zijn.
Wat juist de keuze van de eerste zal bepalen is moeilijk te achterhalen. Sommigen schijven het toe aan een transcendente scheppende kracht, anderen beweren dat het gewoon door toeval bepaald wordt. De hypothese van vormende oorzakelijkheid houdt zich enkel bezig met de herhaling van de vormen, de manier waarop ze tot stand komen kan tot interessante discussies leiden, maar valt niet onder het onderzoeksgebied van de Hypothese van vormende oorzakelijkheid.
Er is a priori niets dat de hypothese van het tijdsoverschijdende oorzakelijke verband van vroeger gerealiseerde stelsels, op de ontwikkeling van nieuwe stelsels in de weg staat. zelfs vanuit wetenschappelijk standpunt is deze zienswijze aanvaardbaar, indien het verband toestbaar wordt aangetoond.
Voor het ruimteoverschrijdende aspect van de oorzakelijke invloeden te verklaren, is een analogie met het natuurkundige begrip resonantie het interessantste.
Energetische resonantie treedt op als een stelsel door een wisselende kracht, die met de natuurlijke trillingsfrequentie samenvalt, wordt bewerkt.
Er is sprake van resonantie als strak gespannen snaren van een bepaalde
lengte spontaan beginnen mee te trillen op een bepaald geluidsgolf.
Bij het afstemmen van een radio, zal uit alle radiozenders die in de ether zijn,
enkele die hoorbaar worden die samenvalt met de geselecteerde golflengte,
De opwarming van eten in een microgolfoven is te wijten aan het omzetten van de
energie van de resonantie in warmte. De resonantie is zo ingesteld op de
golflengte van het voedsel. Het proberen voor te warmen van een leeg bord in een
microgolfoven, zal vruchteloos blijken omdat de geproduceerde frequentie niet
overeenkomt met de trillingsfrequentie vqn het bord.
Resonantie heeft enkel een energetische werking op de voorwerpen, die afgestemd zijn op de juiste resonantiefrequentie, zo is het ook het geval bij morfische resonantie. Vanuit de verschillende gelijkwaardige eindtoestanden, zal morfische resonantie ervoor zorgen dat de eindtoestand die door het morfogenetische veld bepaald wordt, zal gerealiseerd worden.
In de analogie zou het morfogenetische veld, als zender fungeren. De te
realiseren vormen zullen dan door het trillingspatroon van de zender beïnvloed
worden.
Een belangrijk verschil met de energetische resonantie is dat bij morfische
resonantie er een soort feedback systeem werkzaam is: De gerealiseerde eindvorm
beïnvloed op zijn beurt namelijk het morfogenetische veld.
Vermits de morfogenetische velden niet-energetisch is, kan de morfische resonatie ook niet energetisch werkzaam zijn, dit is een tweede belangrijk verschil tussen de energetische en morfische resonantie.
De tijd/ruimtelijke werking kan het best aanzien worden als een tunnel in een nieuwe dimensie, die dat op het moment dat de juiste elementen voor het bereiken van de eindtoestand bij elkaar gebracht zijn, de trillingen van alle reeds gecreerde eindvormen bundelten op het stelsel in opbouw richt, deze zal spontaan de trillingsfrequenties overnemen. Hierdoor begeleiden alle reeds bestaande vormen de ontwikkeling van elke nieuwe vorm.
Vermits de morfische
resonantie niet-energetisch is, hoeft ze ook niet te beantwoorden aan de wetten
van de klassieke natuurkunde. In het bijzonder hoeft ze niet noodzakelijkerwijs
door een scheiding van verwante stelsels in ruimte en tijd afgezwakt te worden.
Deze hypothese zal we van nu af voor de eenvoud aangenomen worden.
De mogelijkheid dat ook oorzakelijke factoren in de toekomst een rol zouden
kunnen spelen in de vormbepaling kan overwogen worden, maar zolang er geen
aanwijsbare redenen zijn om zulke mechanismen aan te nemen, zullen we deze
complicerende factoren niet in onze redenering opnemen.
De invloed van de morfische resonantie wordt niet in tijd afgezwakt, maar de relatieve bijdrage van een bepaalde beginvorm op het morfogenetisch veld zal afnemen naarmate er meer gerealiseerde stelsels zijn. Grafisch kan dit met volgende figuur verduidelijkt worden:
![]() |
De eerste vorm A, heeft invloed op alle andere vormen, vanaf
dat de vorm B ontstaat zal deze ook zijn bijdrage leveren tot de volgende
vormen.
Hierdoor komt het dat de vorm E, door alle 4 voorgaande vormen beïnvloed wordt. De relatieve bijdrage van elke vorm neemt geleidelijkaan af, naarmate er meer gecreeerde vormen aanwezig zijn. |
De volgende figuur toont hoe de verschillende vormen, met hun eigen gelijkaardig maar toch licht verschillend trilpatroon hun bijdrageleveren tot hetzelfde morfogentische veld.
![]() |
In deze figuur kunnen A en B gezien worden als de eerste en
de tweede vorm van de vorige figuur.
De vorm van de trillingen van het morfogenetische veld dat op B invloed heeft komt overeen met de trilling van A. De samengestelde trilling van A en B kan aanzien worden als een weergave van het morfogenetische veld dat invloed heeft op de vorm C. |
Hierbij kan opgemerkt worden dat:
| De trilling in kracht is toegenomen | |
| De samengestelde golf neemt qua vorm iets tussen vorm A en B in (Het is duidelijk te zien dat de top van de samengestelde trilling tussen deze van A en B ligt) | |
| De scherpte van de vorm komt doordat ze in kracht toeneemt meet tot uiting. hierdoor komen de vormelijke details van de trilling beter tot uiting. |
Dit alles vertaalt zich in een hogere resonantiekracht, naar de volgende vormen toe, elke gecreerde vorm, zal op zijn beurt deze eigenschappen verder versterken, waardoor de globale kracht van het morfogentische veld steeds zal toenemen.
De vorm van zelfs de eenvoudigste morfische eenheden is veranderlijk, subatomaire deeltjes bevinden zich in een oneindige beweging, atomen, kristallen en moleculen zijn onderhevig aan mechanische bostingen, temperatuursvariaties, elektrische en elektromagnetische invloeden. Biologische en morfische eenheden zijn nog meer onderhevig aan externe factoren die tot differentiatie kunnen leiden.
Zelfs cellen met dezelfde genetische code leiden tot verschillende eindvormen (bv. één-eiïge tweelingen). Het gevolg is dat er een automatische uitmiddeling is en dat de gemeenschappelijke kenmerken benadrukt worden en de verschillen afgevlakt. Dit wordt goed weergegeven in de samengestelde foto's van Francis Galton, (zie boek: "Een nieuwe Levenswetenschap" van Rupert Sheldrake) waar de foto's van 3 zussen boven elkaar worden gelegd, waardoor een minder afgelijnde foto ontstaat maar waarin de gemeenschappelijke eigenschappen geaccentueerd worden.
Hetzelfde proces gebeurt ook continu in ons hoofd. We hebben het vermogen ontwikkeld om als er iemand voorbijkomt zijn nationaliteit te voorspellen. Zo herkennen we Chinezen, Japanners, Amerikanen, Duitsers en Hollanders. Elke persoon die we tegenkomen corrigeert ons globale beeld van de groep waartoe hij behoort, zodat we meer en meer in staat zullen zijn om tot een goede voorspelling van de nationaliteit te komen.
Een ander passend voorbeeld is dat van een pottenbakker die een nieuwe vorm maakt. De eerste realisaties zullen tamelijk grote verschillen tonen. Door de herhalingen zal uiteindelijk een karakteristieke vorm bekomen worden. Naar mate er meer en meer potten vervaardigd worden zullen de potten meer en meer op elkaar gaan gelijken, maar geen enkele zal exact gelijk zijn aan een vorige.
Het automatisch uitmiddelen zal in een kansstructuur uitmonden, deze
kansstructuur zal bepaalde eigenschappen hebben. Namelijk dat de kans het
grootst is dat de gemiddelde vorm benaderd wordt, en dat bv. 90% van de vormen
binnen bepaalde grenzen zal liggen. Dit zal meestal ongeveer uitmonden in een
Gauss-curve.
Maar vermits elke realisatie bijdraagt tot deze kansverdeling is deze niet 100%
vast. Als er door externe omstandigheden plots meer realisaties ontstaan die
vroeger minder voorkwamen zal de kansstructuur zich aanpassen aan de veranderde
realiteit.
In het begin zal de invloed van het morfogenetische veld beperkt zijn, maar naar mate de tijd voorschrijdt en er meer en meer stelsels gerealiseerd werden, neemt de kracht van het veld toe. M.a.w. In het begin hebben we een betrekkelijk brede en ondiepe chreode, maar naar mate het aantal gerealizeerde stelsels toeneemt, zal de chreode zich uitdiepen en steiler worden.
Het zou best kunnen dat de invloed van een stelsel op een morfogeetisch veld
afhankelijk is van de tijdsduur dat het stelsel bestaan heeft.
Een voorkeur voor de vorm die het langste gerealiseerd blijft is zeker niet uit
te sluiten..
Indien een vormingsproces om een eindtoestand te bereiken loopt over verschillende tussenstadia, dan zullen deze tussenstadia eveneens met alle gelijkaardige tussenstadia uit vorige vormingsprocessen in resonantie komen en hun eigen morfogentisch veld van een lagere orde gaan voeden.
De hypothese van vormende oorzakelijkheid stelt dat de eindvorm niet volledig op voorhand kan voorspeld worden, maar zich wel verhoudt tot een referentievorm.
Het feit dat de huidige fysische wetenschap niet in staat is om exacte voorspellingen te doen zou als argument ten gunste gebruikt kunnen worden, maar hier is dan onmiddellijk het tegenargument dat dit enkel en alleen te wijten is aan de onvolledigheid van de bestaande wetten en de benaderende berekingswijzen. Het volledige bewijzen van de vormende oorzakelijkheid is per definitie zelfs onmogelijk.
Hetgeen wel experimenteel een aanduiding kan geven, zijn experimenten die aanduiden dat er door morfische resonantie de realisatie van bepaalde vormen wordt bevoordeeld uit een reeks gelijkwaardige vormen.
Het probleem met dit soort experimenten is dat het vaak niet op voorhand voorspelbaar is hoeveel -en of er wel- evenwaardige stelsels zijn. Sceptici zullen steeds met het argument naar voren komen dat de gerealizeerde vorm de enige eindvorm met minimale energie is.
Het geen wel kan aangetoond worden is dat naar mate er meer stelsels gemaakt werden, de morfische resonantie zal toenemen, wat zal zichtbaar worden in een afname van de realisatietijd.
Een experiment dat bovenaan Sheldrake's verlanglijstje staat is het volgende:
| Maak een vloeistof en laat de een deel van de vloeistof kristalizeren in verschillende ruimten. | |
| Als ze allemaal een verschillende eindvorm hebben, dan hebbenwe de ideale testsituatie. | |
| Dan gaan we voor verdere kristalisaties, steeds uitgaan van een kiem van één bepaald kristal. Deze kiem zal zich op een gelijkaardige manier ontwikkelen als de kristal waarvan het afgeleid is. Dit wordt vele malen herhaald, steeds weer met een kiem van dezelfde kristalisatievorm. | |
| Dan wordt er weer een kristalisatie uitgevoerd zonder kiem. Als deze spontaan de kristallisatievorm die steeds herhaald werd verkiest, dan is dit een duidelijke indicatie dat de kracht van het veld van die ene kristalisatie is toegenomen ten nadele van de andere kristallisatievormen. | |
| Tezelfdertijd kan de tijd gemeten worden om een kristalisatie door te voeren. Een afname van de kristalisatietijd zou ook een indicatie ten gunste zijn. |
Een gelijkaardige situatie werd ooit reeds opgetekend:
Rond 1970 was er een maatschappij die kristallen liet groeien, dien nadien
gezaagd en gepolijst werden. Een jaar nadat de fabriek om deze nieuwe kristallen
op grote schaal te realizeren geopend was, werden plots de kristallen vervuild
door een ander soort kristal. Dit nieuwe kristal was nooit eerder voorgekomen in
het jaar fabrikage en de twee jaar voorbereidende ontwikkeling. Nadat het was
voorgekomen bleek het echter onmogelijk om nog kristallen te vervaardigen die
niet met dit nieuwe kristal vervuild waren. Rond hetzelfde moment trad in een
andere fabriek identiek hetzelfde fenomeen op, hoewel er geen enekel contact was
tussen beide bedrijven.
Het fenomeen dat hier zichtbaar wordt is dat de parasitaire kristallisatie veel moeilijker verloopt, maar vanaf dat er realisaties van deze kristallen komen, kan er morfischische resonantie ontstaan en neemt de kracht van het veld met elke nieuwe realisatie toe, waardoor het op lange duur onmogelijk wordt om ze tegen te gaan. Indit geval duurde het 3 jaar voor de eerste kristallen verschenen, maar nadien nam de kristalisatietijd zo drastisch af, dat de parasitaire kristallisatie onvermijdelijk werd tijdens de kristallisatie van het primaire kristal.
De gebruikelijke verklaring wijt deze parasitaire kristallisatie aan een
specifieke verontreiniging in de atmosfeer die als kiem dient voor de
parasitaire kristalisatie, en die ervoor niet aanwezig was. Deze verontreiniging
zou dan op beide plaatsen tegelijk en op hetzelfde moment plots optreden.
Zolang de verontreiniging die verantwoordelijk is voor deze parasitaire
kristallisatie niet bekend is, kan deze redenering gemakkelijk in twijfel worden
getrokken. Maar echte sceptici zullen niet van hun standpunt wijken.
Als er experimenteel echter kan aangetoond worden, dat dit gedrag in steeds meer proeven wordt bevestigd, dan zal de kans dat alles te wijten is aan een puur toevallige gebeurtenis zodanig afnemen, dat de mechanisten de hypothese van vormende oorzakelijkheid als mogelijke werkhypothese zullen beginnen overwegen.
(*) Deze delen komen niet weer in het werk van sheldrake, ze zijn een persoonlijke aanvulling op de lectuur van Sheldrake
| Deze uiteenzetting is gebaseerd op het vijfde hoofdstuk van het boek "Een nieuwe Levenswetenschap" van Rupert Sheldrake, waar het verder uitgewerkt werd. |