Organisisme

Velden

Organisisten stellen dat velden verantwoordelijk zijn voor de doelgerichtheid bij ontwikkelende systemen.

De veldtheorie is redelijk recente benaderingswijze in de natuurkunde en heeft zich hoofdzakelijk in de 20e eeuw als interessant werkinstrument gemanifesteerd. Einstein ontkrachtte hiermee de Newtoniaanse benadering van de zwaartekracht, door aan te tonen dat de aantrekkingskracht te wijten is aan de gravitatie-veld van beide voorwerpen. Naast dit veld is ook het magnetisch veld tamelijk goed ingeburgerd.

Velden zijn op zich niet waarneembaar, ze zijn er, maar kunnen moeilijk echt zichtbaar gemaakt worden. Men kan enkel het resultaat van een veld zichtbaar maken, niet het veld zelf. Hierdoor is de veldtheorie een zeer abstract gegeven, waarvan het echte bestaan niet kan aangetoond worden. Door proeven kan wel worden aangetoond dat de veldtheorie juist blijkt te zijn. Maar het fysisch bestaan aantonen is onmogelijk.

In het algemeen wordt gesteld dat morfische velden instaan voor de vormbepaling van een organisme op een bepaald moment.

Er wordt voor morfogenese, vooral gesteund op de werkzaamheid van morfogenetische velden. Dit is een sub-veld van de morfische velden, dat instaat voor de ontwikkeling van een organisme.

Een ander soort morfisch veld zijn de motorische velden. Deze staan in voor de dynamische vormveranderingen in een levend wezen. Bv. de cyclische vormveranderingen van de benen tijdens het lopen, de vormveranderingen van de borstkas tijdens het ademen, enz.

Chreode

De chreode is een uitbreiding op de veldtheorie.

De term chreode is afgeleid uit het Grieks (chre - het is nodig, hodos- weg/pad).
De chreode kan eenvoudig gezien worden in een 3-dimensionaal epigenetisch landschap.

Deze figuur werd overgenomen uit het boek een nieuwe levenswetenschap van Rupert Sheldrake

In dit voorgedefinieerde landschap zijn er bepaalde voorgedefinieerde eindtoestanden mogelijk. Als de bal aan het rollen wordt gebracht zal het zijn weg zoeken en in een van de valleien uitkomen. Indien er in een vallei wordt ingewerkt op de bal, zal deze automatisch zijn loop terug corrigeren en tot dezelfde eindtoestand komen, behalve indien de bal over de tot van een vallei wordt geduwd, hiermee wordt de regularisatie in beeld gebracht.
De chreode laat ook plaats voor differentiatie. De bal kan in een bepaalde vallei terrecht komen, maar als dit een zeer brede vallei is, kan het zijn dat de bal zijn eindtoestand in het midden van de vallei bereikt of aan een bepaalde kant. Waar het exact gaat uitkomen is moeilijk op voorhandt te voorspellen.

Het inrollen van de bal in een bepaalde vallei waar hij dan de weg naar zijn eindtoestand volgt, wordt ook wel kanalisatie genoemd. Indien de flanken zeer steil zijn en de vallei zeer smal spreekt men van een sterke kanalisatie. Het verloop van de ontwikkeling en de eindtoestand laat weinig plaats voor variatie en differentiatie. Als de dalen breed zijn en de flanken zwak zijn, is het veel moeilijker om het exacte traject van de bal te voorspellen, in dit geval spreekt men van een zwakke kanalisatie.

Ik gebruikt nog het liefst de metafoor van de rivier, de chreode kun je hier dan bezien als de delta van de rivier voor de monding. De stroom splitst zich op in een aantal afzonderlijke kanaaltjes, grote en kleine, sterk en zwak gekanalizeerde, brede en smalle. Maar ze vormen als geheel de monding, het eindpunt van de rivier. Elk kanaaltje kenmerkt de vorm van de rivier als geheel.

Deze uiteenzetting is gebaseerd op het tweede hoofdstuk van het boek "Een nieuwe Levenswetenschap" van Rupert Sheldrake, waar het meer uitgewerkt werd.